Podcast over het naoorlogse communisme

Voor ‘Andere Tijden’ mochten voormalig CPN-wethouder Wim Nieuwenhuijse en ik van gedachten wisselen over het naoorlogse Zaanse communisme. Van verzetshelden naar staatsvijanden. Het resultaat van de uitwisseling is nu te beluisteren via een podcast.

 

Eisendrath in de uitverkoop

Ik heb geen idee hoeveel exemplaren er nog over zijn, maar wacht niet te lang om een exemplaar te bemachtigen van mijn boek Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945). Het is nu namelijk in de aanbieding.

Biografie Walraven van Hall herdrukt

De eerste druk was uitverkocht. De tweede sinds een paar weken ook. En dus werd het tijd voor een herdruk van Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945). In paperbackvorm dit keer. Met wat aanvullende informatie. En enkele nieuwe foto’s. Het levensverhaal van Nederlandse belangrijkste verzetsstrijder is weer verkrijgbaar.

De ondergang van de oliehaven (14 mei 1940)

Op 14 mei 1940, de dag dat het Nederlandse leger capituleerde, werd een groot deel van de Amsterdamse Petroleumhaven vernietigd. In de navolgende dagen zag de Zaanse bevolking immense rookwolken langsdrijven. Maar wie was verantwoordelijk voor deze verwoesting? Een verslag, aan de hand van een reeks bijzondere foto’s.

De Petroleumhaven werd eind negentiende eeuw aangelegd bij de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal, schuin tegenover de Zaandamse Achtersluispolder. Binnen- en buitenlandse bedrijven bouwden in de navolgende decennia tientallen immense tanks, waar de op- en overslag van olieproducten plaatsvond.

De Petroleumhaven rond 1933. Rechtsonder pakhuis De Vrede, gelegen in de Zaandamse Achtersluispolder.

Na de Tweede Wereldoorlog zou de Amsterdamse Petroleumhaven uitgroeien tot de grootste benzinehaven ter wereld, maar dat het ooit zover zou komen leek op 14 mei 1940 verder weg dan ooit. Op dat moment bevonden zich in de haven 95 tanks, goed voor 185 miljoen liter olie, elf pomphuizen, zeven aftaploodsen, vier ketelhuizen, een drijvend ponton en dertien steigers.

De Petroleumhaven in Amsterdam enkele jaren voor de vernietiging.

Dinsdag 14 mei was een warme, bijna zomerse dag. Maar zorgeloos genieten van het mooie weer bleek onmogelijk. Het koningshuis was een dag eerder naar Engeland gevlucht, tienduizenden Nederlandse militairen vochten een wanhopige strijd tegen de Duitse bezettingsmacht en het werd steeds duidelijker dat de nederlaag onafwendbaar was. In die sfeer was de HMS Vesper naar IJmuiden gestuurd. De Britse torpedojager had als opdracht de in Amsterdam opgeslagen Nederlandse olievoorraden te vernietigen. Koste wat kost moest worden voorkomen dat dit vloeibare goud in Duitse handen zou vallen.

HMS Vesper tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op 10 mei, de eerste oorlogsdag, arriveerde er ook al een demolition-party in IJmuiden, met als doel zowel de sluizen daar als de olietanks tegenover Zaandam op te blazen. Toen werd er nog een stokje voor gestoken. Vier dagen later waagde de Vesper een tweede poging. Het aangekondigde voornemen stuitte aanvankelijk op weerstand bij kapitein-luitenant ter zee C. Hellingman. Als commandant van de verdedigingslinie bij IJmuiden vond hij dat niet de Britten, maar het Nederlandse opperbevel orders moest geven tot het al dan niet vernietigen van Nederlandse eigendommen. Het duurde tot even na negenen ‘s morgens voor de Nederlandse generaal Winkelman akkoord ging met het Britse plan. Even later begon de bemanning van de Vesper met het opblazen en in brand steken van het Gemeentelijk Petroleum Entrepôt, zoals het terrein officieel heette. Om 9.36 uur stonden de tankinstallaties in brand en schoten de vlammen honderden meters de lucht in.

De in Zaandam gelegen veerpont over het Noordzeekanaal, met de brandende olietanks op de achtergrond.

De speciale troepen die de Petroleumhaven in lichterlaaie zetten, slaagden er niet in om alle tanks te verwoesten. Ruim de helft van de voorraad liep zware schade op of werd tot ruïnes gereduceerd. Zwarte rookwolken stegen op vanaf de Noordzeekanaaloever. Het inferno lokte talloze Zaanse toeschouwers naar de waterkant, ondanks het gevaar dat Britse vliegtuigen ook de nabije Artillerie-Inrichtingen zouden bestoken. Hun aanwezigheid leverde flink wat foto’s op. Het publiek was getuige van de grootste verwoestingsactie die de directe omgeving van de Zaanstreek tijdens de oorlog zou treffen.

De Hembrug als decor voor de uitslaande vlammen.

In de dagen na de brandstichting stroomden er honderden tonnen stookolie in het IJ en het Noordzeekanaal.

Ook in Amsterdam, hier vanaf het Singel, was de brand goed zichtbaar.

Een jaar na de brand schreef Etty Hillesum over de 14de mei in haar dagboek: “En plotseling de zware, logge, duidelijk herkenbare gestalte van Bonger die daar langs de ijsclub schoof, een blauwe bril en de zware, originele kop terzijde, gericht op de rookwolken die daar vanuit boven de stad heersten en afkomstig waren van de in brand gestoken petroleumhaven. Dat beeld, die logge gestalte met de kop schuin geheven naar die rookwolken in de verte, zal ik nooit vergeten.” Hoogleraar Willem Adriaan Bonger was een bekend tegenstander van de nazi’s. Hij zou een dag na de ontmoeting met Etty Hillesum zichzelf het leven benemen

De brandende olie liep over het achterland van het opslagterrein.

De Amsterdamse kunstenaar Mijndert Krijnsen maakte op 14 mei zelfs een tekening van het geweld aan de andere kant van het water.

Tekening van Mijndert Krijnsen (1894-1942)

De brand zou dagenlang woeden en was maar moeilijk te blussen. Op 15 mei begonnen in de late ochtend de bluswerkzaamheden.
Diezelfde dag eisten Duitse officieren die in de hoofdstad waren aangekomen een bezichtiging van de brandende tanks van de Bataafse Petroleum Maatschappij. De Amsterdamse plaatsvervangend gemeentesecretaris Johannes Franken begeleidde hen. Blijkbaar vond het gemeentebestuur het minder verstandig om de joodse gemeentesecretaris mee te laten varen. Het gezelschap ging die middag op weg met enkele gevorderde boten van de firma Bergmann.

Stereoscopische foto van het blussen van de brand.

Toen een Duitse militaire colonne op 16 en 17 mei via een oversteek van het Noordzeekanaal en de Provincialeweg het centrum van Zaandam bereikte, op weg naar de kop van Noord-Holland, fotografeerde een omstander enkele pauzerende soldaten. Terwijl zij een versnapering bestelden bij de plaatselijke ijscokar was verderop nog altijd de langswaaiende rook zichtbaar uit wat later Westpoort zou gaan heten.

16 mei 1940. Duitse militairen op doortocht kopen in Zaandam, tegenover Provincialeweg 36, een ijsje. Op de achtergrond is de vette rook uit de restanten van de Petroleumhaven zichtbaar.

Enkele van de verwoeste olietanks, kort na de brand.

De bluswerkzaamheden in de Petroleumhaven duurden tot en met 19 mei. Na het doven van de vlammenzee kon voorzichtig worden begonnen met het opruimen van de immense berg rotzooi in de Petroleumhaven.

Het schoonmaken van de Petroleumhaven na de brand.

De Petroleumhaven op 1 juni 1940.

In het laatste oorlogsjaar lag de Petroleumhaven er troostelozer dan ooit bij. Het zou nog jaren duren voor de wederopbouw werd afgerond.

Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) sloopten de Duitsers alles wat nog enigszins bruikbaar was. Eén tankje van tweehonderd kubieke meter was alles wat ongeschonden door de oorlog kwam. Eind 1949 was het merendeel van de opslagcapaciteit hersteld. Er stonden toen 65 tanks, goed voor ruim 130 miljoen liter olie. In de navolgende jaren zou de vooroorlogse capaciteit geëvenaard en uiteindelijk zelfs overtroffen worden.

Bovenstaande foto’s zijn afkomstig uit particuliere en het eigen archief en van het NIOD, NIMH, Verzetsmuseum Amsterdam en Stadsarchief Amsterdam.

Tegenvoeters: de Zaandamse ziekenhuizen in oorlogstijd

Tot 1941 kozen Zaanse patiënten al naar gelang hun levensovertuiging voor het neutrale Gemeente Ziekenhuis of het katholieke ziekenhuis St. Jan. Daarna kon, in ieder geval tot het einde van de oorlog, ook een andere afweging meespelen. Werd het een consult onder NSB-leiding of toch liever bij de onafhankelijker opererende religieuze instelling?

Ruim voor de Tweede Wereldoorlog namen de katholieke leiders al afstand van de Nationaal-Socialistische Beweging. Roomse NSB’ers verloren hun recht op de sacramenten, zo besliste de moederkerk in 1936. De dreiging met excommunicatie voor wie zich aansloot bij de partij van Anton Mussert werd aan het begin van de bezetting nog eens nadrukkelijk bekrachtigd. Het verklaart voor een groot deel waarom het St. Jan, gelegen aan het eind van de Bloemgracht in Zaandam, zich tijdens de bezetting tegen de nazistische machthebbers keerde en een toevluchtsoord werd voor ‘andersdenkenden’.

Over de illegale hulpverlening door St. Jan-medewerkers bestaan meerdere verhalen. Onder andere zenuwarts Theo Hart de Ruyter getuigde dat daar door de Duitsers gezochte personen een plek vonden. ‘Ik wist dat onderduikers en joodse patiënten door zuster Theresia in het St. Jan verborgen werden. Mevrouw mr. dr. Lekkerkerker, maatschappelijk werkster bij het medisch opvoedkundig bureau, bracht joodse kinderen onder, evenals zr. Heymans van de Meyersstichting, die ook polikliniek hield in de Frans Halsstraat.’ Onderduikersnamen noemde hij niet en aantallen ontbraken helaas eveneens.

De zuigelingenkamer van het St. Jan, jaren ’30 (Gemeentearchief Zaanstad)

Zuster Therési de Lucht liet eveneens een getuigenis na over de oorlogsjaren in het katholieke hospitaal. Met anekdotes schetste zij de afkeer van het nazistisch gedachtegoed. Toen de bezetter een gedeelte van het ziekenhuis wilde vorderen, ging zij hen voor naar het lijkenhuisje in de tuin. Dat kon volgens haar wel fungeren als telefooncentrale. Daarbij passeerden ze enkele overleden patiënten. ‘Op de vraag waar beide mensen aan gestorven waren, deelde zuster Therési lakoniek mee dat de een aan TBC en de ander aan typhus was overleden.’ Angstig als ze waren voor besmettelijke ziekten verlieten de Duitsers gehaast het St. Jan, om er niet meer terug te keren. Het was maar één van de vele tegenacties die Therési De Lucht ondernam, meestal in samenspraak met geneesheer-directeur Eduard Immink. Ze zorgden er onder meer voor dat opgejaagde joden en al dan niet gewonde of zieke verzetsstrijders een relatief veilige plek kregen in een apart zaaltje.

Gemeente Ziekenhuis

In het Gemeente Ziekenhuis aan de Frans Halsstraat heerste vanaf 1941 een andere stemming. Naarmate de bezetting langer duurde, kwam daar meer personeel dat loyaal was aan het nieuwe bewind. Hier belandden de door het verzet neergeschoten collaborateurs en was de directie er trots op een met tuberculose kampende zwager van Anton Mussert te mogen verzorgen. Dat het zo ver kwam had – anders dan bij het St. Jan – te maken met de zeggenschap van het stadsbestuur over het ziekenhuispersoneel.

Blakend van het zelfvertrouwen somde Cornelis van Ravenswaay begin 1942 op wat hij in zijn eerste jaar als Zaandamse NSB-burgemeester voor elkaar had gebokst. Dankzij hem werkten er zo’n honderd partijgenoten bij de gemeentelijke instellingen, de tegenwerking van Zaanse ‘anti’s’ ten spijt. ‘Menig hard woord is daarbij natuurlijk gevallen, doch nu wordt zelfs geen dienstmeisje ontslagen of aangesteld zonder mijn goedkeuring’, pochte hij tegenover een groep gelijkgezinden.

Hij nam ruim de tijd om de situatie bij het Gemeente Ziekenhuis te belichten, ‘waar de stemming hemeltergend was’. Met name Willem Levend kreeg er van langs. Deze dwarse geneesheer-directeur, volgens de burgemeester ‘te glad om gevangen te worden’, weerde waar mogelijk nationaalsocialistische medewerkers uit het Gemeente Ziekenhuis. Levends weerstand tegen de door het stadhuis gewenste nazificatie kostte hem in februari 1942 zijn baan. Het ontslag wegens ‘tegenwerking’ was een van de laatste handelingen die de fanatieke Van Ravenswaay voor zijn rekening nam, alvorens te worden gepromoveerd tot burgemeester van Utrecht.

‘Sabotage’

Op de dag dat Van Ravenswaay vertrok, werd bekend dat Levends opvolger een NSB’er zou zijn. Prompt kwam een deel van de werknemers in opstand. In de woorden van waarnemend burgemeester G. Nieuwenhuijs: ‘Aangezien van het verplegend personeel, totaal ongeveer 55 personen, gedurende de laatste weken bij mij 15 ontslagaanvragen binnengekomen zijn en dit de dienst van het ziekenhuis zou desorganiseren, verklaar ik genoemde verzoeken voor ontslag niet in behandeling te kunnen nemen. Eerst wanneer nieuw personeel is aangenomen, zullen de ontslagaanvragen, naar volgorde van ontvangst, toegestaan kunnen worden.’ Ondanks deze dreigende taal telde het ziekenhuis uiteindelijk, in de woorden van de nieuwe directeur, ‘zeventien weggelopen verpleegsters’. Hij had er maar één kwalificatie voor: ‘Sabotage.’

Tine Kramer was een van die weerbarstige werkneemsters. Tussen 1939 en 1942 volgde ze in het Gemeente Ziekenhuis een opleiding tot verpleegster. In haar eerste leerjaar verzorgde ze onder anderen twee Duits-joodse vluchtelingen. ‘Die vertelden over de Kristallnacht. Ik geloof dat mijn drive om wat te gaan doen daar vandaan komt.’ Na de bezetting had de felle leerling naar eigen zeggen ‘een te grote bek’. Haar openlijke anti-Duitse houding maakte dat ze na de introductie van de nazistische directeur eieren voor haar geld koos. ‘Vanuit het stadhuis werd gewaarschuwd dat ik weg moest gaan. En toen zijn Herman [Waage, haar eveneens in het Gemeente Ziekenhuis werkzame vriend] en ik op een nacht gevlucht uit het ziekenhuis en naar Amsterdam gegaan.’ In de navolgende jaren zouden ze vanuit de hoofdstad tientallen joodse kinderen in veiligheid brengen.

Frits Houdijk

Met de nieuwe ziekenhuisdirecteur haalden de machthebbers een ideologische grootheid in huis. De uit Oegstgeest overkomende Frits Houdijk was weliswaar slechts 28 jaar oud, maar al sinds 1933 NSB-lid. Hij leidde vanaf de oprichting in november 1940 het Nationaal-Socialistisch Studentenfront. Deze landelijk opererende, aan de NSB verbonden vereniging wilde de nazistische beginselen verspreiden op universiteiten en hogescholen. Het lidmaatschap was verplicht voor studerende partijleden. De voorloper van het NSSF, de Nederlandsche Nationaal-Socialistische Studentenfederatie, stond bekend om het uitlokken van geweld en het vernielen van eigendommen van joden en antifascisten. Ook daar had Houdijk zijn sporen verdiend. Sommigen haatten de studentenleider blijkbaar zodanig dat ze in juni 1941 brand stichtten in zijn woning. De daardoor ontstane schade bedroeg bijna twaalfduizend gulden.

Er zijn van Frits Houdijk bewegende beelden bewaard gebleven. Tijdens een NSB-landdag op 1 januari 1941 is te zien hoe hij de geüniformeerde leden van het NSFF inspecteert en, in het bijzijn van de na hem sprekende Anton Mussert, een rede houdt.

Frits Houdijk (in het wit) in het Gemeente Ziekenhuis, 5-12-1942. Naast hem Willem Beekhuis (Commissie Historie Zaanse Ziekenhuizen)

Houdijk nam in Zaandam zijn intrek op het adres Stationsstraat 82. Tot enkele maanden eerder had daar de, inmiddels naar Amsterdam verbannen, joodse arts Karel de Leeuw gewoond. De medewerkers van het Gemeente Ziekenhuis konden met hardliner Houdijk hun borst natmaken. Het verklaart waarom bijna een derde van de verpleegsters ontslag nam. Maar toen de jonge directeur in mei 1942 het personeel toesprak, klonk hij verrassend gematigd. Een opvallende zin uit zijn openingsrede: ‘Het is in het geheel niet noodzakelijk om aan de aan uw hoede toevertrouwde zieken te vertellen dat er toch weer een Irene Beatrix Wilhelmina of zojuist weer een Anton Adolf Benito geboren is.’

‘Weinig last’

Gedurende de twee jaar dat de geneesheer-directeur aan het Gemeente Ziekenhuis verbonden bleef, handhaafde hij die neutraliteit consequent. Hoewel hij tijdens zijn vrije uren soms in NSB-uniform rondliep en colporteerde met het partijblad Volk en Vaderland, verbood Houdijk – zijn naam werd al snel verbasterd tot de NSB-begroeting ‘Houzee’ – binnen de ziekenhuismuren alle openlijke vormen van politiek. Het was onder zijn leiding niet toegestaan om binnen de ziekenhuismuren de Hitlergroet te brengen. Hij wist een ziekenhuisbroeder uit de gevangenis te krijgen die een Wehrmachtsoldaat had beledigd en hij verborg zelfs een door de Duitsers gezochte collega. Daardoor bleef Houdijks straf na de oorlog beperkt tot dertien maanden voorarrest en ontzetting uit het kiesrecht. Eerste verpleegster Immetje Bakker: ‘In z’n optreden was hij niet kwaad en we hadden weinig last van hem. Hij maakte geen propaganda voor de NSB, maar wel stelde hij NSB-zusters aan en nam verschillende NSB-patiënten op.’

In april 1944 koos Frits Houdijk een andere werkplek. Zijn opvolger, eveneens een NSB’er, nam op 5 september 1944 – Dolle Dinsdag – de benen. Die maand verlieten ook zeventien deutschfreundliche verpleegsters overhaast de stad, bang als ze waren het slachtoffer te worden van de geallieerde opmars. Vice-directeur Willem Beekhuis moest medio april 1945 het werk neerleggen. Uit een rapport van de illegaliteit de dato 2 mei 1945: ‘Deze laatste heeft meer bedorven dan goedgemaakt, vandaar dat de [opportunistische NSB-]burgemeester Vitters als enige oplossing nog zag de benoeming van Dr. Levend. Drie jaar na zijn gedwongen vertrek keerde Willem Levend terug als leidinggevende. Vanaf dat moment was zowel het St. Jan als het Gemeente Ziekenhuis weer in handen van een ‘goede vaderlander’.

Het Gemeente Ziekenhuis in de jaren ’30 (Gemeentearchief Zaanstad)

De Zaanse oorlogsmisdaden van de ‘onovertroffen psychopaath’ Gerard Kuiters

Gerard Kuiters was in 1943 onder meer verantwoordelijkheid voor de arrestatie van de Zaandamse verzetsstrijder Sjef Swolfs. Die moest dat met de dood bekopen. Desondanks werd Kuiters na de oorlog opmerkelijk licht bestraft. In een volgend boek –over de Zaanse verzetsvrouw/verraadster Francisca de Munck-Siffels – wijd ik een hoofdstuk aan deze Amsterdamse handlanger van de Sicherheitsdienst. Hierbij alvast een (voor deze gelegenheid ietwat aangevulde) voorpublicatie.

Het zijn in de zomer van 1957 vrolijke foto’s die de Nederlandse, Britse en Franse kranten sieren. “Gerard Kuiters, een 40-jarige Amsterdammer, is er gisteren in geslaagd in één uur en 24 minuten op waterski’s het Kanaal van Calais naar Dover over te steken”, meldt het Algemeen Dagblad op 2 augustus in een uitgebreid bijschrift. Het zal niet de laatste keer zijn dat Kuiters de krantenkolommen haalt. De sportieveling schuwt de journalisten bepaald niet. In 1966 mag ‘de zorgzame Kuiters’ in Het Vrije Volk zijn verhaal kwijt over een tamme panter die hij op het balkon van zijn bovenwoning verzorgt. Binnenshuis heeft hij ook nog een chimpansee. “Die aap en die panter heb ik geruild met de inboorlingen van van Tanganjika.” De chimpansee – Otto genaamd – komt zeven jaar later nog eens terug in een reportage van het Nieuwsblad van het Noorden. Het beest reist regelmatig mee in een van de sportvliegtuigen die zijn baas verhuurt. Kuiters: “Zeer geïnteresseerd kijkt hij naar de aarde en ik geloof zelfs dat hij soms een plaats herkent.” In de tussenliggende jaren haalt Kuiters onder meer de krant met inmiddels twee chimpansees die mee-eten in een restaurant en fungeren als collectanten voor het Koningin Wilhelminafonds. En in november 1971 wordt hij zelfs met een van zijn apen gastvrij onthaald in Willem Duys’ veelbekeken tv-programma Voor de vuist weg.

Nieuwsblad van het Noorden (3-8-1957)

Het Vrije Volk (15-10-1966)

Het Vrije Volk herinnert in 1966 in een vragen oproepend bijzinnetje (Kuiters is ‘niet smetteloos uit de laatste oorlog gekomen’) aan een inmiddels vrij ver verleden van de excentrieke, aandachtzoekende Amsterdammer. De andere dagbladen zwijgen bijna zonder uitzondering over hetgeen hij tussen 1940 en 1945 heeft uitgespookt. Er is één uitzondering. Begin jaren zestig wijdt De Waarheid een reeks artikelen aan Gerard Kuiters en diens vriend, de roemruchte en minstens zo kleurrijke crimineel ‘Pistolen-Paultje’ Wilking. Het duo beheert een oude Duitse Schnellboot, die volgens dit dagblad ‘evenals toen op nazi-bestek’ vaart. Op het schip zou sprake zijn van wapenhandel en aan boord zouden zich regelmatig oud-nazi’s vervoegen. Dat De Waarheid zich maandenlang – door de Koude Oorlog overigens als enige medium – vastbijt in Kuiters’ bezigheden heeft nog een reden: “De SD’er houdt er van om de mensen met bruut geweld te terroriseren. Ook wat dat betreft is Gerard Kuiters nog dezelfde als in 1943, toen hij de verzetsstrijder Sjef Swolfs voor het vuurpeloton bracht.” Swolfs hing het communistische gedachtegoed aan, net als De Waarheid.

NSB

Gerardus Kuiters – Gerrit Box voor intimi, een samenvoeging van zijn stiefvaders achternaam en zijn vaardigheden in het vuistvechten – komt in 1917 ter wereld in een Amsterdams gezin met een zenuwzieke moeder en een alcoholische TBC-lijder als vader, die ook nog eens jong overlijdt. Als achttienjarige sluit hij zich aan bij de NSB. Na de bezetting treedt Kuiters in dienst bij het Nationalsozialistische Kraftfahrkorps. Op 11 februari 1941 raakt hij gewond ‘op het Waterlooplein bij de onlusten welke door joden, bolsjewisten en de Engelse geheime dienst waren uitgelokt’. Dat de gevechten die dag worden uitgelokt door de Weerafdeling van de NSB laat hij onvermeld. De gespierde straatvechter roert zich ook binnenshuis. Een paar keer per week vliegen serviesstukken en meubilair door de woonkamer en slaat hij om zich heen. Zijn vrouw houdt er vele psychische en fysieke littekens aan over.

Drie dagen na de antisemitische knokpartij op het Waterlooplein – hij ligt dan nog in het Binnengasthuis – bestraft de rechter Kuiters met twee jaar cel wegens grootschalige fietsendiefstal. Hij wordt na zijn veroordeling vastgehouden in de ‘bijzondere inrichting’ van de Scheveningse gevangenis, ‘daar ik het te kwaad had met mijn zenuwen’. Die spelen hem wel vaker parten, zo toont naoorlogs onderzoek aan. De behandelend psychiater bestempelt de Amsterdamse monteur als ‘een wilszwakke, psychopathische persoonlijkheid met hysterische trekken en neiging tot explosieve agressiviteit.’ Een andere arts noemt hem zelfs ‘een onovertroffen psychopaath.’

Een deel van zijn straf moet Kuiters in Duitsland ondergaan, als dwangarbeider bij een hoogovenfabriek. Zodra hij even op verlof mag, vertrekt hij naar Nederland. Doorgaan met het zware werk aan de andere kant van de grens ziet hij niet zitten. Terug in Amsterdam voorziet hij in zijn levensonderhoud door groente, fruit en alcohol te verkopen, vooral aan medewerkers van de Sicherheitsdienst. Kuiters’ dubieuze verleden en zijn vlucht uit Duitsland zijn de dienst onbekend; zijn handelswaar vindt gretig aftrek.

Euterpestraat

Wanneer hij zichzelf eind november bij het SD-hoofdkwartier in de Euterpestraat aanbiedt als vertrouwensman gaat de deur daar op een kier. Kriminalsekretär Emil Rühl: ‘Daar hij bij het NSKK zou zijn geweest en gedurende enige tijd voor de NSB had gewerkt, gaf ik hem te verstaan dat ik geen orders voor hem had, wel echter gaarne eventueel inlichtingen van hem zou ontvangen, zodra hij iets wist.’ De SD heeft eerder die maand in en rond de Zaanstreek een grote slag geslagen. Als gevolg van verraad zijn tientallen mensen opgepakt. De meesten waren voor de CPN actief binnen de illegaliteit. Een paar kopstukken zijn echter ontkomen, onder wie Sjef Swolfs. De Sicherheitsdienst heeft er veel voor over om hem alsnog in handen te krijgen. Rühl praat Kuiters bij over Swolfs, zijn connectie met de Raad van Verzet en zijn betrokkenheid bij aanslagen. Ook een ‘zwarte jeneverstokerij’ in Swolfs’ woning komt aan bod. Kuiters ‘heb ik voorts gezegd dat de Sicherheitspolizei prijs stelde op de arrestatie van vorenbedoelde J. Swolfs en ik heb verdachte opdracht gegeven om vast te stellen wanneer en waar Swolfs door deze politie kon worden gearresteerd.’

Op woensdagmiddag 8 december rijdt de nieuwbakken V-Mann voor zijn eerste klus naar Zaandam. Zijn bestemming is een bescheiden rijtjeswoning aan de Zuiddijk 168. Nadat hij daar heeft aangebeld, opent Lien Swolfs de deur. Voor haar staat een fors gebouwde, keurig ogende man. Blauwe ogen, fronsende blik, scheiding in het donkere haar. ‘Kuiters’, stelt hij zich voor. Hij haalt een briefje tevoorschijn. Daarop is de naam ‘De Beer’ geschreven, leest Lien, ‘een illegaal werker die wij kenden en die bij ons het volste vertrouwen had.’ Haar man heeft zelfs gezegd dat mensen met deze referentie per definitie integer zijn. Ze laat de bezoeker daarom binnen. Kuiters verzint dat hij een ondergedoken voormalige ‘krijgsgevangene’ is, in de hoofdstad noodgedwongen clandestien bonnen koopt en van zijn kennis Sjef Swolfs een paar flessen jenever wil overnemen. Zijn gastvrouw moet hem teleurstellen; haar echtgenoot verblijft elders en ze heeft geen drank op voorraad. Ze kan wel zorgen dat er ‘s avonds alcohol – in de kelder gestookt en bedoeld om de schamele inkomsten aan te vullen – klaarstaat. Ze vraagt Kuiters om over een paar uur naar de Bloemstraat te komen. Daar, in haar moeders huis, houden Sjef en zij zich sinds de arrestatiegolf eerder die maand het grootste deel van de dag en vooral ‘s nachts schuil.

Sjef Swolfs

Kuiters neemt tijdelijk afscheid van Lien Swolfs en maakt een afspraak met de plaatselijke korpschef. ‘Ik belde hem op met de woorden een gewichtige zaak te hebben, waarna hij mij uitnodigde bij hem te komen.’ In het politiebureau toont hij de nationaalsocialistische hoofdcommissaris een kaart. Die moet bewijzen dat hij voor de Wehrmacht heeft gewerkt. Verder bluft hij dat de Sicherheitsdienst hem heeft opgedragen om Sjef Swolfs te arresteren. Hij vraagt daartoe om assistentie.

Hoewel de Amsterdammer die avond twee agenten meekrijgt, blijken ze uiteindelijk niet nodig. Het lukt hem om de klus alleen af te handelen. Swolfs is weliswaar verrast door de komst van de onbekende man naar zijn onderduikadres, maar diens geloofwaardige verhaal trekt hem al snel over de streep. Het loopt zelfs uit op een bijna amicale ontmoeting. Lien Swolfs: ‘Kuiters liet nog foto’s zien, waarop hij op een motor zat, met zijn vrouw en zuster. We hadden een heel vriendschappelijk onderhoud met hem.’ De bezoeker koopt drie flessen drank. Omdat de avondklok het hem onmogelijk maakt om op tijd terug te zijn in Amsterdam vraagt Kuiters het echtpaar Swolfs om hem de weg te wijzen naar hotel Reitsma. Dat bevindt zich op loopafstand; niets is logischer dan hem even te vergezellen.

Politiebureau

Het hotel ligt schuin tegenover het hoofdbureau van politie, en dat weet Kuiters. Bij de plaats van bestemming aangekomen, trekt hij plotseling zijn pistool en schreeuwt: ‘Handen omhoog.’ ‘Mijn man smeet de fiets weg, om te trachten te ontvluchten’, zegt Lien Swolfs. ‘Dit lukte niet. Voor het politiebureau ben ik in elkaar gezakt, anders had mijn man daar nog geprobeerd weg te komen.’ Wanneer de toegang tot het bureau naar Kuiters’ zin niet snel genoeg opengaat, steekt hij zijn vuurwapen omhoog. Het schot dat hij lost echoot door de verduisterde, lege straten van het stadshart. In het bureau schrikken dienders op, precies zoals de schutter beoogt. De voordeur draait alsnog open, het drietal wordt binnengelaten.

Lien en Sjef Swolfs ondergaan een eerste verhoor. Dat behelst vooralsnog alleen de illegale distilleerderij. Na nog wat formaliteiten te hebben afgehandeld, brengen Kuiters en twee agenten de arrestanten naar Amsterdam. In de gevangenis aan de Amstelveenscheweg blijkt geen plaats te zijn. Het loopt inmiddels tegen middernacht, de begeleiders krijgen trek. Ze zetten daarom koers naar de etage van Kuiters. Hij maakt zijn vrouw wakker. Zij zorgt dat er brood met spek op tafel komt. Het echtpaar Swolfs moet verdragen dat de sfeer met de minuut jovialer wordt. Er klinkt gelach, er wordt gedronken en op de radio naar toepasselijke muziek gezocht. Gelaafd en gespijsd stappen de mannen na de nachtelijke maaltijd weer in de auto. Sjef Swolfs dient, nog altijd geboeid, achterin plaats te nemen. Zijn vrouw zit op de bijrijdersstoel. De volgende halte wordt de Euterpestraat, vijf minuten verderop. Daar blijken nog wel cellen leeg te staan. Vanaf hier is er voor het echtpaar geen weg terug.

Paspoortaanvraag van Gerard Kuiters, 12-5-1943 (Stadsarchief Amsterdam)

Na de bevrijding moet Kuiters zich verantwoorden voor zijn oorlogsmisdaden. Die betreffen niet alleen de arrestatie van Sjef en Lien Swolfs – de eerste wordt veroordeeld tot de doodstraf, zijn echtgenote moet negen maanden doorbrengen in de gevangenis en concentratiekampen –, maar ook het oppakken van zes werknemers van de Hempont en twee medewerkers van de Noritfabriek in Zaandam. Hun misdrijf was het verbergen van radio’s. Een Amsterdammer die in zijn handen viel, zou de oorlog net zomin als Sjef Swolfs overleven.

Wanneer Kuiters op 18 februari 1949 in Amsterdam voor het Bijzonder Gerechtshof staat, bevinden zich daar geen geüniformeerde zaalwachters. De reden, volgens dagblad De Typhoon: “Nu hij is ondergebracht in een krankzinnigengesticht in Avereest kan hij geen uniform meer zien. Dan gaat-ie huilen, dan begint hij mensen armen te breken, dan is hij in staat van twee hoog door een venster op straat te stappen.” Kuiters heeft verband om zijn armen . Kort tevoren heeft hij geprobeerd zijn polsen door te snijden. Tijdens de zitting barst de verdachte om de haverklap in tranen uit en houdt hij verwarde betogen. Volgens de Typhoon-verslaggever acteert hij. Hij is de enige niet. “De leden van het Hof noemden hem een simulant. Een man die nu de zenuwlijder speelt, maar die in oorlogstijd dingen aan de hand haalde waar een man die niet met armen in verband liep twintig jaar voor zou hebben gehad.”

‘Krankzinnig’

Simulant of niet, Gerard Kuiters komt er vanaf met een straf van drie jaar en acht maanden cel, gelijk aan zijn voorarrest. Wel wordt hij ter beschikking gesteld van de regering. De Typhoon, sarcastisch: “Als hij over, laten we zeggen een jaar, dat verblijf daar welletjes vindt, geen polsen meer doorsnijdt, geen ruiten meer ingooit, dan zal hij misschien normaal worden. Want bepaald krankzinnig was hij niet.”

Heel ver zit de journalist van dienst er niet naast. Kuiters’ TBR eindigt al in 1953. Vanaf dat jaar kan hij zich weer vrij bewegen. Eenmaal ontslagen uit de psychiatrische kliniek begint hij onmiddellijk een carrière als motorcoureur en speedbootracer. In de jaren ’60 bouwt hij een vloot aan huurvliegtuigen en daarmee een klein vermogen op. Waterskiënd en met wilde dieren poserend haalt hij keer op keer de krant. Over zijn vele misdaden wordt niet meer gerept. De man die tijdens zijn naoorlogse hechtenis verminderd toerekeningsvatbaar is verklaard, blijkt in zijn tweede levenshelft eens te meer een berekenende sjacheraar.

‘Fraai fotoboek’

Aangename bespreking in het Noordhollands Dagblad (23-4-2020). “Het vele fotomateriaal biedt een uitgebreid chronologisch overzicht van kleine en grote gebeurtenissen tijdens de oorlogsjaren, als een geschiedenisles in vogelvlucht.”

Oorlogswandeling door de Westzijde

Ter gelegenheid van de viering van 75 jaar bevrijding maakte ik op verzoek van het 4 en 5 meicomité Zaanstad een wandelroute tussen de twee Zaandamse locaties waar op 5 mei de festiviteiten zouden plaatsvinden, de Dam en de Bullekerk. Het coronavirus gooide roet in het eten. Als schrale troost vindt u hieronder de wandeling langs de plekken waar in de Tweede Wereldoorlog opmerkelijk veel gebeurde, aangevuld met wat toepasselijke foto’s uit die tijd. 

Nicolaasstraat 7
Als gevolg van een afgedwaalde kogel viel tijdens de Februaristaking in Zaandam één dode, de 20-jarige Jan Keijzer uit Middelie. Deze werknemer van slagerij C. Kluft werd in de winkel aan de Nicolaasstraat op 26 februari 1941 neergeschoten door langsrijdende Duitse ordetroepen. Op dat moment stond de Dam vol met stakers, die in paniek uiteenstoven toen de Duitsers begonnen te schieten. Ze raakten onder meer het standbeeld van Czaar Peter en een aantal winkels op de Dam en Hogendijk.

Februaristaking op de Dam, 25-2-1941.

Dam 2
Een van de taken van de Zaandamse wethouder Openbare Werken Dirk Out was het coördineren van de Winterhulp Nederland. De opbrengst van de collectes voor deze nazistische hulporganisatie werd verzameld in zijn werkkamer op het adres Dam 2.

Dam 9
Het postkantoor werd in mei 1945 omgevormd tot Gewestelijk hoofdkwartier van de Binnenlandse Strijdkrachten. Eerder was het hoofdkwartier gevestigd in de pastorie van de St. Bonifatiuskerk (Oostzijde 12).

Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten op het binnenplein van het postkantoor, blij dat er eindelijk weer brood is. Mei 1945.

Damplein 8
Elektronicahandel Waagmeester & Zn. was een distributiepunt voor illegale kranten als Trouw en De Luistervink. De bladen gingen er via koeriersters met duizenden tegelijk de deur in en uit.

Gedempte Gracht, hoek Westzijde
De 18-jarige onderduiker Joost A. Zeeman, die in de Burgemeester ter Laanstraat woonde, werd op 26 februari 1945 doodgeschoten door de Landwacht. De aanleiding daarvoor was dat hij, ondanks enkele sommaties om te blijven staan, probeerde te ontkomen aan een Ausweis-controle.
Enkele jaren eerder stierf op vrijwel dezelfde plek een jonge vrouw als gevolg van een afgedwaalde kogel uit een geallieerd vliegtuig dat de gashouders aan het eind van de Westzijde beschoot.

Westzijde 1
De boekhandel en bovenliggende woning van Willem Brinkman groeide in het voorjaar van 1943 uit tot het provinciaal hoofdkantoor van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Onder Brinkmans leiding vonden honderden onderduikers – joods en niet-joods – een veilige schuilplek. Zelf verborg het gereformeerde echtpaar Brinkman in hun woning een joods meisje.
Op 19 oktober 1943 kwam aan Brinkmans verzetswerk een eind, toen als gevolg van verraad hij en twaalf anderen tijdens een LO-vergadering in Hoorn werden gearresteerd. Willem Brinkman overleed op 20 februari 1945 in Duitse gevangenschap.

Willem Brinkman

Westzijde 14
Op dit adres had Ortskommandant Wilhelm Wolniewicz vanaf eind 1941/begin 1942 zijn woning en kantoor. Eerder woonde hij op Oostzijde 60. In de volksmond werd het gebouw het ‘Deutschen Hause’ genoemd. Het fungeerde als ‘Stützpunkt’ van de NSDAP.
Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, ontvluchtte de Ortskommandant met zijn gezin in allerijl nummer 14. Met goedkeuring van burgemeester Vitters nam de clandestien opererende Noodorganisatie het gebouw over. Het Vrouwen-Hulpcomité administreerde en verdeelde er door de Noodorganisatie op al dan niet legale wijze ingezamelde voedselvoorraden. Ze kwamen ten goede aan de hongerende bevolking. NSB’ers en zwarthandelaren werden daarbij uitgesloten.

Westzijde 18
De broers Abraham en Joseph Presburg waren samen met zwager Haskel Swaab firmanten van de goedlopende schoenenzaak op dit adres. De winkel werd hen in de oorlog ontnomen, omdat ze joods waren. Ze overleefden de Holocaust en konden na de bevrijding weer de leiding van de zaak op zich nemen. In de bovenwoning leefde de eveneens joodse familie Snoek. Zij konden verderop in de Westzijde onderduiken en na de oorlog terugkeren naar hun oude adres.

In mei 1945 werd het door het NSB-echtpaar De Vries ingepikte huis van de familie Snoek ontruimd en konden de oorspronkelijke inwoners terugkeren.

Westzijde 22
Kort na de bezetting werden in hotel Reitsma Duitse militairen ingekwartierd. In de navolgende jaren verbleef onder meer NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay er enige tijd, tot het moment dat hij de woning van zijn voorganger Joris in ’t Veld overnam. Het was tevens een vergaderplaats van de Nederlandsche Unie. Ook kwamen er af en toe verzetsstrijders bijeen.

 Westzijde 24
Vanaf het najaar van 1944 verbleef onder anderen de commandant van de Zaanse Binnenlandse Strijdkrachten ondergronds in de woning van notaris Gerrit van Holk. Soms week hij uit naar Wormerveer.

Westzijde 27
In het kantoor van de Nutsspaarbank werd in september 1944 de Districtsdelta van de Binnenlandse Strijdkrachten opgericht. Daarin namen leidende personen plaats van de Zaanse Ordedienst, Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers, Landelijke Knokploegen, Raad van Verzet en Nationaal Comité van Verzet.

Westzijde 32
Om te voorkomen dat zijn niet-joodse vrouw en dochter samen met hem uit Zaandam moesten vertrekken, vroeg Mozes Stad begin 1942 echtscheiding aan. Het gevolg was dat hij als ‘voljood’ een prooi werd voor de Duitsers. Hij verschool zich, samen met zijn ouders, in zijn eigen huis op de Westzijde. Twee jaar later arresteerde de Sicherheitsdienst hen daar. Mozes Stad stierf op 31 juli 1944 in Kamp Westerbork, zijn ouders zes weken eerder in Auschwitz.   

 Westzijde 37
De Zaanlandsche Courant, die op dit adres kantoor hield, bevatte naast actualiteiten ook gemeentelijke mededelingen en was dus vanaf 1940 afhankelijk van de nieuwe machthebbers. In september 1941 werd de te weinig volgzaam bevonden hoofdredacteur H.P. Stuurman ontslagen en vervangen door J. Weidema uit Aerdenhout. Vanaf dat moment publiceerde de krant meer nazipropaganda.

Het met nazistische posters volgeplakte pand van drukkerij Stuurman, mei 1944.

Westzijde 39
Vanuit het kantoor van de Kamer van Koophandel belden de medewerkers op 26 februari 1941 Zaanse bedrijven om door te geven dat er werd gestaakt. Toen die waren ingelicht, sloot de Kamer van Koophandel zelf ook de deuren, opdat het personeel kon meedoen aan de Februaristaking.
Op 21 juni 1944 schakelden Hannie Schaft en haar vriend Jan Bonekamp ter hoogte van dit adres de Zaandamse NSB-politiechef Willem Ragut uit. Hannies schot was niet onmiddellijk dodelijk, waardoor de van zijn fiets gevallen Ragut kon schieten op de naar hem toegekomen en vrijwel tegelijkertijd vurende Jan Bonekamp. Ragut stierf ter plekke, de zwaargewonde Bonekamp werd even later gearresteerd en overleed in een
Amsterdamse cel. Na de oorlog werd ter ere van Bonekamp en Schaft voor de Kamer van Koophandel een monument opgericht.
Op Westzijde 39 zetelde van mei tot begin augustus 1945 het Districts Militair Gezag. De Inspecteur Militair Gezag hield er spreekuur.

Westzijde 42
De woning van bankier Walraven van Hall diende aanvankelijk als vergaderplek voor de illegale Zeemanspot, een landelijke organisatie die in de oorlog gezinnen van buitengaats verblijvende Nederlandse zeevaarders financieel steunde. In de navolgende jaren werd het een ontmoetingsplek voor ondergrondse werkers van verschillende organisaties. Er lagen in Van Halls huis ook wapens, springstoffen, vanuit Engeland gestuurd geld voor het gezamenlijk verzet en illegale bladen opgeslagen.
Met Kerst 1944 was de inmiddels in Amsterdam ondergedoken en tot leider van de nationale illegaliteit uitgegroeide Van Hall voor het laatst in zijn woning, onder meer om met de top van het Zaanse verzet een plan te maken om de Arbeitseinsatz te dwarsbomen. Een maand later werd hij in de hoofdstad opgepakt en vervolgens, op 12 februari 1945, in Haarlem geëxecuteerd.

Walraven van Hall met zijn dochter Mary-Ann voor Westzijde 42, 1943.

Westzijde 53
Bij de Commissie voor Vrijlating kon men na de bevrijding verzoeken tot het loslaten van Zaanse collaboratieverdachten en vermeende zwarthandelaars indienen.
In hetzelfde pand bevond zich sinds 1945 de door het regionaal Militair Gezag ingestelde afdeling Rechtsherstel en Beheer. Het beheer betrof de vermogens en bezittingen van collaborateurs, alsmede het rechtsherstel van de joden en andere door de oorlog getroffen personen. De leiding van beide organisaties was in handen van C.W. Ubbink.

Westzijde 54a
Het joodse gezin Lewkowicz ontvluchtte in 1933 nazi-Duitsland en kwam in Zaandam terecht. Toen ze in januari 1942 naar Kamp Westerbork moesten, bood het even verderop wonende echtpaar Van Hall (zie Westzijde 42) aan om vader en moeder Lewkowicz naar Zwitserland te brengen en dochter Regina te laten onderduiken. Denkend dat de oorlog snel voorbij zou zijn, sloeg het gezin het aanbod af. Westerbork was het startpunt van een reis langs meerdere concentratiekampen, die ze ternauwernood overleefden. Na de bevrijding keerde de familie terug naar Zaandam.

Regina Lewkowicz in 1937.

Westzijde 74
De Binnenlandse Strijdkrachten hadden boven de bakkerij van Klaas de Vries een opslagplaats voor voedsel dat ten goede kwam aan de illegaliteit. In het voorjaar van 1945 werd hier wekelijks voor negenhonderd BS-leden een voedselpakket klaargemaakt.

Westzijde 75
De dominee van de Westzijderkerk, Jan Eikema, nam het tijdens zijn wekelijkse diensten openlijk op tegen de nazi’s en voor de joodse bevolking. Hij publiceerde in 1940 een van de eerste illegale Zaanse pamfletten – gericht tegen NSB’ers en andere ‘landverraders’ – en assisteerde overbuurman/radiohandelaar Jan Hendrik op den Velde bij het verzenden van codeberichten naar Groot-Brittannië.
Toen in 1942 de nazi’s de Nederlandse kerken ontdeden van hun klokken om ze in Duitsland te laten omsmelten tot kanonnen slaagde het verzet er op het laatste moment in om een uit 1810 daterende klok van de Westzijderkerk tot de bevrijding te laten onderduiken in het stovenhok van de kerk.

De ondergedoken en in mei 1945 weer tevoorschijn gehaalde klok van de Bullekerk.

Westzijde 77a
Op 21 juni 1944 verliet de Zaandamse politiechef Willem M. Ragut, een fanatieke nationaalsocialist, voor de laatste keer zijn bovenwoning aan de Westzijde 77a. Fietsend naar het even verder gelegen bureau van politie werd hij onder vuur genomen door de RVV-leden Jan Bonekamp en Hannie Schaft, met dodelijk gevolg (zie Westzijde 39).

Westzijde 80
Aan de binnenmuur van de doopsgezinde vermaning hangt een gedenkplaat voor Geertje Pel-Groot. Zij had in haar huis een joodse baby, Marion Swaab, maar werd verraden en op 20 februari 1945 in Ravensbrück vergast. Marion overleefde de oorlog. 

Marion Swaab met, op de achtergrond, haar pleegmoeder Geertje Pel.

Westzijde 92
Het Gemeentelijk Lyceum (later Zaanlands Lyceum) werd van 12 t/m 22 mei 1940 gevorderd door het Nederlandse leger en in de zomer van 1942 door de Weermacht. De Duitsers bleven er een vol jaar, waarna het gebouw weer werd vrijgegeven. De leerlingen kregen in de tussentijd op meerdere – uiteindelijk zelfs dertien – andere plekken in Zaandam les.
Per augustus 1942 werd de naam van de school op last van B&W het Hugo de Groot-Lyceum.

Gemeentelijk Lyceum-rector Jan Oosterhuis geeft in 1943 les op een alternatieve locatie, de eveneens aan de Westzijde gelegen recreatiezaal van Verkade.

 

 

 

Nieuwe publicatie: De Zaanstreek in oorlogstijd

Op 2 april 2020 verscheen De Zaanstreek in oorlogstijd. Dit 156 pagina’s tellende boek bevat bijna tweehonderd, veelal unieke foto’s waarop zowel de aanloop naar als het verloop van de Tweede Wereldoorlog valt te zien. Ze zijn gemaakt door professionals en amateurs. In opdracht van de NSB of heimelijk. Ze waren bedoeld voor de gelijkgeschakelde kranten of als herinnering aan een uniek tijdperk. Alle makers hadden hun eigen beweegredenen om te laten zien wat zich in de omgeving afspeelde. En van al die ‘vertegenwoordigers’ zijn in dit boek opnames afgedrukt. Ik heb vastgelegde gebeurtenissen gekoppeld aan data en plaatsen en ze van context voorzien. Het geheel biedt nieuw zicht op de Zaanstreek in de donkerste dagen van de twintigste eeuw.
De Zaanstreek in oorlogstijd is voor €24,95 verkrijgbaar via Stichting Uitgeverij Noord-Holland en uiteraard bij de boekhandel.

Twee boekpresentaties ‘De levens van Johnny de Droog’

Op zondag 1 en vrijdag 6 maart vindt de publieke presentatie plaats van mijn nieuwste boek, De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader. Wees welkom!

De Arnhemse fietsenmaker Johnny de Droog liet tussen 1942 en 1945 minstens driehonderd verzetsstrijders en joden achter de tralies verdwijnen. Ruim een kwart van zijn slachtoffers zou de bevrijding niet halen. De Droog joeg zijn prooien genadeloos op, martelde en moordde. Hij betoverde zijn slachtoffers met zijn charisma en fantastische verhalen. Elke poging om hem uit te schakelen faalde. Toch stierf deze ’sadist in optima forma’ op gewelddadige wijze, kort voor de Duitse capitulatie. Wie was daarvoor verantwoordelijk? Wat deed de gepassioneerde verzetsstrijder partij kiezen voor de Sicherheitsdienst? Hoe kon De Droog vervolgens straffeloos de illegaliteit binnendringen en talloze kopstukken uitleveren aan de vijand? En waarom kent bijna niemand deze opportunistische oorlogsmisdadiger, een van de effectiefste en gevaarlijkste die Nederland telde?
Archieven die eerder gesloten waren en gesprekken met ooggetuigen leiden naar verrassende antwoorden.

Op zondag 1 maart interviewt Harry van der Ploeg (De Gelderlander) me van 14.00-16.00 uur bij de Arnhemse boekhandel Het Colofon (Bakkerstraat 56) over De levens van Johnny de Droog. Op vrijdag 6 maart onderwerpt Martijn Couwenhoven (uitgeverij Oevers) me van 15.30-17.00 uur in het Zaandamse filmtheater De Fabriek (J. Sijbrandssteeg 12) aan een serie vragen. De entree is in beide gevallen gratis.