Verzet in Zaandijk: ‘Alle mogelijke valsche stempels konden door ons worden geleverd’

Jan Dirk Vis in 1951 (Gemeentearchief Zaanstad)

Jan Dirk Vis (1890-1953) zat in de top van het Zaandijkse verzet. Een jaar na de bevrijding beschreef hij zijn ervaringen gedurende de Tweede Wereldoorlog. Er bestaan duizenden naoorlogse terugblikken op de illegaliteit. Meestal zijn die anekdotisch, ideologisch gekleurd en lijkt het alsof de bezetter dankzij de overweldigende weerstand weinig te vertellen had. Bovendien werden vaak namen van betrokkenen weggelaten of veranderd in een pseudoniem. Vis daarentegen beschreef zijn ervaringen nuchter en met vermelding van alle hem bekende namen. Het resultaat is een interessant inkijkje in een dorps verzetsmilieu.

Mijn eerste schreden op het pad der illegaliteit heb ik gezet begin mei 1941, geloof ik. Reeds eenigen tijd kende ik Joop Keijzer, rijksveldwachter alhier, waarvan mij bekend was dat hij behoorde tot de groep Ero, Honig, Groot, De Jong c.s. Toen deze groep op één of twee na geheel werd ‘opgerold’ en Keijzer één van de gelukkigen was die aan de klauwen van de moffen wist te ontkomen, moest deze op 4 mei 1941 onderduiken. Hij bracht alles wat voor hem van eenige waarde was bij mij en verdween. Al spoedig kreeg ik van hem bericht waar hij zat en het verzoek hem te willen bezoeken. Van dien tijd af verrichtte ik geregeld koeriersdiensten voor hem en vormde ik de verbinding tusschen hem en zijn vrouw, die eerst niet mocht weten waar hij verbleef. Van hem ontving ik verschillende opdrachten om uit te voeren, waardoor ik eigenlijk vanzelf in het ‘ondergrondsche vak’ terechtkwam.

Zoover ik mij herinner, was dit eigenlijk het begin van mijn ‘zaak’, een zaak die al spoedig grooteren omvang aannam. Voor koeriersdiensten kregen wij al gauw de beschikking over enkele dames en meisjes, maar er waren heel veel andere werkzaamheden te verrichten, bijvoorbeeld het onderbrengen van joden, onderduikers en later ook van spoormenschen. Er moest geld worden ingezameld om de onderduikers die daaraan behoefte hadden financieel te ondersteunen, terwijl in sommige gevallen ook ondersteuning in natura plaatsvond. Ook werden de onderduikers door ons van distibutiekaarten, inlegvellen en bonnen voorzien.

Dan hadden we ook nog een groot aantal afnemers van valsche ‘Ausweisen’, voorzien van valsche stempels en valsche handteekening. De zogenaamde Z-kaarten hebben ons heel wat werk verschaft, aangezien wij hiervan eenige honderden hebben ingevuld met gefingeerden namen van werkgevers en werknemers, waardoor de opzet van de moffen om een nauwkeurig overzicht te verkrijgen over het hier in het land beschikbaar menschenmateriaal om naar Duitschland te zenden geheel is mislukt. Weer een andere tak van het bedrijf was het vervalschen van bestaande en het verstrekken van geheel valsche persoonsbewijzen, waarmee gepaard ging het vervalschen van trouwboekjes en distibutiestamkaarten.

Ik wil niet onvermeld laten dat ik al dit werk deed in de meest nuttige en tevens meest aangename samenwerking met ‘Oome Jaap’ (J. Muusse, alhier). Het was juist dit werk dat mij tot de OD [Ordedienst] heeft gebracht. Door een kennis van mij kwam ik in contact met ‘Dirk Jan’ uit Amsterdam, die ook geholpen moest worden aan een valsch P.B. en bonkaarten. Door hem kwam ik weer in verbinding met den heer R.C. van den Bosch, Opperw.[achtmeester] der Kon.[inklijke] Marech.[aussee] te Zaandam, die ook voor mij een bestelling had, o.a. een ander P.B. voor hemzelf en die sindsdien herdoopt was in Henry van Treslong. Na elkander daarna nog eenige malen gesproken te hebben, verzocht hij mij het plaatselijk commando voor den OD in Zaandijk op mij te willen nemen, waartoe ik mij graag bereid verklaarde. Een datum van aanstelling zou ik u niet kunnen opgeven, maar ik meen dat dit omstreeks mei/juni 1943 is geweest.

Reinier Cornelis van den Bosch

Op deze wijze kwam ik in contact met den heer Hiemstra te Koog a/d Zaan, van wien ik vernam dat hij commandant was voor Koog en Zaandijk, en de heer Nijzink te Koog zooveel als ondercommandant voor Koog en ik ondercommandant voor Zaandijk. De samenwerking met dezen superieur van mij was helaas niet zoo aangenaam als ik mij dat had voorgesteld en als door mij wel wenschelijk werd geacht in het belang van de goede zaak. Na verloop van tijd werd de heer Hiemstra vervangen door den heer D.J.J. Hellema te Koog a/d Zaan, die, nadat deze op 11 februari 1945 te Obdam door de moffen was vermoord, werd opgevolgd door den heer P. Bets te Zaandijk. Eerst van dien tijd af kan ik spreken over een behoorlijke en prettige samenwerking.

Ik keer nu eerst even terug naar de werkzaamheden welke hier werden verricht vóór de bevrijding. Behalve de reeds eerder vermelde bezigheden had ik hier, in samenwerking met ‘Oome Jaap’, een waarschuwingsdienst georganiseerd, die in werking kwam zoodra ik een seintje kreeg dat er een razzia op komst was. Soms werd ik door één van mijn superieuren opgebeld, meestal ‘s nachts natuurlijk, en ontving dan de een of andere opdracht om hier of daar te gaan kijken of er moffen waren en wat ze daar deden. Zoo gauw mogelijk moest er dan natuurlijk verslag worden uitgebracht, wat ook steeds prompt geschiedde, maar heel vaak kon ik niets anders dan ‘loos alarm’ rapporteeren. Ook ontving ik verschillende malen op deze wijze bericht dat er onraad dreigde voor den één of ander, die dan gewaarschuwd moest worden, of dat er sprake was van een razzia onder de geheele bevolking, in welk geval dan het reeds genoemde waarschuwingssysteem in actie kwam. 

Alle mogelijke valsche stempels, niet van echten te onderscheiden, konden door ons worden geleverd. Ook hielden we ons toen reeds bezig met het samenstellen van een lijst van NSB’ers, Duitschers, NSKK’ers, collaborateurs, zwarte handelaren, enz.

Op zaterdag 13 mei 1944 dook onze burgemeester, A.H. van Gelderen van Zaandijk, onder, omdat de moffen hem wilden inrekenen. Teneinde te voorkomen dat zijn geheele inboedel door de moffen zou worden weggesleept, moest deze zoo gauw mogelijk ‘geborgen’ worden. ‘s Zondagmiddags wist ik de heeren J.H. Fust en C. Brinkman ervoor te vinden mij te helpen de heele zaak zoo goed en zoo kwaad als het ging zoo gauw mogelijk in te pakken, waarmee we ‘s avonds klaar waren. Maandagmorgen om vier uur stond Arie Luik met zijn vrachtwagen voor het huis en om acht uur was er in het heele huis niets meer te vinden. Luik moest als gevolg hiervan al heel gauw ook onderduiken, aangezien het was uitgelekt dat hij had gereden en dientengevolge door de landwacht werd gezocht. Ook mijn naam schijnt genoemd te zijn, tenminste bleek mij dit toen ik hierover door den commandant van de landwacht werd verhoord, maar ik wist natuurlijk nergens van.

Maar bij die eene verhuizing bleef het niet. Onze gemeentesecretaris J.H. van der Goes verkoos niet met den nieuwen burgemeester samen te werken en dook ook onder. Ook zijn bezittingen moesten dus in veiligheid worden gebracht. ‘s Avonds om 7 uur begonnen, was om 11 uur het geheele huis leeg. Helaas waren we hiermee niet zoo gelukkig. Hebben de moffen nooit kunnen uitvinden wie den burgemeester hadden verhuisd en waar die goederen waren gebleven, met de goederen van den heer V/d Goes is het slechter afgelopen. Hoe het precies is uitgekomen, daar ben ik nooit achter gekomen, maar de landwacht wist al heel gauw precies wie er aan hadden meegewerkt en waar de goederen waren geborgen.

Op Hemelvaartsdag, 18 mei 1944, werden alle medewerkers van de verhuizing door den commandant van de landwacht, F.W. Koot, op het raadhuis aan een verhoor onderworpen, met het gevolg dat mevrouw Daam-van Haalderen en de heer Rienstra, conciërge van het raadhuis, in het concentratiekamp Vught terechtkwamen. Bij dit verhoor was ik niet tegenwoordig, mij was iets ter oore gekomen van wat er dreigde en ik vond het dus maar beter dien dag niet thuis te zijn. Het verhoor van mij vond eerst den volgenden middag plaats, maar dat had natuurlijk heel geen succes, want ik had mij eerst nauwkeurig op de hoogte gesteld van de gang van zaken van den vorigen dag. Later is door mij als Plaatselijk Commandant van Zaandijk, in tegenwoordigheid van twee rechercheurs van den POD [Politieke Opsporingsdienst] den bovengenoemden Commandant van den landwacht in Castricum, alwaar hij toen was gedetineerd, een verhoor afgenomen. Over deze zaak heb ik toen een uitvoerig rapport opgemaakt en aan den POD te Zaandam doorgezonden.

Op dinsdag 12 september 1944 werd mijn hulp ingeroepen voor een Amerikaanschen vliegenier, die hier in de omgeving met nog acht andere piloten uit een aangeschoten Amerikaansch vliegtuig was neergekomen en geborgen was bij den heer Zwart op ‘Het Herderskind’ in het Westzijderveld. In de eerste plaats voorzag ik hem van burgerkleeren en distibutiebescheiden en ik wisselde voor hem 2000 Fransche Francs om in Nederlands geld, welke later door mij bij de Incasso-bank te Zaandam werden ingeleverd en waarover ik tot dusver nog nooit meer iets heb vernomen. Hoe het verder met dezen man is gegaan behoef ik u [August W. Sabel] niet nader te omnschrijven, dat is u genoegzaam bekend. Wel wil ik u verklaren dat het weer moeten inleveren van dezen man voor mij het beroerdste werk is geweest dat ik gedurenden den geheelen oorlog heb verricht.

Het neergehaalde vliegtuig, de Betty Jane, met haar bemanning

Maar het was ook niet prettig den volgenden dag van een telefoontje te krijgen, dat ik maar wat uit logeeren moest gaan, omdat mijn naam aan de politie was genoemd in verband met dat inleveren van dien vliegenier. Daar was dus niets aan te doen, ik trok naar Uitgeest, waar ik van hieruit gemakkelijk te bereiken was en van waar ik ook weer gauw thuis kon zijn wanneer dit noodig mocht zijn. Gelukkig duurde deze ballingschap niet lang, want na een week kreeg ik door middel van een koerierster bericht dat het gevaar voor mij wel weer geweken was en ik wel weer thuis kon komen. Dit was maar goed ook, want juist denzelfden ochtend werd er in Uitgeest bekendgemaakt dat vrijwel geheel Uitgeest moest evacueeren naar de Zaanstreek. Het duurde dus niet lang of ik was weer thuis. 

Toen ik thuis kwam, was men in Zaandijk juist bezig een evacuatiecommissie op te richten, om het onderdak brengen van de evacués en het transport van hun mee te brengen goederen te regelen. Natuurlijk moesten ‘tante Lena’ [Keijzer] en ik hierin zitting nemen, omdat wij beiden precies wisten waar hier in de gemeente joden en andere onderduikers verborgen zaten en waar natuurlijk geen evacués mochten worden ondergebracht.

Op 10 oktober 1944 ontving ik op het bureau van de evacuatiecommissie een berichtje van het raadhuis dat er moffen bij den burgemeester waren, die als straf voor het feit dat ze op den spoorweg in onze gemeente eenige bommen zouden hebben gevonden, zes huizen zouden afbranden. Het zouden huizen zijn die dichtbij de plaats stonden waar de bommen moesten zijn gevonden. Onmiddellijk werd de geheele evacuatiecommissie gemobiliseerd, eerst om de menschen die dicht bij den spoorweg woonden te waarschuwen en tevens om in de geheele gemeente alarm te maken. Zoodra bekend was welke huizen als slachtoffer zouden moeten vallen, zijn we met vereende krachten begonnen zooveel mogelijk uit deze huizen te halen. Dankzij de onvermoeide pogingen van onze toenmaligen burgemeester Volkers speelde die het klaar van die moffen gedaan te krijgen dat ze met het in brand steken een uur hebben gewacht, in welken tijd wij met hulp van ontzettend veel menschen en inspanning van alle krachten het klaarspeelden alle zes huizen vrijwel geheel te ontruimen.

Eén der huizen, dat van den heer Woudt aan de Plataanlaan, bliezen ze in de lucht, terwijl de andere vijf huizen aan de Tuinkade gewoon in brand werden gestoken. De brandweer was wel aanwezig, maar mocht zich aanvankelijk alleen bepalen tot het nathouden van de belendende gebouwen en de achter de huizen staande schuurtjes, maar verder moest zij lijdelijk aanzien tot ongeveer vijf uur toen de ‘heeren’ vertrokken.

Plataanlaan 11 en Tuinkade na de represaille (Gemeentearchief Zaanstad)

Door mijn werkzaamheden voor de evacuatiecommissie zoowel als door mijn functie bij brandweer en luchtbescherming kwam ik nogal eens in contact met burgemeester Volkers, die in mij nogal eenig vertrouwen scheen te stellen. Zoodoende ontving ik omstreeks half januari 1945 van hem het verzoek om te willen meewerken aan een Nood-Organisatie, welke zou worden opgericht voor Koog en Zaandijk en waarover nauwkeurig wordt vermeld in het door mij over deze organisatie uitgebrachte rapport, waarvan ik een exemplaar hierbij insluit.

Van het vertrouwen dat burgemeester Volkers in mij stelde, kon ik af en toe wel eens aardig gebruikmaken. Ten eerste was ik op het raadhuis ‘als kind in huis’, zoodat ik steeds nauwkeurig op de hoogte was van alles wat daar gebeurde en ten tweede vroeg hij mij wel eens om raad, waarvan ik dan weer profijt kon trekken in het belang van de goede zaak. Zoo herinner ik mij bijvoorbeeld dat hij eens mijn hulp inriep, omdat hij geen raad wist met het transport van het eten van de Centrale Keuken te Wormerveer naar de uitdeelposten in onze gemeente. Ik zag er wel kans voor dat probleem op te lossen, mits hij mij voor twee onderduikers deugdelijke ‘Ausweisen’ verschafte, hetgeen prompt door hem in orde werd gemaakt. De twee jongens die ik hiervoor op het oog had, hadden geen kans om naar Duitschland gezonden te worden en verdienden behoorlijk hun eigen kost, zoodat ze niet meer door ons behoefden te worden onderhouden.

Op 1sten Kerstdag, 25 december 1944, kreeg ik van de heer Hellema een telefoontje, dat ons bevolkingsregister dien nacht ‘in veiligheid’ zou worden gebracht en dat het verdere beheer en de verzorging hiervan aan mij werd opgedragen. Al spoedig had ik er een geschikte en veilige bergplaats voor gevonden. ‘s Avonds ongeveer elf uur overviel een stelletje jongens van het S.G. [Strijdend Gedeelte van de Binnenlandse Strijdkrachten] den gemeentesecretaris De Boer, die met bedreiging van geweld gedwongen werd alle sleutels van het raadhuis even af te staan. Dit gebeurde prompt en terwijl een gedeelte der jongens waakte dat De Boer geen alarm zou kunnen maken, stapten de andere jongens naar het raadhuis, openden met de geleende sleutels de kluis en laadden de geheele inhoud hiervan zorgvuldig in negen gonje zakken, hiervoor meegebracht, verpakten het heele geval op een bakfiets, waarmee de zaak naar aangewezen bewaarplaats werd getransporteerd. Toen mij later bleek dat de jongens niet alleen het bevolkingsregister, maar ook een paar trommels met geld hadden meegenomen, zoodat de gemeente geheel zonder geld zat, heb ik deze trommels er uitgelicht en er voor gezorgd dat deze weer op het raadhuis terechtkwamen, natuurlijk zoo, dat ze niet wisten wie ervoor had gezorgd.

Bij die gelegenheid bleek mij dat er zich ook bij bevond een boek met alle mogelijke zegels voor persoonsbewijzen en dat natuurlijk ook door mij werd meegenomen en waarvan wij buitengewoon veel pleizier hebben gehad bij de verstrekking van valsche persoonsbewijzen. Ik ben altijd nog erg blij dat ik die geldtrommels toen onmiddellijk heb terugbezorgd, want toen direct na de capitulatie burgemeester Van Gelderen en de heer Vesseur weer op hun posten terugkeerden en de heele zaak aan een nauwkeurig onderzoek onderwierpen, bleek dat er een kastekort was van maar even 70.000 gulden.

Wanneer ik moet vertellen over het zuivere OD-werk, dan zou ik dit willen samenvatten in de paar woorden ‘orders en tegenorders, instructies en tegeninstructies’. Van al het vóór de bevrijding verrichte werk is maar heel weinig tot zijn recht gekomen, omdat tenslotte alles heel anders is gelopen dan we ons dat aanvankelijk hadden voorgesteld. Wel werd begin januari 1945 door ons een kern gevormd voor de B(ewakings)T(roepen), bestaande uit twaalf man, die ieder op hun beurt weer een tiental vertrouwde menschen zouden uitkiezen om zoodra dit noodig zou zijn deze menschen ook in de geheimen in te wijden. Gedurende eenige maanden werden bovengenoemde twaalf man geregeld twee maal per week geoefend in de hanteering van stengun en handgranaten. Deze oefeningen vonden plaats in een lokaal van de ULO-school alhier, terwijl het oefenmateriaal ons welwillend werd ter beschikking gesteld door ‘Oome Jaap’ van het S(trijdend) G(edeelte). Zij hebben echter nooit dienst behoeven te doen.

Reeds eerder heb ik vermeld dat de heer Hellema als Commandant van Koog en Zaandijk werd opgevolgd door den heer P. Bets te Zaandijk. Daar heb ik steeds zeer aangenaam mee samengewerkt. Vanaf dien tijd kwamen de heeren Bets en Nijzink en ik iederen maandagmiddag bij mij thuis bij elkander om de verschillende zaken te bespreken en te regelen. Zoodra de heer Bets was benoemd, werd zijn naam aan de sterktelijst der BS toegevoegd. Hij was zeer verwonderd toen te ervaren dat de naam van den heer Nijzink ook op deze lijst voorkwam, maar dat de naam van mij, die ondertusschen al zoo ongeveer twee jaren dienst in den OD achter den rug had, er nog niet op stond. Door zijn toedoen werd eerst toen ook mijn naam aan die lijst toegevoegd. De chef-menagemeester van de BS, J. van Delft, noteerde hiervoor mijn naam keurig op een briefje, borg dit briefje zorgvuldig in zijn tasch op en toen de landwacht op 19 maart 1945 een inval deed in Van Delft’s Fabrieken en daar o.a. ook de tasch, met het briefje, van J. van Delft meenam, begon het voor mij wel wat gevaarlijk te worden om thuis te blijven. Van den heer Nijzink kreeg ik een telefoontje, dat ik verstandig zou doen om voorlopig maar onder te duiken. Maar met het oog op mijn werkzaamheden voor de goede zaak kon ik de gemeente niet verlaten. Ook met het oog op de Nood-Organisatie, waarvan ik secretaris was, en de distributie van de Zweedsche en Roode Kruis-uitdeeling van brood en andere artikelen, waarvan ik de leiding hier in de gemeente had, was mij dit niet mogelijk. Daarom bepaalde ik mij er maar toe om gedurende ruim veertien dagen bij een familielid alhier te slapen en te eten. Gelukkig heb ik hierover verder nooit meer iets bemerkt, dan alleen dat mijn naam dan toch eindelijk aan de sterktelijst der BS was toegevoegd.

En hierop volgde al spoedig de dag waarnaar we al zoo lang reikhalzend hadden uitgezien, namelijk de capitulatie der Duitschers op vrijdagavond 4 mei 1945. Het liefst zouden we toen meteen maar begonnen zijn met ons werk, maar we hadden van hoogerhandf instructies om niets te doen zonder hiertoe order of bevel te hebben ontvangen, ook was sterk afgeraden te gaan vlaggen zoolang we hiervoor geen toestemming hadden ontvangen. Maar het publiek stoorde zich daar niet aan. Overal zag men de vlaggen tevoorschijn komen en toen vrijwel de geheele gemeente één groote vlaggentooi was, heb ik zaterdagmorgen om 12 uur zelf ook maar de vlag op het raadhuis geheeschen. 

Zondagmorgen 6 mei installeerden we ons in het raadhuis. Als bewakingstroepen kreeg ik direct de beschikking over een groep van tien man, die door ‘Oome Jaap’ voor het strijdend gedeelte keurig was geoefend en afgericht, doch daarin schijnbaar niet kon worden opgenomen. Later, toen bleek dat wij aan die tien man niet voldoende hadden, werd ons corps Bewakingstroepen nog verder uitgebreid en tenslotte bestond uit:
1 Commandant voor Koog en Zaandijk
1 adjudant
1 P.C. voor Zaandijk
1 adjudant
1 koerier
2 groepsleiders
21 manschappen
1 motorordonnans
dus totaal 29 man.

De werkzaamheden van deze menschen waren in hoofdzaak de bewaking van het raadhuis, eerst dag en nacht, later alleen overdag.
Controle, minstens tweemaal per dag, van de huizen van gearresteerde personen.
Het aanplakken van de verschillende, met kwistigen hand rondgestrooide proclamaties.
Het schoonhouden van het bureau van den P.C. en het wachtlokaal.
Het werken in de BS-keuken in Wormerveer.
Het bewaken van de orde op straat en het controleren van rijvergunningen voor auto’s en motorfietsen.
En later, toen op 2 juni 1945 de eerste trein weer reed, een trein speciaal voor uit Duitschland repatrieerenden, die iederen middag hier om 1 uur aankwam, deden de mannen dienst om ongelukken te voorkomen, aangezien de publieke belangstelling hiervoor enorm was en de afrastering van den spoorweg door de brandstoffenschaarschte was gesneuveld. Ook werden de aankomende repatrieerenden dan meteen even aan een onderzoek onderworpen of er niet één bij was die op onze lijst van te arresteeren personen voorkwam. Wat Zaandijk betreft hebben we hiermee maar eenmaal succes gehad. Wel is het nog eens voorgekomen dat er één die op onze lijst stond met een andere gelegenheid thuiskwam, maar hij was nog geen vijf minuten in huis of ik was met mijn adjudant bij hem en hij gaf gewillig gehoor aan mijn verzoek om mee te gaan naar mijn bureau, alwaar hij later door de bevoegde instantie werd overgenomen.

Maar op zondag 6 mei zaten we wel op het raadhuis, maar er was nog bitter weinig voor ons te doen. Voor de legering van het S.G. in de Kooger school hadden ze behoefte aan stroozakken. Uit hoofde van mijn vroegere functie bij de Evaluatiecommissie was mij bekend dat van deze commissie in de Paral-verffabriek 35 balen stroo, vier gevulde stroozakken, 80 leege stroozakken en 83 hoofdkussentjes aanwezig waren. Deze werden voor dit doel door mij aan den C.C. Koog afgegeven en ik geloof dat dit een van de weinige werkzaamheden van dien dag was, want wij zaten nog maar steeds af te wachten.

Intusschen was de heer J.H. Fust met zijn auto naar Waddinxveen gegaan om de burgemeester Van Gelderen terug te halen. Afgesproken was met den C.C. Koog, dat die voor een eere-escorte van de BS zou zorgdragen bij de feestelijke intocht van burgemeester van Gelderen, die maandagmorgen 9 uur zou plaatsvinden. Door een misverstand kwam het eere-escorte echter niet opdagen en de feestelijke intocht werd verschoven naar ‘s middags twee uur. Dat ging beter. Met Zaandijksch Fanfarecorps voorop en begeleid door het eere-escorte der BS en gevolgd door een enorme menschenmassa trok de stoet vanaf de Parklaan naar het raadhuis, alwaar het gebruikelijk ceremonieel plaatsvond, toespraken, felicitaties, enz.

Maandag 7 mei werd er ‘s avonds één arrestatie hier verricht (H. van Essen), maar dinsdag 8 mei was hier de groote arrestatiedag, terwijl er ook woensdag 9 mei nog verschillende gearresteerd werden. In totaal werden hier in die paar dagen 38 menschen gearresteerd, waarvan er 7 al heel gauw weer vrijgelaten moesten worden.

Door deze arrestaties kwamen er 17 huizen onder onze bewaking te staan. De sleutels van deze huizen, voorzoover geen bewoners meer achtergebleven, kwamen onder mijn berusting. Al deze huizen moesten worden onderzocht of er nog bezwarende papieren te vinden waren, of er geld aanwezig was, dat door mij voorloopig is bewaring werd genomen, of er aan bederf onderhevige etenswaren aanwezig waren, de in deze huizen binnenkomende post werd gecontroleerd. Etenswaren werden afgeleverd aan de staf, terwijl er door ons brandstoffen zijn weggehaald en afgeleverd aan de BS-keuken te Wormerveer, het Roode Kruis en het Kindertehuis voor NSB-kinderen te Edam. Ook kwam het voor dat in die NSB-huizen voorwerpen waren van niet-NSB’ers die aan den rechtmatigen eigenaar moesten worden terugbezorgd.

Soms hadden de in de strafgevangenis gedetineerden andere kleeren, eetgerei, toiletartikelen of iets dergelijks noodig. Hierover kregen wij dan bericht van de strafgevangenis en wij zorgden ervoor. Ook het verstrekken van bewijzen van politieke betrouwbaarheid hoorde tot onze werkzaamheden en nog zooveel andere dingen, maar ik hoop dat u mij niet kwalijk zult nemen wanneer ik het een of ander nog heb vergeten. Zoo heb ik nog niet vermeld dat één van de allereerste dingen die we maandag 7 mei hebben gedaan was het weer ophalen uit zijn schuilhoek en weer op het raadhuis terugbrengen van het ondergedoken bevolkingsregister. Later kwamen menschen die door de moffen alles kwijtgeraakt waren en daarom van Bureau Rechtsherstel toestemming hadden gekregen om uit verschillende NSB-huizen goederen te halen, hetgeen ook weer door ons werd gecontroleerd.

De districtsgevangenis in Zaandam, mei 1945 (Gemeentearchief Zaanstad)

Nog druk met al deze werkzaamheden bezig, ontving ik op 8 juni 1945 een schrijven van den 7-en, dat krachtens order van H.K.-G11 [hoofdkwartier van Gewest 11] Sec. 1 No. 51 d.d. 5 juni 1945 de werkzaamheden van de Plaats. Commandanten per 10 juni zouden worden overgenomen. Er was echter geen Comp. Commandant te vinden die orde had of ook maar eenigszins genegen was de zaken van mij over te nemen. Hierop vervoegde ik mij bij mijn Distr. Commandant, die mij op de vraag wat ik nu moest doen, antwoordde: rustig doorgaan en zelf de zaken afwikkelen. Mitsdien werd de zaak weer op denzelfden voet voortgezet. Wel heb ik getracht de heele zaak zoo spoedig mogelijk te liwideeren. Zoo langzamerhand heb ik verschillende zaken die ik onder mijn berusting had, zooals geld enz., overgedragen aan Bureau Rechtsherstel, zoodat ik tenslotte op 28 juli de zaak als officieel afgesloten kon beschouwen. Dat wil niet zeggen dat ik er heelemaal niets meer mee te maken had, want na de officieele sluiting kwam men toch steeds nog weer met alle mogelijke inlichtingen bij mij, hetgeen zelfs tegenwoordig nog wel eens gebeurt.

Ik meen u hiermede zoo ongeveer een overzicht gegeven te hebben van hetgeen ik hier in de oorlogsjaren in grove trekken heb meegemaakt. Aan den eenen kant zal ik wel wat hebben vergeten, aan den anderen kant zal er ook wel wat in voorkomen wat u misschien niet interesseert, maar wat er te veel is ziet u maar over het hoofd. Ik hoop dat ik u hiermee naar uw genoegen heb ingelicht.

V.l. n.r. Jan Dirk Vis, waarsch. P. van Daalen, Pieter Bets, Herm Nijzink en Reijer Bets (particuliere collectie)

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.