Berichten

De aanleiding voor de Van Hall-biografie

 


De misschien wel meest gestelde vraag over mijn literaire bezigheden is hoe ik er toe ben gekomen om steeds maar weer over de Tweede Wereldoorlog te schrijven. Het kortste antwoordt luidt: “Door toeval.” Maar dat verdient misschien wat uitleg.

In 2004 gaven mijn ouders me een boek cadeau met de titel Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Ze hadden het dubbel, en wie weet kon de inhoud rekenen op mijn belangstelling. Dat deed het. Wat opviel was dat om de zoveel pagina’s de familie Van Hall opdook in dit werk van Geert Mak. Ze bleken een flinke rol te hebben gespeeld in de hoofdstedelijke historie, met name in de negentiende en twintigste eeuw.

In het laatste hoofdstuk verscheen opeens ene Walraven van Hall ten tonele. Dat bleek een Zaandamse bankier annex verzetsman te zijn, en Mak plaatste hem op een voetstuk. Een citaat: “Binnen twee jaar groeiden de gebroeders Van Hall uit tot centrale figuren binnen de Nederlandse illegaliteit, en over Wallie werd zelfs gesproken als de ‘minister-president van bezet Nederland’.”

Tot dan had ik alleen weet van de Walraven van Hallstraat, een weinig tot de verbeelding sprekend hoekje van Zaandam. Geert Mak maakte me echter nieuwsgierig naar meer informatie over de ‘olieman’, een van Van Halls bijnamen tijdens de bezetting. Vreemd genoeg bleek er geen boek over zijn leven te bestaan. Loe de Jong schetste in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog weliswaar een uitgebreid beeld van Walraven van Hall, die hij beschouwde als de belangrijkste ondergronds werker die Nederland had tussen 1940 en 1945, maar het levensverhaal van deze man vond ik niet. In mijn naïviteit dacht ik toen: “Dan schrijf ik het zelf wel.”

In het navolgende jaar stak ik al mijn vrije tijd in het onderzoek naar en schrijven over Van Hall. Ik nam een aantal maanden vrij van mijn werk. Mijn voornemen was om op 10 februari 2006, de honderdste geboortedag van ‘Wallie’, zijn levensverhaal te kunnen presenteren. Dat lukte, al dreigde het op het laatste moment nog te mislukken. Maar daarover morgen meer.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

 

Walraven van Hall: bankier van het verzet

Loe de Jong noemde hem de centrale figuur van de illegaliteit. De in Amsterdam werkzame Walraven van Hall werd tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog door velen gezien als de minister-president van bezet Nederland. Desondanks zakte deze ‘bankier van het verzet’ sindsdien langzaam weg in de vergetelheid.

Er zijn de nodige raakvlakken tussen de Franse ambtenaar Jean Moulin en de effectenhandelaar Walraven van Hall, mannen die in eigen land uitgroeiden tot het middelpunt van de strijd tegen de nazi’s. Allebei dwarsboomden ze hun tegenstanders waar mogelijk, overigens zonder daarbij gebruik te maken van wapens. Ze slaagden er in het verdeelde verzet te laten samenwerken. En als gevolg van verraad in eigen gelederen stierven beiden een gewelddadige dood.

Verschillen zijn er ook. Moulin kreeg zijn laatste rustplaats in het aan de allergrootsten voorbehouden Parijse Panthéon. Hij werd in Frankrijk opgewaardeerd tot bijkans mythologische held, die in vrijwel elke plaats een straat of school naar zich vernoemd kreeg en wiens leven keer op keer is verfilmd en geboekstaafd. Van Hall daarentegen, bijgezet op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal, bleef – het eerbetoon van De Jong en andere historici ten spijt – aanvankelijk onbekend bij het grote publiek.

Zaandam

Na een korte carrière als zeeman kwam de in Amsterdam geboren ‘Wally’ van Hall in de financiële wereld terecht. In maart 1940 verhuisde hij naar Zaandam. Namens de plaatselijke bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon reisde hij dagelijks naar het hoofdstedelijke Beursplein om er effecten te verhandelen. Aan zijn onbekommerde gezinsleven kwam een eind na de Duitse bezetting van Nederland. Walraven werd in zijn woonplaats voorzitter van de Nederlandse Unie. Deze volksbeweging wilde het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Veel mensen sloten zich er bij aan, uit weerzin tegen het nationaalsocialisme.

In december 1941 verboden de Duitsers de wispelturige Nederlandse Unie, op dat moment de grootste politieke partij ooit. Tal van Unie-leden gingen vervolgens ondergronds. Zo ook Van Hall. Hij was al gestart met een geldinzameling voor slachtoffers van de Februaristaking en raakte nu ook betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor gezinnen van uitgeweken koopvaardij- en marinepersoneel. Samen met zijn broer Gijs – de latere burgemeester van Amsterdam – lukte het Walraven om via kennissen in de bank- en beurswereldvloer honderdduizenden guldens aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Ik denk er niet over om mijn makkers, met wie ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, vertrouwde hij een vriend toe.

Plundering van schatkist

In de loop van 1942 werd duidelijk dat steeds meer nazislachtoffers hulp nodig hadden. De beide Van Halls stichtten daartoe het landelijk opererende Landrottenfonds. Dat sloot grote leningen af bij banken en vermogende Nederlanders. Het geld ging naar gezinnen van gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van arbeidsinzet-onderduikers en acht- à negenduizend ondergedoken joden.

Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstond het Nationaal Steunfonds (NSF). Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider was, financierde gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gingen er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw en Het Parool. Toen de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 opriep tot een spoorwegstaking nam het NSF de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een maandelijkse last van 5-6 miljoen gulden. Tot mei 1945 deelde het NSF meer dan 85 miljoen gulden uit binnen de illegaliteit.

Ruim tweederde van dit bedrag was afkomstig van De Nederlandsche Bank. Het idee om de nationale kas te plunderen kwam van Gijs van Hall. Hij herinnerde zich de Zweedse luciferproducent Ivar Kreuger. Die wist in de jaren dertig met valse schatkistpromessen miljoenen te ontfutselen aan een Italiaanse bank. De Van Halls kregen kassier-generaal C.W. Ritter zo ver om valse papieren om te ruilen voor echte. Het was een gevaarlijke klus, want De Nederlandsche Bank werd geleid door NSB-kopstuk Meinoud Rost van Tonningen. Vijftien keer vond er in het bankgebouw aan de Oude Turfmarkt een ingewikkelde wisseltruc plaats, waarna de echte waardepapieren bij acht sympathiserende bankdirecties werden omgezet in contant geld. Het was de grootste bankfraude ooit in Nederland. Terecht concludeerde Loe de Jong dat het de Nederlandse illegaliteit wellicht aan van alles ontbrak, maar dankzij het Nationaal Steunfonds in ieder geval niet aan geld.

Waar Gijs van Hall zich vooral concentreerde op het NSF leek zijn broer alom aanwezig. In het laatste oorlogsjaar was Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, bij de door het NSF gefinancierde en gehuisveste Binnenlandse Strijdkrachten en was hij de initiatiefnemer van een succesvolle landelijke campagne om de Duitse Arbeitseinsatz te frustreren. Hij hield zich verder onder meer bezig met hulp aan geallieerde piloten, het onderbrengen van joden, de levering van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens ideologische conflicten binnen de verzuilde landelijke illegaliteit.

Walravens gezondheid ging tijdens de hongerwinter van 1944-’45 snel achteruit. Geert Mak beschreef in zijn boek Een kleine geschiedenis van Amsterdam de vermoedelijk laatste keer dat zijn gezin hem zag. “Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Duur gekochte vrijheid

Op 27 januari 1945 werd Van Hall gearresteerd tijdens een topoverleg op de Leidsegracht, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Weteringschans belandde hij in een cel naast zijn eerder gearresteerde verzetsvriend Jaap Buijs. Die beschreef in een bewaard gebleven dagboekje Van Halls laatste uren. “12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. (…) Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til [zijn echtgenote] mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.”

Op 12 februari 1945 stierf de twee dagen eerder 39 jaar geworden Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Na de bevrijding werd zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen.

Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken betitelde de eerste naoorlogse premier, Wim Schermerhorn, Van Hall als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Het heeft desondanks 65 jaar moeten duren voor Walraven van Hall werd geëerd met een monument, geplaatst naast en deels gefinancierd door diezelfde Nederlandsche Bank waaruit de broers Van Hall het kapitaal voor hun verzetswerk roofden. Dat de ‘olieman’ (een van zijn vele bijnamen) een voetnoot in de historie dreigde te worden heeft als belangrijke oorzaak dat zijn naasten de publiciteit meden. Wally’s familie zweeg. Zijn beste vriend, Jaap Buijs, was te getraumatiseerd om over de oorlog te spreken. Van Halls hoofdkoerier, L.C. Weeda, vertrok na de bevrijding al snel naar Nederlands-Indië. Kassier Ritter en andere bankiers wilden niet te koop lopen met hun ‘frauduleuze’ oorlogswerkzaamheden. En Gijs van Hall heeft in zijn memoires nog wel een poging gedaan om zijn broer lof toe te zwaaien, maar van dat boek bleef vooral het beeld hangen van een burgemeester die zijn taak niet tot een bevredigend einde wist te brengen.

De speelfilm Bankier van het verzet (met onder anderen Barry Atsma, Jacob Derwig en Pierre Bokma) geeft mogelijk het laatste zetje dat nodig is om Van Hall dezelfde naamsbekendheid te geven als bijvoorbeeld Hannie Schaft, Erik Hazelhoff Roelfzema en Gerrit Jan van der Veen. Hij verdient het.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)