Berichten

Tegenvoeters: de Zaandamse ziekenhuizen in oorlogstijd

Tot 1941 kozen Zaanse patiënten al naar gelang hun levensovertuiging voor het neutrale Gemeente Ziekenhuis of het katholieke ziekenhuis St. Jan. Daarna kon, in ieder geval tot het einde van de oorlog, ook een andere afweging meespelen. Werd het een consult onder NSB-leiding of toch liever bij de onafhankelijker opererende religieuze instelling?

Ruim voor de Tweede Wereldoorlog namen de katholieke leiders al afstand van de Nationaal-Socialistische Beweging. Roomse NSB’ers verloren hun recht op de sacramenten, zo besliste de moederkerk in 1936. De dreiging met excommunicatie voor wie zich aansloot bij de partij van Anton Mussert werd aan het begin van de bezetting nog eens nadrukkelijk bekrachtigd. Het verklaart voor een groot deel waarom het St. Jan, gelegen aan het eind van de Bloemgracht in Zaandam, zich tijdens de bezetting tegen de nazistische machthebbers keerde en een toevluchtsoord werd voor ‘andersdenkenden’.

Over de illegale hulpverlening door St. Jan-medewerkers bestaan meerdere verhalen. Onder andere zenuwarts Theo Hart de Ruyter getuigde dat daar door de Duitsers gezochte personen een plek vonden. ‘Ik wist dat onderduikers en joodse patiënten door zuster Theresia in het St. Jan verborgen werden. Mevrouw mr. dr. Lekkerkerker, maatschappelijk werkster bij het medisch opvoedkundig bureau, bracht joodse kinderen onder, evenals zr. Heymans van de Meyersstichting, die ook polikliniek hield in de Frans Halsstraat.’ Onderduikersnamen noemde hij niet en aantallen ontbraken helaas eveneens.

De zuigelingenkamer van het St. Jan, jaren ’30 (Gemeentearchief Zaanstad)

Zuster Therési de Lucht liet eveneens een getuigenis na over de oorlogsjaren in het katholieke hospitaal. Met anekdotes schetste zij de afkeer van het nazistisch gedachtegoed. Toen de bezetter een gedeelte van het ziekenhuis wilde vorderen, ging zij hen voor naar het lijkenhuisje in de tuin. Dat kon volgens haar wel fungeren als telefooncentrale. Daarbij passeerden ze enkele overleden patiënten. ‘Op de vraag waar beide mensen aan gestorven waren, deelde zuster Therési lakoniek mee dat de een aan TBC en de ander aan typhus was overleden.’ Angstig als ze waren voor besmettelijke ziekten verlieten de Duitsers gehaast het St. Jan, om er niet meer terug te keren. Het was maar één van de vele tegenacties die Therési De Lucht ondernam, meestal in samenspraak met geneesheer-directeur Eduard Immink. Ze zorgden er onder meer voor dat opgejaagde joden en al dan niet gewonde of zieke verzetsstrijders een relatief veilige plek kregen in een apart zaaltje.

Gemeente Ziekenhuis

In het Gemeente Ziekenhuis aan de Frans Halsstraat heerste vanaf 1941 een andere stemming. Naarmate de bezetting langer duurde, kwam daar meer personeel dat loyaal was aan het nieuwe bewind. Hier belandden de door het verzet neergeschoten collaborateurs en was de directie er trots op een met tuberculose kampende zwager van Anton Mussert te mogen verzorgen. Dat het zo ver kwam had – anders dan bij het St. Jan – te maken met de zeggenschap van het stadsbestuur over het ziekenhuispersoneel.

Blakend van het zelfvertrouwen somde Cornelis van Ravenswaay begin 1942 op wat hij in zijn eerste jaar als Zaandamse NSB-burgemeester voor elkaar had gebokst. Dankzij hem werkten er zo’n honderd partijgenoten bij de gemeentelijke instellingen, de tegenwerking van Zaanse ‘anti’s’ ten spijt. ‘Menig hard woord is daarbij natuurlijk gevallen, doch nu wordt zelfs geen dienstmeisje ontslagen of aangesteld zonder mijn goedkeuring’, pochte hij tegenover een groep gelijkgezinden.

Hij nam ruim de tijd om de situatie bij het Gemeente Ziekenhuis te belichten, ‘waar de stemming hemeltergend was’. Met name Willem Levend kreeg er van langs. Deze dwarse geneesheer-directeur, volgens de burgemeester ‘te glad om gevangen te worden’, weerde waar mogelijk nationaalsocialistische medewerkers uit het Gemeente Ziekenhuis. Levends weerstand tegen de door het stadhuis gewenste nazificatie kostte hem in februari 1942 zijn baan. Het ontslag wegens ‘tegenwerking’ was een van de laatste handelingen die de fanatieke Van Ravenswaay voor zijn rekening nam, alvorens te worden gepromoveerd tot burgemeester van Utrecht.

‘Sabotage’

Op de dag dat Van Ravenswaay vertrok, werd bekend dat Levends opvolger een NSB’er zou zijn. Prompt kwam een deel van de werknemers in opstand. In de woorden van waarnemend burgemeester G. Nieuwenhuijs: ‘Aangezien van het verplegend personeel, totaal ongeveer 55 personen, gedurende de laatste weken bij mij 15 ontslagaanvragen binnengekomen zijn en dit de dienst van het ziekenhuis zou desorganiseren, verklaar ik genoemde verzoeken voor ontslag niet in behandeling te kunnen nemen. Eerst wanneer nieuw personeel is aangenomen, zullen de ontslagaanvragen, naar volgorde van ontvangst, toegestaan kunnen worden.’ Ondanks deze dreigende taal telde het ziekenhuis uiteindelijk, in de woorden van de nieuwe directeur, ‘zeventien weggelopen verpleegsters’. Hij had er maar één kwalificatie voor: ‘Sabotage.’

Tine Kramer was een van die weerbarstige werkneemsters. Tussen 1939 en 1942 volgde ze in het Gemeente Ziekenhuis een opleiding tot verpleegster. In haar eerste leerjaar verzorgde ze onder anderen twee Duits-joodse vluchtelingen. ‘Die vertelden over de Kristallnacht. Ik geloof dat mijn drive om wat te gaan doen daar vandaan komt.’ Na de bezetting had de felle leerling naar eigen zeggen ‘een te grote bek’. Haar openlijke anti-Duitse houding maakte dat ze na de introductie van de nazistische directeur eieren voor haar geld koos. ‘Vanuit het stadhuis werd gewaarschuwd dat ik weg moest gaan. En toen zijn Herman [Waage, haar eveneens in het Gemeente Ziekenhuis werkzame vriend] en ik op een nacht gevlucht uit het ziekenhuis en naar Amsterdam gegaan.’ In de navolgende jaren zouden ze vanuit de hoofdstad tientallen joodse kinderen in veiligheid brengen.

Frits Houdijk

Met de nieuwe ziekenhuisdirecteur haalden de machthebbers een ideologische grootheid in huis. De uit Oegstgeest overkomende Frits Houdijk was weliswaar slechts 28 jaar oud, maar al sinds 1933 NSB-lid. Hij leidde vanaf de oprichting in november 1940 het Nationaal-Socialistisch Studentenfront. Deze landelijk opererende, aan de NSB verbonden vereniging wilde de nazistische beginselen verspreiden op universiteiten en hogescholen. Het lidmaatschap was verplicht voor studerende partijleden. De voorloper van het NSSF, de Nederlandsche Nationaal-Socialistische Studentenfederatie, stond bekend om het uitlokken van geweld en het vernielen van eigendommen van joden en antifascisten. Ook daar had Houdijk zijn sporen verdiend. Sommigen haatten de studentenleider blijkbaar zodanig dat ze in juni 1941 brand stichtten in zijn woning. De daardoor ontstane schade bedroeg bijna twaalfduizend gulden.

Er zijn van Frits Houdijk bewegende beelden bewaard gebleven. Tijdens een NSB-landdag op 1 januari 1941 is te zien hoe hij de geüniformeerde leden van het NSFF inspecteert en, in het bijzijn van de na hem sprekende Anton Mussert, een rede houdt.

Frits Houdijk (in het wit) in het Gemeente Ziekenhuis, 5-12-1942. Naast hem Willem Beekhuis (Commissie Historie Zaanse Ziekenhuizen)

Houdijk nam in Zaandam zijn intrek op het adres Stationsstraat 82. Tot enkele maanden eerder had daar de, inmiddels naar Amsterdam verbannen, joodse arts Karel de Leeuw gewoond. De medewerkers van het Gemeente Ziekenhuis konden met hardliner Houdijk hun borst natmaken. Het verklaart waarom bijna een derde van de verpleegsters ontslag nam. Maar toen de jonge directeur in mei 1942 het personeel toesprak, klonk hij verrassend gematigd. Een opvallende zin uit zijn openingsrede: ‘Het is in het geheel niet noodzakelijk om aan de aan uw hoede toevertrouwde zieken te vertellen dat er toch weer een Irene Beatrix Wilhelmina of zojuist weer een Anton Adolf Benito geboren is.’

‘Weinig last’

Gedurende de twee jaar dat de geneesheer-directeur aan het Gemeente Ziekenhuis verbonden bleef, handhaafde hij die neutraliteit consequent. Hoewel hij tijdens zijn vrije uren soms in NSB-uniform rondliep en colporteerde met het partijblad Volk en Vaderland, verbood Houdijk – zijn naam werd al snel verbasterd tot de NSB-begroeting ‘Houzee’ – binnen de ziekenhuismuren alle openlijke vormen van politiek. Het was onder zijn leiding niet toegestaan om binnen de ziekenhuismuren de Hitlergroet te brengen. Hij wist een ziekenhuisbroeder uit de gevangenis te krijgen die een Wehrmachtsoldaat had beledigd en hij verborg zelfs een door de Duitsers gezochte collega. Daardoor bleef Houdijks straf na de oorlog beperkt tot dertien maanden voorarrest en ontzetting uit het kiesrecht. Eerste verpleegster Immetje Bakker: ‘In z’n optreden was hij niet kwaad en we hadden weinig last van hem. Hij maakte geen propaganda voor de NSB, maar wel stelde hij NSB-zusters aan en nam verschillende NSB-patiënten op.’

In april 1944 koos Frits Houdijk een andere werkplek. Zijn opvolger, eveneens een NSB’er, nam op 5 september 1944 – Dolle Dinsdag – de benen. Die maand verlieten ook zeventien deutschfreundliche verpleegsters overhaast de stad, bang als ze waren het slachtoffer te worden van de geallieerde opmars. Vice-directeur Willem Beekhuis moest medio april 1945 het werk neerleggen. Uit een rapport van de illegaliteit de dato 2 mei 1945: ‘Deze laatste heeft meer bedorven dan goedgemaakt, vandaar dat de [opportunistische NSB-]burgemeester Vitters als enige oplossing nog zag de benoeming van Dr. Levend. Drie jaar na zijn gedwongen vertrek keerde Willem Levend terug als leidinggevende. Vanaf dat moment was zowel het St. Jan als het Gemeente Ziekenhuis weer in handen van een ‘goede vaderlander’.

Het Gemeente Ziekenhuis in de jaren ’30 (Gemeentearchief Zaanstad)