De memoires van verzetsman Nico Rem

Nicolaas (‘Nico’) Frederik Rem (1922-1988) uit Wormerveer was onder andere lid van de zogeheten ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Meerdere leden van deze kleine Zaanse organisatie, die zich vooral bezighield met gewapend verzet, zouden de oorlog niet overleven. Nico Rem gelukkig wel. Ruim veertig jaar na de bevrijding zette hij zijn herinneringen op papier. Ze geven een goed inzicht in zijn activiteiten, maar ook van de gevaren, de angsten en de (naoorlogse) emoties. Ik plaats zijn verhaal daarom één-op-één. Omdat Rem pseudoniemen gebruikte, heb ik wel waar mogelijk tussen [ ] de echte namen – en zo nu en dan een kleine correctie – toegevoegd. Een long read over een onderdeel van de Zaanse illegaliteit, van binnenuit geschreven.

Een woord vooraf

Toen Duitsland in 1945 capituleerde, dacht ik een periode uit mijn leven te kunnen afsluiten. Er wachtte een nieuwe taak – de wederopbouw van ons zo gehavende land. Zowel mijn vader als ik waren de laatste ander­half jaar voortvluchtig geweest. Van ons eens zo florerend bedrijf N.H. Rem, stokkenfabriek N.V., Wormerveer, was na onze terugkeer niet zo veel meer over. Alleen de gebouwen en de ter­reinen waren er nog als restanten uit het verleden. Wat hebben wij, vooral de eerste tien jaar na de bevrijding, gezwoegd. Het ontbrak ons aan alles: machines, grondstoffen, materialen. Wij hadden echter wél de sterke wil ons bedrijf weer in zijn oude glorie te herstellen. Maar het was haast een onmogelijke taak. Tijd om terug te zien, terug te denken aan de enerve­rende periode welke achter ons lag, was er niet, gunden wij ons ook niet. Achteraf geloof ik dat ik hieraan ook niet herinnerd wilde worden, om­dat deze herinneringen gepaard zouden gaan met emoties welke ik nog niet verwerkt had.

Soms komen deze emoties ‘s nachts toch naar boven in de slaap. Ik droom­de veel. Ik zag de doodsangst in de ogen van de man die ik had neerge­schoten. Ik hoorde hem spreken, maar kon hem niet verstaan, als sprak hij vanuit een andere wereld. Ik zag mijn gevallen vrienden, hoorde hoe zij hun namen uitspraken en herkende hen aan hun stemmen. Stemmen die nooit meer zouden klinken. Ik beleefde mijn arrestatie weer. Ik keek toe, gelovend in de werkelijkheid van zo’n nachtmerrie.

Deze dromen werden steeds frequenter. Zij ondermijnden mij, totdat ik zowel geestelijk als lichamelijk totaal was uitgeput. Ik begon aan ge­heugenstoornissen te lijden. Met name wat er gedurende de bezettings­jaren was voorgevallen, kon ik mij nauwelijks herinneren. Ik werd door mijn huisarts doorverwezen naar een zenuwspecialist. Ik trof in hem een oud-medestrijder. En toen begon ik eindelijk te praten. Het werkte bevrijdend. Het was als de verfrissende regen na een smoor­hete dag. Hij raadde mij ook aan mijn belevenissen gedurende de bezettingsjaren op te schrijven. “Je moet proberen de emoties van je af te schrij­ven. Het zal je goed doen.” Ik heb heel lang geaarzeld – ik kon er maar niet toe komen. Eindelijk heb ik zijn raad dan toch opgevolgd. Het zijn slechts enkele voorvallen uit een reeks van gebeurtenissen. Geen terug­blik op een ‘heroïsch’ verleden, want een held ben ik niet geweest. Ik erken dat ik wellicht meer had kunnen doen, meer had moeten riskeren, maar dat de angst mij soms in zijn greep had. Met verbazing en een zekere jaloezie heb ik naar vrienden gekeken die de meest riskante opdrachten vervulden zonder ook maar een spoor van angst te tonen. Zo was ik niet. Alles wat ik deed, heb ik gedaan met een bonzend hart en de bede; o God, help mij alstublieft.

Nog later besloot ik deze verhalen te bundelen, opdat zij die mij na staan en vooral zij die na mij komen hiervan kennis kunnen nemen. Ik hoop dat zij zullen beseffen welk een voorrecht het is in een vrij land te mogen leven en ook dat zij bereid zullen zijn zich hiervoor in te zetten. Bij het schrijven van deze herinneringen, verwijlden mijn gedachten veel bij mijn geliefde ouders. Dierbare herinneringen, aan hen die het woord liefde voor hun kinderen zichtbaar maakten. Wat hebben zij zich fier ge­dragen gedurende de bezettingsjaren. Ongetwijfeld de moeilijkste periode uit hun beider leven – een periode vol angsten, zorgen en verdriet. Natuur­lijk waren tijdens het schrijven mijn gedachten ook bij die velen voor wie de bevrijding te laat kwam – bij die vele vrienden die het hoogste offer brachten – het offer van hun leven. Moge zij thans de ware vrede gevonden hebben. De vrede die alle verstand te boven gaat. En nu, zo vele jaren later, kijk ik nogal eens om. Kan ik weer terugzien op een periode uit mijn leven welke zulke diepe sporen heeft achtergelaten en waarin ik haast ten onder was gegaan. En dan overweldigt mij de dank­baarheid dat ik, o wonder, mocht blijven leven.

Enkele dagen na de bevrijding kreeg mijn vader van een vriend een tekst die vele jaren in ons huis aan de muur heeft gehangen. Ik zie hem nog voor mij en ik lees opnieuw:
Door ‘s Hoogsten arm ‘t geweld onttogen
zal ik genoopt tot dankbaarheid
verschijnen voor Zijn heilige ogen
met offers aan hem toegewijd.
Ik zal, nu ik weer mag ademhalen
na zoveel bange tegenspoed
al mijn geloften U betalen
U die in nood mij hebt behoed.

Dikwijls is mij gevraagd waarom ik bij “het verzet” ben gegaan. Mijn ant­woord was heel simpel: omdat ik het niet laten kon. De Duitse bezetting – de Duitse vernederingen – de vervolging van onze joodse landgenoten, ik onderging dit alles haast als lichamelijke pijn. Hoe goed begreep en verstond ik toen de dichter van ons volkslied: “de tirannie verdrijven/die mij mijn hart doorwondt.”

N.F. Rem
Emmeloord, 1987

Mannenwerk

Gedurende het eerste jaar van de Duitse bezetting namen de meeste Nederlanders een afwachtende houding aan. Er was bij sommigen zelfs een gevoel van opluchting. De geruchten over een wereldoorlog wel­ke als onheilspellende wolken boven Europa hadden gehangen, wa­ren althans wat ons land betreft voorbij, zo redeneerde men. Wij wa­ren Duits gebied. Nou en? De Duitsers gedroegen zich correct. Boven­dien, de ellende van de crisisjaren met zijn honderdduizenden werklo­zen lag bij velen nog vers in het geheugen. Wie weet braken er nu be­tere tijden aan. En toen Seyss-lnquart, de Rijkscommissaris voor Ne­derland, op 29 mei 1940 tijdens zijn bekende rede plechtig verklaarde dat Duitsland zich niet zou inlaten met de binnenlandse aangelegen­heden van Nederland, sliepen vele Nederlanders de slaap der gerusten. Er waren ook die reeds voor de oorlog hun stem hadden laten horen en waarschuwden tegen de gevaren van Hitler-Duitsland. Zij bleven wantrouwend en achterdochtig de ontwikkeling volgen. Van enig daadwerkelijk verzet tegen de bezettende macht was, behoudens een enkele uitzondering, nauwelijks sprake.

Begin 1941 kwam aan deze schijnbare rust een einde. De Duitsers maak­ten een begin aan hun grootste misdaad: de Jodenvervolging. Vol af­schuw keek Nederland naar wat zich voor hun ogen voltrok, wat uitmondde in de zogenaamde Februaristaking, welke vooral in de industriestreken de vorm aannam van een volksopstand. Duitsland toonde zijn ware gezicht en bij velen werd de slaap der gerusten wreed verstoord en de kiem voor verzet gelegd.

Op een avond, wij waren bijna klaar met de maaltijd, kwam onverwacht een Joodse vriend van mijn vader bij ons op bezoek op Wandelweg 126, Wormerveer . Hij was totaal overstuur en richtte zich half huilend tot mijn vader. “Familieleden van mij zijn gisteren tijdens een razzia opgepakt. Wanneer zal mijn gezin aan de beurt zijn? Jij bent toch mijn vriend en wil je ons niet helpen?” Althans woorden van gelijke strekking. Ik zag mijn vader ver­bleken en de ontzetting in de ogen van mijn moeder. Nadat mijn vader hem beloofd had dat hij op hem kon rekenen, vertrok de man enigs­zins gekalmeerd. Verslagen bleven wij achter. Niemand had behoefte de maaltijd voort te zetten. Laten wij dan maar eindigen zei mijn va­der en hij bad waarschijnlijk zijn kortste avondgebed: “Heere, verlos ons van die rot-moffen.”

Die nacht sliep ik onrustig en ik was weer wakker toen mijn vader plot­seling aan mijn bed verscheen. Hij beduidde mij me aan te kleden. Binnen enkele ogenblikken liepen wij samen op straat. Ik begreep van de situatie niet zo veel. Het was al spertijd, dus de wereld was als uitgestorven. Door de verplichte verduistering was het bovendien aardedonker. Mijn vader droeg een emmer en een kwast. Toen wij bij een brug aankwamen, werd de kwast in de emmer gestoken en kalkten wij op de brug: Red de Joden. Op een muur: Leve de Koningin. En zo kalkten wij diverse leuzen op bruggen, muren, pleinen, enz. Wij begonnen er net plezier in te krijgen, toen wij plotseling in ons werk werden gestoord. Een stem uit de duisternis: “Wat heeft dat te betekenen?” Als versteend bleven wij staan. Voetstappen naderden en wij ontwaarden een politieagent. Was het een ‘goeie’ of een ‘verkeerde’? Gelukkig bleek het eerste ‘t geval te zijn. Vaderlijk vermaande hij ons weer naar huis te gaan en hij besloot met de woorden: “Maken jullie je maar niet ongerust. Ik heb niets gezien.” Op de terugweg bezwoer mijn vader me vooral niets tegen moeder te zeggen. “Ze is altijd zo bezorgd en ze zou geen moment rust meer hebben.” Bedenkelijk haalde ik mijn schouders op. “U zult toch wel een verklaring moeten geven waar u zo lang bent gebleven.” “Och”, zei mijn vader, “een klein leugentje om bestwil. Ik heb haar gezegd dat ik niet kon slapen en dat ik beneden wat ging werken.”

Vlak bij ons huis struikelde ik, misleid door de duisternis, over de stoep­rand. De emmer met inhoud kletterde over de grond. Een schijnbaar oorverdovend lawaai in de doodstille nacht. De volgende morgen keek mijn moeder me veelbetekenend aan. Op mijn vragende blik zei ze: “Ik heb vannacht slecht geslapen. Wat ik gisteravond hoorde, was niet uit mijn gedachten. Ik ben dus maar vroeg opgestaan. Toen ik uit het raam keek, zag ik vlak bij ons huis een grote witte vlek. Blijkbaar had iemand iets laten vallen. Ik kon aan de witte voetstappen zien waar hij naar toe is gegaan.” Ik kon mij wel voor mijn hoofd slaan, stommeling die ik was. Mijn moeder zag mijn verwarring en vervolgde: “Toen ik dat zag, heb ik de straat maar schoongeveegd.” Ze glimlachte fijntjes toen ze vervolgde: “Zeg maar niets tegen vader, want jullie mannen praten toch altijd zo graag over ‘Mannenwerk’.”

Enkele dagen later sprak de politieagent uit bovengenoemd verhaal mij aan. Of ik wat voor hem wilde opknappen. Ik begreep onmiddellijk waarop hij doelde. Mijn eerste (wankele) stap op het pad van ‘t verzet werd gezet.

Het glaasje melk

De zogenaamde Stijkelgroep, genoemd naar de academicus J.A. Stijkel was een van de eerste verzetsorganisaties. De activiteiten van deze groep, welke hoofdzakelijk bestonden uit spionage, duurden evenwel niet lang. Reeds in 1941 werd de heer Stijkel, beladen met gegevens voor Londen te Scheveningen gearresteerd. Nadien volgden snel de arrestaties van bijna alle leden van deze groep. Allen werden overgebracht naar Duitse concen­tratiekampen of gefusilleerd.

Een van degenen die aan arrestatie wist te ontkomen, was rijksveldwachter De Koning [Joop Keijzer] uit mijn woonplaats, Wormerveer [was in werkelijkheid Zaandijk]. Twee jaar zwierf hij als een opgejaagd dier door ons land tot het net zich om hem sloot. Tijdens zijn vlucht­poging werd hij neergeschoten en vervoerd naar het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam. Bij fouillering bleek dat De Koning een revolver op zak had – de doodstraf stond bij voorbaat dus al vast.

Wij besloten een poging te wagen hem uit het ziekenhuis te bevrijden. Via een wijkverpleegster [zuster Veekman uit Wormerveer] kregen wij contact met enkele verpleegsters in het Wilhelmina Gasthuis die bereid en in staat waren ons te helpen [Clarie Smeenk, Theckla van Os, Han Meerburg, Josje Bollee en Hansje Suermond]. Van hen kregen wij informatie over de toestand van De Koning, de kamer waar hij ver­pleegd werd, zijn bewaking, enz. Hij lag in een kamertje met een even­eens gewonde Joodse Nederlander. Beiden onder bewaking van een SD’er (Sicherheitsdienst).

Gezien deze omstandigheid leek het haast onmogelijk De Koning te bevrij­den. Wij wilden zo lang mogelijk wachten met onze poging, opdat De Koning in zoverre weer hersteld zou zijn dat hij enigszins kon meewerken. Inmiddels wist hij dat er aan zijn bevrijding werd gewerkt. Enkele nach­ten verbleven wij in het Wilhelmina Gasthuis en loerden op een onbewaakt ogenblik. Helaas, wij kregen geen enkele kans. inmiddels herstelde De Koning van zijn verwondingen en zag het er naar uit dat hij spoedig vervoerd zou kunnen worden. De Koning verkeerde begrijpelijk in een ondragelijke spanning. Nood maakt vindingrijk. Eén van de verpleegsters bracht onder het toeziend oog van de SD’er een bepaalde stof aan op de wond, zodat deze infecteerde. Een week uitstel, maar ook deze week kwam er geen oplossing. Wij verkeerden zo langzamerhand in het stadium dat wij deze operatie maar als niet uitvoerbaar moesten opgeven. Een van de verpleegsters lanceerde evenwel nog een laatste mogelijkheid. Het was wel riskant, maar wie niet waagt, die niet wint.

Op 19 augustus 1943 begaven wij ons met z’n vieren [Ger Fraaij, Joep Heijdra, Co van Riessen en Nico Rem] naar het Wilhelmina Gasthuis. In een kast had een verpleegster twee witte doktersjassen gelegd. Twee pseudo-artsen gingen naar de kamer van De Koning. De twee anderen hielden de wacht in de gang om een eventuele aftocht te dekken. Even een diepe zucht en open die deur. De SD’er zat bij het bed van De Koning, onbewust van het gevaar dat voor hem dreigde, rustig te lezen. Mijn ‘collega’ begon uitvoerig de wonden van De Koning te onderzoeken. Terwijl hij hier mee bezig was, liep ik achter de SD’er om en haalde on­der mijn jas een hamer te voorschijn, waarmee ik hem een flinke klap op zijn hoofd gaf. De rest was snel geregeld. De Koning uit het bed en de SD’er er in. De man was bewusteloos, maar voor alle zekerheid werd hij stevig vastgebonden. Om hem niet te compromitteren werd de andere patient, Bram Groen [Norbert Kleijn], eveneens vastgebonden en bovendien een pleister op zijn mond. Ongezien konden wij het Wilhelmina Gasthuis verlaten.

Enkele dagen later bezocht ik De Koning op zijn onderduikadres. Naast zijn enorme blijdschap en dankbaarheid, had hij toch wel een opmer­king. Waarom hebben jullie Bram Groen ook niet meteen meegenomen? Deze vraag hield ons bezig. Zouden wij alsnog een poging kunnen wagen? Wij vernamen van de verpleegsters dat de wijze van bewaking door de SD was veranderd. Een SD’er zat nu op de gang, bij de kamer waar Groen lag. De deur was op slot en een ieder die naar binnen wilde, moest hem om de sleutels vragen. De oplossing lag voor de hand. Wij wachtten totdat een van de verpleegsters late dienst had. Na ongeveer een week was het zo ver. Zij onderging een ware gedaantewisseling. Een bril op, haar haardracht werd veranderd enz. Zonder problemen kreeg zij van de SD’er de sleutel van de kamer. Toen zij eenmaal binnen was, schoof zij het raam voorzichtig open en leverde de sleutel zonder blikken of blozen weer bij de SD’er in. Bij het onderzoek dat de SD later verrichtte, bleek dat de vermomming goed had gewerkt, want de bewuste SD’er herkende haar althans niet.

Wij [Aart Brinkman, Joep Heijdra, Ger Fraaij, Gerhard Müller, Nico Rem] stonden buiten in de tuin van het ziekenhuis vol spanning te wachten. Eindelijk verscheen het hoofd van Groen. Een ladder werd tegen de muur gezet. Groen was nog lang niet genezen van zijn verwondingen. De afdaling scheen eindeloos te duren. Wat kan een mens toch vreemd reageren in momenten van uiterste spanning. Opeens hoorden wij Co [van Riessen] verzuchten: “Ik zou best een glaasje melk lusten.” Het transport van Groen leverde nog wel een probleempje op. Zijn been was nog gespalkt, zodat er niets anders opzat dan het portierraampje te openen. En zo reden wij dan dwars door Amsterdam met een gespalkt been buitenboord.

Toen Groen veilig en wel was ondergebracht en alle spanning was ge­weken, kreeg Co onder grote hilariteit zijn glaasje melk.

Het jochie

Ik kende Nel al een tijdje. Ze was verpleegster in het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam. Samen met enkele andere verpleegsters was zij ons behulp­zaam geweest bij de bevrijding van enkele Duitse arrestanten die ziek of gewond waren.

Op een avond kwam zij bij mij met een verzoek. Er lag in Amsterdam een partij bonkaarten, welke daar niet langer kon blijven. Spoed was geboden. De knokploeg waar ik deel van uitmaakte, had de beschikking over een auto en ik kon chauffeuren. Of ik het klusje dus maar wilde opknappen. Om het voor mij misschien wat aantrekkelijker te maken (o vrouwelijk raffinement) bood zij mij aan me te vergezellen. Helaas moest ik haar teleurstellen, de auto was op dat moment niet beschikbaar. Maar wat doet een jongen als hij de teleurstelling op het gezicht van een meisje ziet? Grootmoedig bood ik aan naar Amsterdam te gaan en bonkaarten per trein te vervoeren. Ze was uit het goede hout gesneden en liet me dus niet alleen gaan.

Samen trokken wij dus naar Amsterdam. Op het bewuste adres aange­komen, werden wij geconfronteerd met een grote koffer, boordevol bonkaarten. Het geheel was echter zo zwaar, dat het nauwelijks te tillen was. Nu was het in die dagen al riskant om met een koffer te lopen. Je liep dan, en zeker in Amsterdam, een behoorlijke kans aangehouden te worden met het bevel de koffer te openen. Moesten wij met deze koffer door Amsterdam zeulen? Goede raad was duur. Maar zoals in zovele gevallen, het vrouwelijk vernuft zorgde voor een oplossing. Of ik mij maar even wilde verwijderen. Toen ik weer binnen mocht komen, had Nel een ware gedaanteverwisseling ondergaan. Het slanke meisje was veran­derd in een hoogzwangere vrouw. De koffer was nu te dragen. Over de bonkaarten werden enkele luiers gelegd en wij besloten het zo toch maar te wagen.

En daar liepen wij dan door Amsterdam, stevig gearmd als een gelukkig echtpaar waar de gezinsuitbreiding niet lang meer op zich zou laten wach­ten. De weg naar het Centraal Station was echter lang en wij schuifelden maar moeizaam voort. Wij besloten de tram te nemen, temeer daar wij ons realiseerden dat wij ons nog moesten haasten om de laatste trein te halen. Maar al wat er kwam, geen tram richting CS. Eindelijk kwamen wij zuchtend en zwetend bij het CS aan. Helaas, vijf minuten te laat – de laatste trein was inmiddels vertrokken. Daar stonden wij dan. Weer wist Nel een oplossing. Kom maar mee naar mijn kamer. Weer lopen en de koffer werd steeds zwaarder en wat erger was, de lading bij Nel begon te schuiven. In een cafeetje konden wij even op adem komen. Nel verdween in het toilet om orde op zaken te stellen. Eindelijk kwamen wij op haar adres aan. In één oogopslag had ik de situatie overzien. Een klein kamertje waarin een tafel, drie stoelen en…. één bed. Hier kan ik dus niet slapen, mompelde ik. Nel begreep mijn verwarring. “Sorry hoor, hieraan heb ik niet zo gauw gedacht.” Ik hield me groot en zei met een breed gebaar: “Ik kan overal slapen, ook op de grond.” Ik was moe, ik had het koud en de vloer was hard. Na enige tijd hoorde ik een stem uit het bed: “Kan je niet slapen?” Mijn ant­woord klonk kennelijk nogal klagelijk, want tot mijn verbijstering hoorde ik haar zeggen: “Kom maar naast me.” Ze brak mijn protest af met de woor­den: “Op één voorwaarde. Je begrijpt wel wat ik bedoel. Beloofd?” “Ja beloofd!”

Een week later werd Nel gearresteerd en overgebracht naar een Duits con­centratiekamp. Dikwijls heb ik met enige vertedering aan haar terug­gedacht. Zou zij het kamp overleefd hebben? Nasporingen bleken vruch­teloos. De jaren verstreken en daarmee ook de herinnering. De wonderen zijn evenwel de wereld nog niet uit. Ongeveer veertig jaar later kruisten als bij toeval onze wegen zich weer. Wat een weerzien na zoveel jaren. Ik kon niet nalaten haar te zeggen: “De laatste keer dat ik je zag, was bij jou in bed. Ik heb mij toen wel aan onze afspraak gehouden, hè.” Even een vragende blik, toen een licht blosje en het ontnuchterende antwoord: “Wat was je toen nog een onschuldig jochie.”

De aanslag

Op een avond, het was september 1943, was ik bij Jan [Breeker], de leider van onze knokploeg. Hij maakte zich ongerust – hield er rekening mee dat hij gearresteerd zou kunnen worden. Hij gaf mij instructies hoe ik in dit geval zou moeten handelen. Wij zaten tegenover elkaar in de erker, zodat wij tussen de plantjes door ieder de helft van de straat konden overzien. De straat was echter rustig, alleen wat spelende kinderen en een enkele onschuldig uitziende voetganger. Ons gesprek was bijna geëindigd toen een fietser voor het huis afstapte. Gelukkig een bekende, de heer M., de leider van het plaatselijk distributiekantoor. Het was mij bekend dat op dat bureau ‘malversaties’ werden gepleegd, waardoor enkele tientallen onderduikers toch hun distributiebescheiden kregen. Eenmaal gezeten, kwam de Heer M. met zijn probleem. Ene K. [Willem Korf uit Zaandijk] had hij op ‘t bu­reau in vertrouwen moeten nemen. Tot voor kort verliep alles vrijwel probleemloos. K. werkte vlot mee en had er kennelijk ook nog plezier in. “Onlangs”, zo vervolgde de heer M. zijn relaas, “ben ik echter geschrok­ken. K. wilde mij spreken en vroeg om geld. Ik heb toen maar aan zijn verzoek voldaan, in de hoop dat het eenmalig zou zijn. Maar vanmorgen kwam hij weer. Op een haast arrogante toon eiste hij weer geld en niet een ‘fooitje’ zoals de vorige keer. Bovendien zei hij ook nog dat hij wel wist met wie ik in contact stond.” De heer M. was kennelijk met de zaak verlegen. Wij spraken af dat hij K. aan het lijntje zou houden en wij ons inmiddels zouden beraden wat ons te doen stond. Voordat de heer M. vertrok, hoorde ik hem nog in de gang tegen Jan zeggen: “Ik herken die man niet meer. Hij is opeens zo brutaal en arrogant. Hij zei me vanmor­gen ook nog dat ik morgen niet op hem kon rekenen, want hij kwam niet op kantoor.”

Toen de heer M. vertrokken was, bleef het lang stil in de kamer. Wij hadden ieder zo onze eigen gedachten. Wat stond ons te doen? Was het alleen maar bangmakerij in de hoop er een slaatje uit te kunnen slaan, of was het veel ernstiger? Ik zou wel eens willen weten, verzuchtte Jan, waarom die vent morgen niet op zijn werk komt. Na lang heen en weer­ gepraat besloten wij dat ik zou trachten K. de volgende dag te observeren. Ik kende K. niet. Hij waarschijnlijk mij dus ook niet. Jan wist betrouw­bare mensen die tegenover K. woonden.

Die dag was ik al vroeg op dat adres. Ik had achter de gordijntjes een goed uitzicht op het huis van K. ‘s Middags verliet K. zijn woning. Om­zichtig volgde ik hem. K. ging naar het station en kocht een kaartje Am­sterdam. Aldaar aangekomen, ging hij te voet naar een café op de Nieu­wendijk. Enige tijd stond ik besluiteloos voor die deur. Misschien, zo overwoog ik, zou hij mij herkennen als de man die schuin tegenover hem in de trein had gezeten. Dit zou zijn argwaan kunnen opwekken. Twee mannen gingen het café binnen en ik besloot van die gelegenheid gebruik te maken door achter hen naar binnen te glippen. Ik zag de man­nen zoekend om zich heenkijken en na enige aarzeling op een tafeltje toestappen waaraan K. gezeten was. Ik nam plaats aan een ander tafeltje, met de rug naar hen toe. Hun gesprek kon ik echter niet volgen. Na enige tijd besloot ik op te stappen en buiten op de twee mannen te wachten. Ik moest weten wie die mannen waren. Na een half uurtje kwamen alleen de twee mannen naar buiten. Ik volgde hen door straten en steegjes tot ik hen op een van de grachten in een auto zag stappen.

Die avond bracht ik Jan verslag uit. Ik had het nummer van de auto genoteerd. Jan, die in dienst was bij de gemeentepolitie, dacht wel kans te zien de naam van de eigenaar gewaar te worden. Wij spraken af dat wij elkaar de volgende avond weer zouden ontmoeten. Hopelijk zou er dan een einde komen aan onze onzekerheid.

Hieraan kwam inderdaad een einde. Langs verschillende kanalen was Jan veel aan de weet gekomen. Ons angstig vermoeden bleek juist. K. stond in contact met de SD. De klap kwam hard aan. Welke namen waren hem bekend? Was het kwaad al geschied? Uit de reactie van de mannen in het café zou kunnen worden opgemaakt dat zij K. nog niet eerder hadden ontmoet. “We mogen geen enkel risico nemen”, zei Jan en hij voegde er na een lange pauze aan toe: “Hij moet onschadelijk gemaakt worden.” Ik schrok. Mochten wij over leven en dood beschikken? Jan leek vastbesloten. Hij stond op “Ik ga nu naar Aad, die moet het opknappen. Vanavond nog. Elk uur kan te laat zijn.” Ik was een half uurtje alleen. Alleen met mijn gedachten. Hoe meer ik over de situatie nadacht, hoe meer ik tot de overtuiging kwam dat Jan gelijk had. Ik beklaagde Aad die een zo ingrijpende daad moest verrichten. Jan kwam eerder terug dan ik had verwacht. Hij had Aad niet thuis getroffen. “Ik heb overwogen om het zelf te doen”, zei Jan, “maar dat is te riskant. Niet alleen K. , maar de hele buurt kent mij daar.” Opeens begreep ik wat er van mij verlangd werd. Ik kon geen woord uitbrengen. Ik knikte alleen maar.

Een paar uur later fietste ik door Wormerveer. Het werd al duister. Ik voelde mijn hart bonzen. Jan zijn revolver woog als lood in mijn jaszak. In een moment van zwakte overwoog ik de opdracht terug te geven. Maar dat zou de dood van vele goede vaderlanders kunnen betekenen. Dus fietste ik door, wel steeds langzamer. Het was vrijwel duister toen ik bij het huis van K. afstapte. De huisbel klonk luid, veel te luid dacht ik nog. De deur werd geopend door een vrouw. “Is Uw man thuis?” Ze keek me verwonderd aan. “Zo laat nog?” Ze slofte weg. Na enige tijd verscheen K. in de deuropening. “Bent u de heer K.?” Een kort knikje en vragende ogen. Ik trok mijn revolver. In een fractie van een seconde zag ik de paniek op zijn gezicht. De schoten klonken oorverdovend door de uitgestorven buurt. Terwijl ik wegholde, hoorde ik mensen schreeuwen, ramen en deuren werden geopend. De duisternis slokte mij op.

Nadien heb ik nog enkele keren dergelijke situaties meegemaakt. De strijd was onverbiddelijk, hard. Te hard voor een jongen van amper 20 jaar. Jarenlang hoorde ik nog de echo van dit eerste schot.

Pilotenhulp

De nachten waren gedurende de bezettingsjaren donker en dreigend. Slechts een enkeling durfde zich zonder Ausweis op straat te begeven. Degene die zich niet aan de spertijd hield, liep ook een behoorlijke kans door het duis­ter misleid te worden. Tastend en zoekend zocht ik gedurende vele nachten mijn weg. Soms werd de diepe stilte verbroken door vliegtuiggeronk – de geallieerde luchtmacht op weg naar Duitsland. Het klonk als muziek in mijn oren.

Helaas werden gedurende deze vluchten soms bommenwerpers door het Duitse luchtafweer neergeschoten. De bemanning was dan meestal ten dode opgeschreven. Een enkeling had alle geluk van de wereld als hij zich per parachute, althans voorlopig in veiligheid kon stellen. Maar zijn po­sitie bleef toch hachelijk. Dikwijls had hij geen notie waar hij zich bevond, kon zich meestal ook niet verstaanbaar maken. Veelal viel hij na lange of korte tijd toch in handen van de vijand, die fel jacht op hem maakte. Som­migen zochten een schuilplaats bij de burgerbevolking. Degenen die bereid en in staat waren onderdak te verlenen aan geallieerd luchtpersoneel liepen evenwel een enorm risico. Bij ontdekking wachtte hen het concentratiekamp of de doodstraf. Menig boerderij is in vlammen opgegaan als represaille­maatregel tegen het verbergen van geallieerde vliegers.

Op een middag kreeg ik van Jan een telefoontje. Er was iemand naar mij onderweg en hij vroeg mij hem zoveel mogelijk behulpzaam te zijn. Kort hierop kreeg ik inderdaad bezoek van de heer A., een mij bekend ver­zetsman. Hij was in het gezelschap van een R.K. geestelijke. Of ik de Eer­waarde direct per auto naar de kop van Noord-Holland wilde vervoeren. Gelukkig kon dit geregeld worden en reden wij enige tijd later noordwaarts. Onderweg werd weinig gesproken. Wij verkeerden beiden in spanning. De auto was nog niet voorzien van Duitse kentekens. lndien wij aangehou­den zouden worden, kwamen wij in een lastig parket en kon het ons laatste ritje wel eens zijn. Gelukkig bleven ons rampen bespaard. De geestelijke wees mij de weg naar een boerderij en vertelde mij en passant dat daar twee geallieerde piloten waren ondergedoken die (al veel te lang) wachtten op vervoer naar het zuiden van het land. Vandaar hoopten zij via de zogenaamde pilotenlijn Engeland te bereiken. Wij verbleven enige tijd op de boerderij en ik maakte kennis met de vliegers, die hunkerend uitzagen naar hun trans­port. Zij waren al enkele weken op de boerderij ondergedoken en ik begreep dat de boer onrustig werd. Hij vreesde dat de aanwezigheid van de piloten niet langer onopgemerkt zou blijven. Ontdekking zou voor hem en zijn gezin inderdaad fatale gevolgen hebben.

De geestelijke had opeens een heldere inval. Ik was er nu toch en nog wel met de auto. Ik zou de piloten kunnen vervoeren naar een ‘tussenstation’ in Amsterdam. Weinige minuten later reed ik in gezelschap van de piloten richting Amsterdam. Het was inmiddels donker geworden. Door de spaarzame verlichting van de auto kon ik mij amper oriënteren. Bij Heiloo naderden wij een weg­versperring. Op de heenreis waren wij deze zonder problemen gepasseerd. Toen wij op enkele meters waren genaderd, trad, tot mijn grote schrik uit het duister een ‘Grüne Polizei’ naar voren die het bekende stopteken maakte. De man liep voor de auto langs naar mijn portierraampje. Ik handelde als in een droom, alsof ik er zelf niet bij was, maar vanuit de verte toekeek. Ik gaf vol gas, hoorde en voelde een klap tegen de auto. Ik schakelde de verlichting uit en reed met grote snelheid door het duister. Achter mij hoorde ik schreeuwen en schieten. De auto werd op verschillende plaat­sen geraakt. Wij raasden maar voort. Naar mijn gevoel wel uren lang, waar­schijnlijk slechts enkele seconden. Ik begon weer bewust te reageren, scha­kelde de verlichting weer in en nam de eerste de beste afslag. Langs smalle paadjes reden wij in razende vaart door het boerenland, totdat ik de auto ten slotte op een boerenerf achter een schuur stalde. Niemand was gelukkig gewond. De auto was er minder goed aan toe. De linnen kap was onder andere aan flarden geschoten. Bij het eerste daglicht hebben wij onze weg vervolgd. Via een omweg be­landden wij zowaar in Amsterdam, in een auto vol kogelgaten, waarin twee geallieerde vliegers en een angstige verzetsman.

Enkele dagen later kreeg ik van Harm [Gerssen] een telefoontje. Ik wist dat hij naar Urk was gegaan om vliegeniers op te halen. Per boot zouden zij naar Urk reizen, vanwaar ik hen per auto verder zou vervoeren. Afgesproken was dat hij mij het vermoedelijke tijdstip van aankomst te Hoorn nog zou doorbellen. Toen ik de hoorn van de haak nam, hoorde ik hem alleen zeggen: “19 uur.” Ik wist genoeg.

Ik was precies op tijd op de afgesproken plek in Hoorn. Ik wachtte een kwartier, een half uur, een uur, maar geen Harm. Ik begon mij danig on­gerust te maken. Ik durfde niet in de auto te blijven. Een auto was geen alledaags verschijnsel meer en ik had een politieagent al eens belangstellend naar de auto zien kijken. Eindelijk kwam het gezelschap opdagen. Controle op Urk en motorpech hadden een vertraging van ca. anderhalf uur veroor­zaakt. Dus in snel tempo richting Zaanstreek. Bij Purmerend werden wij opgeschrikt door een enorme klap. Mijn eerste gedachte was dat er op ons geschoten werd. De auto begon te slingeren en ik had de grootste moeite hem op het goede spoor te houden. Kennelijk dus een klapband. Nog een geluk bij een ongeluk. Het verwisselen van de band in het stikkedonker kostte tijd, waarbij de zenuwachtige spanning natuurlijk ons ook parten speelde. Enkele auto’s passeerden ons, waarbij wij er rekening mee moesten houden dat er ‘verkeerden’ in zaten die wellicht nieuwsgierig waren. Terwijl ik de band verwisselde, lagen de anderen in de berm van de weg, de revol­vers bij de hand.

Eindelijk, het leek wel of het uren had geduurd, konden wij onze weg vervolgen. De vliegers moesten in Amsterdam ‘afgeleverd’ worden. Vanaf Zaandam zouden wij per trein reizen, de pont bij de Hembrug was te ris­kant. Toen wij het perron opliepen, zagen wij de laatste trein juist vertrek­ken. Het perron was donker en uitgestorven. In de wachtkamer beraad­slaagden Harm en ik hoe het nu verder moest. Een van de vliegers deelde sigaretten uit. Heerlijk na zoveel jaren weer een echte sigaret te roken. De spanning week en wij zaten heel relaxed te bekomen van de emoties. Plotseling ging evenwel de deur open. Wij ontwaarden een spoorwegbe­ambte. Hij begon uit te leggen dat de laatste trein vertrokken was en dat de wachtkamer op slot ging. Hij hield echter opeens z’n mond, snoof een paar keer en zei: “Wat ruikt het hier lekker.” Het was eigenlijk wel een amu­sante situatie. Niettemin wederom een waarschuwing dat de boog gespannen moest blijven. Een moment van verminderde waakzaamheid kon fataal zijn.

Die nacht sliepen de vliegeniers noodgedwongen bij mij thuis. M’n broer en zus waren nog jong. Wellicht té jong om een geheim te kunnen bewaren. Vol verwondering keken ze de volgende dag naar die twee vreemde mannen die allebei ‘doofstom’ waren.

De overval

Wat enkelen hadden gevreesd, werd helaas bewaarheid. De Duitse bezettende macht begon satanische vormen aan te nemen. De joden werden bij duizenden gearresteerd en naar Duitse vernietigingskampen gebracht. De Arbeitseinsatz zorgde er voor dat duizenden Nederlanders in Duitsland te werk werden gesteld. De Nederlandse militairen moesten zich weer melden en dat alles was meestal het begin van een lijdens­weg. Aanvankelijk gaf men in ‘t algemeen gehoor aan de oproep om zich te melden. Er was nauwelijks een alternatief. Toch werd er allerwegen gezocht naar mogelijkheden om aan deportatie te ontkomen. Het fenomeen ‘onderduiken’ werd geboren. Ondermeer de Landelijke Organisatie voor [hulp aan] onderduikers (LO) maakte zich sterk om onder­duikers onder te brengen, resp. gastgezinnen te vinden welke het risico durfden te aanvaarden één of soms zelfs meer onderduikers in hun gezin op te nemen.

Aanvan­kelijk leverde dit niet zo veel problemen op. In het diepste geheim werden valse persoonsbewijzen gedrukt en velen begonnen een nieuw leven onder een nieuwe naam. Maar het aantal onderduikers groeide gestaag, doch met name de dagelijkse levensbehoeften werden steeds schaarser, zodat praktisch alles uitsluitend ‘op de bon’ verkrijgbaar was. De onderduikers bleven van deze bonnen verstoken. Het werd voor de gastgezinnen hierdoor onmogelijk gemaakt onderduikers te herbergen. Naarstig werd daarom gezocht naar oplossingen. De oplossing, hoe riskant ook, lag voor de hand, nl. het ‘kraken’ van distributiebureaus. Mede hierdoor sloten diverse knokploegen zich aaneen in de LKP, de Landelijke Knokploegen.

Een lid van onze groep had contact met een distributieambtenaar [Klaas Veen uit Oegstgeest]. Het scheen daar mogelijk een overval te plegen. Na langdurige voorbereiding kon een draaiboek worden gemaakt. Eén van de grootste problemen was evenwel dat in Wormerveer het politiebureau tegenover het distributiekantoor was gevestigd. Hoe wij de zaak ook wendden of keerden, het bleef een riskante onderneming. In november 1943 kregen wij van onze informant een seintje dat de tijd gunstig was. De kluis lag vol bonkaarten, ook voor de omliggende dorpen. De uitreiking zou over twee dagen plaatsvinden. De taken waren verdeeld – het distributiekantoor en het politiebureau moesten gelijktijdig ‘genomen’ worden.

Die dag begaven wij ons op weg naar ons operatieterrein. Het was rustig op de weg. De meeste auto’s waren door de Duitsers gevorderd en benzine was wel een heel schaars artikel. Er werden wel regelmatig wegcontroles uitgevoerd, maar wij voelden ons tijdens de rit toch tamelijk veilig. Onze auto was inmiddels voorzien van Duitse kentekens, nog wel van de Duitse Sicherheitsdienst. Bij wegcontrole werd er dan ook ruim baan voor ons gemaakt! Wij verkeerden echter toch wel in spanning. Misluk­kingen van een dergelijke overval zou natuurlijk fatale gevolgen hebben. Toen wij om ca. 17 uur bij het bewuste distributiebureau arriveerden, was het kan­toor, zoals ons bekend was, reeds voor het publiek gesloten. Op enige afstand stond onze informant, die ons tot onze schrik mededeelde dat de leider van het kantoor (met de sleutel van de kluis) ziek naar huis was gegaan. Even dreigde er paniek, immers alles moest binnen een uur geklaard zijn. Wij overwogen zelfs om maar onverrichte zake terug te keren. Onze informant wist gelukkig het adres van de distributieleider. Pijlsnel reden wij naar zijn huis. De man lag inderdaad al in zijn bed en was niet van zins om met ons mee te gaan. Onder bedreiging gaf hij ons wel twee sleutels, één van de voordeur en één van de kluis. Wij lieten een man bij hem achter om alarmmelding te voorkomen.

Door dit onverwachte oponthoud liep ons zo zorgvuldig opgebouwde tijdschema danig in de war. Dus maar improviseren en zien wat er van komt. Binnen de kortste keren stond het hele distributie apparaat in twee kamers keurig in de rij met de gezichten tegen de muur. Op dat moment drong het met een schok tot mij door dat wij door de verwarring ontstaan door het oponthoud niet meer hadden gedacht aan het politiebureau. Een kort overleg in een paniekerige situatie. Wij misten een man, dus toog ik in m’n eentje maar naar de overkant. Toen ik binnenstapte waren daar enkele agenten aanwezig. Aan mijn sommatie: “In naam van de Koningin, handen omhoog”, werd vlot voldaan. Dit gaf mij moed. In een oogwenk werden de agenten, ontdaan van hun bovenkleding, opgesloten in twee cellen. Ik trok een uniformjasje aan en ging achter een bureau zitten. De telefoon ging verschillende keren – verloren voorwerpen – diefstal van een zak aardappelen enz. Ik verzekerde hen dat ik ‘t had genoteerd en dat wij er spoedig op terug zouden komen. Moeilijker werd het met bezoekers. Vooral toen de eerste de beste zei dat hij een afspraak had met een van de agenten. “Komt u naar mee”, beduidde ik hem, “hij zit in de achterkamer.” Voordat de man begreep wat er aan de hand was, was hij celgenoot van de agent. Nog enkele andere bezoekers gingen dezelfde weg.

Inmiddels was het 17.40 uur en om 18 uur zouden, zoals ons bekend was de agenten worden afgelost. In angstige spanning wachtte ik af. Hoe zou het aan de overkant gaan? Opeens weer voetstappen. Zou dit de aflossing al zijn? Ik was op alles voor­bereid. Met een ruk vloog de deur open. Met een grijns op z’n gezicht stond Harm in de deuropening. “Kom op ‘t is geklaard. Wegwezen.” De volgende dag maakte de Engelse zender melding van onze overval; de, zoals werd genoemd, tot dusverre grootste kraak van een distributiebureau!

Nicolaas Frederik Rem, kort na 1945 (J. Rem)

Arrestatie

Eind januari 1944. De strijd werd steeds grimmiger. Verschillende vrien­den waren reeds uitgeschakeld. Wie zouden volgen? Ook ik voelde soms de hete adem van de SD in mijn nek. Ik vroeg mij dikwijls af hoe ik zou reageren als ik gearresteerd zou worden. Zou ik kunnen zwijgen, ook als ik gemarteld werd? Deze gedachten hielden mij ook bezig toen ik in Amster­dam liep op weg naar het Centraal Station. In de hal aangekomen, werd ik plotseling van achteren bij de armen gegrepen door twee mannen in leren jassen. In een flits schoot het door mij heen dat ik gelukkig geen wapen bij me had, want in dat geval stond de doodstraf al vast. Voordat ik naar Amsterdam ging, had ik geaarzeld – wel of niet meenemen? Ik had tot het laatste besloten. Voorgevoel? Voor zover ik mij kon herinneren, had ik ook geen belastend materiaal bij me. Ik had te veel arrestaties in de trein gezien. Gedachten die door mij heen spookten toen ik in snel tempo werd afgevoerd naar het beruchte SD-kamertje in het CS. Hier werd ik grondig gefouilleerd. Men vond niets van enige betekenis. Maar ik herinnerde mij opeens met schrik dat ik in Amsterdam een adres in mijn handpalm had geschreven. Ik moest in een hoek met mijn armen omhoog en mijn gezicht naar de muur staan. Ik schuurde ongemerkt mijn handen langs de muur totdat de letters onleesbaar waren. Er werd weinig gespro­ken. De SD’ers waren ‘Nederlanders’. Op mijn vraag wat dit alles te be­tekenen had, werd nauwelijks gereageerd. Ik hoorde hoe een van de SD’ers telefonisch melding maakte van mijn arrestatie. Daarna kreeg ik van hem te horen dat ik vervoerd zou worden naar de gevangenis Weteringschans en hij vervolgde: “Het is gebeurd met je, Rem. Morgen schieten ze je kapot. Jouw soort kunnen wij missen als kiespijn.”

Met een schok drong de betekenis van deze woorden tot mij door. Was dit echt het einde? Had ik de grens tussen leven en eeuwigheid bereikt? Of was het alleen maar bangmakerij? Ik realiseerde mij dat als zij alles van mij wisten, ik geen enkele illusie kon hebben. Geordend denken kon ik niet meer en ik liet mijn gedachten de vrije loop. Wat kan er veel gedurende enkele seconden in iemand omgaan en ik stond daar maar, als duizenden seconden. Ik had momenten dat ik als het ware reeds rondkeek in die onbekende wereld – een wereld van de onbegrensde vrede. Maar dan dacht ik weer aan allen die mij zo dierbaar waren – mijn ouders, broer, zuster, vrienden. Ik kon dit nauwelijks verwerken. Ik voelde mij leeg worden. Alles ontviel me. Nu was het toch echt afgelopen. Ik hoorde de treinen aan en af rijden. ik hoorde in de verte de geluiden van mensen – schreeuwen, lachen, roepen. Het was mijn wereld niet meer.

De auto welke mij naar de Weteringschans zou vervoeren, liet maar op zich wachten. Ik probeerde langzaam naar de deur te schuifelen in een vertwijfelde poging te ontsnappen, maar ik werd hardhandig teruggeduwd naar mijn plaats, zo ver mogelijk van de deur verwijderd. Voor de zoveelste keer rinkelde de telefoon. Terwijl de ene SD’er het gesprek voerde, werd ik door de andere buiten het kamertje gebracht. Hier stonden wij getweeën te wachten. Kennelijk was de auto voor mijn vervoer aangekomen, zo dacht ik. Zou ik nu een poging kunnen wagen om te ontsnappen? Het was nu man tegen man. Maar hij is waarschijnlijk gewapend, zo overwoog ik. Terwijl ik nog in tweestrijd stond, ging de deur weer open. In de deur­opening stond de SD’er die het telefoongesprek voerde toen ik naar buiten werd gebracht. Hij wenkte mij naar binnen en terwijl hij mij nauwelijks aankeek sprak hij de woorden die nog in mij natrillen: “Rem, pak je spullen maar weer. Het is een vergissing.” Ik hoorde de woorden wel, maar het drong niet tot mij door. Ik bleef daar maar staan. Het was als een droom – of ik wakker werd door een luide slag en bij het ontwaken toch doordroomde. Toen opeens drong de realiteit tot me door. Ik griste mijn spullen bijelkaar en rende trappen op en trappen af. Ik zag een vertrekkende trein. Ik kon er nog net inspringen. Ik keek in de trein als verdwaasd om mij heen. Ik zag mensen die zwegen, praatten, lachten. Het was alsof ik uit een andere wereld was teruggekeerd.

Aanvankelijk verkeerde ik in de veronderstelling dat niet mijn arrestatie, maar mijn vrijlating op een vergissing berustte. Reeds de volgende dag ben ik evenwel tot de conclusie gekomen dat mijn vrijlating vermoedelijk een list was geweest. De SD was, zo is mij veel later gebleken, onze groep al enige tijd op het spoor, maar wachtte op het moment dat onze groep in zijn geheel kon worden opgerold. Deze tactiek werd door hen veelvuldig toegepast. Indien namelijk slechts een enkeling werd gearresteerd, waren de anderen in de gelegenheid onder te duiken resp. hun activiteiten voort te zetten. Ongeveer te zelfder tijd dat ik werd gearresteerd, deed de SD een poging de rest van onze groep te arresteren. Door een gelukkige samenloop van omstandigheden mislukte de opzet. Allen wisten te ontkomen. Door mij vrij te laten, hoopte de SD dat ik hen weer op hun spoor zou zetten.

Onderduiker (1)

In de trein kwam ik langzaam weer tot mijn positieven. Ik zat natuurlijk in een verkeerde trein en ik moest enkele keren overstappen, maar ik kwam toch nog voor spertijd in Wormerveer aan. Ik durfde niet naar huis, dus ik belde maar weer aan op het adres waar ik uit voorzorg al zo vele nachten had doorgebracht. Van slapen kwam echter niet veel. De emoties waren te groot geweest, de schrik zat nog in mijn benen en de gedachten vermenigvuldigden zich. Wat verlangde ik die nacht naar het einde van dat bestaan, die voortdurende angst, die mij al zo lange tijd als een schaduw volgde.

De volgende dag zou onze groep weer bijeenkomen. Dringende zaken moesten geregeld worden. Er stond weer een overval op stapel. Piloten moesten vervoerd worden. Bij een van onze medewerkers [Harm Gerssen] was sinds kort een joodse vrouw [Hannie Verschoor] ondergedoken. Er waren nu twijfels gerezen. Was zij wel een jodin? De mogelijkheid van een SD-spionne leek niet denkbeeldig! Niettemin begaf ik mij de volgende dag vol goede moed op weg. Ik haalde en passant nog een tas met trotyl op, welke ik na onze bijeenkomst elders wilde bezorgen. Vooraf reed ik langs mijn huis. Ik kon niets verdachts bespeuren. Wel zag ik even voorbij ons huis een auto staan, waarin twee mannen zaten. Onraad?

Toen ik op het afgesproken adres binnenstapte, heerste daar een nerveuze stemming. Tot mijn verbijstering hoorde ik dat de SD de vorige dag er bijna in geslaagd was onze hele groep op te rollen. Men had mij nadien tevergeefs getracht te waarschuwen. Toen ook ik mijn belevenissen van de vorige dag vertelde, besloten wij direct uit elkaar te gaan en voorlopig onder te duiken. Als eerste stapte ik, met mijn tas met trotyl het huis uit. Juist toen ik op mijn fiets stapte, zag ik twee auto’s naderen. De auto’s waren zo dichtbij dat de inzittenden mij ongetwijfeld uit het huis hadden zien komen. Ik zag één van de mannen naar mij kijken, maar ze reden door en stopten voor het huis dat ik enkele seconden daarvoor had verlaten. Achterom ziende zag ik dat er mannen uit de auto’s sprongen en het huis van voor en achter binnendrongen. Aan het einde van de straat stelde ik mij verdekt op.

Na geruime tijd zag ik hoe mijn vrienden in de auto’s werden gedreven. Het was een afschuwelijk gezicht, maar ik had geen tijd om hier lang bij stil te staan. Ik moest nu handelen. Contacten moesten direct gewaarschuwd worden. Ook mijn ouders moest ik telefonisch waarschuwen dat zij huiszoeking konden verwachten. Het duurde lang voordat de telefonische verbinding tot stand kwam. Zou de SD ook al bij mij thuis zijn? Eindelijk de stem van mijn vader. “Hebt u bezoek?” “Gelukkig niet”, was het laconieke antwoord. Ik vertelde hem wat er was voorgevallen, dat hij dus huiszoeking kon verwachten en dat ik ging onderduiken. Was dit een afscheid voor korte of lange tijd, of voor altijd?

Die nacht sliep ik voor het eerst op mijn echte onderduikadres. De keren dat ik daarvoor niet thuis sliep, was een voorzorgsmaatregel Nu was het realiteit. Ik werd gezocht. Na enkele dagen kreeg ik een vals persoonsbewijs. Ik heette vanaf dat moment Nico de Jong en mijn beroep was onderwijzer. Er werd wat aan mijn uiterlijk gesleuteld – een bril, een snorretje, andere kleding. Alles wat kon wijzen op mijn vorig bestaan werd vernietigd. Spoedig daarna werd ik overgebracht naar een ander adres. Het was te gevaarlijk om te lang op een adres te verblijven. Ik was, ondanks het grote risico dat zij namen, welkom bij lieve meelevende mensen. Ik gedenk hen met eerbied en dankbaarheid.

Onmiddelijk nadat ik mijn vader telefonisch had gewaarschuwd, nam hij de nodige maatregelen. Belastend materiaal bracht hij in ijltempo in veiligheid. Toen hij ongeveer een half uur na ons telefonisch gesprek hiermee bijna gereed was en de deur van Wandelweg 126 uitstapte met onder zijn arm een onderdeel van een zender, zag hij in onze straat een auto stoppen voor Wandelweg 136, enkele huizen verderop. De koplampen van de auto werden op het huis van deze buren gericht. Nauwelijks had mijn vader de overkant van de weg bereikt, of de SD – hun vergissing bemerkend – was op weg naar nummer 126.

Mijn vader kreeg van vrienden het dringend advies ook onder te duiken. Hij had te veel bemoeiingen met onze knokploeg gehad en was bovendien bij veel zaken betrokken die nu niet bepaald ‘deutschfreundlich’ waren.

Vals persoonsbewijs van Nico Rem.

Mijn ouders

Mijn moeder bleef voor de rest van de oorlog met twee jonge kinderen achter. Zij was een bescheiden, stille vrouw. Zij straalde liefde uit. Oorlog – geweld – terreur, het stond alles zo ver weg van haar verstilde belevingswereld. Mijn vader en ik hebben ons nogal ongerust gemaakt. Zou deze kwetsbare vrouw wel stand kunnen houden in de precaire situatie waarin zij plotseling kwam te verkeren? Maar wat hebben wij ons in haar vergist. Zij doorstond alles, – intimidaties – huiszoekingen – verhoren, met een ongekende moed en vastberadenheid.

Tegenpolen trekken elkaar aan, wellicht ook in het huwelijk, want hoe anders was mijn vader. De extraverte, impulsieve man, altijd haantje de voorste. De man die ook wel eens teruggefloten moest worden. Hij werkte met zijn onvoorstelbare energie van ‘s morgens vroeg tot in de nacht voor zijn gezin, zijn bedrijf. Hij was hard voor zichzelf, maar omringde zijn gezin met een grote verzorgende liefde. Hij had een onwankelbaar, haast kinderlijk geloof. Ook kende deze altijd bezige man de momenten van bezinning, vooral op latere leeftijd. Peinzend kon hij dan voor zich uitzien, als zag hij reeds de onzienlijke dingen.

Onderduiker (2)

En zo zwierf ik door het land, achtervolgd en bedreigd. Op een avond las ik op een zolderkamertje de krant. Op de voorpagina stond in vette letters:

“Der Höhere SS und Polizeiführer Nordwest deelt mede, dat het poli­tiestandrecht op 23 februari 1944 de volgende Nederlands staatsburgers als saboteurs heeft veroordeeld.” Hierna volgden de namen van mijn zeven gearresteerde vrienden [Joep Heijdra, Gerhard Docter, Harm Gerssen, Jan Eshuijs, Ab Hommerson, Willem van de Kamp, Cornelis Koetsier]. De mededeling werd besloten met: “Alle beschul­digden zijn ter dood veroordeeld. Het vonnis is voltrokken.” Het was of de wereld even stilstond. Ik had ze zo goed gekend. Samen hadden wij de angst geproefd die mensen zo dicht tot elkaar kan brengen dat er een band ontstaat welke ver boven normale vriendschap uitgaat.

In de Bloemendaalse duinen rusten onze doden.
Op een vroege morgen werden zij berecht.
Een laatste blik – een kort vaarwel, onwankelbaar gezegd,
voor zij het vuurpeleton zichzelf ten offer boden
een kort vaarwel, onwankelbaar gezegd.

Wat waren hun gedachten en hun gebeden,
toen hun laatste blik naar de hemel was gericht
Hier zijn zij ingegaan tot Gods oneindig licht
Hun taak volbracht, de aardse strijd gestreden.
Hier zijn zij ingegaan tot Gods oneindig licht.

Eens, toen ik alweer van adres moest veranderen, liep het mis. Ik stond voor een winkel en er was mij gezegd dat er met enkele minuten iemand naar mij toe zou komen en mij zou begeleiden naar mijn nieuwe adres. Hij zou mij aanspreken met de woorden: “Nog laat op pad.” Ik moest antwoorden: “Ik moet nog een heel eind.” Er verliep een kwartier, een half uur. Er moest iets mis zijn. Omzichtig keek ik om mij heen. Het begon al te schemeren, maar ik zag aan de overkant van de weg een man die ik door de spiegeling van de winkelruit al eerder had zien staan. Ik liep zo rustig mogelijk weg, maar waarheen? Al spoedig merkte ik dat de man mij volgde. Ik begon te rennen door straten en steegjes. Achter mij hoorde ik schreeuwen en schieten. Ik klom over een schutting en verborg mij onder de struiken in een tuin. Opeens was het stil. Blijkbaar was men mijn spoor bijster geraakt.

Toen ik enigszins tot rust was gekomen, ontdekte ik dat ik gewond was. Een kogel had mijn vinger doorboord. Die nacht ‘sliep’ ik onder de open hemel. Het regende soms en ik had het door en door koud. Bovendien werd de pijn in mijn vinger, althans wat er van over was, steeds heviger. Bij het ochtendgloren ging ik dan ook op zoek naar een dokter. Enige straten verder zag ik tot mijn opluchting een ziekenhuis. Men was daar direct bereid mij te helpen, maar eerst moest aan enkele formaliteiten worden voldaan – hoe het ongeluk was gebeurd – wie mijn huisarts was – adres van mijn werkgever enz. Het duurde niet lang of ik had mij volkomen vastgepraat en ik deed er dus maar het zwijgen toe. De verpleegster begreep niets van de situatie en begon haar geduld te verliezen. lnmiddels maakte ik mij danig ongerust. In hoeverre was deze verpleegster betrouwbaar? Ik zag verschillende ver­pleegsters onze richting uitkijken en ik stond juist op het punt maar te verdwijnen en mijn heil ergens anders te zoeken, toen ik een bulde­rende stem hoorde: “Wat is hier aan de hand?” Omstandig deed de ver­pleegster verslag aan een witgejaste man, kennelijk een arts. Hij keek mij enige ogenblikken doordringend aan, keek toen naar de verpleegster en fluisterde haar toe: “Zo, begrijpt u niet wat hier aan de hand is. U staat zich hier te vergapen aan iemand die in nood is.” De verpleegster droop af. Hij beduidde mij dat ik hem moest volgen. Toen wij op zijn kamer waren, was de norse uitdrukking op zijn gezicht verdwenen. Met een vertrouwelijk gebaar legde hij zijn hand op mijn schouder en zei: “Vertel me nu alles maar. Je kunt me vertrouwen en ik zal alles doen om je te helpen.” Binnen de kortste keren lag ik op de operatietafel. Mijn vinger moest geamputeerd worden was zijn conclusie. Op mijn uitdrukkelijk verzoek zou hij evenwel toch trachten mijn vinger te behouden.

Na de operatie leek mijn vinger wel een rollade, een vormloos klompje vlees, bijeengeregen door een touwtje. Regelmatige controle was nood­zakelijk. Aangezien ik ‘geen vaste woon- en verblijfplaats’ had, zorgde de dokter voor een kamertje in het ziekenhuis met het opschrift op de deur ‘isoleerkamer’. Na ca. twee weken werd ik ‘ontslagen’. Ik had inmiddels het plan opgevat te trachten onderdak te vinden in de om­geving van mijn woonplaats. Het zag er toen immers naar uit dat het einde van de oorlog nabij was. Er was evenwel geen vervoer – de spoor­wegstaking was inmiddels een feit. Nog afgezien hiervan durfde ik geen gebruik te maken van het openbaar vervoer, dus moest ik naar een andere mogelijkheid omzien. Ik had alle geluk van de wereld, ik kon nl. met een vrachtboot mee richting Amsterdam.

Het was al laat toen ik daar aan wal stapte. Waar moest ik heen? Over een uur zou de spertijd ingaan. Ik had tot dusverre vermeden contact met familieleden op te nemen. ln Amsterdam woonde een tante van me, sinds lange tijd weduwe. Ik had geen keus. Ik moest haar om onderdak vragen. Enkele minuten voor spertijd belde ik bij haar aan. Er werd echter niet opengedaan. Ik bleef wanhopig bellen, maar zonder resultaat. Ten einde raad zocht ik in de omgeving naar een mogelijkheid om desnoods onder de open hemel de nacht door te brengen. ‘t Was inmiddels aardedonker en ik kon mij na enige tijd niet meer oriënteren.

Eindelijk kwam ik weer op mijn uitgangspunt terug. Ik belde opnieuw in een vertwijfelde poging. Boven mij hoorde ik een raam opengaan. Ik noemde mijn naam. Binnen enkele seconden ging de deur wagenwijd open en stapte ik binnen, dol­gelukkig dat ik althans voor deze nacht onderdak had. Wij stonden nog beneden in het trapportaal toen mijn tante mij toefluisterde: “Er wacht boven een verrassing voor je.” Ik begreep niet waar zij op doelde. Toen ik de trap opliep, keek ik nog eens om. Verrassing?? Ik stapte de huis­kamer binnen en zag in de hoek van de kamer bij het schijnsel van een waxinelichtje een oude man met baard. Mijn eerste gedachte was dat mijn tante een nieuwe levensgezel gevonden had. Wat moest ik met die man? Was hij wel betrouwbaar? Aarzelend stapte ik op hem toe. Ik noemde mijn naam en mompelde een excuus voor mijn late komst. De man stond op en stelde zich voor: “Dr. Broekhuis.” Ik herkende hem aan z’n stem – mijn vader, haast onherkenbaar vermomd. Een ogenblik om nooit te vergeten. Maanden lang hadden wij elkaar niet gezien. Maanden lang waren wij ieder onze weg gegaan, wantrouwend, angstig, beiden wetend dat wij op die smalle grens liepen tussen leven en dood. Dikwijls had ik mij afgevraagd waar mijn vader zich schuil hield en in sombere ogenblikken of hij nog in leven was.


Nicolaas Harmijn Rem (1891-1982) zonder en met vermomming.

Enkele dagen zijn wij bij elkaar gebleven. Het waren feestdagen, een oase in de woestijn. Daarna ging ieder weer zijns weegs. In een polder in de omgeving van mijn woonplaats woonde een vriend van mij. Bij hen vond ik tot het einde van de oorlog een veilige schuilplaats. De hongerwinter met al zijn verschrikkingen was in aantocht. Op hun boerderij ontbrak het mij echter aan niets. Soms schaamde ik mij hiervoor. Wat werd er vooral in westelijk Nederland onbeschrijfelijk veel geleden. Aan duizenden ontbrak het aan alles, vooral aan voedsel. Bij honderden zagen wij hen op hongertocht langs de boerderijen trekken. Ook bij ‘ons’ aan de Wormerveerse Wandelweg werd van vroeg tot laat aangebeld door uitgehongerde mensen, de uit­putting nabij.

Het was eind februari 1945 al donker toen er nog werd aangebeld. Een meisje en een jongen, kinderen nog. Blijkbaar hadden zij kans gezien iets te bemachtigen. De lading was afgedekt met een kleedje. Ze vroegen niets, keken alleen maar naar de kar met angstige verdrietige ogen. Het meisje verbrak het stilzwijgen. Wijzend op de lading vertelde zij dat vader tijdens de tocht onwel was geworden. Toen het kleed werd weg­gehaald, bleek dat de man inmiddels was bezweken.

Wat vergeet een mens snel. Weinige jaren later verdween in ons land per dag weer tientallen tonnen aan voedsel in de vuilnisemmer, terwijl elders in de wereld duizenden de hongerdood sterven. Het is vandaag zondag. Mijn gedachten zijn nog bij de preek: De arme man en de rijke Lazarus. Als er geen solidariteit zal zijn tussen arm en rijk, als wij die in weelde mogen leven alleen maar bezig zijn met ons zelf, zijn wij dan niet die ‘rijke man’?!

Uitreiking Verzetsherdenkingskruis aan vader en zoon Rem, 3-9-1981.

Met bloed betaald

Enkele maanden voor de bevrijding werd ik als toegevoegd stafofficier opgenomen in de Binnenlandse Strijdkrachten. De bevrijdingsdagen zijn als een roes aan mij voorbijgegaan. Naast de haast uitzinnige vreugde, was er bij velen toch ook het gemis van hen die hun leven hadden gegeven opdat wij deze bevrijding mochten beleven. Ik heb getracht door middel van eigen belevenissen duidelijk te maken hoe ons volk gele­den heeft onder de tirannie van de Duitse bezetting. De naoorlogse generatie kan zich, en dat is ook begrijpelijk, moeilijk een voorstelling maken wat zich in de jaren 1940-1945 heeft afgespeeld. Alleen zij die deze periode bewust hebben meegemaakt, kunnen ten volle beseffen wat het betekent en welk een voorrecht het is in een vrij land te mogen leven. Het is goed te beseffen dat wij deze vrijheid niet cadeau hebben gekregen, maar met bloed werd betaald.

114.000 Joodse Nederlanders werden vergast of op andere wijze om het leven gebracht.
34.000 Nederlanders, voor het overgrote deel gedwongen in Duitsland te werken, kwamen aldaar om het leven.
22.000 burgerslachtoffers kwamen door oorlogshandelingen om het leven.
7.000 militaire verliezen (Meidagen 1940 – marine en Irenebrigade).
2.600 verliezen bij de Nederlandse koopvaardij.
13.000 verzetsmensen werden gefusilleerd of kwamen in concentratie­kampen om het leven. (ca. 70% van de verzetsstrijders ‘van het eerste uur’ moest onderduiken, belandde in gevangenis of concentratiekamp, of werd gefusilleerd).
25.000 slachtoffers van de hongerwinter 1944 – 1945.
22.000 Nederlandse slachtoffers van het Japanse geweld.
Tenslotte moet nog worden vermeld dat 50.000 geallieerde militairen tijdens gevechten ter bevrijding van ons land zijn gesneuveld.

Bovenstaande kille cijfers betreffen ‘slechts’ de directe dodelijke slacht­offers. Hoeveel mensen zijn bovendien voor hun leven geestelijk of licha­melijk verminkt? Hoeveel mensenlevens werden verwoest omdat zij hun dierbaarsten moesten missen? Duizenden hebben het hoogste offer gebracht – het offer van hun leven, omdat diep in hun hart de regels van ons volkslied weerklank vonden: De tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt. Hun offers waren niet vergeefs, immers de tirannie werd verdreven. Wij kunnen thans met verbijstering terugzien, maar tevens vooruitzien, vervuld met een opdracht. Een opdracht om zich in te zetten voor vrede, veiligheid en gerechtigheid. Moge ons volk vooral geestelijk weerbaar zijn, opdat de geschiedenis zich niet herhale!

Eerste bestuur van de Stichting Zaans Verzet. V.l.n.r. Jan Brasser, Klaas Mink, Nico Rem sr., Cor de Boer, Cas Rayer, Gerrit Sierhuis, Jan Bruin, Jan van Wijngaarden. Zittend Piet Lust en Jan Nijgh.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.