Onderzoek naar onteigend joods vastgoed in de Zaanstreek: een reactie

Was het naoorlogse rechtsherstel voor joodse huiseigenaars zo voorbeeldig als het college van B&W in Zaanstad lijkt te suggereren? Of zijn daar kanttekeningen bij te maken? Een reactie op het Nader onderzoek naar de aankoop van onteigend (Joods) vastgoed in de Tweede Wereldoorlog door de voormalige Zaangemeenten.

Het Gemeentearchief Zaanstad (GAZ) onderzocht in 2020 de (ver-)koop van het tijdens de Tweede Wereldoorlog onteigende joods vastgoed binnen de voormalige Zaangemeenten en het naoorlogse rechtsherstel voor de slachtoffers. De gemeentelijke inventarisatie vloeide voort uit vragen van het tv-programma Pointer (KRO/NCRV) en van journalistiek platform Follow The Money, die gezamenlijk de Nederlandse gemeenten doorlichtten op hun betrokkenheid bij de onteigening en verkoop van joods vastgoed. Het overgrote deel van de Zaanse verkopen verliep tussen particulieren. Het archief bekeek echter met name de zes transacties (negen panden) waarin Zaangemeenten -Zaandam en Zaandijk- de (beoogde) kopers waren.  In het GAZ-onderzoek zijn de particuliere overdrachten wel geïnventariseerd, maar niet aan een nadere beschouwing onderworpen.

De uitkomsten van het GAZ-onderzoek leidden op 15 oktober 2020 tot een persbericht van het Zaanstedelijk college van B&W. Daarin was vooral opluchting leesbaar. “Wat blijkt? Na de oorlog hebben deze [Zaanse] gemeenten met bijna alle gedupeerden een regeling getroffen in het kader van rechtsherstel”, luidde de conclusie. Er was slechts één uitzondering. De gemeente Zaandijk kocht tijdens de oorlog een ‘joods’ gebouw waarvan de eigenares na de bevrijding afzag van een al dan niet minnelijke financiële regeling. Maar ook dat liep schijnbaar goed af. “Het lijkt erop dat ze dit pand heeft geschonken, omdat elk bewijs van een financiële vergoeding ontbreekt.”

Kritisch

Uit het persbericht kan worden opgemaakt dat de zeven voormalige Zaangemeenten destijds aan de goede kant stonden. Zo niet in de oorlog, dan toch zeker daarna. Des te opmerkelijker dat gemeentearchivaris Frans Hoving, onder wiens leiding het onderzoek plaatsvond, in een vraaggesprek met Dagblad Zaanstreek (15-10-2020) wèl kanttekeningen plaatst bij de handelwijze van de Zaanse gemeenten. Niet alleen is hij -logisch- kritisch op hetgeen daar tussen 1940 en 1945 gebeurde, ook de naoorlogse werkwijze kan zijns inziens niet altijd de toets der kritiek doorstaan. Enkele citaten uit zijn mond: “Opmerkelijk is te zien dat de Joden hun panden terugkregen, maar nog wel de lokale belastingen moesten betalen voor de periode dat ze er niet woonden. Stel je voor: je hebt in een kamp gezeten, komt terug en moet nog achterstallige straatbelasting betalen…” Over het aangekochte en mogelijk daarna door de eigenares aan de gemeente Zaandijk geschonken pand reageert Hoving ook aanmerkelijk genuanceerder dan het college van B&W: “Alsof ze hiermee heeft willen zeggen: ‘Gemeente, je bent goed voor me geweest. Hier is mijn huis, doe er mee wat je wilt.’ Maar je kunt er net zo goed een negatief verhaal aan ophangen, als archivaris kan ik niets bewijzen.” Verder is in het onder Hovings verantwoordelijkheid verschenen onderzoeksrapport te lezen dat ‘er geen reden is om te veronderstellen dat de opstelling van de voormalige Zaangemeenten afwijkt van het algemene beeld van de Nederlandse overheid, dat wil zeggen dat deze opstelling uiterst zakelijk was en men uitsluitend overging tot compensatie wanneer er een wettelijke noodzaak toe bestond.’

Reactie van het Nederlands Beheersinstituut op een verzoek van het synagogebestuur om financiële clementie, omdat er door de oorlog bijna geen leden en -dus- financiën beschikbaar zijn om de hypotheek te betalen, 1953.

Een goed voorbeeld van de naoorlogse overheidskilte is de omgang met de door de bezettingsmacht en de naar brandstoffen speurende Zaankanters verwoeste synagoge in Zaandam. Het handjevol overlevenden dat de sjoel na de oorlog weer in de oude luister probeerde te herstellen, kwam van een zeer koude kermis thuis. De -in dit geval landelijke- overheid toonde geen enkele clementie en luidde daarmee de definitieve ondergang in van het gebedshuis op de Gedempte Gracht.

Onderzoek

De makers van het GAZ-onderzoek stellen vast dat van de plaatselijke overheden alleen de gemeenten Zaandam en Zaandijk gedurende de oorlog onroerend goed kochtten. Die gebouwen waren eerder onteigend -zeg maar: gestolen- door de bezetter. Het betrof vooral bezit dat voordien eigendom was van joodse inwoners. Afgaand op de informatie uit de Verkaufsbücher -de Duitse administratie van de verkopen- komt het Gemeentearchief uit op 32 transacties van vooral joods vastgoed. Daarbij zijn tijdens de oorlog 54 Zaanse panden aan nieuwe eigenaars verkocht.

De lijst lijkt niet compleet. In het naoorlogse strafdossier van de Zaandamse NSB-wethouder annex makelaar Jacob IJdenberg staan bijvoorbeeld zes woningen vermeld die voorheen het bezit waren van de Portugees Israëlietische Gemeente in Amsterdam, de oudste joodse gemeente van Nederland. Het betrof de Lijsterbesstraat 13 t/m 23 in Zaandam (waar overigens geen joden woonden). De koper was Zaandammer Krijn Vens, die ook vastgoed kocht in Amsterdam en Heemstede. De Zaanse transactie wordt niet vermeld in de Verkaufsbücher. Wellicht omdat er een deel van deze inventarisatiereeks is zoekgeraakt?

Ook het Zaandamse Gemeenteziekenhuis ontbreekt in de lijst met kopers. Het volledig onder gemeentelijk beheer opererende ziekenhuis betaalde in 1943 bij monde van Amsterdammer A. van den Akker achtduizend gulden voor de riante woning van de joodse Overvener I. Coppers (wellicht een tikfoutje: de naam Coppens lijkt logischer). Het betrof dus weliswaar geen Zaans ‘roofpand’, maar de overdracht vond wel plaats onder verantwoordelijkheid van het Zaandamse gemeentebestuur. Aanvullend onderzoek kan wellicht uitwijzen of het naoorlogse college heeft gezorgd voor rechtsherstel.

En hoe zit het met de Zaandamse Stationsstraat 61 en de bijbehorende, eveneens geconfisqueerde beheerderswoning op nummer 59? Beide gebouwen waren eigendom van de Vrijmetselaars, maar die organisatie werd in 1940 verboden. Hun Anna Paulownaloge werd onteigend en vervolgens omgebouwd tot NSB-hoofdkwartier. Op nummer 59 kwam NSB-kringleider G.M. Zuidervliet te wonen. Op de Vrijmetselaarssite is in het kort te lezen hoe het de loge in en na de oorlog verging. Zou deze organisatie na de bevrijding afdoende zijn gecompenseerd?

Door de diepte in te gaan, kan veel meer boven water komen over de omgang met het roofgoed. Nog een voorbeeld. In het GAZ-onderzoek wordt ingegaan op de voorgenomen gemeentelijke aankoop van Hoogendijk 66. Dit huis was in de oorlog eigendom van Elsje de Jong-Lelie. Ze werd in 1943 vermoord in de gaskamer van Sobibor. Haar op de Hoogendijk inwonende zoon Simon en zijn gezin doken onder en overleefden de oorlog. Het archief concludeert dat de verkoop van hun onderkomen aan de gemeente Zaandam, in 1943, niet doorging. Wat er vervolgens met het pand gebeurde, wisten de onderzoekers niet te reconstrueren. Ze wierpen, behalve op de eigen dossiers, nog wel een blik op het Joods Monument Zaanstreek-lemma over Elsje de Jong, maar lijken het lemma over haar inwonende zoon te hebben gemist. Daar valt namelijk meer te lezen over de omgang met de leeggekomen woning. De betreffende informatie op het Joods Monument Zaanstreek is afkomstig van het NIOD in Amsterdam.

Jacob IJdenberg

De al eerder genoemde wethouder/makelaar IJdenberg verdient een nadere beschouwing. Als officiële vertegenwoordiger van de Grundstücksverwaltung -de Duitse organisatie die het joodse bezit te gelde maakte- verhuurde en verkocht hij huizen waarin voordien Zaanse joden woonden. “Hiervoor ontving ik de normale vergoeding, nl. 1 procent”, zou hij tijdens een naoorlogs verhoor bekennen. “Ik meen dat ik in totaal een zeven à acht verkopingen heb gedaan.” IJdenberg overleed in 1946 in gevangenschap, maar een Tribunaal verklaarde hem een jaar later postuum schuldig aan een reeks misdrijven. Eén daarvan was ‘dat hij als wethouder tijdens de oorlog (in welke functie hij als NSB’er door den NSB-burgemeester Van Ravenswaay is aangesteld) in totaal f 5.900 verdiend heeft en als beheerder van en makelaar in Joodsche huizen (aangesteld door de Niederländische Grundstücksverwaltung) in totaal f 1.757,13.’

Helderse Courant (2-10-1943)

Aanvullend onderzoek in de zogeheten NBI- en CABR-dossiers over Jacob IJdenberg zou meer duidelijkheid kunnen verschaffen over de omvang van en omgang met het joodse roofgoed in en na de oorlog. Afgaand op IJdenbergs NBI-dossier kom ik al op ruim vijftien Zaanse woningen die door IJdenberg werden verhuurd, overwegend roofgoed. Ook de met IJdenberg samenwerkende Amsterdamse makelaar Johannes Everout hield aardig huis in de Zaanstreek. De Zaandamse Rijksduitser Anton Kamps kocht eveneens meerdere Zaans-joodse panden. In diens naoorlogse strafdossier is daarover niets terug te vinden, maar wellicht geeft het dossier dat het Nederlands Beheersinstituut over Kamps opstelde duidelijkheid. Zowel de (niet-openbare) CABR- als de (openbare) NBI-dossiers zijn in te zien bij het Nationaal Archief in Den Haag.

Slachtoffers

Niet alleen over de daders, maar ook over veel (joodse) slachtoffers van de nazi’s zijn NBI-dossiers gemaakt. Daarin zijn vooral gegevens vastgelegd over hun financiële situatie in en -voor zover ze de Holocaust overleefden- na de oorlog. De eerder genoemde omgang met de eigenaars van de Zaandamse synagoge laat al zien dat de toenmalige overheid flinke steken liet vallen. Maar ook particulieren en hun nabestaanden kregen vaak een nieuwe kras op hun ziel. Synagogebestuurder Jacob Drukker, om maar een bijna willekeurig voorbeeld te noemen, ontving zijn woning op de Gedempte Gracht pas terug na inschakeling van een advocaat. Na zijn gedwongen vertrek uit Zaandam, in januari 1942, was Drukkers woning verkocht. De huurder van het huis weigerde na de bevrijding te vertrekken. Het lijkt er niet op dat de gemeente een bemiddelende rol heeft gespeeld bij het teruggeven van de woning aan de rechtmatige eigenaar.
Zelfs driekwart eeuw na de bevrijding ontving ik nog een mail van een dame op leeftijd wier ouders -moeder joods, vader niet-joods- na de oorlog onheus bejegend zouden zijn. De oud-Zaandamse schreef dat ze nog altijd de correspondentie bewaarde over de kille gemeentelijke afwijzing van de door haar ouders gevraagde schadevergoeding. Dat die in 1942 door de gemeentepolitie op straat waren gezet en drie jaar lang onder grote bedreiging in Amsterdam hadden moeten overleven, werd niet als ‘rechtstreekse oorlogsschade’ gezien.

Quickscan

Het onderzoek van het Gemeentearchief Zaanstad is een quickscan. Het archief heeft zich moeten beperken tot de eigen dossiers, een paar websites en de Verkaufsbücher. Er volgt nog een onafhankelijke toetsing van de gevonden resultaten (door wie?). Die moet meer helderheid geven over de omgang met het joodse (en wellicht ook niet-joodse?) gestolen vastgoed in de Zaanstreek. Frans Hoving zei het al in Dagblad Zaanstreek: “Ik ben me ervan bewust dat het onderzoek meer vragen dan antwoorden heeft opgeleverd. Ik begrijp veel zaken nog niet. Er valt nog genoeg uit te zoeken.”

 

2 antwoorden
  1. Sjaak Visser
    Sjaak Visser zegt:

    Mooi Erik, hoe je zo meedenkt en het onderzoek hiernaar verder brengt. Goed om de geschiedenis eerlijk in de ogen te kijken. Alleen zo kunnen we nu de slachtoffers nog recht doen.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.