Gerrit Mozer, jodenjager in politiedienst

Hoewel na de Tweede Wereldoorlog ‘slechts’ één Zaankanter tot de doodstraf werd veroordeeld, Luwe Muusse, waren er nog vier collaborateurs met een Zaans tintje die hetzelfde vonnis te horen kregen. Over Abraham Kaper (de enige die daadwerkelijk werd gefusilleerd), Hendrik van der Kraan en Maarten Scheffer schreef ik al eerder. De laatste in dit rijtje is  Gerrit Reinier Mozer (Amsterdam, 23-7-1897). Hij verbleef slechts kort in de Zaanstreek, maar zaaide daar wel dood en verderf.

Gerrit Mozer meldt zich al in 1932 bij de Nationaal-Socialistische Beweging en blijft tot het eind van de oorlog – en misschien ook wel daarna – een trouwe aanhanger van zowel Anton Mussert als Adolf Hitler. Zijn vrouw sluit zich eveneens aan bij de NSB, hun dochter wordt lid van de daaraan gelieerde Jeugdstorm. Mozer begint zijn professionele loopbaan als smid, maar werkt in 1940 bij de hoofdstedelijke politie. Zijn ambities liggen echter op een hoger vlak. Hij grijpt de gelegenheid om een cursus te volgen die opleidt tot het burgemeestersambt. Hij slaagt, na negen maanden in de studiebanken te hebben gezeten, en mag daarna op stage. Het is de laatste stap voor zijn benoeming tot burgemeester. In de naoorlogse woorden van Mozer: “Ik heb toen gevolontaird in Oostzaan, Zaandam en Krommenie en wel in een tijdsverloop van een half jaar, terwijl mijn politiesalaris werd doorbetaald door de administratie van de politie.”

Zijn eerste standplaats is Zaandam, waar NSB-burgemeester Hendrik Vitters hem op 3 augustus 1942 aanneemt. Op 1 september begint hij formeel. Vitters, later: “Hij heeft in Zaandam achtereenvolgens de personeelscentrale doorloopen, eenigen tijd op het bureau Sociale Zaken (annex Winterhulp en Nederlandsche Volksdienst) doorgebracht, op de afdeeling Financiën de begrooting bestudeerd en vervolgens bij mij eenige spreekuren en vergaderingen van den burgemeester met de wethouders bijgewoond.” Een groot succes is het niet. Vitters: “Van dezen tijd is hij hier feitelijk niet meer dan 1 maand geweest aangezien hij eenige weken ter secretarie van Oostzaan en Krommenie werkzaam was. Van den resteerenden tijd is hij ongeveer 6 weken ziek geweest (geopereerd) en verder heeft hij zijn tijd doorgebracht met allerlei recherchezaken. Uit dit laatste blijkt, dat in kam.[eraad] Mozer veel meer de politieman schuilt dan de toekomstige burgemeester.”

Gerrit Mozer wordt doorgeschoven naar Oostzaan. Van daaruit geeft hij nogmaals blijk van zijn brandende ambities. Begin november 1942 schrijft hij aan het NSB-hoofd Bestuurszaken: “In overleg met den Beauftragte Kameraad Unger en Kameraad Vitters ben ik sedert eenigen tijd als volontair geplaatst te Oostzaan bij Kameraad De Bree met het doel mij ook met het bestuur van een kleine gemeente op de hoogte te stellen en hem te assisteeren bij het optreden tegen clandestien slachten enz.” Hij laat weten graag snel te beginnen als burgemeester: “Vooral in de Zaanstreek ben ik ingesteld, daar ik door werkzaamheden veel in die streek heb vertoefd.” De plek van zijn dromen weet hij ook al: “Vertrouwelijk. Kameraad De Bree wil de gemeente Oostzaan weder verlaten en solliciteerde reeds naar elders. Gaarne zou ik voor deze gemeente in aanmerking komen.”

Zover komt het niet. Johannes de Bree blijft tot juli 1943 op zijn post (en pleegt dan zelfmoord). Voor die tijd laat hij zich niet onverdeeld enthousiast uit over zijn stagiair. De Bree ziet hem als iemand in ‘wien veel meer de politieman schuilt, dan de toekomstige burgemeester’. Hij karakteriseert Mozer als ‘niet iemand van groote ontwikkeling’. “Hoewel ik kameraad Mozer als een vlijtig en vooral op het politioneel gebied zeer actief mensch beschouw, kan ik over hem geen rapport uitbrengen terzake van zijn volontair ter secretarie, aangezien dit in feite niet is geschied.” De stagiair laat zich namelijk zelden op het gemeentehuis zien; hij houdt zich vooral bezig met recherchewerkzaamheden.

Gerrit Mozer in oorlogstijd

Nog zijn Mozers kansen niet verkeken. De negatieve kwalificaties van Vitters en De Bree ten spijt meldt de Provinciaal Gemachtigde voor Noord-Holland eind november 1942 aan het NSB-hoofd Bestuurszaken Johan Carp dat hij met de Commissaris van de Provincie en de Beauftragte overeenkwam Mozer als burgemeester van Berkhout te installeren. Een maand later is de benoeming echter alweer van de baan. “Er zouden bezwaren kunnen rijzen”, weet Carp. Onder meer ‘omdat de eenige ambtelijke ervaring die hij bezit, hierin bestaat, dat hij agent der bereden politie is geweest, hetgeen op zichzelf niet voldoende geacht kan worden voor de vervulling van het ambt van burgemeester. Ook de andere gegevens omtrent kameraad Mozer doen niet vermoeden dat hij ter zake eenigszins geschoold of deskundig kan worden geacht.” Een kleine anderhalf jaar later is de promotie definitief passé. “Thans verneem ik vanwege den Gemachtigde van den Leider in Noord-Holland, dat kameraad Mozer niet voor een benoeming tot burgemeester in aanmerking komt en wel op grond van gedrag en houding van zijn echtgenoote.” Wat Maria Helena Mozer heeft misdaan blijft overigens onbenoemd.

Krommenie

Onwetend van de gedachtewisseling die zich boven zijn hoofd afspeelt begint Gerrit Mozer in januari 1943 aan zijn derde achtereenvolgende volontairschap. In Krommenie ditmaal. Hij zal er slechts vier weken blijven, maar er een onuitwisbare indruk achterlaten.

Zoals zijn stagebegeleiders meermalen schrijven is Mozer nog altijd meer politieman dan bestuurder. Als agent speurt hij met graagte naar ondergedoken joden. En aangezien hij de Zaanstreek inmiddels goed kent, begint hij zijn jacht op onderduikers daar. Medio december 1942 valt hij met enkele collega’s na een anonieme tip de woning binnen ‘van den ariër Willem Bleeker’. Die woont aan de Noorderhoofdstraat 70 in Krommenie, waar hij het uit Zaandam afkomstige joodse echtpaar Benjamin en Esther Drilsma verbergt. Mozer, in zijn naoorlogse proces: “Daar namen wij ook wat zilverwerk in beslag, welke zaken wij aan het bureau deponeerden. Deze Drilsma vertelde ons toen dat het persoonsbewijs dat hij bij zich had, van zekeren Jan Eenhoorn wonende aan den Heiligenweg [sic] 45 te Krommenie had gekocht voor f 100,-. (…) Drilsma’s mededeeling bleek op waarheid te berusten en wij hebben toen dezen Eenhoorn in zijn woning aangehouden.” Een deel van de in beslag genomen buit belandt overigens in Mozers eigen zakken.

Drilsma
Lijst van goederen die Mozer c.s. in beslag namen bij het echtpaar Drilsma 

Het blijft niet bij deze vier arrestaties. Uit Mozers naoorlogse strafrechtdossier is te herleiden dat het echtpaar Drilsma vrijwel onmiddellijk na hun aanhouding, ongetwijfeld onder zware pressie, vertelt waar Benjamins vader zich schuilhoudt. Adam Abraham Drilsma woonde eerder in Zaandam. Mozer: “Deze laatste en diens vrouw hadden verteld na hun aanhouding door ons, dat te Haarlem aan de Cederstraat 14 meerdere joden waren ondergedoken.” Zijn chef Dahmen von Buchholtz stuurt Mozer op pad. “In opdracht van laatstgenoemde zijn luitenant Van der Berg, Kaptein en ik den volgenden dag naar de door de jodin genoemde plaats gegaan. Daar troffen wij aan de Ariër [Johannes Adrianus] Rodenburg. Voorts troffen wij aan een jodin die mede gearresteerd werd en met Rodenburg naar Amsterdam werden overgebracht en ter beschikking gesteld van Dahmen von Buchholtz. Uit het schrijven van dien Chef blijkt verder dat Rodenburg werd overgedragen aan den SD. De bewuste jodin zal wel zijn doorgevoerd geworden.”

Drilsma

Adam Abraham Drilsma en zijn al in 1942 overleden echtgenote Roosje

‘De bewuste jodin’ is de Haarlemse Sara van der Horst. Zowel zij als de Drilsma’s worden naar het concentratiekamp gedeporteerd en zullen de oorlog niet overleven. In Haarlem arresteren Mozer en zijn collega’s ook nog S. Kan. Zijn/haar verdere lot is onbekend.

Een paar maanden na de geslaagde jodenjacht in Krommenie en Haarlem gaat Gerrit Mozer aan de slag voor het Bureau Joodsche Zaken. Dat heeft als taak zoveel mogelijk ondergedoken joden op te sporen. Duizenden onderduikers vallen dankzij deze politie-afdeling in handen van de Sicherheitsdienst. Daarbij ontwikkelt Mozer zich tot een van de fanatiekste jagers, moreel gesteund door zijn echtgenote. Na een missie van haar man naar Hattem verwacht zij te kunnen delen in de opbrengst van de buit, 7,50 gulden per opgebrachte jood: “Toen mijn man daarna thuis kwam heb ik hem gevraagd waar het jodengeld bleef. Ik had namelijk intussen gehoord dat er belooningen werden uitbetaald voor het opsporen en arreesteren van joden en ik meende, dat ik dat goed zou kunnen gebruiken voor de huishouding.”

Verkrachting

Mozer voelt zich nauwelijks schatplichtig aan zijn echtgenote. Niet alleen gaat een groot deel van zijn buit naar zijn maîtresse, de jodenverraadster Sophia Leijdel, ook schrikt hij er niet voor terug een joods meisje tot driemaal toe te verkrachten. Hij ontbiedt de 19-jarige Rosalie R. op het politiebureau en wacht haar daar op met likeur en taart. “We hebben toen de avond gezellig vrijend doorgebracht”, verklaart Mozer na de oorlog. Rosalie herinnert zich iets anders: “Hierop kan ik u meedelen dat ik pijn heb gehad en heb gehuild. Ik verklaar dat ik voordien nooit gemeenschap heb gehad.”

Hoeveel joden Gerrit Mozer in totaal oppakt is niet duidelijk, maar het moeten er vele tientallen en wellicht zelfs honderden zijn. Mozer: “Het aantal joden dat ik heb gearresteerd kan ik niet inschatten. Naar mijn schatting heb ik aan premies voor het brengen van joodse mensen zeker wel een totaalbedrag van duizend gulden ontvangen.” Daar bovenop komt nog zijn gewone politiesalaris en het resultaat van diefstal. Hij berooft – het zijn bijna willekeurige voorbeelden – de joodse onderduiker Martin Ezechiël Cohen van 10.000 gulden aan sieraden en Simon Poons van 33.000 gulden.

Na Dolle Dinsdag vertrok Mozer naar Groningen, waar hij met dezelfde verbetenheid die eerder de joden trof op zoek gaat naar verzetsstrijders. Een paar maanden voor hij het door de geallieerde bedreigde westelijk Nederland verlaat, arresteert hij zijn laatste Zaanse prooi. Zaandammer Samuel de Lange duikt in maart 1944 onder in Amsterdam, maar wordt al na een week verraden. Uit Mozers strafdossier: “Terzake het ophalen van een Jodenman, genaamd Samuel de Lange, oud 40 jaar, gewoond hebbende te Zaandam, Saenredamstraat no 41, welke was ondergedoken bij Belkmeer, wonende Schoklandstraat 16 te Amsterdam.” Ook De Lange haalt de bevrijding niet.

SamuelSamuel de Lange (1906-1945)

Na zijn arrestatie dient Gerrit Reinier Mozer zich te verantwoorden tegenover het Bijzonder Gerechtshof. Dat veroordeelt hem op 5 april 1947 tot de doodstraf. Een jaar later wordt dat omgezet in een levenslange gevangenisstraf.  Uiteindelijk overlijdt Mozer op 28 november 1957 in vrijheid: zijn straf wordt hem eerder dat jaar voorwaardelijk kwijtgescholden. Het merendeel van zijn slachtoffers overleeft de oorlog niet.

MozerDe Waarheid, 24-3-1947

2 antwoorden
  1. Ruud Meijns
    Ruud Meijns zegt:

    Er is ooit een enquête geweest naar de hele rechtspleging, maar die is in een la verdwenen. Maar dat zo’n Mozer zn straf kwijtgescholden krijgt is toch de zot voor woorden. Je vraagt je zelfs nu nog af hoeveel boter de “boven ons gestelden” op hun hoofd hadden. Als je dit soort zaken naast bijv. de Velser Affaire, de zaak Sanders e.d. legt komt er een enorme twijfel aan het rechtssysteem van na de oorlog boven drijven. Het zou goed zijn als daar met een echt onderzoek een punt achter gezet zou kunnen worden.

    Beantwoorden
  2. Erik Schaap
    Erik Schaap zegt:

    De Velser Affaire lijkt me in dezen een minder voorbeeld. Daarvan is inmiddels wel duidelijk dat het grotendeels een mythe was. Zie daarvoor het uitstekende, vorig jaar verschenen gelijknamige boek van Bas von Benda-Beckmann.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.