Willem Hartman, een vroege Zaanse dienstweigeraar

Hoewel het weinig heeft uit te staan met de Tweede Wereldoorlog (maar wel met oorlogen in het algemeen) vind ik het verhaal van de in Westzaan geboren dienstweigeraar Willem Hartman zo bijzonder dat ik er hier graag een plekje voor inruim.

Sinds augustus 1996 roept Nederland geen dienstplichtigen meer op. We hebben tegenwoordig een beroepsleger. Maar in de voorgaande twee eeuwen moesten jongens, uitzonderingen daargelaten, zich in de kazerne melden om vervolgens langdurig onder de wapenen te gaan. Vanaf dat moment waren er ook dienstweigeraars. Met name in het interbellum vertikten veel jongens het -met de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog nog vers op het netvlies- om een uniform aan te trekken. Langdurige gevangenisstraffen waren hun deel. De weigeraars waren merendeels idealisten die inspiratie ontleenden aan het christelijke, anarchistische of sociaal-democratische gedachtengoed.

In de jaren 1915-1918 telde Nederland zo’n vijfhonderd dienstweigeraars, een veelvoud van het aantal in de vooroorlogse periode. Ook daarna beriepen honderden jongeren zich op hun geweten om niet in het leger te hoeven. Relatief veel van hen kwamen uit de ‘rode’ Zaanstreek. Een van hen was Willem Hartman (Westzaan, 16-1-1900).

In 1921 ging de dienstweigeraar Herman Groenendaal in hongerstaking. Zijn arrestatie en de daarop volgende behandeling leidden tot veel commotie en protesten. Resultaat was wel dat er twee jaar later een dienstweigerwet tot stand kwam voor principiële pacifisten. Willem Hartman kon niet profiteren van deze nieuwe wet. In 1920 belandde deze pacifistische, vegetarische geheelonthouder namelijk in de cel omdat hij weigerde ‘medemensen te doden’. Dankzij zijn familie kon ik een blik werpen in de brieven die deze twintiger gedurende zijn tien maanden gevangenschap schreef aan zijn familieleden. Het is bijzonder materiaal uit een tijd dat dienstweigeraars nog werden gezien als gevaarlijke outcasts en onruststokers.

Kapitalisme

Willem wordt op 6 maart 1920 afgevoerd naar de gevangenis. “Om half tien gingen wij met een tachtig personen van Zaandam naar Den Helder”, noteert hij in zijn keurige handschrift. Hij komt daar met een hele groep nieuwe dienstweigeraars terecht in de Zeefrontkazerne. “Om 9 uur moest wij de krijgsartikelen tekenen, maar dat heb ik niet gedaan, omdat ik het kapitalisme niet wil dienen.” Het is duidelijk, Willems -dan nog- communistische inborst heeft hem doen besluiten om het leger te mijden. Ondanks de consequenties: “Omdat ik die krijgsartikelen niet wilde tekenen, werd ik in de provoost [de militaire gevangenis] gezet.”

Eerste brief

De eerste brief

Twee dagen later wordt er een nieuwe poging gedaan om hem in te lijven.  “Net zopas kwam er een kapitein met mij praten, die kwam mij gelasten de militaire kleren aan te trekken, maar dat zal niet gaan. Hij vond mij een heel fatsoenlijk jongmens, nou, misschien scheelt het voor de krijgsraad. Hij dacht dat ik een maand of negen straf zou krijgen en dan ben ik van de hele rommel af.” Willem vermoedt dat de kapitein wel eens gelijk kan krijgen. “Ik denk dat ik eerst 3 maanden krijg voor de eerste weigering, dan mag je een paar dagen naar huis en dan wordt je veroordeeld voor de tweede weigering tot 6 maanden.” Op prettig laconieke toon laat hij weten het prima naar zijn zin te hebben tussen zijn collega-weigeraars. “Hoe of mijn cel er uitziet? Dat zal ik even vertellen. Hij is zowat net zo groot als uw woonkamer.” Eind maart moet hij zijn motieven toelichten: “Dinsdag heb ik mijn eerste verhoor gehad. Ze vroegen mij daar of ik al eens straf gehad heb, waarom of ik geweigerd had en al die grappen meer. Jonge jonge, wat hebben zij daar een paperassen voor nodig.”

Medio april wordt hij overgeplaatst naar ‘mijn buitenverblijf’, de strafgevangenis in Scheveningen (het latere ‘Oranjehotel’, waar de nazi’s tijdens de oorlog verzetsstrijders opsluiten). Het regime is daar strenger. Er mag alleen familie in de eerste lijn op bezoek komen, eenmaal per week. Postpakketten en kranten zijn niet langer toegestaan. Gevangeniskleding is verplicht. Willem verblijft met vijftien dienstweigeraars op een zaal. “Zij zijn ook ongeveer allemaal voor geweldloosheid. Wij zijn allemaal strijders voor een betere maatschappij, maar dan zonder geweld.” Hij zit vol goede voornemens: “Ik zal mij zoveel mogelijk trachten te ontwikkelen, want ik zie in dat ik nog zo dom ben als een pasgeboren koe.”

Tweedracht

Op 21 april 1920 moet Willem zich verantwoorden voor de krijgsraad. Die veroordeelt hem tot zes maanden cel en vijf jaar ontzegging van het kiesrecht. Hij tekent beroep aan. “Jullie moeten maar rekenen op tien maanden, wat het minder wordt dat valt dan weer mee.” Hij worstelt met zijn politieke gedachten: “Ik heb wel in de gaten dat ik op de verkeerde weg ben nu. Communist en dienstweigering kunnen nooit samengaan. De communisten zijn wel voor geweld en ik niet. Ik ben dienstweigeraar, omdat mijn geweten het niet toelaat dat ik soldaat word. Zoals ik nu dienstweigeraar ben, ben ik tegen het geweld en tegen het vermoorden van mijn medemensen. Ik moet helemaal eigenlijk niet in een vereniging zijn, want dat zaait allemaal maar haat en tweedracht. Ik zal van de week een brief schrijven aan C. Kars dat ik bedank als lid van de Communisten Partij.”

Willem raadt zijn familie af om langs te komen. De reis is ver en duur, de tijd om elkaar te spreken kort. “Wij krijgen bezoek in ‘t ontvanglokaal, daar zit een oude majoor en die steekt geregeld zijn mond erin als je zit te praten, dan krijg je niet langer bezoek dan een minuut of 6.”

Op 9 mei gaat er opnieuw een brief naar zijn ouders, die aan de Westzanerdijk 216 wonen. “Van de week is hier een reuzentafereel afgespeeld. Het eten dat wij kregen was niet veel bijzonders tot nog toe. Toen hebben wij een briefje gestuurd aan de directeur. Deze was hierdoor zo gebelgd dat hij het direct verscheurde. Maar het heeft toch geholpen, want nu hebben wij een eigen kok.” Hij filosofeert: “Wanneer zal die haat en tweedracht onder de arbeiders eens veranderen? Ik denk van nooit.” En hij heeft voornemens: “Als ik weer vrijkom zal ik tenminste reusachtig werken voor de uitbreiding van de Onafhankelijke Vakvereniging en voor de Vrije Jeugd Bond. Dus er is weer werk aan de winkel. Zoveel te beter, want werken voor de vrijmaking van de arbeiders is mijn lust en mijn leven.” Hij maakt meteen een begin: “Wij zijn hier nu aan een vlugschrift op te maken, om te verspreiden onder de jeugd, om te komen tot het oprichten van een Vrije Jeugd Bond. Deze bond beoogt het vormen van vrije zelfstandige personen. En daar moeten wij heen. Wij moeten in deze maatschappij trachten om zoveel mogelijk op zichzelf staande personen te vormen, dat als er een nieuwe maatschappij komt, dat de mensen niet geregeerd behoeven te worden. Want als je de ene regering omver gooit, en je vestigt dan weer een nieuwe regering, daar ga je niet erg veel mee vooruit. En toch, als er een communistische samenleving kwam, zou het weer een aardige stap in de goede richting zijn. Wel zouden wij weer opposant wezen, maar de opvoeding van de mensen zou heel wat beter wezen dan in deze tegenwoordige maatschappij.”

Hartman 3 

Op 6 september krijgt Willem in Den Helder opnieuw het bevel om in dienst te gaan en militaire kleding aan te doen. Hij weigert voor de tweede keer. “Toen werden wij weer in arrest gezet.” Hij verblijft in Den Helder een tijdje tussen de ‘onproductieve mensen. Daar bestaat het leger en het militarisme helemaal van’. Zijn nieuwe en laatste adres in gevangenschap wordt uiteindelijk het fort in de Beemster: “Als je niet op Spijkerboor gezeten hebt, ben je geen dienstweigeraar.” Uiteindelijk zal hij daar verblijven tot 4 januari 1921. Na tien maanden cel -de gebruikelijke straf voor dienstweigeraars- mag hij terug naar huis. Willem Hartman treedt later in het huwelijk met Anna Spreeuw (Zaandam, 4-8-1900). Het echtpaar gaat wonen aan het Zuideinde 106 in Westzaan, naast Willems jongere broer Klaas en diens vrouw Annie. Hun huwelijk blijft kinderloos. Willem wordt chauffeur bij meelfabrikant Molenaar, waar hij ook al werkte voor hij in de cel belandde. In 1976 overlijdt Willems echtgenote. Hijzelf verhuist naar Lambert Melisz. Op 3 juli 1979 overlijdt hij in zijn woonplaats.

Ik eindig toch nog met de Tweede Wereldoorlog. Want hoewel hij al bijna twintig jaar eerder was vrijgelaten uit de gevangenis figureert Willem Hartman in 1939 nog altijd op een lijst van de Centrale Inlichtingendienst. Daarop staan duizenden namen van -bijna allemaal linkse- Nederlanders die potentieel staatsgevaarlijk worden geacht. Achter Willem Hartmans naam staat de kwalificatie ‘dienstweigeraar, ant-mil. voorvechter’. De CID-lijst belandt na de bezetting in Duitse handen en vormt vijf jaar lang een hulpmiddel bij het traceren van antifascisten.

Dat het idealisme verankerd was in de familie blijkt mede uit het feit dat Willems jongere zus Corrie Ruska-Hartman en haar man tijdens de oorlog twee joodse kinderen in hun huis verborgen.

Foto Hartman
Willem Hartman (zittend)

(Met dank aan Judy Arends)

1 antwoord
  1. R.Vanderveen
    R.Vanderveen zegt:

    Het ene schandaal na het andere maar het allerergste dat het Nederlandse apparaat CID de lijsten in handen speelde van de mof oftewel de Nationaal-Socialisten!! Zo is het ook gegaan met onze joodse medeburgers.Weerloos overgeleverd aan de Nazi’s met hun vervloekte racisme ideologie.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.