Berichten

De aanleiding voor de Van Hall-biografie

 


De misschien wel meest gestelde vraag over mijn literaire bezigheden is hoe ik er toe ben gekomen om steeds maar weer over de Tweede Wereldoorlog te schrijven. Het kortste antwoordt luidt: “Door toeval.” Maar dat verdient misschien wat uitleg.

In 2004 gaven mijn ouders me een boek cadeau met de titel Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Ze hadden het dubbel, en wie weet kon de inhoud rekenen op mijn belangstelling. Dat deed het. Wat opviel was dat om de zoveel pagina’s de familie Van Hall opdook in dit werk van Geert Mak. Ze bleken een flinke rol te hebben gespeeld in de hoofdstedelijke historie, met name in de negentiende en twintigste eeuw.

In het laatste hoofdstuk verscheen opeens ene Walraven van Hall ten tonele. Dat bleek een Zaandamse bankier annex verzetsman te zijn, en Mak plaatste hem op een voetstuk. Een citaat: “Binnen twee jaar groeiden de gebroeders Van Hall uit tot centrale figuren binnen de Nederlandse illegaliteit, en over Wallie werd zelfs gesproken als de ‘minister-president van bezet Nederland’.”

Tot dan had ik alleen weet van de Walraven van Hallstraat, een weinig tot de verbeelding sprekend hoekje van Zaandam. Geert Mak maakte me echter nieuwsgierig naar meer informatie over de ‘olieman’, een van Van Halls bijnamen tijdens de bezetting. Vreemd genoeg bleek er geen boek over zijn leven te bestaan. Loe de Jong schetste in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog weliswaar een uitgebreid beeld van Walraven van Hall, die hij beschouwde als de belangrijkste ondergronds werker die Nederland had tussen 1940 en 1945, maar het levensverhaal van deze man vond ik niet. In mijn naïviteit dacht ik toen: “Dan schrijf ik het zelf wel.”

In het navolgende jaar stak ik al mijn vrije tijd in het onderzoek naar en schrijven over Van Hall. Ik nam een aantal maanden vrij van mijn werk. Mijn voornemen was om op 10 februari 2006, de honderdste geboortedag van ‘Wallie’, zijn levensverhaal te kunnen presenteren. Dat lukte, al dreigde het op het laatste moment nog te mislukken. Maar daarover morgen meer.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

 

Walraven van Hall: bankier van het verzet

Loe de Jong noemde hem de centrale figuur van de illegaliteit. De in Amsterdam werkzame Walraven van Hall werd tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog door velen gezien als de minister-president van bezet Nederland. Desondanks zakte deze ‘bankier van het verzet’ sindsdien langzaam weg in de vergetelheid.

Er zijn de nodige raakvlakken tussen de Franse ambtenaar Jean Moulin en de effectenhandelaar Walraven van Hall, mannen die in eigen land uitgroeiden tot het middelpunt van de strijd tegen de nazi’s. Allebei dwarsboomden ze hun tegenstanders waar mogelijk, overigens zonder daarbij gebruik te maken van wapens. Ze slaagden er in het verdeelde verzet te laten samenwerken. En als gevolg van verraad in eigen gelederen stierven beiden een gewelddadige dood.

Verschillen zijn er ook. Moulin kreeg zijn laatste rustplaats in het aan de allergrootsten voorbehouden Parijse Panthéon. Hij werd in Frankrijk opgewaardeerd tot bijkans mythologische held, die in vrijwel elke plaats een straat of school naar zich vernoemd kreeg en wiens leven keer op keer is verfilmd en geboekstaafd. Van Hall daarentegen, bijgezet op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal, bleef – het eerbetoon van De Jong en andere historici ten spijt – aanvankelijk onbekend bij het grote publiek.

Zaandam

Na een korte carrière als zeeman kwam de in Amsterdam geboren ‘Wally’ van Hall in de financiële wereld terecht. In maart 1940 verhuisde hij naar Zaandam. Namens de plaatselijke bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon reisde hij dagelijks naar het hoofdstedelijke Beursplein om er effecten te verhandelen. Aan zijn onbekommerde gezinsleven kwam een eind na de Duitse bezetting van Nederland. Walraven werd in zijn woonplaats voorzitter van de Nederlandse Unie. Deze volksbeweging wilde het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Veel mensen sloten zich er bij aan, uit weerzin tegen het nationaalsocialisme.

In december 1941 verboden de Duitsers de wispelturige Nederlandse Unie, op dat moment de grootste politieke partij ooit. Tal van Unie-leden gingen vervolgens ondergronds. Zo ook Van Hall. Hij was al gestart met een geldinzameling voor slachtoffers van de Februaristaking en raakte nu ook betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor gezinnen van uitgeweken koopvaardij- en marinepersoneel. Samen met zijn broer Gijs – de latere burgemeester van Amsterdam – lukte het Walraven om via kennissen in de bank- en beurswereldvloer honderdduizenden guldens aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Ik denk er niet over om mijn makkers, met wie ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, vertrouwde hij een vriend toe.

Plundering van schatkist

In de loop van 1942 werd duidelijk dat steeds meer nazislachtoffers hulp nodig hadden. De beide Van Halls stichtten daartoe het landelijk opererende Landrottenfonds. Dat sloot grote leningen af bij banken en vermogende Nederlanders. Het geld ging naar gezinnen van gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van arbeidsinzet-onderduikers en acht- à negenduizend ondergedoken joden.

Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstond het Nationaal Steunfonds (NSF). Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider was, financierde gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gingen er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw en Het Parool. Toen de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 opriep tot een spoorwegstaking nam het NSF de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een maandelijkse last van 5-6 miljoen gulden. Tot mei 1945 deelde het NSF meer dan 85 miljoen gulden uit binnen de illegaliteit.

Ruim tweederde van dit bedrag was afkomstig van De Nederlandsche Bank. Het idee om de nationale kas te plunderen kwam van Gijs van Hall. Hij herinnerde zich de Zweedse luciferproducent Ivar Kreuger. Die wist in de jaren dertig met valse schatkistpromessen miljoenen te ontfutselen aan een Italiaanse bank. De Van Halls kregen kassier-generaal C.W. Ritter zo ver om valse papieren om te ruilen voor echte. Het was een gevaarlijke klus, want De Nederlandsche Bank werd geleid door NSB-kopstuk Meinoud Rost van Tonningen. Vijftien keer vond er in het bankgebouw aan de Oude Turfmarkt een ingewikkelde wisseltruc plaats, waarna de echte waardepapieren bij acht sympathiserende bankdirecties werden omgezet in contant geld. Het was de grootste bankfraude ooit in Nederland. Terecht concludeerde Loe de Jong dat het de Nederlandse illegaliteit wellicht aan van alles ontbrak, maar dankzij het Nationaal Steunfonds in ieder geval niet aan geld.

Waar Gijs van Hall zich vooral concentreerde op het NSF leek zijn broer alom aanwezig. In het laatste oorlogsjaar was Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, bij de door het NSF gefinancierde en gehuisveste Binnenlandse Strijdkrachten en was hij de initiatiefnemer van een succesvolle landelijke campagne om de Duitse Arbeitseinsatz te frustreren. Hij hield zich verder onder meer bezig met hulp aan geallieerde piloten, het onderbrengen van joden, de levering van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens ideologische conflicten binnen de verzuilde landelijke illegaliteit.

Walravens gezondheid ging tijdens de hongerwinter van 1944-’45 snel achteruit. Geert Mak beschreef in zijn boek Een kleine geschiedenis van Amsterdam de vermoedelijk laatste keer dat zijn gezin hem zag. “Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Duur gekochte vrijheid

Op 27 januari 1945 werd Van Hall gearresteerd tijdens een topoverleg op de Leidsegracht, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Weteringschans belandde hij in een cel naast zijn eerder gearresteerde verzetsvriend Jaap Buijs. Die beschreef in een bewaard gebleven dagboekje Van Halls laatste uren. “12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. (…) Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til [zijn echtgenote] mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.”

Op 12 februari 1945 stierf de twee dagen eerder 39 jaar geworden Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Na de bevrijding werd zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen.

Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken betitelde de eerste naoorlogse premier, Wim Schermerhorn, Van Hall als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Het heeft desondanks 65 jaar moeten duren voor Walraven van Hall werd geëerd met een monument, geplaatst naast en deels gefinancierd door diezelfde Nederlandsche Bank waaruit de broers Van Hall het kapitaal voor hun verzetswerk roofden. Dat de ‘olieman’ (een van zijn vele bijnamen) een voetnoot in de historie dreigde te worden heeft als belangrijke oorzaak dat zijn naasten de publiciteit meden. Wally’s familie zweeg. Zijn beste vriend, Jaap Buijs, was te getraumatiseerd om over de oorlog te spreken. Van Halls hoofdkoerier, L.C. Weeda, vertrok na de bevrijding al snel naar Nederlands-Indië. Kassier Ritter en andere bankiers wilden niet te koop lopen met hun ‘frauduleuze’ oorlogswerkzaamheden. En Gijs van Hall heeft in zijn memoires nog wel een poging gedaan om zijn broer lof toe te zwaaien, maar van dat boek bleef vooral het beeld hangen van een burgemeester die zijn taak niet tot een bevredigend einde wist te brengen.

De speelfilm Bankier van het verzet (met onder anderen Barry Atsma, Jacob Derwig en Pierre Bokma) geeft mogelijk het laatste zetje dat nodig is om Van Hall dezelfde naamsbekendheid te geven als bijvoorbeeld Hannie Schaft, Erik Hazelhoff Roelfzema en Gerrit Jan van der Veen. Hij verdient het.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Nee, mijn boek is niet verfilmd (of toch?)

Ik ben het een beetje zat. Dat mijn boek over Walraven van Hall de basis vormt voor Bankier van het verzet; geen punt. Maar doe dan niet alsof die biografie totaal geen rol speelt bij het maken van de speelfilm.  

Het is alweer een jaar of tien geleden dat Rutger Hauer aankondigde een Engelstalige speelfilm te willen regisseren over Walraven van Hall, de Zaanse verzetsheld die door velen wordt gezien als de spin in het web van de Nederlandse illegaliteit. Aangezien ik Van Halls leven had geboekstaafd, namen de twee door Hauer uitgekozen beoogde scenarioschrijvers contact met me op. Begrijpelijk, er bestond geen ander levensverhaal van enig formaat over de Nederlandse aanvoerder van de ondergrondse. We maakten een rondje door Zaandam. Ik wees plekken aan die belangrijk waren in het leven van de Zaandamse bankier/verzetsman. En ik beantwoordde vragen. Waren er destijds NSB’ers binnen de familie Van Hall? Gebruikte Walraven wapens tijdens zijn illegale jaren? Had hij ooit een buitenechtelijke relatie? En zo verder.

De scenaristen in spe waren eerlijk: het was lastig om het merendeels ‘papieren’ verzet van de hoofdpersoon te verfilmen en ze zochten daarom naar smeuïge details. Ik moest ze teleurstellen: Van Hall was uitermate heldhaftig en balanceerde regelmatig op de rand, maar veel sappigs in de vorm van schietpartijen en seksuele escapades zat daar niet bij.

NL Film

De film die Rutger Hauer wilde regisseren kwam er nooit. Iets met geldgebrek, begreep ik. In het najaar van 2011 vernam ik dat er wellicht toch nog een speelfilm zou uitkomen over ‘Wally’ van Hall. NL Film, een van Nederlands grootste productiebedrijven, had zich over het verhaal ontfermd. Ik stuurde het bedrijf een mailtje. “Indien NL Film met het oog op het produceren van de film geïnteresseerd is in mogelijke bronnen en archieven, geschikte filmlocaties en andere informatie die de research vergemakkelijken, kan daarover desgewenst contact met mij worden opgenomen”, schreef ik. Nog dezelfde dag kwam er een hartelijke reactie: “Wij stellen dit erg op prijs. Uw mail stuur ik hierbij door naar Sytze van der Laan die momenteel gesprekken voert met de researcher die voor ons aan deze film werkt. Hij neemt in de toekomst graag contact met u op.”

Het bleef een half jaar stil aan de andere kant van de lijn. Toen vroeg ik schriftelijk of er al iets meer bekend was. “Ik heb uw mail doorgestuurd naar Sytze van der Laan. Hij neemt contact met u op”, luidde het dit keer iets kortere antwoord. Inmiddels zijn we vijf jaar verder. Sytze van der Laan, door NL Film ingehuurd als producent van de film, zoekt blijkbaar nog altijd naar mijn digitale adres of telefoonnummer. Of wellicht had hij het te druk met de afwikkeling van zijn directeurschap bij de Nederlandse Film- en Televisie Academie, dat kan ook.

Gaandeweg vernam ik steeds vaker dat mijn boek een rol speelde bij het financieren en maken van de miljoenenfilm. Een lid van de familie Van Hall vertelde dat de enthousiaste producent bij haar op bezoek kwam met mijn biografie in zijn hand (“Het zat helemaal vol geeltjes.”). Schrijfster Jessica Durlacher bestelde mijn boek. Ze ging daarmee vervolgens samen met ega Leon de Winter op bezoek bij toenmalig bankdirecteur Gerrit Zalm, in een poging om geld los te peuteren voor de film. En Marieke van der Pol had het boek uiteraard ook naast haar computer liggen toen ze het script schreef voor Bankier van het verzet.

Peter R. de Vries

Iedereen kan de literatuur en archieven induiken en daar op zoek gaan naar Van Halls levensverhaal. Zolang er in Bankier van het verzet geen scenes voorkomen die alleen ik kon schrijven -dankzij exclusieve bronnen bijvoorbeeld-, staat het een ieder vrij om Van Hall vorm te geven zoals hij of zij wil. Toen er enkele jaren geleden een film werd gemaakt over de ontvoering van Freddy Heineken verkondigde Peter R. de Vries dat het script gebaseerd was op zijn publicatie over die ontvoering. Hij zei juridische stappen te overwegen, maar uiteindelijk is het daar nooit van gekomen. De Vries besefte waarschijnlijk dat hij het in de rechtbank zou afleggen.

Begin 2017 startten de opnames van de Van Hall-film. De hoofdrollen zijn in handen van goede acteurs. Barry Atsma speelt Walraven, Jacob Derwig diens broer Gijs. In Van der Pols scenario had ik ook wel vertrouwen. Zij heeft, onder meer met De Tweeling, bewezen uitstekende scripts te kunnen schrijven. Hopelijk is haar verhaal overeind gebleven bij de opnames, die eind april eindigden. Laten we het er op houden dat ik mijn twijfels heb. Het aantal via Facebook en Twitter verspreide foto’s van filmscènes waarop geweren en pistolen in beeld zijn, is ontelbaar. Een betrokkene beschreef hoe voor het oog van de camera tezamen met Walraven van Hall een vrouw werd geëxecuteerd, daar waar dat in werkelijkheid niet plaatsvond. Er kwam een fictieve naam voorbij van een belangrijke bijrolspeler. Barry Atsma poseerde op Twitter met een stevige gezichtswond, een blessure die Van Hall tijdens zijn oorlogsjaren niet had. Enzovoort.

In het voorjaar van 2017 raakte ik in gesprek met een dame die betrokken is bij de distributie van de Van Hall-film. Ze toonde me enkele foto’s waarop Jacob Derwig op de filmset door mijn boek bladert. Het was de zoveelste aanwijzing dat de filmploeg en de publicatie nooit ver van elkaar verwijderd waren. In diezelfde week plaatste Barry Atsma een tweet met een foto van mijn boek. Het bericht bleef nog geen tien minuten in de lucht. Toen werd het boek vervangen door een plaatje van het monument voor Van Hall in het Amsterdamse Beursgebouw. Ik vermoed zomaar dat iemand Atsma in de tussentijd liet weten dat de biografie niet in beeld mocht.

Tweetversie 1…

…en versie 2, een paar minuten later.

Naarmate de premièredatum dichterbij komt, krijg ik steeds vaker de opmerking hoe leuk het is dat mijn boek wordt verfilmd. Dat wordt het dus niet. Formeel dan. Toch wil ik bij dezen alvast twee dingen verklappen. Eén: Bankier van het verzet zal zelfs bij benadering niet zo integer zijn als de man die daarin centraal staat. En twee (in alle bescheidenheid): het boek is beter.

Riphagen is een fantastische film. Met de nadruk op fantast

Vooropgesteld, Jeroen van Koningsbrugge verdient een prijs voor zijn acteurswerk. Hij lijkt bovendien uiterlijk op het karakter dat hij speelt, zoals aan het eind van de film wordt getoond door zijn hoofd te laten overvloeien in dat van de man om wie het allemaal draait. Met Van Koningsbrugge had regisseur Pieter Kuijpers goud in handen om een aangrijpend oorlogsdrama te verfilmen. Des te jammerder dat ‘het ware verhaal’ over de gewetenloze oorlogscrimineel Dries Riphagen wordt overschaduwd door fictie en fouten.

Vanaf 1 januari is bij de VPRO de driedelige tv-serie Riphagen te zien. Die werd eerder, samengeperst, in de bioscopen uitgebracht. Het bezoekersaantal daar viel wat tegen; nog geen 40.000 mensen namen de moeite om de oorlogsbelevenissen van de gewetenloze misdadiger Dries ‘Al Capone’ Riphagen -fout voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog- te aanschouwen. De anderen kunnen het verhaal nu dus alsnog bekijken. Daarbij past echter wel een bijsluiter. Eentje die ontbrak bij de bioscoopversie.

‘Ongelooflijk verhaal’

“Het ware verhaal van Dries Riphagen” vermeldt de filmposter van de speelfilm Riphagen. “Ongelooflijk verhaal, maar helaas waargebeurd”, twitterde Jeroen van Koningsbrugge me. In een interview op de VPRO-site antwoordde hij op de vraag wat hij had ‘meegenomen van de film’: “Het besef dat het allemaal echt gebeurd is.” Onder (veel) meer NRC Handelsblad ging mee in deze herhaling dat de feiten voorop stonden: “Geen fijn verhaal. Wel echt en belangrijk.” En: “Een film die ons van de illusie afhelpt dat WOII goed afliep.”

Helaas, daar wringt ‘m nou net de schoen. Riphagen hangt van de fictie aan elkaar. Terecht schreef filmrecensent Jos van der Burg: “De gebeurtenissen worden steeds ongeloofwaardiger. Jammer, want de historische feiten zijn spannend genoeg.”

Feiten

Bernardus Andreas Riphagen (Amsterdam, 1909) was in de jaren dertig een genadeloze gangster. Tussen 1940 en 1945 deed hij er nog een flinke schep bovenop. Hij was tijdens de oorlog verantwoordelijk voor de dood van minstens tweehonderd mensen. Verraad en roof werden zijn handelsmerken. Na de bevrijding wist hij naar Argentinië te ontkomen, waar hij een vertrouweling werd van Juan en Evita Péron. Het is al met al een levensverhaal waar een intrigerende film van valt te maken. Maar om een of andere reden koos Pieter Kuijpers er voor om een flinke scheut fictie toe te voegen aan de feiten. En tegelijkertijd dus te verkondigen dat hij het ‘ware verhaal van Dries Riphagen’ had vastgelegd.

Er is nogal wat aan te merken op Riphagen. Dan doel ik niet in beeld verschijnende taferelen die in de jaren veertig nog niet bestonden (een jachthaven met moderne zeilboten, een plastic plaatje aan een gevel). Komisch overigens om op de achtergrond een routewijzer uit 2015 te zien op de Nieuwe Uitleg -dank, Google Streetview-, een in dit geval toepasselijke Haagse straatnaam. Voor wie het nog even wil nakijken, in de trailer schiet deze moderniteit voorbij op 1.59.


Still uit Riphagen, met bordjes uit 2015

Dezelfde Nieuwe Uitleg anno 2015, met dezelfde bordjes

Dat zijn slechts kleine foutjes, die bij niet al scherp kijken bovendien nauwelijks opvallen. Anders wordt het wanneer de geschiedenis een totaal nieuwe invulling krijgt, terwijl er nog steeds het etiketjes ‘echt gebeurd’ aan hangt. Het zal velen niet opvallen, maar de good guy in de film, ene Jan van Liempd, is volledig aan de fantasie ontsproten. Blijkbaar vond Pieter Kuijpers het nodig om de voor veel Nederlandse films noodzakelijk geachte liefdesscènes en de strijd tussen goed en kwaad een niet-bestaand persoon toe te voegen aan zijn rolprent. Helaas is Van Liempd zo dominant aanwezig dat de gemiddelde toeschouwer binnen de kortste keren niet meer kan achterhalen wat wel en niet waar is aan Riphagen. In een enkel interview kwam Kuijpers er overigens wel voor uit dat Van Liempd nooit heeft bestaan, maar dat zal het grote publiek zijn ontgaan.

Louis Einthoven

Er zijn echter genoeg illustraties van andere gebeurtenissen en personen die in de film voor ‘echt’ doorgaan, maar totaal ongeloofwaardig zijn. Een voorbeeld. In Riphagen brengt de secretaris van Louis Einthoven een op 3 april 1945 gedateerde brief van de ‘Secretarie van H.M. de Koningin’ aan huis. Dat gebeurt met een behoorlijk opvallende auto met chauffeur, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is in op dat moment een grotendeels lamgelegd Nederland. Wanneer de buitendeur openzwaait, noemt de bezorger Einthoven al openlijk bij naam. Daarna overhandigt hij de brief, waarin ‘Mr. Einthoven’ nogmaals openlijk wordt genoemd. Er staat één zin in: “Hierbij deel ik U mede dat Mr. Einthoven belast is namens Hare Majesteit de Koningin met het oprichten van het Bureau Nationale Veiligheid (BNV).” De particulier secretaris van de vorstin heeft voor de zekerheid zijn eigen naam ook nog maar even open en bloot op het handgeschepte papier geplaatst. Alsof de bezetting al lang voorbij, vervoer per auto anders dan door nazi’s normaal en transparantie vanzelfsprekend is. Het BNV werd overigens pas een kleine twee maanden later opgericht en Einthoven was in eerste instantie niet de aangewezen man om het bureau te leiden.

Bovenstaande scène duurt niet langer dan een minuut, maar bevat een reeks aan ongeloofwaardige handelingen. Het tekent de film. Louis Einthoven kwam overigens in de maanden na de bevrijding lijnrecht tegenover de verzetsman Wim Sanders te staan, tijdens de laatste oorlogsfase de grondlegger van de Centrale Inlichtingendienst. “Wie is dat?”, vraagt Jan van Liempd op een gegeven moment. “Dat is Wim Sanders”, krijgt hij prompt als antwoord. Met als toevoeging dat Sanders het hoofd is van de CID. Schuilnamen? Daaraan doet Riphagen niet. Illegale activiteiten? Het lijkt wel alsof iedereen ze in oorlogstijd mocht weten.

Gerrit van der Veen wordt dus ook met zijn volle naam geïntroduceerd. Het hoofd van de ondergrondse Persoonsbewijzencentrale lijkt in Riphagen de aanvoerder van een vrolijk feestvierend stelletje avonturiers. Dat de arrestatie van Van der Veen totaal anders in elkaar stak dan de verfilming weergeeft past wel in het hiervoor geschetste plaatje. Wim Sanders die Dries Riphagen persoonlijk naar het buitenland smokkelt; het is op z’n zachtst gezegd onwaarschijnlijk. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Toen ik Riphagen in de bioscoop zag, viel me op dat sommige toeschouwers aangedaan de zaal verlieten. Ze waren getroffen door het realiteitsgehalte van de film. “Erg hè”, voegde een kennis me toe. Ik kon het alleen maar bevestigen, zij het om andere redenen dan hij vermoedde. Riphagen bevat iets meer feiten dan die andere oorlogsfilm, Zwartboek. Het blijft echter grotendeels fictie. En dat is vooral vervelend voor de mensen die op basis van de voorpubliciteit dachten oorlogsfeiten gepresenteerd te krijgen.

In dit geval geldt dat het boek veel beter is. Maar vooral een stuk waarheidsgetrouwer.

Waar is Lambeeks Hitlerfilm?

Zijn politieke keuze kan worden beschouwd als een domme vergissing. Het niet nee durven zeggen toen er werd aangedrongen op een NSB-lidmaatschap had vervolgens ingrijpende consequenties voor de Zaandamse fotohandelaar Willem Jan Lambeek en zijn gezin.

Eigenlijk was Lambeek het constante aandringen van zijn kennis H. van Rijn, die even verderop een slagerij had, een beetje zat. En toen een andere middenstands-NSB’er, Jan Hooft, hem ook al stimuleerde om lid te worden van Musserts club had hij  zich toch maar aangemeld. Hij nam voor de volledigheid een abonnement op het NSB-blad Volk en Vaderland, las het nationaal-socialistische blad De Daad en gaf aan de Winterhulp, de nazistische armoedebestrijding.

Maar om nou te zeggen dat hij een aanhanger was van Hitler, nee. Volgens zijn vrouw leek hij zich zelfs een beetje te schamen voor het lidmaatschap dat hij begin 1941 was aangegaan. Hij hing de partijvlag nooit uit en NSB-propagandamateriaal kreeg geen plek op de ramen van ‘Foto-, Kino- en Projecthandel Lambeek’ aan de Gedempte Gracht 52. Op geen enkele wijze liep hij te koop met zijn partijkeuze. Bovendien was hij ook nog lid van de Nederlandsche Unie, de politieke organisatie die bepaald niet op goede voet stond met de NSB. Desondanks daalde Lambeeks omzet gestaag. De rode Zaankanters kozen liever een andere zaak voor hun pasfoto’s en vakantiekiekjes.

Het duurde evengoed nog tot 6 oktober 1943 alvorens Willem Jan Lambeek NSB-kringleider Zuidervliet per gepeperde brief liet weten dat hij het op een aantal vlakken niet eens was met de club. Bovendien had hij steeds onmin met zijn echtgenote over de partij. Hij zegde daarom zijn lidmaatschap per direct op.

Hoezeer hij genoeg had van het nazistisch gedachtegoed blijkt uit een datzelfde jaar gemaakt filmpje. Het was volgens Lambeek ‘voor eigen gebruik en ter vertoning op mijn 12,5-jarig huwelijksfeest’. Het betrof volgens hem ‘een film waarin Hitler door Chamberlain werd vermoord’. Anthonie Lak, een rechercheur van de Politieke Opsporingsdienst zou het stukje huisvlijt begin 1946 bekijken -Lambeek zat toen nog in de gevangenis- en beschreef de inhoud iets uitgebreider. Het was volgens Lak ‘een film waarop [sic] een scene voorkwam, voorstellende een komisch beeld waarin een man voorkwam, voorstellende Hitler, die door een anderen man, voorstellende Chamberlain [de vooroorlogse Britse premier], met een parapluie werd neergeslagen. Eerstbedoelde knielde (dus Hitler) en kreeg daarna enige klappen op zijn hoofd’. De rechercheur voegde aan het proces-verbaal toe ‘dat hij in bezettingstijd meerdere malen Engelse films van Lambeek heeft gezien en gehuurd, zulks terwijl verhuren hiervan destijds nadrukkelijk was verboden en strafbaar gesteld’.

Lambeek was op meer vlakken subversief bezig. Hij hielp mensen aan schuilplaatsen en nam zelf maandenlang een onderduiker in huis ‘die gevaar liep bij razzia’s’. “De R.K. onderduikersvereeniging met Kapelaan Groot en Kruidenberg aan ’t hoofd heeft hij geholpen aan middelen voor gezellige avonden’, verklaarde een hem goedgezinde dominee na de oorlog. Ook maakte hij stiekem 72 illegale foto’s, onder meer van anti-nazistische propaganda. En hij stelde foto’s van het koningshuis beschikbaar aan het plaatselijk verzet. Met de verkoopopbrengst werden onderduikers geholpen.

Al zijn inzet voor het vaderland ten spijt werd Willem Jan Lambeek op 8 mei 1945 gearresteerd en meer dan een jaar lang opgesloten in kamp Schoorl. Zijn fotozaak kwam in handen van het communistische dagblad De Waarheid, hoewel zijn vrouw en kinderen niets te verwijten viel. Er is een brief van de Commissie van Bijstand en Advies de dato 29 maart 1947 aan het Nederlands Beheer Instituut bewaard gebleven waarin op niet mis te verstane wijze wrevel wordt uitgesproken over deze ‘huurder’. “Het beheer over bovenaangehaald bedrijf werd op 14 September 1945 aan onze commissie opgedragen”, schreef de CBA-voorzitter. Om sarcastisch te vervolgen: “Bij het aanvaarden van dit beheer kwamen wij tot de ontdekking dat het betreffende perceel door het toenmalig Militair ‘Gezag’ in gebruik was afgestaan aan het instituut ‘de Waarheid’ te Zaandam. Een behoorlijke regeling ten aanzien van dit in gebruik afstaan was niet getroffen en het mocht ons ook niet gelukken ‘de Waarheid’ aan het verstand te brengen dat het in de Zaanstreek niet gebruikelijk is een perceel in gebruik te nemen, te metamorfoseeren en daarin een bedrijf uit te oefenen enz., zonder hier tegenover iets te stellen dat meestentijds wordt aangeduid met den naam huurbetaling. De echtgenoote van den gedetineerde Lambeek met haar kinderen had, zij het dan met geen groote bewondering voor de uitoefening van dit soort ‘gezag’ van de Zaandam bewakende militairen, haar woning verlaten en voorzag in het onderhoud van haar gezin door het opsoupeeren van spaargeld. Opgemerkt dient te worden dat de echtgenoote van Lambeek volkomen capabel is om de zaken te regelen en dus onder ons beheer als bedrijfsleidster het gehele bedrijf met succes had kunnen voortzetten.’

De misstap van Willem Jan Lambeek trof dus via een omweg ook zijn gezin. Pas in 1947 werd hij veroordeeld: hij kreeg een boete van 3.500 gulden en had te maken met onder toezichtstelling door de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten. Door het bijna twee jaar durende voorarrest en het gedurende langere tijd moeten afstaan van zijn winkel aan De Waarheid pakte de straf buitenproportioneel zwaar uit.

Het duurde nog geruime tijd voor De Waarheid ‘na langdurige en moeilijke onderhandelingen’ huur ging betalen. En nog langer voor mevrouw Lambeek de foto- en filmwerkzaamheden kon hervatten. In de decennia daarna bloeide de zaak weer op. Op Gedempte Gracht 52 zit nu nog altijd een fotozaak. Die kan worden beschouwd als de opvolger van de firma Lambeek.

Resteert de vraag wat er is gebeurd met dat spottende ‘Hitler-filmpje’ (dat zeer bijzonder is; mij is in ieder niet iets vergelijkbaars, gemaakt in bezet gebied, bekend). En wat met dat album vol illegale foto’s (ik ken er één à twee van)? Zouden ze nog in de familie zijn? En zo ja, is het dan mogelijk dat het Gemeentearchief Zaanstad wat kopieën krijgt of koopt? Dat zou van enorme waarde zijn voor de geschiedschrijving van de Zaanstreek.

Lambeek
Advertentie van Lambeek in het Zaans Volksblad (20 juni 1941)