De Zaanse liquidaties: Pieter Jacob Zwart

Pieter Jacob Zwart (Wormerveer, 11-3-1909/Koog aan de Zaan, 5-4-1945)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog brachten Zaanse verzetsstrijders meer dan twintig collaborateurs, zwarthandelaren en andere gevaarlijk geachte personen om het leven. In mijn boek ‘Korte metten. De Zaanse liquidaties (1940-1945)’ worden deze liquidaties uitgebreid beschreven. Ook de mislukte en verzonnen aanslagen alsmede de dilemma’s die deze beslissingen over leven en dood met zich meebrachten komen in ‘Korte metten’ uitgebreid aan bod. Het 148 pagina’s tellende boek is te bestellen in de boekhandel, via Bol.com of door overmaking van €17,95 op rekening NL34 ASNB 0708 004 326 ten name van E. Schaap in Zaandam (o.v.v. ‘Korte metten’).

Hieronder het hoofdstuk over de eliminatie van Pieter (‘Piet’) Jacob Zwart.

De onder-districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten klonk geladen op 11 mei 1945. Temidden van een grote schare zwijgende mensen op de begraafplaats in Wormerveer hield hij een bewogen, schuldbewuste afscheidsrede. ‘Gij staat hier aangetreden met weemoed in het hart en, naar ik hoop, ook met schaamte. Met weemoed, omdat wij staan aan het graf van één onzer besten. Met schaamte, omdat hij niet gevallen is door een Duitse kogel, erger nog, door een kogel van onszelf. Wij zijn weemoedig dat een der voornaamste illegale werkers van de Zaanstreek deze dagen van glorie niet heeft mogen beleven en de vruchten van zijn werk niet heeft mogen plukken.’

De man aan wie deze woorden waren gewijd heette Pieter Jacob Zwart. De commandant memoreerde dat deze Wormerveerse garage-houder jarenlang een belangrijke rol speelde binnen het Zaanse verzet, ‘dag en nacht, met inzet van heel zijn markante persoonlijkheid en zijn grote energie’. En toch waren het zijn eigen kameraden van de Binnenlandse Strijdkrachten die besloten om hem, een maand voor de Duitse capitulatie, het leven te benemen.

Piet Zwart was al in 1940 actief binnen het nog ontluikende Zaanse verzet. Hij regelde onder meer buitenboordmotoren voor mensen die per – meestal niet of nauwelijks zeewaardige – boot naar Engeland wilden vluchten en onderhield contacten met de Stijkelgroep, een van Nederlands eerste verzetsbewegingen. In later jaren was hij betrokken bij de hulp aan onderduikers, het Nationaal Steunfonds en de ondergrondse pers. Hij leende tevens wagens uit aan gewapende verzetsgroepen.

Maar garage-eigenaar Zwart had ook contacten met de nazi’s. Al in de zomer van 1940 huurde het Duitse leger autobussen bij Zwart om voor het oorlogsgeweld gevluchte Franse burgers terug te brengen naar hun woonplaatsen. Om een oogje te houden op de bussen en er voor te zorgen dat ze heelhuids retour gingen, reisde Zwart mee naar Frankrijk. Niet iedereen had daar waardering voor. Dat gold ook voor zijn keuze om door te werken als garagehouder, ook al betekende het dat hij soms de Wehrmacht van dienst moest zijn. Maar liever dat, zo redeneerde hij, dan zijn personeel ontslaan bij gebrek aan opdrachten.

Zwart – illegale naam Piet Zwikker – werd steeds actiever binnen de illegaliteit en belandde in de Ordedienst, de organisatie die in september 1944 onderdeel werd van de Binnenlandse Strijdkrachten. Maar in die laatste, door naijver gekleurde samensmelting van het gewapend verzet ging al snel een anonieme brief rond waarin de schrijver de invloed van ondernemers binnen de BS aan de orde stelde. Een andere tekst, waarin de vermeende collaboratie van garage Zwart werd beschreven, bereikte op 16 augustus 1944 zelfs de kolommen van het illegale communistische blad De Waarheid. De openingszin zette al meteen de toon: ‘De heer Zwart doet zich gaarne voor als een goed Nederlander.’ Waarna er een opsomming volgde van de handlangersdiensten die hij de Duitsers zou hebben bewezen en waarmee hij en een collega rijk zouden zijn geworden. ‘Tienduizenden hebben zij er aan verdiend. Hoe ver hun hielenlikkerij ging, bleek toen de chauffeur die het laatst uit het buitenland terugkeerde en zich veel moeite had getroost om de auto van zijn patroon voor opvordering der moffen te behoeden zonder meer bij zijn terugkomst op straat werd gezet.’

Op 2 april 1945 liep de Wormerveerse BS-commandant Jaap Boot naar het huis van Piet Zwart om hem te waarschuwen voor de geruchtenstroom. ‘Piet, het dreigt fout te gaan. Straks krijgt een of andere idioot het in zijn kop een van de OD-figuren neer te schieten. In de handen van sommigen is een wapen levensgevaarlijk. Bij de mannen van de OD moet veel veranderen, zo niet dan vrees ik het ergste.’ Piets echtgenote reageerde benauwd en zei: ‘Piet, hou er mee op. Ik ben zo bang dat er iets gebeuren gaat.’

Die angst was terecht. Verzetsman Gerard Müller bleek opdracht te hebben gekregen om Zwart te liquideren. Müller was echter overtuigd van Zwarts onschuld. Hij kende hem goed en hielp vaak in Zwarts garage. Piet Zwart redde hem daar zelfs een keer het leven, toen er koolmonoxide ontsnapte terwijl Müller onder een auto lag te sleutelen. Hij was al bewusteloos op het moment dat Zwart hem onder de wagen vandaan trok. Sindsdien voelde Gerard Müller zich schatplichtig aan de garagedirecteur. Maar hoe Müller ook pleitte voor het leven van zijn vriend, binnen een kleine sectie van de BS bleef het besluit gehandhaafd om deze ‘verrader’ om te brengen.

Groepscommandant Martinus (‘Tinus’) Buntsma uit Krommenie wees na Müllers weigering een ander aan om het fatale schot te lossen: zijn plaats-genoot en mede-KP’er Johan Bak. Buntsma had het liquidatiebevel weer gekregen van de 42-jarige KP-sectiecommandant Henk (‘Eduard’) Mannessen, die het op zijn beurt ontving van compagniecommandant Peter Jelle (‘Peter de Jager’) Visser. Op 5 april, een maand voor de bevrijding van Nederland, werd de opdracht uitgevoerd. Johan Bak, terzijde gestaan door BS’er Jan van Heiningen en Martinus Buntsma, schoot rond het middaguur Piet Zwart ter hoogte van café-hotel De Waakzaamheid in Koog aan de Zaan van zijn fiets. Het trio had hem vanaf zijn woning gevolgd. Bak – die al meer liquidaties op zijn naam had – reed voorop. Even voor De Waakzaamheid naderde hij Zwart tot op vijf meter. Hij richtte zijn pistool en haalde twee keer de trekker over. De in zijn rug geraakte Zwart viel niet meteen. Bak ging naast hem rijden en richtte nog één maal, op zijn gezicht. Dit keer ging Zwart wel neer. Hij stierf ter plaatse.

De Koger Piet Heinis was getuige van de aanslag. ‘Voor de ingang van het Sluispad valt een man van zijn fiets, zijn groene hoed rolt de schuinte van het Sluispad af en ligt nog niet eens stil als ik bij het slachtoffer ben’, schreef hij ruim veertig jaar later. ‘Het is heel stil, ik was de enige die bij het slachtoffer stond, een van de kogels was van de kin naar boven gegaan. De man moet op slag dood geweest zijn.’ Volgens een andere getuige, Wormerveerder Peek Ferf, klopte dat laatste niet. Hij hoorde Zwart na zijn val nog kreunen. Zijn bevinding werd later bevestigd door Jan van Heiningen.

Politiearts Willem Levend liet het naar De Waakzaamheid getilde lichaam van Zwart daar weghalen en naar het Gemeenteziekenhuis brengen. Uit zijn sectierapport: ‘Het lichaam van wijlen P. Zwart heeft: 1. Eén schot in de rug, links achter, onder de punt van de linkerschouder. 2. Eén schot, in de rug, links naast de wervelkolom nabij de tiende rib, met een uitschotopening rechts naast het borstbeen in de vijfde tussenribsruimte. 3. Eén schot midden bovenlip in de middenlijn door boventandenrij, tot in zijn vermoedelijk verlengde merg. Dood ten gevolge van de schoten.’

C.J. Kuiper noteerde op 6 april in haar dagboek: ‘Gister is onze neef P. Zwart doodgeschoten op de Provincialeweg door een onbekende dader. Tineke Fris [een familielid] vertelde dat er ook een ander doodgeschoten was. Hier waren echter niet alleen de dader, doch ook het lijk verdwenen.’ Wie dat tweede slachtoffer zou zijn geweest bleef overigens in het midden en berustte ongetwijfeld op een onjuist gerucht. Ook de locatie Provincialeweg was niet juist.

Al snel werd duidelijk dat het besluit om Piet Zwart te doden een vergissing was. Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten arresteerden daarop de daders en sloten hen met medeweten van enkele ‘goede’ agenten op in een cel. Hen werden gefingeerde overtredingen ten laste gelegd, zoals boterdiefstal. Dat maakte het mogelijk om hen onder toezicht te houden van de politie. De Zaandamse rechercheur Robert Pel deed op verzoek van BS-commandant Wastenecker in het geheim onderzoek naar de affaire en sprak zowel getuige Peek Ferf als de verdachten.

Een van Pels conclusies: ‘Tijdens mijn onderzoek is gebleken dat in District VI de meningen ten opzichte van Piet Zwikker zeer uiteenlopend waren. Vooral in de plaatsen Wormerveer en Krommenie was de houding der meeste leden der NBS tegen Piet Zwikker zeer agressief, niet zozeer om de persoon als wel in de functie van Chef-Staf D.VI en in zijn functie als directeur van het garagebedrijf. Verder is mij gebleken dat in de laatste maanden vooral in Wormerveer meerdere vergaderingen zijn belegd door illegale werkers, welke steeds het “geval Zwikker” als voornaamste punt op de agenda hadden.’

Er werd een rechtbank samengesteld, waarna in de Zaandamse Oostzijderkerk een ondergronds proces van start ging. Daarbij hadden de ‘rechters’, allemaal mannen uit het verzetscircuit, twee opties: het uitspreken van de doodstraf of verstoting uit de illegaliteit. Gerrit Koeman, namens de RVV een van de rechtsprekenden: ‘Ik heb toen naar voren gebracht dat ik het niet eens was met de daders, maar dat deze daad wel het gevolg was van een verkeerd beleid. Ik heb ook naar voren gebracht dat wij werden opgescheept met mensen die wij in het geheel niet kenden en waarvan we maar moesten aannemen dat ze goed waren.’

Het zat Koeman met name dwars dat de regionale BS werd beheerst door leden van de behoudende Ordedienst. ‘De Ct. [commandant] van het gewest met zijn staf waren OD’ers. De ct. van district Zaanstreek was een OD’er en zijn adj[udant] was P. Zwart, ook een OD’er. De ct. van Zaandam-Noord was een OD’er en alleen mijn persoontje was van de RVV.’ Koeman had dan ook tot op zekere hoogte begrip voor de fatale ingreep tegen Zwart, ‘al had [die] ook op een normale manier uit de BS verwijderd kunnen worden’. (…) ‘Ook anderen verdedigden min of meer de daad en er werden gelukkig geen zware maatregelen tegen de “daders” genomen.’ De drie hoofdverdachten kregen het bevel om tot nader order de Zaanstreek te verlaten.

Enkele maanden na de bevrijding, op 26 september 1945, diende de zaak nogmaals en nu in alle openheid. Dit keer oordeelde de krijgsraad in Alkmaar. De Krommenieër schoolmeester Henk Mannessen legde daar uit hoe het bevel tot stand was gekomen om Zwart uit de weg te ruimen: ‘Er was een overval op een gevangenentransport mislukt. Ik was bij mijn commandant Visser en vroeg: “Wie kan dat gedaan hebben?” Waarop Visser zei: “Zwart natuurlijk.” Ik vroeg: “Wat moet je met zo’n vent aan?” En toen antwoordde Visser: “Schiet hem neer, je hebt mijn zegen.” Dit heb ik als een bevel opgevat. Twee dagen later was ik bij Visser en vertelde hem dat de eerste aanslag was mislukt, maar dat de tweede spoedig beproefd zou worden. Opnieuw zei Visser: “Je hebt mijn zegen”.’

Volgens Peter Visser lag het iets genuanceerder. Hij zou voorafgaand aan de eerste liquidatiepoging slechts in het algemeen gezegd hebben: ‘Je moest zulke kerels neer kunnen schieten.’ Pas toen Mannessen hem vertelde over de mislukking zou hij hebben gereageerd met de woorden: ‘Ga je gang, je hebt mijn zegen.’

Uit de getuigenverhoren blijkt dat het nogal eens botste tussen de verschillende BS-commandanten. Piet Zwart fungeerde daarbij soms als buffer. De rechtbankpresident beschouwde de voormalig commandant van de Landelijke Knokploegen Dick Bus overigens als de aanstichter van de achterklap die Zwart fataal werd. Maar Bus was slechts als getuige opgeroepen en kon daardoor niet worden veroordeeld. Uit het blad De Nieuwe Dag van 27 september 1945: ‘De naam Bus kronkelt als een sissende slang door alle stukken. Bus heeft gekletst als een oud wijf en als er tenslotte mensen veroordeeld worden is het zijn schuld. Rivaliteit en eigen roem waren zijn drijfveer. Hij heeft Mannessen tegen Zwart opgestookt.’

Er was nog een (naoorlogse) getuige met niet al te schone handen: rechercheur Hendrik de Wit van de Politieke Opsporingsdienst. Die had een rapport opgesteld waarin Zwart werd afgeschilderd als collaborateur, verrader en profiteur. Hij bleek de weinig adequate informatie over Piet Zwart te hebben vastgelegd op basis van roddels onder het personeel van garage Zwart. De dienstdoende rechter oordeelde dan ook vernietigend over de rapportage van De Wit (alias ‘Henk Jansen’).

Hoofddader Bus werd dus niet veroordeeld door de rechtbank in Alkmaar, net zo min als de schutter, Johan Bak (die slechts in opdracht handelde). Henk Mannessen en Peter Visser kwamen er minder goed vanaf. Beiden werden schuldig verklaard en verdwenen in de gevangenis. ‘Het is een zwarte bladzijde in onze Zaanse illegaliteit’, zou de Zaandamse verzetsleider Jaap Buijs na de oorlog noteren in het herdenkingsboek De Zaanstreek in droeve en blijde tijden. ‘Voor de familie, vooral zijn vrouw, is dit verlies verschrikkelijk. De enige verontschuldiging is dat in de spanning dier dagen gemakkelijker werd besloten iemand terecht te stellen dan in rustiger tijden.’

B) Piet Zwart (collectie Dick Zwart) Piet Zwart

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.