Het laatste restje ethiek van Anton van der Waals

De Zaandamse wiskundeleraar en verzetsman George Louis Jambroes vlucht in het najaar van 1941 naar Engeland, waar hij in maart 1942 aankomt. De Nederlandse regering in ballingschap besluit hem in te zetten als geheim agent. Jambroes moet leiding gaan geven aan de opbouw van een ondergronds leger in zijn vaderland. Maar wanneer hij in de nacht van 26 op 27  juni per parachute wordt gedropt in de buurt van Steenwijk wacht hem daar een onaangename verrassing. De Sicherheitsdienst blijkt als gevolg van het zogenaamde Englandspiel op de hoogte van zijn komst en arresteert hem onmiddellijk na zijn landing. Het is het begin van een kat- en muisspel, waarvan onder andere een onschuldig joods meisje bijna het slachtoffer wordt.

Na diens gevangenname onderzoekt de Sicherheitsdienst Jambroes’ kleding. Ze vinden een briefje met daarop drie adressen waar de agent zich kan melden na zijn terugkeer in Nederland. De Zaandamse apotheek van Henny Eskens-Krabbé staat er ook tussen. SD-voorman Joseph Schreieder redeneert dat de (illegale) Ordedienst wellicht via een van de genoemde adressen contact zal zoeken met de gedropte agent en besluit om Anton van der Waals, de man die Jambroes kort daarvoor zo verraderlijk verwelkomde op Nederlands grondgebied, naar Zaandam te sturen. Schreieder wil dat deze voor de Duitsers werkende verrader uitvindt of de illegale Ordedienst bemoeienis heeft met een van de vrouwen die in Jambroes’ ‘operational order’ genoemd worden als OD-contactpersonen.

Onbewust helpt de gevangenzittende leraar zijn cipiers een handje. Hij mist zijn echtgenote enorm en vraagt Schreieder of haar een brief kan worden bezorgd. De Kriminaldirektor gaat gretig in op het verzoek. “Na de arrestatie bemerkte ik dat deze Jambroes een zeer bekende persoonlijkheid was te Zaandam. (…) Hierdoor ontstond het gevaar dat juist door deze bekendheid het uit zou lekken dat hij gevangen was. Ik heb Jambroes toen een tweetal brieven laten schrijven, beide gericht aan adressen te Zaandam. Van één weet ik nog dat hij gebracht moest worden bij een apotheker. De andere kan ik mij niet meer herinneren. Door mijn V-Mann Van der Waals heb ik deze brieven laten bezorgen, met de boodschap dat Jambroes goed was aangekomen, doch zelf niet kon komen”, schrijft Schreieder later in zijn memoires. Het geeft hem een unieke kans om zonder veel risico’s informatie te verzamelen. “Toen nu Jambroes mij vroeg of hij via die apotheek aan zijn vrouw mocht schrijven, stemde ik daarin dadelijk toe, omdat ik daardoor de mogelijkheid had om te controleren of er nog van andere zijde geprobeerd werd contact met hem te krijgen.”

Van der Waals reist met de brieven op zak naar Zaandam. Vanaf het station wandelt hij in een kwartiertje naar de woning van Guusje Jambroes, Apolloplantsoen 11. Ze is niet thuis. De Vertrauensmann steekt daarop de straat over en belt aan bij Schubertstraat 2, vijftig meter verderop. Henny Eskens-Krabbé doet de deur open. “Ik kom van een oude vriend die al anderhalf jaar weg is”, zegt Van der Waals. Het is een codetekst. De apothekeres realiseert zich onmiddellijk over wie hij het heeft. De slanke man tegenover haar maakt een nette indruk. Ze nodigt hem uit om binnen te komen, een invitatie waaraan hij graag gehoor geeft. Er blijkt nog iemand in huis te zijn, een jonge vrouw, maar Henny Eskens stelt de bezoeker op zijn gemak. De vrouw in de huiskamer is George Jambroes’ zuster Elizabeth, die toevallig op visite is. Van der Waals maakt zich bekend als ingenieur De Wilde en overhandigt het door Jambroes geschreven briefje dat ‘brenger dezes’ betrouwbaar is. Hij legt uit dat Jambroes en hij zijn gedropt met een boodschap van de regering in ballingschap. De ‘ingenieur’ vertelt over zijn opdracht -het opbouwen van een landelijk opererende, ondergrondse organisatie- en een op handen zijnde invasie, de komst van nog meer geheim agenten en zijn zoektocht naar opvangadressen voor deze parachutisten.

Onderduikster

Het valt Van der Waals op dat een van de twee kleine meisjes in huis Henny Eskens-Krabbé aanspreekt met ‘tante’. Dat is zeker een joods kindje, vraagt hij. Haar pleegmoeder antwoordt bevestigend. “Ze had de kleine onderduikster zelfs voor haar beste vrienden verborgen gehouden, maar tegenover deze prettige ‘agent’ uit Engeland was ze plotseling openhartiger dan anders. ‘Ik beschik over goede verbindingen’, improviseerde Van der Waals. ‘Meld het mij gerust als er nog meer joden in uw kennissenkring zijn, dan kan ik hen ook helpen. Nee, nee, dat kost niets. Deze mensen zijn al zo zielig, wij doen dat graag’”, verwoordt Jelte Rep de ontmoeting in zijn boek Englandspiel.

Het bewuste joodse meisje is de 8-jarige Hanna Jacobson. Eerder die maand is ze ondergebracht bij de Zaandamse apothekeres, die haar en haar ouders kort daarvoor heeft ontmoet op een verjaardagsfeestje in Amsterdam. Daar was het gezin ingekwartierd bij Maarten Krabbé (de vader van de latere acteur Jeroen Krabbé), nadat het eerder hun woonplaats Blaricum had moeten verlaten. Hanna’s moeder duikt elders onder, haar vader meldt zich vrijwillig voor Westerbork. Voor Hanna’s komst naar de Zaandamse Schubertstraat geeft Eskens-Krabbé als verklaring tegenover nieuwsgierige buitenstaanders dat het meisje uit het twee jaar eerder gebombardeerde Rotterdam komt. Haar vader is zogenaamd zeeman, haar moeder ziek en hulpbehoevend. Dit alibi geeft Hanna de mogelijkheid om relatief rustig de oorlog uit te zitten. Ze krijgt thuis les van Chris Coté, een in het Zaanse verzet actieve onderwijzer uit de buurt, en kan zelfs gewoon op straat spelen.

Ter afsluiting van het bezoek stelt Anton van der Waals zijn gastvrouw voor om aan Jambroes’ echtgenote te vragen een koffer met warme kleding klaar te zetten in een kluis op het Amsterdamse Centraal Station. Daartoe is ze uiteraard bereid. Ze geeft hem het adres van Guusje, die met haar moeder en zoon Erik in hotel De Wageningse Berg logeert, en vraagt wat bedenktijd voor zijn verzoek om parachutisten onder te brengen. De twee spreken af elkaar korte tijd later te ontmoeten in het Amsterdamse Café Americain. Joseph Schreieder is tevreden over het werk van zijn ondergeschikte. Hij geeft Van der Waals opdracht om naar Wageningen te gaan en contact te leggen met Guusje Jambroes.

Die ontmoeting verloopt al net zo soepel als met Henny Krabbé. Ingenieur De Wilde weet ook haar vertrouwen te winnen. Hij herhaalt zijn fantasie over de gezamenlijke dropping en de komende geallieerde invasie. Guusje ontvangt ƒ500,- en de door haar man geschreven brief. Helaas kan hij haar om veiligheidsredenen niet vertellen wanneer George en hij in Nederland zijn geland en waar haar echtgenoot zich momenteel bevindt, excuseert De Wilde zich. Hij stelt voor dat Guusje een brief schrijft aan haar man en geeft haar daartoe een adres. Na ook bij haar te hebben geluncht vertrekt de man met de dubbele agenda, Guusje Jambroes blij achterlatend met het eerste levensteken van haar man in driekwart jaar tijd. In Zaandam informeert Henny Krabbé verzetsman Chris Coté over haar ontmoeting met de aardige ingenieur De Wilde en vraagt hem of hij geen joodse onderduikers kent die het onveilige Nederland willen verlaten. Coté is argwanend en adviseert haar om niet verder in zee te gaan met de hem onbekende man. Hij besluit mee te gaan naar de afspraak in Americain en van een afstandje de genereuze Londense agent te bestuderen terwijl die in gesprek is met Henny.

Provocateur

Op het chique caféterras legt Krabbé aan De Wilde uit te hebben nagedacht over de mogelijkheid om haar huis open te stellen voor parachutisten, maar er van af te zien. De ingenieur vindt het jammer, maar reageert begripvol. Hij zegt dat George Jambroes het ook zal begrijpen. Verstopt achter een krant beziet Coté het tafereel. De zelfbenoemde ingenieur en de apothekeres nemen voor de tweede en laatste keer afscheid. Henny stapt op de tram naar het Centraal Station, waarop even later ook Coté plaatsneemt. Zij heeft nog steeds het volste vertrouwen in de charmante De Wilde, maar Coté’s argwaan is alleen maar gegroeid. Die wordt nog eens gevoed door de ontdekking dat de met kleren gevulde koffer die Guusje Jambroes volgens afspraak achterlaat op het Amsterdamse treinstation niet wordt opgehaald.

Pas twee jaar later krijgen Guusje en Henny zekerheid. In Paraat, het illegale blad van oud-Zaandammer Jan Rot, zien ze tot hun afgrijzen dat De Wilde annex Van der Waals een ‘levensgevaarlijke provocateur’ is. De bijgevoegde foto van de verrader neemt de laatste twijfels weg. Opluchting is er ook, met name bij Krabbé. Ondanks Van der Waals’ kennis over het joodse onderduikstertje in de apothekerswoning hebben de Duitsers nooit getracht om het meisje weg te halen. Blijkbaar heeft de V-Mann al die tijd zijn mond gehouden.

De vader van Hanna Jacobson overleeft het concentratiekamp niet. Haar moeder wordt verraden op haar onderduikadres en belandt uiteindelijk in Auschwitz, maar wordt daar aan het eind van de oorlog bevrijd. Ze wordt herenigd met haar dochter. De oorlogservaringen hebben echter een dusdanige impact op moeder en kind, dat Hanna na een jaar terugkeert naar Henny Eskens-Krabbé. Daar brengt ze haar verdere jeugdjaren door.

Anton van der Waals  wordt na de oorlog voor de rechter gebracht en vanwege zijn grootschalige verraderswerk -hij is wel de grootste Nederlandse verrader tijdens de Tweede Wereldoorlog genoemd- ter dood veroordeeld. Volgens de rechtbank is hij betrokken bij de arrestatie van minstens 83 verzetsmensen, van wie er minimaal 34 de oorlog niet overleven. Hij sterft op 26 januari 1950 voor het vuurpeloton.

 Anton van der Waals