Berichten

Gevangene Jaap Buijs was 166.500 gulden waard (maar het geld raakte zoek)

Jaap Buijs in 1944 (C. Dorjee)

Oud-verzetsman Jacob ‘Jaap’ Buijs (1888-1960) wordt waarschijnlijk geëerd in het Zaanse straatbeeld. Als het aan de gemeente Zaanstad ligt, krijgt hij een brug naar zich vernoemd. Gezien Buijs’ toenmalige woonplaats en beroep -houthandelaar-, lijkt het me logisch dat dat een houten oeververbinding in Zaandam wordt.

Dat Buijs niet eerder is vernoemd, is zowel betreurenswaardig als verklaarbaar. Na de Tweede Wereldoorlog werden vooral verzetsstrijders met een straatnaambordje geëerd die tussen 1940 en 1945 het leven lieten. De vernoeming van iemand als Jan Brasser -die voorop ging in de gewapende strijd, dat ternauwernood overleefde en in 2007 een tunnel in Krommenie op zijn naam kreeg- was en is een uitzondering. Maar waar Brasser vooral regionaal actief was, opereerde Jaap Buijs (ook) in de landelijke verzetsleiding en had zijn inzet veel meer impact. Hij was de rechterhand van de spin in het web binnen de Nederlandse illegaliteit, Walraven van Hall, en gaf onder meer leiding aan de Stichting 1940-1945. Buijs werd voorzitter van de landelijke koepelorganisatie de Kern -het belangrijkste gremium van ondergronds Nederland- en van hulporganisatie Natura. En hij zat in de top van het Nationaal Steunfonds. En dat is nog maar een selectie uit zijn verzetsactiviteiten tussen 1941 en 1945. Hoe belangrijk zijn medestrijders deze geboren en getogen Zaandammer achtten, werd me onlangs eens te meer duidelijk.

Siegfried Wreszynski

In het boek Opkomst en ondergang van een onweerstaanbare oplichter (1993) schetst Igor Cornelissen het leven van de stateloze bedrieger Siegfried Wreszynski (1893-1954). Deze in Polen geboren joodse man lichtte in en buiten Nederland talloze mensen op en harkte zo enorme bedragen binnen. Alleen al de Amsterdamsche Bank raakte voor de oorlog bijna twintig miljoen gulden kwijt aan deze charmant opererende crimineel. In 1941 kwam Wreszynski, na een relatief korte gevangenisstraf wegens oplichting, op vrije voeten. Hij belandde een jaar later in kamp Westerbork, maar wist daar in juli 1942 uit te komen, nadat hij een aantal joodse lotgenoten had overgehaald hem geld en andere kostbaarheden te geven. In ruil zou hij de organisatie van hun passage naar de Verenigde Staten op zich nemen. Na zijn vrijlating dook hij onder en liet hij zijn geldschieters in de steek.

Wreszynski in de Volkskrant, 10-1-1946

In de navolgende jaren zette hij zijn oplichterspraktijken voort. Hij troggelde bijvoorbeeld de vader van een gearresteerde verzetsman vijftigduizend gulden af, in ruil voor de belofte de gevangene vrij te kopen. De zoon werd geëxecuteerd, het geld was weg. Ook voor het redden van andere illegalen vroeg en kreeg hij enorme bedragen. Tegenprestaties bleven in de regel uit.

Jan Teewis Duyvis

Een van zijn slachtoffers was Jan Teewis Duyvis, telg uit een Zaans ondernemersgeslacht. Waar zijn familieleden in Koog aan de Zaan liever olie en vetten verwerkten (en, veel later, borrelnootjes), zag Jan Duyvis meer toekomst in de opkomende elektriciteit. Hij stichtte daarom in 1910 in Amsterdam-Noord de Hollandsche Draad- en Kabelfabriek (Draka). In november 1944 vertelde een zakenrelatie Duyvis over een voor de Britse geheime dienst werkende Poolse jood die zijn financiële steun genoot. Daarop besloot de kapitaalkrachtige Duyvis deze uiterst betrouwbaar ogende ‘Hans’ eveneens geld te lenen, bijna een ton. Toen Duyvis’ schoonzoon Jan Jacob van Dam in januari 1945 wegens verzetsactiviteiten werd garresteerd, bood ‘Hans’ hulp aan. In ruil voor dertigduizend gulden kon hij Van Dam vrijkopen, luidde de belofte aan Jan Duyvis. De verzetsstrijder werd echter doorgezonden naar een Duits kamp. Daar stierf hij op 25 april 1945. De Draka-directeur zag zijn schoonzoon en zijn investeringen nooit meer terug.

Gijs van Hall

Er is nog een Zaanse link, die in Cornelissens publicatie niet aan de orde komt. En dat terwijl daarbij sprake was van veel grotere bedragen dan in voorgaande loskoopzaken. Walraven van Halls broer Gijs stipte hem wel even aan, in het boek Het Nationaal Steun fonds 1943-1945. Hij beperkte zich daarbij tot één bittere zin: “In het enige geval waarin wij op verzoek van officiële instanties aan een loskoopsom hebben bijgedragen, is deze prompt in handen van de beruchte oplichter Wreszynski terechtgekomen.” Verdere namen noemde Gijs van Hall niet. De affaire was blijkbaar te pijnlijk.

Johan van Lom op zijn trouwdag

Op 12 januari 1945 werd Jaap Buijs gearresteerd tijdens een vergadering van de Stichting 1940-1945. Het was een gevolg van verraad in eigen gelederen. Omdat de verrader, Johan van Lom, bij de Sicherheitsdienst had bedongen dat de arrestanten niet mochten gedood, sleet de houthandelaar de laatste vier oorlogsmaanden in de gevangenis. Zowel hijzelf als de buitenwereld wist niet dat Buijs als gevolg van Van Loms afspraak de doodstraf zou ontlopen. En dus ondernam de top van de landelijke illegaliteit via Wreszynski een poging gedaan om hem en een aantal anderen vrij te kopen.

166.500 gulden

In een archief vond ik onlangs enkele briefjes over deze affaire. Op één ervan stond het bedrag dat ten bate van Jaap Buijs was overhandigd: de immense som van 166.500 gulden. Anno 2020 staat dat gelijk aan bijna een miljoen euro. De eerstvolgende naam op het lijstje met een handvol vrij te kopen illegalen was Jan Goedkoop, de enkele weken na Buijs tezamen met Walraven van Hall opgepakte secretaris van de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Voor hem was ‘slechts’ 36.000 gulden gereserveerd. Wat Siegfried Wreszynski met het geld heeft gedaan, is onbekend. Hij heeft in ieder geval geen van de gevangenen weten los te krijgen. Buijs en Goedkoop zaten vast tot mei 1945.

Na de bevrijding resteerde van  Jaap Buijs een zowel geestelijk als lichamelijk wrak. In de gevangenis was hij veel gewicht kwijtgeraakt. Hij had zowel zijn in een naastgelegen cel opgesloten vriend ‘Wally’ van Hall verloren als tientallen andere medestrijders. Kort voor diens executie zegde hij Van Hall toe zich te zullen ontfermen over diens echtgenote en drie kinderen. Daaraan hield hij zich, tot zijn eigen dood in 1960. Maar iedere keer als hij de kinderen van Walraven en Tilly van Hall ontmoette, barstte Jaap Buijs in tranen uit. Ondanks zijn eigen verdriet deed hij zo zijn best om Tilly bij te staan dat zijn echtgenote hem er -ten onrechte- van verdacht met de weduwe een buitenechtelijke relatie te hebben of te willen. Jaap Buijs was ernstig getraumatiseerd. Maar ondanks zijn PTSS -dat begrip bestond toen nog niet- zette hij zich vanaf 1945 in om monumenten op te richten -dat aan het Zaandamse Verzetsplantsoen en de Eerebegrafplaats in Bloemendaal zijn mede aan hem te danken- en oorlogsslachtoffers te helpen.

De 166.500 gulden die het landelijk verzet er voor over had om Jaap Buijs uit de gevangenis en van een mogelijke dood te redden, zegt veel over diens status in de illegaliteit. Buijs behoorde tot de meest gewaardeerden onder zijn medestrijders, zowel in de Zaanstreek als in de rest van het land. Het is de hoogste tijd om deze dappere, onbaatzuchtige Zaankanter te eren in het publieke domein. Met een brug of anderszins.

Uitreiking van de Medal of Freedom, 7-5-1953, door VS-ambassadeur Selden Chapin (W. Dorjee)

Het kistje van Cees

 

Jaap Buijs met echtgenote en kinderen.

Tot de onbaatzuchtigen die de Nederlandse illegaliteit telde, mag zeker Cees Buijs worden gerekend. Zijn vader, Jaap Buijs, was vier oorlogsjaren lang de rechterhand en vertrouwensman van Walraven van Hall en zoon Cees assisteerde hen op tal van terreinen. In een twee jaar na Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) geschreven boek liet ik deze Zaandammer een paar keer aan het woord, onder meer over de Hongerwinter. “Nog hoor ik het gejank der honden en katten, die op 5 december voor onze deur stonden. Want wat was het geval? In de gang stonden 2 kisten vol paling, bestemd als sinterklaascadeautje voor de [stakende] spoorweglieden”, vertelde Cees Buijs kort na de bevrijding. “Het hele huis rook er naar en wij liepen de gehele dag te watertanden. Wat hadden we er zelf graag eentje op onze boterham gehad.” De erecode van het ondergrondse Nationaal Steunfonds, waarin Cees’ vader een landelijke hoofdrol vervulde, stond het niet toe. Buijs senior: “Men heeft bij het NSF altijd op het punt gestaan dan men niet werkte om zichzelf te verrijken.”

Voor de Van Hall-biografie had ik Cees Buijs dolgraag willen spreken. Ik was te laat; hij leefde niet meer. Zijn familie wist echter dat Cees altijd een metalen kistje bewaard had met nogal wat documenten over de oorlog. Er was sprake van onder meer sprake van vervalste papieren, stempels, Ausweisen en andere identiteitsdocumenten. Cees’ dochter, die inmiddels in Nieuw Zeeland woonde, was bereid op zoek te gaan naar dat wat ik inmiddels beschouwde als een heuse schatkist. Het bestond nog, bleek enige tijd later. Maar daar was ook alles mee gezegd. “Mijn broer kon vertellen dat mijn vader, niet zolang voordat hij stierf, de totale inhoud van dit kistje heeft verbrand”, mailde Cees’ dochter. “Hij heeft langere tijd geleden aan Alzheimer, sprak veel over de oorlog en raakte op die momenten buitengewoon emotioneel. Hij heeft zeer waarschijnlijk gedacht dat al deze papieren te gevoelig waren om te bewaren. Er is hiermee, in de letterlijke zin van het woord, een brok historie in vlammen opgegaan.”

Gelukkig vond ik bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie enkele interviews met Cees Buijs waarin hij vertelde over zijn oorlogsbelevenissen. Maar nog altijd zingt zo nu en dan door mijn achterhoofd de vraag wat het kistje van Cees aan geheimen bevatte.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Oorlogsschaakspel met Zaanse tint in Rijksmuseum

Het Rijksmuseum maakte in het voorjaar van 2016 bekend een nieuw object op te nemen in de vaste collectie, een van papierresten gemaakt schaakspel uit 1945. Er loopt een rechtstreekse lijn van deze illegale gevangenisvlijt naar de Zaandamse verzetsstrijder Jaap Buijs.

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs) Jaap Buijs

Het Rijksmuseum ontving het onooglijke schaakspel zeventig jaar na de bevrijding  uit de nalatenschap van een andere verzetsstrijder, Arie van Namen. Deze mede-oprichter van het illegale blad Vrij Nederland zat vanaf 12 januari 1945 in een cel, een lot dat hij deelde met de elders op de Weteringschans opgesloten Zaandamse houthandelaar. Beide mannen waren die ochtend door de sneeuw naar de Zuider Amstellaan 44 gereisd. Daar arriveerden rond tienen nog drie andere verzetsstrijders uit de leiding van de in oprichting zijnde Stichting 1940-1944. In die organisatienaam klonk optimisme door; nog dat jaar – was althans de verwachting – zou de bevrijding van Nederland een feit zijn. Ook de bewoner van het huis was aanwezig, de 26-jarige rechtenstudent Johan van Lom. Wat de anderen niet wisten, was dat hij hun vergadering had verraden aan de Sicherheitsdienst. In ruil zouden de Duitsers zijn maîtresse Tjodina Tijmstra vrijlaten, een opgepakte bezorgster van het illegale Parool.

Toen tegen half elf de SD binnenviel in het huis aan de Zuider Amstellaan werden onder anderen Buijs en Van Namen opgepakt en vervolgens geboeid naar de gevangenis aan de Weteringschans vervoerd. “Ik werd opgesloten in cel 18A1, een zeer donkere en ellendige cel”, beschreef Jaap Buijs later zijn ervaringen. De gevangenen kregen eenzame opsluiting. Af en toe werden ze tevoorschijn gehaald voor een stevige ondervraging. Van Namen: “Ik heb elke dag bij de verhoren in gedachten geleefd dat we er allemaal aan zouden gaan. Bij de verhoren zeiden ze: als je het niet zegt, dan gebeurt het om half zes, hoor! Ze werden naast je uit de cellen gehaald. Het was een verschrikkelijke tijd.” De mannen wisten niet dat hun verrader een deal had gesloten: hij had zijn ‘kameraden’ aangegeven op voorwaarde dat ze niet geëxecuteerd werden. Daaraan zouden de Duitsers zich houden; na de bevrijding konden de grondleggers van wat inmiddels Stichting 1940-1945 heette de gevangenis verlaten.

Celnr

Voor het zover kwam moest Jaap Buijs door een hel. Hij had niet alleen te maken met zware verhoren, ijzige kou en belabberd eten, maar moest op 12 februari 1945 ook afscheid nemen van zijn beste vriend, de in een naastgelegen cel opgesloten Walraven van Hall. Deze Zaandamse bankier werd later die dag met zeven anderen gefusilleerd in Haarlem. “Een der ellendigste dagen van mijn leven”, noteerde Buijs. “Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.”

Jaap Buijs begon in te storten en te hallucineren. Zijn geestelijke redding kwam toen hij op 3 maart werd overgeplaatst ‘naar cel 7A1, waar ik tot mijn vreugde aantrof A.H. v. Namen, een jonge advocaat met wie ik had samengewerkt om de “Stichting” voor te bereiden’. Eindelijk werd Buijs voorzien van waswater, schoon ondergoed en zelfs een Rode-Kruispakket. Er gloorde weer wat hoop.

In Buijs’ dagboekaantekeningen komt bij de datering ’13/3-16/3′ voor het eerst een schaakspel ter sprake. “We hebben spelletjes gemaakt van WC-papier. Dominé- [domino], dam- en schaakspel. De tijd gaat daardoor veel vlugger om.” Beide mannen speculeerden over de aanleiding voor hun arrestatie, maar kwamen daar aanvankelijk niet achter. Bijna dagelijks werden er gevangenen afgevoerd om te worden geëxecuteerd. Tegelijkertijd leefden Buijs en Namen ‘in een roes van steeds beter wordende berichten’. De bevrijding naderde, en daarmee hun kans om de bevrijding te halen. Buijs, media maart: “Steeds betere oorlogsberichten. Ik heb echter weer vele inzinkingen. Ik begin steeds meer te tobben hoe mijn eigen gezin en dat van Wallie [van Hall] het maken.”

Op tweede Paasdag, 2 april, schreef Buijs opnieuw over het schaakspel. “‘s Middags werd Arie weer betrapt toen hij door ‘t raam sprak. Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf ‘twee dagen inhouding van voedsel’. Even daarna kwam de commandant van de gevangenis binnen. Wij dachten dat nu de straffen zouden komen, maar dit viel nu eens mee. Buiten de cel stond n.l. op een kaartje dat wij 2 dagen geen voedsel mochten hebben en nu zei hij: ‘Heren, dit gaat natuurlijk niet door, hè’, en schrapte dit door en vervolgde: ‘Voor de rest kan ik de heren zeggen blij te zijn een Beier te wezen en geen Holl. Pruis. Dag heren.’ – en de cel ging weer dicht.”

Arie van Namen Arie van Namen

Omdat Arie van Namen – in tegenstelling tot Jaap Buijs, die daar niets van begreep – voedselpakketten ontving, hadden de twee gevangenen de mogelijkheid om van het pakpapier een nieuw schaakspel te maken. Op 22 april werden de mannen echter uit elkaar gehaald; Jaap Buijs werd overgeplaatst naar het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen. “‘s Avonds om 9 uur ging mijn celdeur open en moest ik er uit komen. Ik vroeg aan die kerel, een Hol. wachtmeester, wat er gaande was, daar hij zo’n haast maakte dat ik geeneens behoorlijk afscheid van v. Namen kon nemen. Ik moest al mijn spullen meenemen en die vent stond maar te schreeuwen: ‘Vlug, vlug, opschieten’.”

Het schaakspel bleef achter in cel 7A1, bij Arie van Namen. Toen die twee weken later werd vrijgelaten – de bevrijding was inmiddels een feit -, nam hij de met potlood tot schaakspel omgevormde 32 stukjes grauwgrijs papier mee naar huis. Ze zwierven vervolgens zeventig jaar in een oude envelop door Amsterdam en omgeving alvorens het Rijksmuseum besloot er een speciale plek voor in te ruimen. De schaakstukken zijn voortaan te vinden op de afdeling negentiende en twintigste eeuw, in het zaaltje over de Tweede Wereldoorlog.

In diezelfde ruimte is, als contrast, een schaakspel te vinden dat in 1941 vermoedelijk door SS-leider Heinrich Himmler is geschonken aan NSB-topman Anton Mussert. Het komt hoogstwaarschijnlijk uit het NSB-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan. Het bord is van coromandelhout, de geglazuurde stukken van terracotta klei. Het protserige spel verheerlijkt de veroveringsdrang van nazi-Duitsland gedurende de Tweede Wereldoorlog. De schaakstukken bestaan uit wapentuig, infanteristen en oorlogsvliegtuigen. De tekst in de bordrand verwijst naar landen die in 1939 en 1940 door het Derde Rijk werden aangevallen: “1939 SCHACH-MATT POLEN . DENEMARK . NORWEGEN . HOLLAND . BELGIEN . FRANKREICH . ENGLAND U.S.W.” Het vormt in alles een contrast met de nabije stukjes gescheurd papier van Jaap Buijs en Arie van Namen die tezamen eveneens een schaakspel moeten voorstellen.

Schaakbord
Het Mussert-schaakspel in het Rijksmuseum

(Verder lezen over het schaakspel van Van Namen en Buijs? Vrij Nederland wijdde er in het nummer van 30 april 2016 een lang artikel aan. Daarin staan overigens een foutje. Zo zaten Arie van Namen en Jaap Buijs aan de Weteringschans niet ‘in aangrenzende cellen’, maar bij elkaar in één ruimte. Dat maakt het ook een stuk waarschijnlijker dat Van Namen het schaakspel niet alleen gefabriceerd hefet, maar samen met Buijs. Ook werd Van Namen niet ‘als allerlaatste gevangene op 6 mei 1945 om tien uur ‘s avonds vrijgelaten’. Misschien wel uit het Amsterdamse cellencomplex, maar Jaap Buijs mocht bijvoorbeeld pas op 7 mei het Scheveningse Oranjehotel verlaten. Diens laatste dagboekaantekeningen: “Moge God mij de kracht geven mij weer op te richten en te helpen ons land weer omhoog te brengen.” Jaap Buijs zou echter na de oorlog zwaar getraumatiseerd blijven, vooral door de voortijdige dood van zijn vriend Walraven van Hall. Hij overleed op 10 november 1960, 72 jaar oud. Het hele oorlogsverhaal van deze te onbekende verzetsman is hier te lezen.)