Oostzaner Albert de Joode: pionier van het nazisme

Het is een weinig bekend feit, maar een van de eerste Nederlandse nazi’s had zijn wieg in Oostzaan. Deze Albertus de Joode, zijn naam ten spijt een fervent antisemiet, zat namelijk in de leiding van de Nationaal-Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij.

Albertus (roepnaam Albert) kwam op 28 november 1891 ter wereld als achtste kind van stoombootconducteur Christiaan en diens vrouw Johanna Petronella de Joode. Het enige meisje in het gezin overleed in juli 1890, tien maanden na haar geboorte. De kleine Albert groeide dus in Oostzaan op temidden van zes oudere broers. Het gezin De Joode woonde aan de Overtoom, in de tegen Tuindorp-Oostzaan gelegen wijk A14.

In tegenstelling tot de andere gezinsleden kon Albert zich maar kort Oostzaner noemen. Drie dagen na zijn eerste verjaardag betrok de familie De Joode een huis in Landsmeer. Daar bracht Albert de rest van zijn jeugd door. In 1915 verhuisde hij van Landsmeer, waar hij op dat moment bij zijn aanstaande schoonouders woonde, naar Amsterdam. Hij zou daar vele adressen bewonen, om te beginnen de Vrolikstraat 75. Maar ook in Landsmeer (wederom) en Nijmegen betrok De Joode nog enkele onderkomens. In 1916 trouwde hij met Alida van Zalen, een huwelijk dat 63 jaar zou standhouden. Hij verdiende aanvankelijk zijn boterham als kantoorbediende. Met Alida kreeg hij twee dochters, in 1917 en 1919.

Albert de Joode had ambities. Simpel kantoorwerk was hem al snel te min. In het jaar dat hij naar Amsterdam verhuisde verwierf hij een baan als verslaggever bij het nieuwsblad De Waterlander. Daar zou hij vijf jaar blijven. In 1916 promoveerde hij naar De Telegraaf, een toen nog anti-Duits en links dagblad. Hij werd er redacteur. Ook het Nijmeegsch Nieuws maakte, vanaf 1925, gebruik van zijn diensten. Oostzaan loslaten kon hij echter niet helemaal, getuige een advertentie in De Waterlander van 19 juni 1920. Vanaf het adres Overtoom 33 bood De Joode ‘gelegenheidsfoto’s’ à 25 cent aan, met als onderwerpen onder meer ‘Voetbalwedstrijd Oostzaan, OSV 1-Zaanlandia 1’ en ‘Noodlanding vliegtuig in de Ham’. Een maand later stond zijn naam weer in die krant, maar nu als net benoemde leider bij de ‘propaganda- en toneelclub’ van de Communistische Partij, afdeling Landsmeer en Den Ilp.

Hitlerpartij

Albert de Joode was dus in zijn jonge jaren aanhanger van het revolutionaire Rusland, volger van Lenin. Het cliché dat de extremen elkaar raken ging echter ook op voor hem. Binnen enkele jaren schoof hij van extreem-links naar uiterst rechts. Het fascistisch gedachtegoed kreeg steeds meer aanhang en leidde in december 1931 tot twee nieuwe partijen in de Nederlandse politiek: de NSB en de NSNAP. De Joode sloot zich aan bij de laatste groepering. Toen in Den Haag de Nationaal-Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij werd opgericht was hij overigens niet meteen van de partij. Het ‘tweetal Führer-in-spe‘ (zoals Loe de Jong hen betitelde) dat de NSNAP vorm gaf, bestond uit Ernst ridder van Rappard (Indië, 1899) en Bertus Smit (Amsterdam, 1897). Het was echter een kwestie van dagen voor De Joode zich naast hen nestelde. Gedrieën gaven zij leiding aan de extreemrechtse beweging. De NSNAP noemde zich ‘de eerste, de sterkste, de onvervalste Hitlerpartij in Nederland’, noteerde de Centrale Inlichtingendienst in 1937 in een intern rapport. Volgens de geheime dienst streefde de partij naar ‘het radicale, 100% socialisme van het nieuwe Duitsland, ook hier.’ De NSNAP ging dus nog een stapje verder dan de NSB, die minder op het Duitse nazisme leunde en aanvankelijk niet antisemitisch was.

Het werk voor de NSNAP (hij werd onmiddellijk benoemd tot leider van de Amsterdamse afdeling) kostten De Joode zijn baan bij zowel De Telegraaf als het Nijmeegsch Nieuws. Van 1933 tot 1935 mocht hij nog wel stukken schrijven voor De Nieuwe Dag, maar toen werd hij vanwege zijn politieke dadendrang ook daar aan de kant gezet. Tussen 1936 en 1940 was hij administrateur bij een reisbureau in de hoofdstad.

Zoals wel vaker bij autoritaire partijen ontstond er al snel ruzie in de NSNAP-top. ‘Eerste schriftvoerder’ Van Rappard verklaarde vier maanden na de oprichting dat Nederland een Duitse provincie diende te worden. Zijn kompaan Bertus Smit was het daar niet mee eens en vertrok. De Joode nam de taak op zich om leden te werven onder de in Duitsland wonende Nederlanders. Zijn streven ging echter verder. Hij gaf zichzelf een nieuwe achternaam, ‘Van Waterland’, en ging met Van Rappard de strijd aan om het hoogste ambt binnen de NSNAP. Die slag verloor hij. Ook hij verliet de NSNAP, begin 1932, om vervolgens voor zichzelf te beginnen.

Vanaf dat moment stichtte ‘Albert van Waterland’ meerdere nazistische partijen, de een nog kleiner dan de ander. Ook was hij twee jaar lang hoofdredacteur van het in lezerstal bescheiden blad De Nationaal Socialist. In april 1933 nam hij met zijn Nationaal-Socialistische Partij deel aan de Kamerverkiezingen. Het leverde hem 2127 stemmen op, bij lange na niet voldoende voor een zetel. Hij werd prompt afgezet als partijleider. Na deze teleurstelling claimde hij de naam van zijn oude partij, NSNAP, en ging -de tegenwerpingen van Van Rappard negerend- onder die noemer verder. Het werd opnieuw een kortdurend avontuur. In juli 1933 werd hij ook uit het NSNAP-bestuur gezet en geroyeerd als lid, ‘terwijl hij ook in Duitsland niet meer als officieel leider van de Nederlandse afdeling wordt erkend’ (aldus de Leeuwarder Courant). De Joode had zich volgens de krant willen onderwerpen aan Adolf Hitler, daar waar zijn partijgenoten hun zelfstandigheid wilden behouden en alleen Hitlers partijprogramma onderschreven. Er waren echter ook media die het omgekeerde beweerden. Hoe dan ook, de broederstrijd betekende het definitieve einde van De Joodes carrière bij de NSNAP.

De Joode Het Volk, 11-7-1932

In de progressieve pers wekte De Joodes dadendrang hoon op. Toen hij in april 1933 ondertekenaars van de NSP-kieslijst 2,50 gulden bood voor hun ondersteunende handtekening citeerde Het Volk zijn bedelbrief en schreef daaronder: “Dit stuk, afkomstig uit het ‘Bruine Huis’ aan de Prinsengracht te Amsterdam, zond de heer De Joode, de burgerlijke naam van de uitgestoten fascist Albert van Waterland aan een caféhouder te Zwolle. Een aardige brief! Men verzoekt een wildvreemde kastelein handtekeningen bijeen te scharrelen voor de kandidatenlijst. Honorarium: één riks. Zo gaat de fascist de boer op.” Met het ‘Bruine Huis’ doelde Het Volk op De Joodes toenmalige woning aan de Prinsengracht 469, een smal pand uit 1713 (tegenwoordig een rijksmonument).

Vier dagen later gaf Het Volk onder de kop ‘De Joode is van alle markten thuis’ de bespotting een vervolg: “In 1923 was hij een scherp communist. Maar toen hij in 1925 naar Nijmegen kwam, begon hij een eigen drukkerijtje op de Pikkegas, waar hij enkele jaren de collectieve arbeidsovereenkomst saboteerde. Hij drong zich nu in de r.k. Volkspartij, verzamelde daar ook alweer handtekeningen, zodat hij op de groslijst voor de raadsverkiezingen kwam. Echter werd hij daarvan afgevoerd, omdat hij niet katholiek was. Dit bleek geen bezwaar voor de heer De Joode. Hij werd katholiek en kreeg het drukwerk van enkele katholieke blaadjes.”

Daarmee was zijn politieke zwerftocht nog niet ten einde, aldus Het Volk.”Bij de r.k. Volkspartij werden zijn kansen intussen allengs minder en hij stichtte een eigen partij voor neringdoenden, middenstand en boeren, voor de gemeenteraadsverkiezingen 1931. Dit groepje leed evenwel ook fiasco. De heer De Joode viel hierdoor uit de gratie en kreeg geen drukwerk meer van de katholieken. Zijn gratis advertentieblaadje verliep. Ook de neringdoenden gingen de ogen open. Zijn drukkerijtje werd gesloten en de heer De Joode toog weer naar Amsterdam om van daaruit te proberen in de Kamer te komen.”

Jodenschurken

Het vervolg is dus bekend; ook zijn carrière bij de net opgerichte NSNAP mislukte. Aansluiten bij de snel groeiende Nationaal-Socialistische Beweging was voor De Joode vooralsnog geen optie, zo blijkt uit een bijenkomst in 1933 waar NSB-leider Anton Mussert zou spreken. Uit Loe de Jongs Koninkrijk der Nederlanden: “Een van De Joode’s trawanten sprong in SA-uniform op het podium: ‘Dames en heren’, roept hij uit en hij spreekt met meer vuur dan Mussert, ‘weet u dat u bedrogen wordt door deze Mussert? Hij een nationaalsocialist? Om te lachen! Ziet naar het toneel: wat mankeert er aan zijn vaandels? Het hakenkruis! (…) Hij praat met de Joden in plaats van ze op te hangen, te verdelgen! De helft van de leden der Mussertpartij zijn Joden! (…) Wij voeren het hakenkruis, wij zullen de Joden uitroeien. Maar zij daar: het zijn Jodenschurken! In hun gebouw hangt de foto, niet eens van Hitler, maar van Mussolini. Zij hebben mij eens gezegd, zo min mogelijk met Hitler van doen te hebben!’ Meer was niet nodig. ‘Hang ze op!’, werd nu overal geroepen, het Horst Wessellied aangeheven. Mussert, weggehoond, kwam niet meer aan het woord. De Joode (‘Albert van Waterland’) bleef meester van het terrein.”

Het succes was kortstondig. Echt beklijven wilde de boodschap van De Joode niet. Hij was echter niet voor één gat te vangen. De Joode ging verder met de Nederlandsche Nationaal-Socialistische Partij (NNSP) en deed in 1935 een poging om een plaats te veroveren in de Amsterdamse gemeenteraad. Dat mislukte, al wist hij toch nog 1785 kiezers aan zich te binden. In augustus 1940 werd hij de aanvoerder van een organisatie die zich NSNAP-De Hakenkruisers noemde. De bezetter verbood die partij echter, hoe aanhankelijk die zich ook opstelde tegenover nazi-Duitsland. Albert de Joode had in de loop van de voorgaande tien jaar meerdere nazistische partijen gesticht en brochures gepubliceerd met titels als Wie is Adolf Hitler? Wie is en wat wil het Nationaal-Socialisme? en NSP – De Nederlandsche Hakenkruisers. Maar al zijn inspanningen waren tevergeefs. Tot een politieke doorbraak wilde het maar niet komen.

Niet alleen zijn linkse tegenstanders, maar ook zijn eerdere partners zaten hem dwars. Op 17 oktober 1940 -hij woonde inmiddels op zijn twaalfde Amsterdamse adres, dit keer de Weteringschans 34- deed hij bij de politie aangifte ‘dat in de afgelopen nacht de partijvlag met vlaggenstok welke aan voorzijde woning uithing is ontvreemd’. Een vermoeden wie daarvoor verantwoordelijk waren had hij wel: “Leden der NSNAP (Rappard-partij).” De politie nam de zaak in behandeling, maar uit niets blijkt dat het kleinood werd opgespoord. “Vlag en stok behoren aan partij Albert van Waterland”, noteerde de dienstdoende agent.

Uit arren moede sloot De Joode zich in 1942 maar aan bij zijn vroegere aartsvijand, de NSB. Er is een handgeschreven brief van hem bewaard gebleven de dato 17 mei 1942, gericht aan NSB-propagandaleider Ernst Voorhoeve: “Zoals het u bekend zal zijn heb ik in 1931 te Amsterdam de Nat. Soc. Partij gesticht en heb als anti-semiet vanaf dat jaar steeds voor het Nat. Soc. als Nederl. Hakenkruiser daarvoor propaganda gevoerd. Enige jaren werkte ik samen met v. Rappard, doch toen deze zich op het Groot-Duitse standpunt plaatste gingen onze wegen uiteen. Met de NSB van ir. Mussert konden wij niet tot overeenstemming komen, vanwege diverse verschilpunten. Op verzoek van de Rijkscommissaris hebben wij onze actie stilgelegd en is aan de leden de keuze gelaten zich bij de NSB of NSNAP aan te sluiten. (…) Wil men goed strijder voor zijn ideaal zijn, dan moet men leiding en leider ook het volle vertrouwen kunnen geven, alvorens in de rijen te kunnen treden. Gij, kameraad Voorhoeve, waart ook eens tegen Mussert en hebt dus uw redenen gehad, dat niet meer te zijn. Tot heden heb ik die nog wel en zal dus gaarne de weg bewandelen, opdat tot algehele samenwerking kan komen, in dienst door en voor het Nederlandsche volk. Door mijn werkzaamheden ben ik alleen des daags na 6 uur vrij, voorts Zaterdagsmiddags, na 1 uur en des Zondags. In afwachting, Albert van Waterland.” Vier dagen later werd hij door Voorhoeve uitgenodigd door een debatvergadering in Utrecht. Dat aanbod wees De Joode van de hand. Hij wilde geen debat, want hij was het al met de NSB-leiding eens.

Op 16 juni 1942 schreef hij een nieuwe brief aan Voorhoeve. Hij vond nu ‘dat de bezwaren omtrent toetreding in de rijen der NSB thans voor mij vervallen zijn. Ingaande gister heb ik mij dan ook als lid in Amsterdam aangemeld en hoop vele jaren in dienst va het nationaal socialisme in Nederland werkzaam te mogen zijn.’ Tot jaren van dienstbaarheid kwam het desondanks niet. Een Duitse beambte liet zijn superieur weten: “In NSB-kringen geldt de genoemde  als welbespraakte avonturier die met alle winden meedraait.” Met De Joodes politieke loopbaan kwam het niet meer goed.

Achteraf mocht hij zich daarover in de handen knijpen. Toen na de oorlog de berechting van collaborateurs plaatsvond, kwam Albert de Joode er vanaf met een geldboete. Hoe het hem daarna verging is nauwelijks onbekend. In september 1947 was hij even terug in Oostzaan, zoveel is wel duidelijk. Hij was toen boekhouder bij een bank. Op 21 februari 1972 overleed de voormalige nazileider in Amsterdam. Wat resteert is een bijna vergeten naam in een kroniek van een mislukt leven.

Albert de Joode Albert de Joode 

3 antwoorden
  1. Alex Geelhoed
    Alex Geelhoed zegt:

    Ik vraag me af of twee van de genoemde kranten juist zijn aangeduid: De Nieuwe Dag verscheen pas na 1945, als ik het goed heb. Wordt daarmee niet het Nieuws van den Dag bedoeld? En: Nijmeegsch Nieuws kan ik ook niet vinden. Wat zijn de bronnen voor deze mededelingen?

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.