De joodse school in Zaandam (1941-1942)

Het is een detail in de geschiedenis van de Zaanse jodenvervolging, maar dan wel een detail dat tot nu toe onbekend was. Zaandam beschikte in de Tweede Wereldoorlog heel even over een joodse lagere school.

De gemeente Zaandam kende door de jaren heen openbaar en bijzonder onderwijs. De laatste categorie betrof vooral katholieke en protestants-christelijke scholen. Een joodse school in Zaandam lag minder voor de hand, bij gebrek aan voldoende joodse leerlingen. In de eerste helft van de negentiende eeuw moet er wel een aantal jaren een leslokaal gekoppeld zijn geweest aan het toenmalige joodse gebedshuis op het Kuijperspad (nu Gedempte Gracht). Het verkeerde in 1858 echter in zo’n deplorabele staat dat er aan het onderwijs een einde kwam. Nadat er in 1865 een nieuwe sjoel was neergezet, werden in een bijgebouwtje met wisselend succes – de opkomst varieerde nogal – op de woensdagmiddagen en zondagen godsdienstlessen verzorgd. De komst van Duitse vluchtelingen zorgde in de jaren 1936-1940 voor een opleving, maar van een reguliere lagere school was op die plek geen sprake, hoe graag een deel van de joodse gemeenschap dat misschien ook had gewild.

Duitse machtsovername

In die situatie kwam cynisch genoeg verandering na de Duitse machtsovername in Nederland. Dat gebeurde niet onmiddellijk, maar sluipenderwijs. Vanaf juli 1940 werden de rechten van joden beetje bij beetje ingeperkt. De eerste maatregel was een verbod voor ‘niet-ariërs’ om lid te zijn van de Luchtbeschermingsdienst. Vervolgens kwamen er onder meer sancties op het bezoeken van bioscopen en cafés en werd er beslag gelegd op radio’s en bankrekeningen van joden. Daar bleef het niet bij. De nazileiding in Nederland schreef in haar Meldungen aus den Niederlanden – de wekelijkse verslaglegging aan het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn – over ‘onhoudbare toestanden, die het gevolg zijn van samenleven van Hollandse en Joodse kinderen op een en dezelfde school’. Tegen die vermeende misstand moest uiteraard worden opgetreden. Op 19 augustus 1941 stuurde het onderwijsdepartement in Den Haag een brief naar de Nederlandse scholen, ‘niet voor publicatie in welke vorm ook bestemd’. Daarin werd bekendgemaakt dat de Rijkscommissaris op korte termijn maatregelen wenste om te komen tot afzonderlijke joodse scholen, reden om de aangeschreven onderwijsinstellingen te vragen naar de namen van de daarvoor in aanmerking komende leerlingen.

Een nieuw schrijven

Een week later volgde er een nieuw schrijven. Dit keer was de boodschap dat ‘het in de bedoeling ligt om de Joodse kinderen in staat te stellen het onderwijs dat zij thans genieten te vervolgen, zij het dan in afzonderlijke onderwijsinrichtingen. Deze zullen zo spoedig mogelijk worden opgericht, zodat in het algemeen de betrokken Joodse leerlingen niet langer dan vier weken zonder het hun passend onderwijs zullen zijn’. Zeker met de naoorlogse kennis van zaken komt de afsluitende zin uiterst cynisch over. Hoe dan ook, vanaf 1 september 1941 mochten joodse scholieren niet meer naar scholen waar ook andere kinderen les kregen.

‘Joden-HBS’

Het handjevol Zaandamse gebruikers van het middelbaar onderwijs kreeg een plek op joodse scholen in Amsterdam; een ulo en het voor die gelegenheid gestichte Joodsch Lyceum aan de Mauritskade (in de volksmond ‘joden-HBS’ genoemd). ‘Voor elke leerling buiten haar gemeente rekent Amsterdam echter een bedrag van f 300,-. Volgens verkregen inlichtingen is te verwachten dat een Joodse Raad zelf de kosten van onderwijs voor Joodse leerlingen zal moeten financieren’, zo constateerde het Zaandamse college van B&W volgens haar notulen van 9 oktober 1941.

Het werd niet mogelijk of wenselijk geacht ook de lagere-schoolleerlingen dagelijks heen en weer te laten reizen naar de hoofdstad. Voor hen diende een andere oplossing te komen. Vreemd genoeg is nooit beschreven op welke plek deze joodse Zaankanters terechtkwamen nadat hen de toegang tot hun eigen klassen was ontzegd. Het antwoord op de vraag waar zij werden afgezonderd van hun vertrouwde omgeving is te vinden in de (nog altijd niet openbare) collegenotulen.

Vervangende locatie

Het gemeentebestuur, zoveel wordt daaruit duidelijk, moest in allerijl op zoek naar een geschikte vervangende locatie. In de collegevergadering van 9 oktober vroeg verantwoordelijk NSB-wethouder Arie Zuidervliet aandacht voor ‘het vraagstuk van de joodse leerlingen’. In eerste instantie had hij geprobeerd om de scholieren uit het lager en middelbaar onderwijs op één plek te verzamelen, maar dat mocht niet. ‘Een voorstel om ze onder te brengen in een leeg lokaal van een school in de Parkstraat werd door de Duitse instanties afgewezen’, vertelde Zuidervliet. Hij had echter een alternatief voorhanden. De oudere leerlingen konden zoals bekend naar Amsterdam, de jongere bleven in hun woonplaats. Om aan hen onderdak te bieden had het gemeentebestuur de keuze uit twee locaties: het gebouw voor Christelijke Belangen aan de Bootenmakersstraat 16 en dat van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen aan de Czaar Peterstraat 1. De onderwijswethouder koos voor een lokaal in het laatste pand, ‘ten bedrage van f 600,- ’s jaars. De gemeente moet dan zelf voor verwarming zorgen, waarbij dan nog kosten komen voor het maken van een schoorsteen’, aldus de B&W-notulen van 17 oktober. In het ‘Nutsgebouw’ werden wel vaker leerlingen van andere scholen ondergebracht, bijvoorbeeld omdat Duitse soldaten tijdelijk beslag legden op klaslokalen.

Sollicitatiebrieven

Een probleem was wel dat de verbannen kinderen geen les mochten krijgen van niet-joodse leraren. Er lagen echter al een paar sollicitatiebrieven van joodse docenten in het gemeentehuis. De Amsterdamse onderwijzer Gerrit van Praag (Amsterdam, 23-12-1909) vroeg op 25 september 1941 ‘in aanmerking te mogen komen voor het geven van onderwijs aan de Joodse leerlingen’. Het duurde een maand voor Van Praag door B&W werd benoemd tot ‘tijdelijk onderwijzer’, zij het met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober. Op 17 oktober verzocht de opperrabbijn van het Synagogale ressort van Noord-Holland ‘of de heer Philipson mag optreden als godsdienstonderwijzer van de klasse voor Joodse leerlingen te Zaandam’. Het genazificeerde college liet weten ‘dat hiertegen geen bezwaar bestaat’. Michel Philipson (Den Bosch, 23-11-1910), die op dat moment in de Mozartstraat woonde, was sinds 1939 voorzanger en leraar van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Zaandam. Als zodanig gaf hij ook joodse kinderen les in het bijgebouw van de synagoge op de Gedempte Gracht.

Enkele weken na zijn benoeming sprak de inmiddels tot schoolhoofd gepromoveerde Gerrit van Praag de wens uit ‘mejuffrouw H. Nieweg te Amsterdam te benoemen tot onderwijzeres in de nuttige handwerken (3 uur per week)’. Ook daarmee gingen burgemeester en wethouders akkoord. Niet helder is of in Zaandam bekend was dat Gerrit van Praag een relatie had met deze Henriette Nieweg (Rheden, 28-7-1903). Het jonge stel woonde al ruim anderhalf jaar samen op de Egelantiersgracht 97 III, midden in de Amsterdamse Jordaan, en toonde zich bereid om heen en weer reizen tussen hun huis en hun nieuwe werkadres. Op 15 juli 1942, de dag dat de eerste Nederlandse joden naar Auschwitz werden getransporteerd, traden de twee in het huwelijk.

Gezin Smit

In totaal kregen de nieuwbenoemde onderwijzers te maken met een stuk of tien leerplichtige kinderen uit Zaandam (wethouder Zuidervliet telde begin oktober 1941 nog 26 leerlingen. Waarschijnlijk rekende hij de ‘halfjoodse’ scholieren mee, maar in de gevallen dat hun joodse vader of moeder niet godsdienstig was mochten de kinderen tussen hun oude klasgenoten blijven zitten). Voddenkoopman Meijer Smit en zijn echtgenote Henderina leverden relatief het grootste aandeel in de nieuwe schoolpopulatie: hun kinderen Alexander (1931), Marie (1932) en Betty (1933). De latere verzetsman Jan Hof zat voordien op dezelfde school als de Smitjes en beschreef in zijn memoires een iets ouder zusje, Elsje: ‘Een jodinnetje dus. Ik heb het jarenlang niet geweten, net zo min als dat haar broertjes, die ook op onze school zaten, jodenjongetjes waren. Daar kwam ik pas later achter.’ ‘Later’ betekende in dit geval toen – op vader Meijer na – het complete gezin al was vergast.

Nutsgebouw

Waarschijnlijk functioneerde het Nutsgebouw als streekschool en werd de opvang niet beperkt tot pupillen uit Zaandam. Bekend is in ieder geval dat de burgemeester van Wormerveer op 26 oktober zijn Zaandamse collega verzocht ‘of ook de Joodse leerlingen uit Wormerveer kunnen worden toegelaten tot de onderwijsgelegenheid voor Joodse leerlingen te Zaandam’. En zo arriveerden korte tijd later vier kinderen uit twee Wormerveerse gezinnen in de Czaar Peterstraat: Rebecca en Ada Pais, en Mendelina en Hartog de Jong. Bijna zestig jaar later zou een toenmalig speelkameraadje, Klaas Zwart, herinneringen ophalen aan Mendelina’s afscheid van haar Wormerveerse klas. Ze zei hem destijds: ‘Ik mag niet meer naar school, maar ik vind het niet erg hoor. Ik hou niet van school.’

Vertrek naar Amsterdam

Over de dagelijkse gang van zaken in het kleine schooltje is niets bekend. Vast staat wel dat het experiment slechts een kwartaal duurde. Op 14 januari 1942 kregen de Zaandamse joden het bevel drie dagen later naar Amsterdam te vertrekken, met als enige bagage hetgeen ze konden dragen. Hun overige bezittingen, waaronder hun huizen, werden door de Duitsers geconfisqueerd. De nationaal-socialisten hadden Zaandam uitgekozen als eerste Nederlandse gemeente die ‘jodenvrij’ moest worden. Korte tijd later ondergingen de joden in de andere Zaangemeenten hetzelfde lot. Zoveel tijd als het Zaandamse college vier maanden eerder nodig had om de plaatselijke scholieren een klaslokaal te bezorgen, zo snel handelde het nu. Op 16 januari, daags voor 123 joden uit hun woonplaats vertrokken – 69 anderen kregen om verschillende redenen nog even uitstel – deelde wethouder Zuidervliet zijn collega’s mee ‘dat de joden te Zaandam de gemeente moeten verlaten in verband waarmede het overbodig is de school voor joodse leerlingen langer te laten voortbestaan’. Hij stelde voor om de huur van het leslokaal per 16 februari stop te zetten. Een opzegtermijn voor de onderwijskrachten vond de wethouder overbodig: ze kregen wat hem betrof nog dezelfde dag ‘eervol ontslag’. Aldus geschiedde. Voor zover valt na te gaan overleefden slechts vier leerlingen van het joodse schooltje de Holocaust: Aäron Pais (1931), Hendrika Snoek (1932), Daniel Kzernitzki (1933) en Sonja Selma Poppert (1935). De onderwijzers Henriette en Gerrit van Praag stierven in Auschwitz, op respectievelijk 24 september 1943 en 26 maart 1944. Michel Philipson en zijn echtgenote wisten onder te duiken en zo de bevrijding te halen. Michel hervatte nadien zijn oude beroep en was tot 1965 voorzanger, leraar en secretaris van de Nederlands-Israëlitische Gemeente in Haarlem.

Een joodse school heeft de Zaanstreek sinds de Tweede Wereldoorlog nooit meer gehad.

Het gebouw van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, 21ste eeuw 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.