Het afscheidsverhaal van Joseph Corper (1919-1944)

De joodse Amsterdammer Joseph Corper werkte voor en in het begin van de oorlog in Zaandam. Hij had daar een baan bij de Arbeiderspers en schreef in het Zaans Volksblad. Vanwege zijn joodse achtergrond kreeg hij in 1941 ontslag. Samen met zijn vrouw verdween hij na enige tijd in de onderduik. Ze lieten zich echter arresteren, omdat Jansje Corper het ondergrondse bestaan niet volhield. Dat betekende hun dood in Auschwitz, op 31 januari 1944. Hun verhaal is hier te lezen.

Kort geleden ontdekte ik in het Verzetsmuseum dat Joseph Corper kort voor hij in kamp Westerbork belandde een lange, mooi geformuleerde brief schreef over de ellendige situatie waarin hij en zijn ouders zich inmiddels bevonden. De brief – of was het de opzet voor een artikel? – was gericht aan Zaandammer Dirk van Onselder, zijn voormalige chef bij de Arbeiderspers. Van Onselder hielp tijdens de Tweede Wereldoorlog onder meer joodse onderduikers. Ten aanzien van het echtpaar Corper was hij echter machteloos. Josephs trieste ervaringen geef ik een plek op deze site. Helaas heb ik geen foto van hem, zodat hij – zoveel jaar na dato – wel een publiek verhaal, maar geen gezicht heeft. Ik houd me aanbevolen voor zijn portret: info@schaapschrijft.nl.

Herinneringen

En dan wordt het vrijdag. Een typische dag, altijd geweest. Op vrijdagmiddag, als je uit school kwam, geurde een heerlijke soeplucht je uit de keuken tegemoet. Je wordt ouder, je werkt. Maar nog steeds op vrijdag die goddelijke soeplucht. Het hoorde bij elkaar: vrijdag en soep, althans in de Joodse gezinnen. En ik kwam immers óók uit een Joods gezin. Vrijdag: merkwaardige dag. Voor de Godvrezende Joden de dag dat zij zich prepareerden op hun heilige rustdag, de Sabbat. De mannen lieten zich scheren en kappen en verheugden zich bij voorbaat met de gedachte straks na arbeid en gebed tot hun allerhoogste, hun Eeuwige Koning, zich wederom verenigd te zien – rondom de keurig gedekte tafel met daarop de heerlijke, geurige Sabbat-schotel – met hen die hun zo dierbaar zijn, met moeder en de kinderen, op wier gelaat vreugde straalde bij het ontsteken van de Sabbat-kaarsen. Die typische vrijdag. De dag waarop moeder niet uit de keuken is weg te slaan en haar uiterste best besteedt aan de bereiding van de Sabbat-gerechten. De dag, op de avond waarvan moeder zich o zo gelukkig gevoelt wanneer zij – alle dagelijkse beslommeringen vergetend – het voorrecht heeft haar dierbaren wederom het Sabbat-maal te mogen voorzetten.

En in de niet-orthodoxe Joodse gezinnen, zo één waarvan ik ben voortgekomen? Och, het is vrijwel hetzelfde. Al hebben zij – de niet-orthodoxe Joodse mannen en vrouwen – bewust of onbewust de liefde voor en het geloof aan God vergeten, in hun harten blijft het Joodse vuur smeulen. Dat is ook begrijpelijk. Zij stammen, orthodox of liberaal, van dezelfde vader, zij komen uit hetzelfde oude volk, uit het Joodse volk. En nu is juist het typische, of neen, het is feitelijk het begrijpelijke dat zij, die de Joodse godsdienstbelijdenis vaarwel hadden gezegd, zich toch vele Joodse gebruiken niet hadden laten ontnemen of ontvallen. Het Joodse hart, zoals men dikwijls zei, klopte toch nog. Al was het alleen maar voor die heerlijke, geurige soep van vrijdagavond…

En nu was het dan weer vrijdagavond geworden. En weer stond op die avond van de tweede oktober 1942 in vaders huis in de Swammerdamstraat de tafel keurig gedekt. Weer had moeder haar best gedaan om vader, wanneer hij straks zou thuiskomen uit het werkkamp Westhaven, aan de rand van Amsterdam, een lekker bord Sabbat-soep voor te zetten.

Vrijdag, een typische dag voor de Amsterdamse Joden. Waarom had moeder die dag zo’n eigenaardig, zo’n typisch gevoel over zich voelen komen? Och, er waren weer zoveel praatjes verspreid. Om negen uur die dag zouden de Duitsers weer eens een razzia houden. Maar om negen uur gebeurde er niets. Dan om elf uur… Weer gebeurde er niets. “Wacht maar, om twee uur”, zeiden de praatjesmakers. “Met dubbele ploegen komen ze.” Om drie uur werd het velen angstig te moede. Vrouwen haalden hun kinderen van school, extern personeel van ziekenhuizen en de Joodsche Invalide ging naar huis, de Joodsche Raad sloot haar deuren… Maar er gebeurde niets… En intussen was het vrijdagavond geworden en stond die geurige soep te dampen op tafel, wachtend tot vader uit Westhaven zou thuiskomen. Maar vader kwam niet… Was dat eigenaardige gevoel, dat moeder die gehele dag had bekropen, daarvan een voorgevoel?

Die vrijdagavond, o wij zullen hem nooit vergeten!, ging de soep onaangeroerd van tafel. Vader was niet thuisgekomen en zouden moeder en Hansje [Josephs zus, E.S.] alvast beginnen aan het avondmaal, wat wel meer gebeurde als vader soms laat uit het kamp naar huis kwam? Neen! Daarvoor was vrijdag een veel te typische dag, daarvoor had de sfeer van vrijdagavond nog niet te veel ingeboet in ons godsdienstloos gezin.

De praatjesmakers, de onruststokers, die het zelf ‘uit goede bron’ hadden gehoord en die er schijnbaar belust op waren (of waren het juist angstgevoelens, dat zij zoveel praatten) om catastrofes voor het Joodse volk het eerst te kunnen aankondigen, zij hadden gelijk gekregen. De Duitsers hadden inderdaad een razzia voor de zoveelste maal (en voor de zoveelste maal op die typische vrijdag) op touw gezet. Maar zij – de praatgragen – hadden zich enkel vergist in de tijd en de plaats… De Joodse arbeiders van Westhaven werden na hun zware arbeid gearresteerd. In plaats van de geurige, dampende Sabbat-soep wachtte hen een hel van ellende…

Vader was er bij. Mijn vader, die mij zo dierbaar was, die ik zo innig liefhad. Wat moesten ze van mijn vader? Mijn vader, die nog nimmer een vlieg kwaad had gedaan, mijn vader, die de goedheid zelve was, voor wie ik – als het moest – door het vuur zou gaan. En ik ging door het vuur.

De dag brak aan. Het was zaterdag geworden. Zaterdag, 3 oktober 1942. De klok sloeg half zes, toen ik wakker werd. Half zes, de Joden mochten de straten nog niet betreden. Ik zou dus nog een half uur moeten wachten voordat ik ongestoord naar vaders woning zou kunnen gaan om mij van de situatie daar op de hoogte te kunnen stellen. Zou moeder ook weg zijn. Zou Hansje met haar meegegaan zijn. Of zou zij – het tere meisje – alleen zijn achtergebleven? Eigenaardig, het gehele geval wilde er niet goed bij mij in. Wat ik de avond tevoren gezien had leek mij een bange droom…

Wat was het die ochtend, die kille ochtend, om over zessen al druk op straat bij mij in de buurt. Overal stonden groepjes mensen. Het onderwerp van alle gesprekken hoefde niet geraden te worden. Te minder omdat al die mensen zo’n ‘mooie’ gele ster op hun jassen of mantels meevoerden. Hoe dichter ik bij de Swammerdamstraat kwam, hoe minder mensen ik op de straat zag. Zouden de zwarte dood- en verderfzaaiers in deze buurt niet geweest zijn? Mijn hart tikte hoe langer hoe sneller. Swammerdamstraat 25, 2de etage: de ‘verduistering’ was voor de ramen weggenomen. Een goed teken! Daar hoorde ik moeders stem roepen wie daar was. Gelukkig. Moeder stond in levende lijve nog voor me. En Hansje ook. Haar hadden de bandieten dus niet gehaald! Het bleek dat men de vorige dag alleen de mensen in Oost in het komende getto gehaald had. Daar had men ‘dubbele’ ploegen voor laten werken. Nu moest er gehandeld worden voor vaders bevrijding. Maar waar hadden ze hem heen gesleept? Waar zou ik hem kunnen vinden of althans te weten komen waar hij was?

Om bij half zeven bevond ik mij in het gebouw van de Joodsche Raad aan de Lijnbaansgracht 366. Hier, in het Voorlichtingsbureau, zou ik misschien wat aan de weet kunnen komen. En ik kwam wat aan de weet…Vader was naar Westerbork, die onbeschrijfelijke hel van ellende, gezonden en het beste was maar zijn bagage – zijn kleren, dekens, enz. – klaar te maken om hem die vóór zijn vertrek naar het buitenland nog op te zenden. Pogingen om hem proberen vrij te krijgen zouden mislukken, zo werd mij medegedeeld. Maar ik poogde tòch, en hoe! Van de Lijnbaansgracht naar de Nieuwe Keizersgracht, het hoofdkwartier van de Joodsche Raad, weer naar de Lijnbaansgracht, weer terug naar de Nieuwe Keizersgracht en dan naar de Nieuwe Herengracht, waar de ‘broodcommissie’ zetelde. Vader was immers bakker en hij stond als zodanig ingeschreven bij de ‘broodcommissie’ van de Joodsche Raad, die voor haar ingeschrevenen vrijstelling voor ‘tewerkstelling’ in het buitenland zou trachten te verkrijgen… Maar de broodcommissie lag nog te slapen… Het gebouw aan de Nieuwe Herengracht lag verlaten en aan de deur prijkte een keurig bordje: Heden gesloten. Teleurgesteld aanvaardde ik de terugtocht naar huis. Ik had nog niets bereikt. Alleen vaders antecedenten opgegeven bij de Joodsche Raad aan de Lijnbaansgracht en de Nieuwe Keizersgracht. Op hoop van zegen… Misschien zou van daaruit voor vader gewerkt worden. Maar er waren zovelen, er waren er bijkans 15.000 voor wie gewerkt moest worden…

Tegen tien uur kwam ik weer in de Swammerdamstraat, waar moeder al bezig was vaders kleren etc. bijeen te leggen. En ook haar eigen kleren, want – wederom schijnt zij daarvan een voorgevoel te hebben gehad – zij rekende er op dat zij deze avond wel van huis gehaald zou worden. Moeder ging levensmiddelen inkopen voor vader en voor zichzelf. Het brood, de kaas, de suiker, de worst en de koekjes die voor vader bestemd waren gingen in de ‘rugzak’, een tot dat doel gerequireerde beddenzak, waar veel bagage in kon. Bagage die de Joden bij hun uittocht uit Nederland mochten en konden meenemen, bagage die hun enige bezitting bleef van al hetgeen wat zij zich in de loop der jaren hadden aangeschaft, waarvoor zij soms jaren geploeterd hadden. Dat ene bundeltje lijfgoederen zou – althans voorlopig – hun eigendom blijven. De rest, dat wil zeggen de gehele inboedel van hun huis, was niet meer van hun. Dat was nu van een ander. Of deze(n) er plezier van had(den)? De tijd zal het uitwijzen.

Nog diezelfde zaterdag, om 2 uur, lag de bagage van vader in de grote vrachtauto, die op de Oudeschans, voor het gebouw van de Joodsche Raad, dat daar ten behoeve van de bagageverzending gevestigd was, gereed. (…) … wat met doktersattesten? Als het niet goedschiks ging, zouden zij haar wel kwaadschiks krijgen… Maar moeder was te verstandig om hun deze pret te gunnen. Moeder ging mee…

Wat moet het voor die arme weeskinderen toch verschrikkelijk zijn te weten dat zij hun ouders voor eeuwig missen. Maar wie kan mijn gevoelens op deze avond – ook maar bij benadering – beschrijven toen ik mij realiseerde wat er gebeurd was? Toen ik wist dat ik mijn ouders ook kwijt was? Mijn ouders, die echter niet gestorven waren, maar die levend van mij weggerukt werden! Voor hoe lang? Voor een maand? Voor een half jaar? Of  – o, laat ik er niet aan denken – misschien ook voor eeuwig? Valt het moeilijk te begrijpen dat ik met wraakgevoelens bezield werd? Ik dacht aan die arme Joodse jongen Grynspan, die in dezelfde situatie verkeerde als ik. Alleen, hij was er even beter aan toe, althans dat dacht hij, en hij kon, uit Duitsland gevlucht naar het voor Joden nog vrije Frankrijk, zijn handen beter roeren dan ik. Zijn ouders hadden de sadisten in Duitsland over de Duits-Poolse grens gejaagd, naar het zgn. niemandsland, waar zij van honger en kou konden sterven. En waarom zou hij zijn dierbare ouders hier in dit ‘vrije’ Frankrijk niet wreken? Te Parijs vergreep hij zich aan de Duitse legatiesecretaris en ‘naziman’ Von Rath. Maar zie: Grynspan werd gegrepen, gearresteerd en later… door die ‘vrije’ Fransen aan de Duitsers uitgeleverd, bij wie hem een allesbehalve vriendelijke ontvangst wachtte…

Ik voelde mij gelijk die arme Grynspan. Maar wat zou het mij hier in dit onderdrukte land geven als ik één of tien Duitsers of zelfs maar zo’n Zwarte ‘Nederlandse’ bloedhond afmaakte. Mijn jonge vrouw, mijn zuster en wellicht nog overige familieleden zouden er de dupe van worden. Bovendien: was de grootste helft van de wereld niet antisemitisch? Konden de zgn. ariërs, de Christenen, zich verplaatsen in de gemoedstoestand der Joden? Hadden de Fransen Grynspan, met wiens lot zij zo ‘begaan’ waren, niet aan de duivel uitgeleverd? Wat kon hen, de ariërs, die Joden schelen? Zij – de Joden – zij waren toch alleen maar op de wereld om de Christenen steeds en bij elke gelegenheid maar weer te beduvelen? Om van de rol die de Joden in de Christelijke samenleving speelden overigens maar te zwijgen… De Joden, neen, dat waren en dat zijn geen mensen, dat zijn Joden, meer niet. En als men hen per ongeluk eens als mensen behandelde, dan deed men dit nog als had men tweederangs burgers voor. Ook hier in dit prachtige Nederland, helaas. Nee, ik schrijf dit niet in een opwelling van het gemoed. Ik schrijf deze woorden niet op die vreselijke vrijdagavond of die ontzettende zaterdagavond, toen ik een ‘levende’ wees werd. Ik schrijf deze weloverwogen en doordachte woorden ruim drie maanden later, toen mijn wraakgevoelens voorlopig weer ingesluimerd waren. Ik schrijf deze woorden tegen Kerstmis 1942… Och ja, ik weet het wel, er zijn massa’s mensen, ook Nederlanders, die geen verschil kennen tussen Christenen en Joden, die werkelijk zich het lot van Israël aantrekken als werd het onrecht hen aangedaan. Velen, zeer velen, hebben ook mij op verschillende wijzen in deze benarde tijden geholpen. Hen treffen deze regelen niet ten volle. Zij gingen in het dagelijkse leven met Joden om, dus zij wisten en weten wie en wat Joden zijn. Velen van hen ook zijn goede Christenen of socialisten! Uit hun idealen komt ook de menslievendheid jegens de Joden voort. Maar het gros van de Nederlanders, het gros van de wereldbevolking kent de Joden slechts van naam. En die naam klinkt nu niet bepaaldelijk vererend, althans in de oren van hen, die Nederlanders, die wereldbewoners, die de Joden nimmer van nabij hebben medegemaakt.

Ik bedoel: die zich niet kunnen voorstellen dat Joden ook gewone mensen zijn, net zoals zij, omdat zij – het gros der wereldburgers – de Joden slechts kennen uit die vreselijke Bijbelverhalen of nog erger, door bepaaldelijke elementen voorgesteld als de Eeuwige Jood. Met bepaalde elementen bedoel ik hen – die helaas ook wij maar al te goed kennen – die ten bate van persoonlijke belangen of gedreven door ziekelijke afwijkingen verdeeldheid en ellende onder de bevolking zaaien en daarmede – uit rassenoogpunt, ziet u – de Joden allereerst als ‘volksvreemde elementen’ aanwijzen. Enfin, ik behoef daarop niet nader in te gaan. Wij kennen deze feiten en de gevolgen maar al te zeer.

Ik houd hier geen pleidooi voor het Joodse Volk, wil ook geen pleidooi houden, omdat ik er ten eerste van overtuigd ben dat de wereld, zolang het kapitalisme overheerst, ook in dit opzicht geen haar beter zal worden en ten tweede… omdat ik mijzelf en mijn Joodse broeders als gelijkberechtigde en volwaardige staatsburgers beschouw, die een dergelijk pleidooi niet het minst nodig hebben. En vooral omdat ik socialist ben, dus socialistisch denk en voel! Deze regelen zijn er dan ook alleen aan gewijd om aan te tonen dat iedere uitleving van wraakgevoelens nutteloos zou zijn, nu en wellicht in de toekomst.

Sam de Wolff, een voorvechter uit de oude socialistische beweging, zei eens, toen ik hem beluisterde in een rede over het Joodse vraagstuk: “Zolang het Joodse vraagstuk bestaat kent de wereld niet de ware socialistische broederschap. Met de komst van het socialisme zal het Joodse vraagstuk ophouden te bestaan.”

Moeder ging mee… Bij haar afscheid van Hansje, voor wie zij immer zo bezorgd was, ben ik uiteraard niet geweest. Maar wat er in moeders hart omging toen zij haar lieveling, haar enige dochter, daar alleen achter moest laten, behoef ik niet te raden. Ook niet met welke gevoelens Hansje daar bezield moest zijn. Moeder ging mee… Huilend verliet zij haar woning, waarin zij nu ruim 25 jaar gewoond had, haar woning, waarin zij twee kinderen – mij en Hansje – het levenslicht deed aanschouwen, haar woning, waarin zij 25 jaar lief en leed met vader en ons had gedeeld. Haar woning, waaruit zij nu op die derde oktober 1942 als een misdadigster, erger nog, als een Jodin, werd gevoerd, weg naar een onbekende bestemming, welke vooral voor de ‘achterblijvers’  toch zo geheim moest blijven. Was men in deze ‘moderne’ tijd niet zedelijk verplicht om bloedverwanten van hen die weggevoerd werden met de toekomstige verblijfplaats van deze mensen op de hoogte brengen? Hadden deze bloedverwanten niet het recht om de toekomstige verblijfplaats van hun dierbaren te weten? Duitsland anno 1942 en recht. Twee tegenstrijdige begrippen. Als het postadres van Duitse soldaten, die aan het Oostfront strijden, moet luiden: Antwerpen, of Brussel, of Narvik of Amsterdam, als dus zelfs het Duitse volk niet mag weten waar zijn zonen verblijven, zouden de Joden, let wel, de Joden dan mogen weten waar hun dierbaren heengevoerd worden? Duitsland anno 1942 en zedelijke verplichtingen. Twee tegenstrijdige begrippen. Hoe kan een Duivel, een Satan, zich zedelijk verplicht gevoelen jegens gewone mensen, ja, jegens Joden. Wij schrijven 1942, maar bedoelen 1249. Wij leven in de tijd der Middeleeuwen. Wij leven in de tijd van de nat.-socialistische barbarij. Min of meer geciviliseerd. Min of meer doordrenkt van ‘moderne’ wetenschappelijke methodes! Of liever: moderne wetenschappelijke intriges. Nooit en te nimmer zullen wij, socialisten, in staat zijn het onrecht van deze tijd op haar bedrijvers te vergelden. Och ja, wanneer eenmaal over het lot van deze duivel door de macht van de wapens beslist zal zijn, dan kunnen wij de duivel en die duiveltjes worden. Maar hebben wij daarmede dan het ons aangedane onrecht, de over onze hoofden uitgegoten poel van ellende vergolden? Laten wij ons echter thans niet te veel in die toekomst verdiepen. Ook hier geldt: wie dan leeft, die dan zorgt en vooral: die dàn handelt.

Moeder ging mee… In hààr zie ik het symbool van de strijd die ons, jonge socialisten, wacht. Maar niet het symbool van een gewapende strijd, zoals wij die heden ten dage kennen. Maar een socialistische strijd, ‘op leven en dood’!

Moeder ging mee… Nu zou ik moeten proberen hààr vrij te krijgen. Maar waar was zìj nu weer heengevoerd? De mensen die de vorige avond gearresteerd waren, zijn meteen via het Centraal Station naar Westerbork gebracht. Zou dit nu deze zaterdagavond ook het geval zijn geweest. Dan viel er ook voor moeder weinig te doen.

Zondagochtend vòòr zeven uur was ik weer in de Swammerdamstraat. Moeder had haar bagage, dat wil zeggen haar kledingstukken etc. die zij wilde meenemen, reeds zelf klaar gelegd. Een goed gevulde broodzak had zij meegenomen en zij had haar warmste kleren aangetrokken. Ik moest nu alleen de bagage inpakken in een beddenzak, zoals wij dat voor vader ook hadden gedaan, en deze wegbrengen naar de bagageafdeling van de Joodsche Raad aan de Oudeschans, opdat de bagage zo spoedig mogelijk in Westerbork zou komen. In ieder geval zou ik die bagage voor Westerbork maar wegbrengen. Ook wanneer het mij nog zou gelukken moeder in de loop van de dag nog vrij te krijgen. Want indien dit niet zou lukken, was de bagage tenminste verzorgd en wanneer moeder wel vrij kwam, was er nog niets gebeurd. Dan zou ik die bagage wel weer terugkrijgen. Voor negen uur lag moeders bagage al in de auto die het naar Westerbork zou brengen. Terug in de Swammerdamstraat hoorde ik van buren dat de mensen die de vorige avond gehaald waren, nog in Amsterdam zaten en ook in de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (…) dat  door de Duitsers in beslag genomen christelijke school  aan het Adama van Scheltemaplein. Dadelijk holde ik naar de Joodsche Raad in de Jan van Eyckstraat, de afdeling ‘Expositur’, die in nauw contact stond met de genoemde Zentralstelle. Ik informeerde of de mensen inderdaad nog op het Adama van Scheltemaplein zaten en of de mogelijkheid bestond moeder nog vrij te krijgen. Op beide kreeg ik een bevredigend antwoord. Nu moest ik maken dat ik met Hansje zo spoedig mogelijk in de Jan van Eyckstraat was. Aangezien Joden geen gebruik mochten maken van tram of fiets, requireerde ik een bakfiets (dat werd in den beginne oogluikend toegestaan) en reed met Hansje in de bak snel naar de afdeling ‘Expositur’. Al spoedig had ik contact gekregen met iemand van de Joodsche Raad, de heer Süsskind, die zich er voor beijverde gearresteerde mensen vrij te krijgen. Ik vertelde hem dat mijn zuster alleen en onverzorgd was achtergebleven, aangezien zij ‘gesperrt’ was doordat zij op een confectie-atelier werkte. Hij beloofde mij op die grond voor mij te werken teneinde moeders vrijheidsstelling te kunnen verkrijgen. Bovendien nam hij mijn ‘Sperrnummer’ op en dat van mijn vrouw en gaf mij de raad te blijven wachten en mijn vrouw ook naar de Jan van Eyckstraat te laten komen. Ik stuurde een boodschapper van de J.R. naar huis om Jansje te laten halen. Zij kon dan meteen brood voor 12 uur meebrengen. Met ons drieën hebben wij toen daar in de Jan van Eyckstraat tot zeven uur gewacht, voorlopig zonder resultaat… Telkens wanneer ik naar resultaten van de arbeid van de heer Süsskind informeerde, werd mij medegedeeld dat de Duitser die vrijstellingen verleende nog niet aanwezig was. Het was immers zondag, zijn vrije dag… En wat kon hem die Joden schelen? Intussen heb ik die dag nog wel steeds contact gehad met moeder. De jongens die bagage brachten op het Ad. v. Scheltemaplein namen voortdurend briefjes van mij mee naar binnen die zij aan moeder gaven en zij namen mondelinge boodschappen van moeder voor mij mee. Ook had ik thuis een drietal briefjes van moeder ontvangen, die zij via de J.R. had laten bezorgen. In de eerste brief verzocht zij mij onmiddellijk naar de Jan van Eyckstraat te gaan om voor haar nog iets proberen te bereiken. Voordat ik die brief ontving was ik al in de Jan van Eyckstraat. Jansje bracht de brieven die moeder gestuurd had mee. Het waren de laatste brieven die ik van haar had ontvangen…

Het was, zoals gezegd, zeven uur geworden en wij hadden nog geen resultaat. Wij konden echter niet langer in de Van Eyckstraat blijven, aangezien wij voor acht uur weer thuis moesten zijn. Doch de heer Süsskind gaf ons de verzekering dat hij voor moeder zou werken; wij konden gerust naar huis gaan.

Wat er verder gebeurd is, weten wij thans nog niet precies. Wij weten wel dat moeder ‘s avonds om bij twaalven vrij kwam, maar wij hebben haar niet meer gezien, noch van haar gehoord. Zoals wij later van mensen die vrijkwamen hoorden, schijnt zich met moeder het volgende te hebben afgespeeld. De heer Süsskind had haar bij de Duitsers vrij gekregen. Tegen twaalf uur, toen die vrijstelling afkwam, werd haar naam afgeroepen. Zij kon naar huis! Edoch, juist op het moment dat moeder de zaal wilde verlaten, schijnt er een nieuw transport gearresteerden binnengekomen te zijn, waardoor het moeder, die begrijpelijkerwijs erg zenuwachtig was, niet mogelijk schijnt te zijn geweest te vertrekken. Hoe dan ook, moeder is diezelfde nacht met de overige gearresteerden naar Westerbork gebracht. De gevoelens waarmee zij in die nacht bezield moet zijn geweest, zijn voor ons niet te peilen. Toch geloof ik dat zij – eenmaal in de trein – in haar lot berustte, temeer waar zij wist dat zij nu naar vader toeging…

Maandagochtend vroeg was ik weer in de Swammerdamstraat. Ik hoorde al dadelijk wat er de vorige avond op het Ad. v. Scheltemaplein met moeder gebeurd was en wederom spoedde ik mij voor haar aan het werk. Ik liet de Joodsche Raad, afdeling Voorlichting, Lijnbaansgracht, een request opstellen voor de J.R. te Westerbork teneinde alsnog in Westerbork voor moeder ontslag te kunnen bewerkstelligen. Ik stuurde telegrammen naar moeder en de J.R. te Westerbork en daar bovenop nog expressebrieven.

Een week lang hoorde ik daarna niets. Niets van vader, niets van moeder en niets van de Joodsche Raad. Och ja, ik kreeg van de Joodsche Raad bericht om kleren en levensmiddelen voor vader te sturen, maar die had ik intussen al lang verzonden. Na een week van tergende onzekerheid werd ik twee feiten gewaar. In de eerste plaats dat vader ‘gesperrt’ zou worden ten behoeve van de broodvoorziening en daardoor te Westerbork zou blijven en ten tweede dat moeder reeds was doorgezonden naar Duitsland. Wederom was met haar iets verschrikkelijks gebeurd. Het noodlot moest haar wel hebben… Zij werd, zoals bekend, in de nacht van zondag op maandag 4/5 oktober 1942 van het Ad. v. Scheltemaplein naar Westerbork getransporteerd. Hier dacht zij uiteraard vader te kunnen ontmoeten. Maar zie: dezelfde maandagochtend dat moeder te Westerbork aankwam, zou er weer een transport gearresteerden naar Duitsland vertrekken. Op het laatste moment echter bleek een gehele barak van circa 250 mensen op het appèl te ontbreken. Die waren, zogezegd op Westerbork zelf, waar toen ongeveer 1600 mensen verbleven, ondergedoken. De toen aanwezige Duitse commandant achtte dit geen bezwaar. Jood is Jood en het doet er per slot van rekening niet toe welke Joden het eerste naar Duitsland vertrekken. Als de trein maar vol is. En daarom telde de bloedhond van het zojuist uit Amsterdam aangekomen nieuwe transport 250 personen af, die meteen maar in de trein, die eerst niet vol scheen te komen, konden plaatsnemen. Meteen… Zonder bagage. Het ongeluk daarbij was dat die 250 personen voornamelijk vrouwen en kinderen waren, wier mannen en vaders zich reeds op Westerbork bevonden, zoals mijn vader. En moeder behoorde òòk tot die 250 personen. Zij kon dus meteen uit de trein van Amsterdam overstappen, zonder dat zij vader gezien had en zonder haar goed verzorgde bagage. Want er was geen tijd om de bagage van die 250 Joden nog eerst even uit te zoeken… Later heb ik die bagage teruggekregen. Moeders kleren kwamen in het bezit van vader, die ze mij toen terugstuurde…

Moeder was die dag geheel alleen, althans zonder vader of enig familielid, naar het onbekende vertrokken. Voor ons verdwijnt ze nu dus voorlopig van het toneel. Dat wil zeggen: ze is ons geen dag uit de gedachten, maar wij kunnen niets meer voor haar doen en wij zullen, zolang die vervloekte oorlog duurt, niets meer van haar vernemen. Wij zullen ons thans weer ijverig moeten bezighouden met de belangen van vader, die immers ‘gesperrt’ wordt en te Westerbork zal blijven. Wij ontvingen nu geregeld brieven van vader, waarin hij ons o.a. vertelde dat hij een baantje had gekregen op Westerbork. Hij was bij de reinigingsdienst gekomen. Ook dit zou er wellicht toe bijdragen dat hij niet doorgestuurd zou worden.

Intussen bleef ik niet stilzitten. Iedere avond schreef ik vader een brief en hield hem volkomen op de hoogte met mijn werkzaamheden. Zo kon ik hem melden dat ik had uitgevist dat hij op 22 oktober een ‘Sperr-stempel’ op zijn persoonsbewijs zou krijgen. Ik berichtte dit ook aan de Joodsche Raad te Westerbork, met het verzoek er voor te willen zorgdragen dat het persoonsbewijs van vader op de genoemde datum op het Ad. v. Scheltemaplein te Amsterdam zou zijn. Want hier werden de ‘Sperr-stempels’ uitgereikt, ook voor de mensen die te Westerbork verbleven en die, zoals vader, ook een stempel zouden krijgen.

Bovendien zorgde ik er voor op 22 oktober op het Ad. van Scheltemaplein te zijn om mij er persoonlijk van te overtuigen dat de ‘stempeling’ zou geschieden. Dat kon ik doen door bemiddeling van de heer Süsskind, die mij meenam naar het desbetreffende Duits bureau. Hier zag ik op de lijst van mensen die die dag ‘gesperrt’ zouden worden, dus voorlopig van uitzending vrij waren, de namen voorkomen van vader en moeder! Beiden zouden dus ‘gesperrt’ worden (ten behoeve van de broodvoorziening); beiden zouden dus voorlopig voor uitzending niet in aanmerking komen. Maar moeder was al in Duitsland en vader zat al op Westerbork…! Enfin, in ieder geval zou het mogelijk zijn voor vader iets te bereiken. Maar weer kreeg ik (en hij) een tegenslag. Het persoonsbewijs van vader was op 22 oktober niet op de Zentralstelle aanwezig. Ik berichtte dit onmiddellijk aan vader en aan de Joodsche Raad te Westerbork. Van beiden kreeg ik ten antwoord dat er aan de behandeling van dit geval gewerkt werd. Intussen bleef ik te dien opzichte diligent. Want ik vond het ten enenmale belangrijk dat het persoonsbewijs van vader een stempel zou krijgen. De omstandigheden stelden mij echter in het ongelijk. Want zie wat er gebeurde: begin november begonnen de verschillende stempels reeds hun kracht te verliezen en werden ook zij die een zogenaamd Joodsche Raad-stempel hadden naar Duitsland uitgezonden en gelijkgesteld met hen die geen Sperr-stempel op hun persoonsbewijs hadden. (Onder Joodsche Raad-stempels werden o.a. verstaan stempels ten behoeve van de levensmiddelenvoorziening en zulk een zou vader ook krijgen!) Bij de Duitsers van 1942/1943 was immers alles mogelijk. Wetten bestonden voor hen niet, alleen maar een goed of kwaad humeur. En de betreffende commandanten waren zeker over het een of ander niet in hun schik dat zij de Joodsche Raad-stempels, die nauwelijks waren uitgereikt, al ongeldig verklaarden… Wat er nu weer met dat persoonsbewijs van vader gebeurd was, bleef mij tot dit ogenblik een raadsel.

Eind november kreeg ik na een briefwisseling van enkele weken met de Joodsche Raad te Westerbork van deze instantie tenslotte het bericht dat vaders persoonsbewijs niet gestempeld zou worden, aangezien dit te laat in Amsterdam was aangekomen. Joodsche Raad-stempels werden nu al niet meer verstrekt. Maar, zo schreef men mij uit Westerbork, mijn vader mocht nog blij zijn dat hij geen stempel had gekregen, want dat Joodsche Raad-stempel zou hem thans eerder kunnen schaden dan helpen! De commandanten schenen het zeker niet al te goed op de Joodsche Raad voorzien te hebben… Ik behoefde mij echter over mijn vader ongerust te maken, zo werd mij in hetzelfde schrijven medegedeeld, want er bestond helemaal geen kans dat hij doorgestuurd zou worden, aangezien hij bij de schoonmaakdienst tewerkgesteld en als zodanig gereclameerd was (Onder ‘reclameren’ verstond men het aanstellen van de gearresteerden door de Duitse commandant in een zekere functie, waardoor men ‘Polizei-angestellt’ werd en niet zou worden doorgestuurd.)

Oòk goed, dacht ik. Wellicht nog beter dan een Sperr-stempel! En ik berustte mij er in. In deze dagen kwamen verscheidene personen die al enige weken in Westerbork verbleven naar huis. Dat waren mensen die zelf een Sperr-stempel voor Wehrmachtswerk hadden of  wiens echtgenote of minderjarige kinderen zulk een stempel op hun persoonsbewijs hadden staan. Nu men mij bericht had dat vader niet doorgestuurd zou worden en de praktijk leerde dat men ten behoeve van Wehrmachtswerk nog wel het een en ander gedaan kreeg, besloot ik ook voor vaders thuiskomst te gaan werken. Daarvoor gebruikte ik dezelfde gronden die ik voor moeders bevrijding beproefd had: Hansje, mijn zusje, werkte voor de Wehrmacht (ook niet vrijwillig, aangezien het atelier waar zij werkte Wehrmachtsorders kreeg en het personeel zich daaraan niet mocht onttrekken) en was alleen, onverzorgd achtergebleven. Maar nog voordat een desbetreffend verzoek bij de Duitse instanties aanhangig gemaakt kon worden, kreeg ik op 14 december bericht van de Joodsche Raad uit Westerbork dat vader op 12 december was doorgezonden. Wèg schone beloften, wèg illusies, wèg vader…

Wat had al mijn werken, al mijn correspondentie tenslotte voor resultaat gehad? Niets. Vader was naar die Duitse hel doorgestuurd en het zou mij weinig baten of ik er mij nu druk om maakte of niet. Of ik de oorzaak van doorzending uitzocht of mij er stil bij neerlegde. Ik dankte de Joodsche Raad te Westerbork voor de overigens vlotte correspondentie (en goede inlichtingen!), waarmede deze periode besloten werd. Het enige wat mij daarvan overbleef was de voldoening dat ik na zijn arrestatie nog ongeveer 2,5 maand met vader in contact heb kunnen staan, hem geregeld pakjes levensmiddelen heb kunnen sturen en voor hem heb kunnen werken, al heeft dit laatste tenslotte helaas geen vruchten mogen dragen.

Ongeveer 2,5 maand later dan moeder vertrok vader dus naar Duitsland. Gelukkig was hij wèl in het bezit van kledingstukken etc. Of hij moeder echter ontmoette of nog ontmoeten zal, is mij op dit moment – jan. ’43 – nog volkomen een raadsel. Algemeen beweert men dat mannen en vrouwen gescheiden worden. Wanneer dit inderdaad gebeurt, hoeft men deze methode overigens bij mijn ouders niet meer toe te passen. Die werden op 2 oktober 1942 in Holland ook al van elkaar gerukt…!

Noch de verblijfplaats van moeder, noch die van vader is mij bekend. Op goed geluk heb ik beiden echter per post een brief geschreven (welke in het Duits gesteld mest zijn) naar het doorgangskamp: Arbeitslager Birkenau bij Neu-Berum, in welke brief ik hen aanried (wellicht enigszins naïef, maar toch goed bedoeld!) elkaar proberen op te zoeken…

Het is toegestaan de mensen in Duitsland om de drie weken een brief te sturen via de Joodsche Raad. Of de ongelukkigen deze brieven werkelijk in handen krijgen (adressen mogen op de enveloppen niet vermeld worden, maar die zijn toch niet bekend) werd niet gezegd… Wij wachten nu met ongeduld op het tijdstip dat deze vervloekte oorlog ten einde zal zijn, op hetzelfde tijdstip dat het naziregime vergolden zal worden wat het de wereld, en in het bijzonder de Joden, heeft aangedaan.

Dàn hoop ik vader en moeder weer in levende lijve in Holland te kunnen ontmoeten! 

Dirk van Onselder (ongeveer 1942)

Dirk van Onselder rond 1942

      

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.