De Zaanse liquidaties: Cornelis Frederik Kater

Cornelis Frederik Kater (Zaandam, 3-2-1927/Zaandam, 31-1-1945)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog brachten Zaanse verzetsstrijders meer dan twintig collaborateurs, zwarthandelaren en andere gevaarlijk geachte personen om het leven. In mijn boek ‘Korte metten. De Zaanse liquidaties (1940-1945)’ worden deze liquidaties uitgebreid beschreven. Ook de mislukte en verzonnen aanslagen alsmede de dilemma’s die deze beslissingen over leven en dood met zich meebrachten komen in ‘Korte metten’ uitgebreid aan bod. Het 148 pagina’s tellende boek is te bestellen in de boekhandel, via Bol.com of door overmaking van €17,95 op rekening NL34 ASNB 0708 004 326 ten name van E. Schaap in Zaandam (o.v.v. ‘Korte metten’).

Hieronder het hoofdstuk over de eliminatie van Cornelis Frederik (‘Fred’/’Bul’) Kater.

De Tweede Wereldoorlog liep in Europa op zijn einde. Vanuit het oosten naderde het Sovjetleger Duitsland. Zuidelijk Nederland was al enige tijd bevrijd door de geallieerden. Hitlers troepen probeerden op allerlei manieren het tij te keren. Het Nederlandse verzet op haar beurt poogde de ondergang van het naziregime te versnellen door het aantal sabotageacties verder op te voeren. Ook het elimineren van tegenstanders ging vooralsnog gewoon door. Als het onvermijdelijk werd geacht schrok de Zaanse illegaliteit er niet voor terug om een minderjarige te doden. Fred Kater was een van de slachtoffers. Enkele dagen voor hij 18 werd vond hij de dood, al werd naderhand ook wel abusievelijk 1 en 3 februari – zijn verjaardag – genoemd als sterfdatum.

Fred was de enige zoon van een banketbakkersfamilie op de Zaandamse Gedempte Gracht. Het was een wat sneue jongen, vanwege zijn omvang ook wel spottend ‘Bul’ genoemd. ‘Hoewel allerminst een sympathiek iemand, is hij toch ook een wat tragische figuur. Op het Zaanlands Lyceum was hij een behoorlijke leerling, maar hij had het er moeilijk, doordat hij er steeds mee gepest werd dat hij zo dik was’, constateerde een geschiedenisdocent van het lyceum, J.J. ’t Hoen, drie decennia na de oorlog. Diverse van zijn leeftijdsgenoten stelden naderhand dat Fred Kater een ietwat arrogante jongen was, die er genoegen in schepte om flink te snoeven. Terwijl zijn medeleerlingen tijdens de Hongerwinter nauwelijks te eten hadden, kwam Kater nog regelmatig met lekkernijen naar school, hetgeen zijn populariteit ook niet bevorderde.

Wonderlijk genoeg had Kater een grote bewondering voor zijn leraar George Louis Jambroes. Die kwam al in 1940 in opstand tegen de bezetter en sloot zich aan bij het ondergronds Legioen van Oud-Frontstrijders, een van de eerste verzetsorganisaties. Jambroes vluchtte na de Februaristaking van 1941 naar Groot-Brittannië en keerde als geheim agent per parachute terug in Nederland. Na zijn landing werd hij onmiddellijk gearresteerd. De Duitsers vermoordden deze Zaandamse Englandspiel-pion enkele jaren later in concentratiekamp Mauthausen.

Katers ouders waren niet Duits- of NSB-gezind, hun zoon wel. Fred had behoefte aan erkenning, aan geld en aan sensatie; allemaal redenen voor de lyceumleerling om een baantje als hulp-gemeentebode te accepteren op het Zaandamse stadhuis en als informant voor de Sicherheitsdienst te gaan werken. Zo zou hij onder meer betrokken zijn bij het verraden van een joodse kleuter die een schuilplaats had gekregen bij het echtpaar Brinkman. Zij woonden op de Westzijde 1, op een steenworp afstand van Katers ouderlijk huis.

De Zaanse illegaliteit wantrouwde de jongen. Zijn dubieuze levenswijze was onder meer bekend bij enkele politiemensen, die hun illegale contacten inlichtten over Kater. Tijdens een bezoek aan de hoofdstad werd de jongen geschaduwd. Hoewel hij van de ene tram op de andere sprong, zagen zijn achtervolgers dat Fred Kater het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat binnenging. Dat bezegelde zijn lot. Overigens pas nadat een commissie van drie mannen – onder wie Johan Wastenecker – daarvoor toestemming gaf.

Net als de NSB-agent Frans Willemse, die deze week ook niet zou overleven, was Fred Kater zich bewust van de risico’s die hij liep. Hij had zich daarom aangemeld als vrijwilliger voor de Waffen-SS. Zijn overplaatsing kwam echter te laat.

De aanslag op Kater ging gepaard met gewetenswroeging. De Knokploeg moest zich veel moeite getroosten om iemand te vinden die bereid was om een ‘groot kind’ te doden. In een naoorlogs KP-rapport beperkte de berichtgeving over de aanslag zich tot een simpel ‘B. Kater te Zaandam neergeschoten (onderwereld)’, maar daaronder lagen veel emoties verborgen. Bij de eliminatie werden BS’ers ingeschakeld, als uitkijkpost of voor rugdekking. Twee leden voerden de liquidatie uit. In eerste instantie kreeg, aldus Peter Heere in zijn boek De Eerebegraafplaats te Bloemendaal, verzetsman L. de opdracht, maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen Kater dood te schieten. Hij werd vervangen door B. Die schreef dertig jaar later: ‘De kamptijd en vooral de door mij uitgevoerde likwidaties komen steeds naar voren. Ik heb dan geen rust meer, kan niet slapen enz. Dat werd in juli 1975 zo erg dat ik mijn werk moest staken en mij in augustus 1975 onder behandeling van een zenuwarts stelde.’

Ook L. had te kampen met heftige naweeën, blijkt uit een rapport van de Stichting ’40-’45. ‘Het is vooral de herinnering aan [de verschillende liquidaties waarbij hij betrokken was] die van grote invloed is geweest op zijn verdere leven en zijn huidig maatschappelijk functioneren. De voortdurende vraag bij het ouder worden: “Heb ik er eigenlijk wel goed aan gedaan mij daarvoor te laten gebruiken?” is een voortdurende kwelling voor hem.’

In een niet ondertekende opsomming uit 2000 worden Zaandammer Frans Bruins (wiens pseudoniem Frans C. was) en Westzaner Dirk ten Wolde genoemd als de twee mannen die er op uit waren gestuurd om Fred Kater te elimineren. Bruins was sectiecommandant van de Gewestelijke Sabotage Afdeling, Ten Wolde groepscommandant. Na Dolle Dinsdag had Ten Wolde de overstap gemaakt naar de Zaandamse sabotageploeg.

De argwaan van Kater, de bescherming door NSB-burgemeester Vitters (die de jongen zijn baantje als hulpbode verschafte); het leidde er niet toe dat de banketbakkerszoon de oorlog overleefde. Door een gericht schot viel hij op 31 januari 1945 van zijn fiets en sloeg tegen de grond, vlak voor de trappen van het Zaandamse gemeentehuis op de Burcht. Uit het politierapport van die dag: ‘Te 17.30 meldt inspecteur Jansen, dat te plusminus 16.50 uur voor het stadhuis alhier, door onbekend gebleven daders is neergeschoten de hulpbode van het stadhuis genaamd Kater. Hij is zwaar gewond naar het Gemeenteziekenhuis vervoerd.’ Om 19.05 uur volgde de mededeling: ‘Wordt vanuit het Gemeenteziekenhuis gemeld dat Kater, genoemd in bovenstaande mutatie, is overleden.’

Het bericht over de liquidatie bleef uiteraard niet verborgen voor de buitenwereld. Mevrouw C.J. Kuiper, woonachtig op het vlakbij gelegen adres Zuiddijk 146, schreef op de dag van de aanslag in haar oorlogsdagboek: ‘Fred Kater is aangeschoten (niet gedood) volgens het laatste bericht.’ Een dag later wist ze: ‘Fred Kater is aan de bekomen verwondingen overleden. Hij heeft het verdiend, zegt men, en toch… Ik zie hem nog altijd als Miekes [Fris] jeugdvriendje, een leuk joch en kan moeilijk geloven dat de kern zo rot was.’

B) Fred Kater 22-6-1939 (coll. J. Boer, Hilversum) Fred Kater (22-6-1939)

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.