Berichten

Etty Hillesum en Carla Simons: spiegelbeelden?

In het najaar van 2021 verschijnt Judith Koelemijers biografie van Etty Hillesum. Deze joodse vrouw uit Amsterdam werd bekend door de publicatie van haar oorlogsdagboek, 38 jaar na haar dood. De talloze overeenkomsten met het leven van een ander Holocaust-slachtoffer uit de hoofdstad, Carla Simons, zijn te veelvuldig en opvallend om ongenoemd te laten.

Etty Hillesum was, meteen na Anne Frank (Het Achterhuis), maar samen met Philip Mechanicus (In Dépôt. Dagboek uit Westerbork) de bekendste chroniqueur van de jodenvervolging. Honderdduizenden Nederlanders lazen Het verstoorde leven en haar ooggetuigeverslag kreeg vele vertalingen.

Zo bekend als Etty Hillesum (lang) na haar gewelddadige levenseinde werd, zo anoniem bleef Carla Simons. In 2014 probeerde ik haar wat naamsbekendheid te geven, maar verder dan een paar honderd verkochte exemplaren van het aan Simons gewijde en grotendeels door haar geschreven Dagboek 1942 kwam het niet. En dat terwijl uitgeverij Contact al in 1947 aankondigde om haar literaire oorlogsgedachten uit te geven. Het ging uiteindelijk niet door, om onbekende redenen. Ook de eerste pogingen om Hillesums bewaard gebleven aantekeningen uit te geven, eveneens in 1947, strandden aanvankelijk. Meerdere uitgevers zagen de publicatie niet zitten. Het is lang niet de enige overeenkomst tussen deze twee zelfstandige, eigenzinnige, geëmancipeerde vrouwen.

Carla Simons, ca. 1939 (Joods Historisch Museum)

Etty Hillesum, ca. 1939 (Wikipedia)

Er waren uiteraard ook de nodige verschillen. Zo werd Hillesum in 1914 geboren in Middelburg en Simons elf jaar eerder in Amsterdam. Het grootste verschil betreft het dagboek zelf. Waar de eerste gedurende lange periodes bijna dagelijks de pen oppakte, beperkte Simons zich tot een maandelijks overzicht. Soms sloeg ze zelfs een maand over. Ze lijkt aan het karwei te zijn begonnen met het idee dat er vooral iets literairs moest ontstaan. Haar aan het papier toevertrouwde gedachten zijn zeker de eerste periode verheven, zo niet pompeus.

Uit alles blijkt dat ze in die beginfase van het schrijven geen idee had van de dodelijke gevaren die haar en de andere joden in Nederland bedreigden. Etty Hillesum schreef in de eerste weken van 1942 indringend over onder meer de Joodse Raad, de Gestapo en een doodgemartelde kennis. Carla Simons daarentegen filosofeerde over bomen, bloemen en sterren, en leek te vluchten in een fantasiewereld. Pas in april wijdde ze voor het eerst een paar woorden aan de enorme beperkingen waarmee joden te maken hadden. ‘Verboden voor Joden’, signaleerde ze bij een lonkend Amsterdams terras. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Maar wie ontneemt mij dit genot, dit verlangen naar lenteleven?’ Het leek alsof ze zich toeschouwer waande in een grimmig sprookje, fictie waaraan ze zelf nog zou kunnen ontsnappen. Het zou bijna driekwart jaar duren voor ze definitief een andere insteek koos en de realiteit vaker tot zich liet doordringen. Maar zelfs toen bleef ze een dromerig optimisme koesteren.

Polen

Haar naïviteit komt misschien wel het best tot uiting in een goedbedoeld advies aan een joodse kennis. De 23-jarige vrouw overwoog te trouwen met een volgens Carla ongeschikte partner. Het was inmiddels september 1942 en de transporten naar Auschwitz waren al enkele maanden aan de gang. Carla raadde de jonge vrouw aan om van het huwelijk af te zien: ‘Het is erger dan naar Polen gestuurd te worden.’ Even daarvoor had ze weliswaar vastgesteld te leven in een ‘tijd van verschrikking, arrestaties, razzia’s, wanhoop, zelfmoord’, maar desondanks achtte ze een slecht huwelijk erger dan de gedwongen tocht naar een duistere bestemming in Polen. Ter vergelijking: tezelfdertijd noteerde Etty Hillesum in haar dagboek: ‘Een hele hoop mensen maken zich ziek of houden zich ziek uit angst om versleept te worden. Velen maken ook zichzelf dood, ook uit angst.’

De verschillende invalshoeken die beide buurtgenoten tot het najaar van 1942 hanteerden is verklaarbaar. Hillesum had als medewerkster van de Joodse Raad het leed dat de joden werd aangedaan al aan den lijve ondervonden. Bovendien was ze inmiddels korte tijd in kamp Westerbork geweest. Simons kon, dankzij haar relatie met een Italiaan, nog geruime tijd haar relatief luxe leven voortzetten en de boze buitenwereld tot op zekere hoogte ontkennen.

Na acht maanden kwam Simons tot de conclusie dat ze soms ‘te gestileerd, te mooi, te weinig doordacht’ schreef. Het was een vriend, de bekende concertpianist Imré Ungár, die haar daarop attendeerde. Ze besloot om meer aandacht te besteden aan het rauwe leven en de gruwelijkheden die de hoofdstad bedreigden. Halverwege haar manuscript veranderde de verheven, soms bijna abstracte tekst in een tastbaarder verhaal. Er drongen steeds vaker gruwelen en bedreigingen in door. Het dagboek werd meer en meer een kroniek van een aangekondigde dood. En daarmee kwam het een stuk dichter te staan bij de getuigenissen van Etty Hillesum (die overigens eveneens vooral haar innerlijk leven boekstaafde).

Parallellen

Er zijn te veel parallellen tussen de twee schrijvende joodse, Amsterdamse vrouwen om ze te kunnen negeren. Ik zet ze hieronder op een rij.

  • Beide vrouwen deden een academische talenstudie: Simons waagde zich aan het Italiaans, Hillesum wierp zich op de Slavische talen.
  • Zowel Simons als Hillesum was vrijzinnig en openhartig. Nadat Simons een roman had gepubliceerd waarin een biseksueel verlangen aan bod kwam, oordeelde de bekende historica Annie Romein-Verschoor preuts: ‘Het geeft te denken dat die zichzelf doorgrondende openhartigheid zich zo overwegend op het seksuele richt.’ Volgens haar collega A.M. de Jong benaderde Simons met haar beschrijving van de ‘overprikkelde erotomane Lea (…) bedenkelijk de grenzen der pornografie.’ Hillesum, die tezelfdertijd meerdere relaties onderhield, noteerde al op de eerste pagina van haar dagboek: ‘Erotisch ben ik geraffineerd, ik zou haast zeggen doorgewinterd genoeg om tot de goede minnaressen te behoren.’
  • Ze kregen allebei een relatie met een buitenlandse charismatische intellectueel die zich in Nederland had gevestigd. De mannen waren afkomstig uit een nadien als vijandige mogendheid beschouwd land. Simons werd smoorverliefd op de Italiaanse privaatdocent Romano Nobile Guarnieri, Hillesum op de uit Duitsland gevluchte ex-bankier Julius Spier. In beide gevallen kwam het overigens niet tot een huwelijk of kinderen.
  • Opvallend is het leeftijdsverschil tussen de geliefden. Guarnieri (1883) en Simons scheelden twintig jaar, Spier (1887) en Hillesum 27 jaar.
  • De twee vrouwen onderwierpen zich aan navelstaarderige sessies met handlijnkundigen of andere toekomstvoorspellers. Hillesum deed dat bij Spier, die van het handlezen zijn beroep had gemaakt. Simons bezocht meermalen niet bij naam genoemde waarzeggers.
  • Ze woonden allebei in Amsterdam-Zuid, op een paar honderd meter van elkaar. Simons aan de Noorder Amstellaan, Hillesum in de Gabriël Metsustraat.
  • Beiden begonnen pas in de oorlog met het schrijven van een dagboek. Hillesum vanaf 1941, Simons in 1942. Beide dagboeken eindigden abrupt: dat van Simons in mei 1943, dat van Hillesum vier maanden later.
  • Zowel uit Dagboek 1942 als uit Het verstoorde leven spreekt een continu godsbesef. Beide schrijfsters praten op papier met grote regelmaat met en over Hem. In de laatste alinea van haar dagboekaantekeningen typeert Etty Hillesum zichzelf in bijbelse bewoordingen: ‘Ik heb mijn lichaam gebroken als brood en het uitgedeeld onder de mannen.’ De laatste dagboekzin van Carla Simons bevat een letterlijk bijbelcitaat: ‘Maar in mijn hart komt rust en vertrouwen, en ik denk aan deze woorden: “En hij scheidde zich van hen af omtrent een steenworp, en knielde neder en bad, zeggende: Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van mij wegnemen, doch niet mijn wil, maar de Uwe geschiedde.”‘
  • Hoewel ze allebei meermalen een aanbod kregen om onder te duiken, weigerden ze die stap te zetten. Simons omdat waarzeggers haar vertelden dat haar niets zou overkomen, Hillesum ‘omdat ze het lot van haar volk wilde delen.’
  • Op 19 november 1943 stierf Carla Simons in de gaskamer van Auschwitz. Etty Hillesum onderging dat lot elf dagen later, in het hetzelfde kamp.

J.G. Gaarlandt

In het voorwoord van Het verstoorde leven schrijft inleider Jan Geurt Gaarlandt over ‘haar uiteenzettingen over het “vrouwenvraagstuk”, haar bevindingen in de literatuur van de Russen en Duitsers, van [Rainer Maria] Rilke vooral, haar visie op de geschiedenis en het jodendom, haar constante groei naar een leven dat zich verzet tegen de haat die vriend en vijand beheerst, de eerlijkheid en vrijgevochtenheid, haar stemmingen, haar lyrische ontvankelijkheid, de dreigende gebeurtenisen, de steeds grotere evidentie van “het verstoorde leven” om haar heen, ze peilt ze, schrijft ze neer, helder, intens, met een opvallend literair talent.’ Gaarlandt doelt daarbij uiteraard op Etty Hillesum. Het wonderlijke is dat zijn omschrijving precies zo van toepassing is op Carla Simons.

Lees die twee schrijfsters! (En daarna natuurlijk Judith Koelemeijers biografie.)

Carla Simons, 1939

Etty Hillesum, 1939 (Wikipedia)