Filmbeelden gezocht over de Zaanstreek in oorlogstijd

 Oproep!
De eerste stappen zijn gezet om een film samen te stellen over de Zaanstreek in oorlogstijd. Het eindresultaat zal merendeels bestaan uit filmbeelden die zijn gemaakt tussen 1939 en 1945. Inmiddels hebben we de beschikking over enkele tientallen filmpjes uit die jaren, maar waarschijnlijk is er meer. Wie heeft of weet films -hoe kort, schijnbaar onbetekenend of amateuristisch ook- waarop de Zaanstreek in de aanloop naar en gedurende de oorlogsjaren is vastgelegd?
Reacties zijn van harte welkom via info@schaapschrijft.nl of 075-6313819. (En het verder verspreiden van deze boodschap is ook aardig.)
Hier een voorbeeld van een filmpje zoals we op het oog hebben: een huwelijk in Koog aan de Zaan (1941).

Verzet in Zaandijk: ‘Alle mogelijke valsche stempels konden door ons worden geleverd’

Jan Dirk Vis in 1951 (Gemeentearchief Zaanstad)

Jan Dirk Vis (1890-1953) zat in de top van het Zaandijkse verzet. Een jaar na de bevrijding beschreef hij zijn ervaringen gedurende de Tweede Wereldoorlog. Er bestaan duizenden naoorlogse terugblikken op de illegaliteit. Meestal zijn die anekdotisch, ideologisch gekleurd en lijkt het alsof de bezetter dankzij de overweldigende weerstand weinig te vertellen had. Bovendien werden vaak namen van betrokkenen weggelaten of veranderd in een pseudoniem. Vis daarentegen beschreef zijn ervaringen nuchter en met vermelding van alle hem bekende namen. Het resultaat is een interessant inkijkje in een dorps verzetsmilieu.

Mijn eerste schreden op het pad der illegaliteit heb ik gezet begin mei 1941, geloof ik. Reeds eenigen tijd kende ik Joop Keijzer, rijksveldwachter alhier, waarvan mij bekend was dat hij behoorde tot de groep Ero, Honig, Groot, De Jong c.s. Toen deze groep op één of twee na geheel werd ‘opgerold’ en Keijzer één van de gelukkigen was die aan de klauwen van de moffen wist te ontkomen, moest deze op 4 mei 1941 onderduiken. Hij bracht alles wat voor hem van eenige waarde was bij mij en verdween. Al spoedig kreeg ik van hem bericht waar hij zat en het verzoek hem te willen bezoeken. Van dien tijd af verrichtte ik geregeld koeriersdiensten voor hem en vormde ik de verbinding tusschen hem en zijn vrouw, die eerst niet mocht weten waar hij verbleef. Van hem ontving ik verschillende opdrachten om uit te voeren, waardoor ik eigenlijk vanzelf in het ‘ondergrondsche vak’ terechtkwam.

Zoover ik mij herinner, was dit eigenlijk het begin van mijn ‘zaak’, een zaak die al spoedig grooteren omvang aannam. Voor koeriersdiensten kregen wij al gauw de beschikking over enkele dames en meisjes, maar er waren heel veel andere werkzaamheden te verrichten, bijvoorbeeld het onderbrengen van joden, onderduikers en later ook van spoormenschen. Er moest geld worden ingezameld om de onderduikers die daaraan behoefte hadden financieel te ondersteunen, terwijl in sommige gevallen ook ondersteuning in natura plaatsvond. Ook werden de onderduikers door ons van distibutiekaarten, inlegvellen en bonnen voorzien.

Dan hadden we ook nog een groot aantal afnemers van valsche ‘Ausweisen’, voorzien van valsche stempels en valsche handteekening. De zogenaamde Z-kaarten hebben ons heel wat werk verschaft, aangezien wij hiervan eenige honderden hebben ingevuld met gefingeerden namen van werkgevers en werknemers, waardoor de opzet van de moffen om een nauwkeurig overzicht te verkrijgen over het hier in het land beschikbaar menschenmateriaal om naar Duitschland te zenden geheel is mislukt. Weer een andere tak van het bedrijf was het vervalschen van bestaande en het verstrekken van geheel valsche persoonsbewijzen, waarmee gepaard ging het vervalschen van trouwboekjes en distibutiestamkaarten.

Ik wil niet onvermeld laten dat ik al dit werk deed in de meest nuttige en tevens meest aangename samenwerking met ‘Oome Jaap’ (J. Muusse, alhier). Het was juist dit werk dat mij tot de OD [Ordedienst] heeft gebracht. Door een kennis van mij kwam ik in contact met ‘Dirk Jan’ uit Amsterdam, die ook geholpen moest worden aan een valsch P.B. en bonkaarten. Door hem kwam ik weer in verbinding met den heer R.C. van den Bosch, Opperw.[achtmeester] der Kon.[inklijke] Marech.[aussee] te Zaandam, die ook voor mij een bestelling had, o.a. een ander P.B. voor hemzelf en die sindsdien herdoopt was in Henry van Treslong. Na elkander daarna nog eenige malen gesproken te hebben, verzocht hij mij het plaatselijk commando voor den OD in Zaandijk op mij te willen nemen, waartoe ik mij graag bereid verklaarde. Een datum van aanstelling zou ik u niet kunnen opgeven, maar ik meen dat dit omstreeks mei/juni 1943 is geweest.

Reinier Cornelis van den Bosch

Op deze wijze kwam ik in contact met den heer Hiemstra te Koog a/d Zaan, van wien ik vernam dat hij commandant was voor Koog en Zaandijk, en de heer Nijzink te Koog zooveel als ondercommandant voor Koog en ik ondercommandant voor Zaandijk. De samenwerking met dezen superieur van mij was helaas niet zoo aangenaam als ik mij dat had voorgesteld en als door mij wel wenschelijk werd geacht in het belang van de goede zaak. Na verloop van tijd werd de heer Hiemstra vervangen door den heer D.J.J. Hellema te Koog a/d Zaan, die, nadat deze op 11 februari 1945 te Obdam door de moffen was vermoord, werd opgevolgd door den heer P. Bets te Zaandijk. Eerst van dien tijd af kan ik spreken over een behoorlijke en prettige samenwerking.

Ik keer nu eerst even terug naar de werkzaamheden welke hier werden verricht vóór de bevrijding. Behalve de reeds eerder vermelde bezigheden had ik hier, in samenwerking met ‘Oome Jaap’, een waarschuwingsdienst georganiseerd, die in werking kwam zoodra ik een seintje kreeg dat er een razzia op komst was. Soms werd ik door één van mijn superieuren opgebeld, meestal ‘s nachts natuurlijk, en ontving dan de een of andere opdracht om hier of daar te gaan kijken of er moffen waren en wat ze daar deden. Zoo gauw mogelijk moest er dan natuurlijk verslag worden uitgebracht, wat ook steeds prompt geschiedde, maar heel vaak kon ik niets anders dan ‘loos alarm’ rapporteeren. Ook ontving ik verschillende malen op deze wijze bericht dat er onraad dreigde voor den één of ander, die dan gewaarschuwd moest worden, of dat er sprake was van een razzia onder de geheele bevolking, in welk geval dan het reeds genoemde waarschuwingssysteem in actie kwam. 

Alle mogelijke valsche stempels, niet van echten te onderscheiden, konden door ons worden geleverd. Ook hielden we ons toen reeds bezig met het samenstellen van een lijst van NSB’ers, Duitschers, NSKK’ers, collaborateurs, zwarte handelaren, enz.

Op zaterdag 13 mei 1944 dook onze burgemeester, A.H. van Gelderen van Zaandijk, onder, omdat de moffen hem wilden inrekenen. Teneinde te voorkomen dat zijn geheele inboedel door de moffen zou worden weggesleept, moest deze zoo gauw mogelijk ‘geborgen’ worden. ‘s Zondagmiddags wist ik de heeren J.H. Fust en C. Brinkman ervoor te vinden mij te helpen de heele zaak zoo goed en zoo kwaad als het ging zoo gauw mogelijk in te pakken, waarmee we ‘s avonds klaar waren. Maandagmorgen om vier uur stond Arie Luik met zijn vrachtwagen voor het huis en om acht uur was er in het heele huis niets meer te vinden. Luik moest als gevolg hiervan al heel gauw ook onderduiken, aangezien het was uitgelekt dat hij had gereden en dientengevolge door de landwacht werd gezocht. Ook mijn naam schijnt genoemd te zijn, tenminste bleek mij dit toen ik hierover door den commandant van de landwacht werd verhoord, maar ik wist natuurlijk nergens van.

Maar bij die eene verhuizing bleef het niet. Onze gemeentesecretaris J.H. van der Goes verkoos niet met den nieuwen burgemeester samen te werken en dook ook onder. Ook zijn bezittingen moesten dus in veiligheid worden gebracht. ‘s Avonds om 7 uur begonnen, was om 11 uur het geheele huis leeg. Helaas waren we hiermee niet zoo gelukkig. Hebben de moffen nooit kunnen uitvinden wie den burgemeester hadden verhuisd en waar die goederen waren gebleven, met de goederen van den heer V/d Goes is het slechter afgelopen. Hoe het precies is uitgekomen, daar ben ik nooit achter gekomen, maar de landwacht wist al heel gauw precies wie er aan hadden meegewerkt en waar de goederen waren geborgen.

Op Hemelvaartsdag, 18 mei 1944, werden alle medewerkers van de verhuizing door den commandant van de landwacht, F.W. Koot, op het raadhuis aan een verhoor onderworpen, met het gevolg dat mevrouw Daam-van Haalderen en de heer Rienstra, conciërge van het raadhuis, in het concentratiekamp Vught terechtkwamen. Bij dit verhoor was ik niet tegenwoordig, mij was iets ter oore gekomen van wat er dreigde en ik vond het dus maar beter dien dag niet thuis te zijn. Het verhoor van mij vond eerst den volgenden middag plaats, maar dat had natuurlijk heel geen succes, want ik had mij eerst nauwkeurig op de hoogte gesteld van de gang van zaken van den vorigen dag. Later is door mij als Plaatselijk Commandant van Zaandijk, in tegenwoordigheid van twee rechercheurs van den POD [Politieke Opsporingsdienst] den bovengenoemden Commandant van den landwacht in Castricum, alwaar hij toen was gedetineerd, een verhoor afgenomen. Over deze zaak heb ik toen een uitvoerig rapport opgemaakt en aan den POD te Zaandam doorgezonden.

Op dinsdag 12 september 1944 werd mijn hulp ingeroepen voor een Amerikaanschen vliegenier, die hier in de omgeving met nog acht andere piloten uit een aangeschoten Amerikaansch vliegtuig was neergekomen en geborgen was bij den heer Zwart op ‘Het Herderskind’ in het Westzijderveld. In de eerste plaats voorzag ik hem van burgerkleeren en distibutiebescheiden en ik wisselde voor hem 2000 Fransche Francs om in Nederlands geld, welke later door mij bij de Incasso-bank te Zaandam werden ingeleverd en waarover ik tot dusver nog nooit meer iets heb vernomen. Hoe het verder met dezen man is gegaan behoef ik u [August W. Sabel] niet nader te omnschrijven, dat is u genoegzaam bekend. Wel wil ik u verklaren dat het weer moeten inleveren van dezen man voor mij het beroerdste werk is geweest dat ik gedurenden den geheelen oorlog heb verricht.

Het neergehaalde vliegtuig, de Betty Jane, met haar bemanning

Maar het was ook niet prettig den volgenden dag van een telefoontje te krijgen, dat ik maar wat uit logeeren moest gaan, omdat mijn naam aan de politie was genoemd in verband met dat inleveren van dien vliegenier. Daar was dus niets aan te doen, ik trok naar Uitgeest, waar ik van hieruit gemakkelijk te bereiken was en van waar ik ook weer gauw thuis kon zijn wanneer dit noodig mocht zijn. Gelukkig duurde deze ballingschap niet lang, want na een week kreeg ik door middel van een koerierster bericht dat het gevaar voor mij wel weer geweken was en ik wel weer thuis kon komen. Dit was maar goed ook, want juist denzelfden ochtend werd er in Uitgeest bekendgemaakt dat vrijwel geheel Uitgeest moest evacueeren naar de Zaanstreek. Het duurde dus niet lang of ik was weer thuis. 

Toen ik thuis kwam, was men in Zaandijk juist bezig een evacuatiecommissie op te richten, om het onderdak brengen van de evacués en het transport van hun mee te brengen goederen te regelen. Natuurlijk moesten ‘tante Lena’ [Keijzer] en ik hierin zitting nemen, omdat wij beiden precies wisten waar hier in de gemeente joden en andere onderduikers verborgen zaten en waar natuurlijk geen evacués mochten worden ondergebracht.

Op 10 oktober 1944 ontving ik op het bureau van de evacuatiecommissie een berichtje van het raadhuis dat er moffen bij den burgemeester waren, die als straf voor het feit dat ze op den spoorweg in onze gemeente eenige bommen zouden hebben gevonden, zes huizen zouden afbranden. Het zouden huizen zijn die dichtbij de plaats stonden waar de bommen moesten zijn gevonden. Onmiddellijk werd de geheele evacuatiecommissie gemobiliseerd, eerst om de menschen die dicht bij den spoorweg woonden te waarschuwen en tevens om in de geheele gemeente alarm te maken. Zoodra bekend was welke huizen als slachtoffer zouden moeten vallen, zijn we met vereende krachten begonnen zooveel mogelijk uit deze huizen te halen. Dankzij de onvermoeide pogingen van onze toenmaligen burgemeester Volkers speelde die het klaar van die moffen gedaan te krijgen dat ze met het in brand steken een uur hebben gewacht, in welken tijd wij met hulp van ontzettend veel menschen en inspanning van alle krachten het klaarspeelden alle zes huizen vrijwel geheel te ontruimen.

Eén der huizen, dat van den heer Woudt aan de Plataanlaan, bliezen ze in de lucht, terwijl de andere vijf huizen aan de Tuinkade gewoon in brand werden gestoken. De brandweer was wel aanwezig, maar mocht zich aanvankelijk alleen bepalen tot het nathouden van de belendende gebouwen en de achter de huizen staande schuurtjes, maar verder moest zij lijdelijk aanzien tot ongeveer vijf uur toen de ‘heeren’ vertrokken.

Plataanlaan 11 en Tuinkade na de represaille (Gemeentearchief Zaanstad)

Door mijn werkzaamheden voor de evacuatiecommissie zoowel als door mijn functie bij brandweer en luchtbescherming kwam ik nogal eens in contact met burgemeester Volkers, die in mij nogal eenig vertrouwen scheen te stellen. Zoodoende ontving ik omstreeks half januari 1945 van hem het verzoek om te willen meewerken aan een Nood-Organisatie, welke zou worden opgericht voor Koog en Zaandijk en waarover nauwkeurig wordt vermeld in het door mij over deze organisatie uitgebrachte rapport, waarvan ik een exemplaar hierbij insluit.

Van het vertrouwen dat burgemeester Volkers in mij stelde, kon ik af en toe wel eens aardig gebruikmaken. Ten eerste was ik op het raadhuis ‘als kind in huis’, zoodat ik steeds nauwkeurig op de hoogte was van alles wat daar gebeurde en ten tweede vroeg hij mij wel eens om raad, waarvan ik dan weer profijt kon trekken in het belang van de goede zaak. Zoo herinner ik mij bijvoorbeeld dat hij eens mijn hulp inriep, omdat hij geen raad wist met het transport van het eten van de Centrale Keuken te Wormerveer naar de uitdeelposten in onze gemeente. Ik zag er wel kans voor dat probleem op te lossen, mits hij mij voor twee onderduikers deugdelijke ‘Ausweisen’ verschafte, hetgeen prompt door hem in orde werd gemaakt. De twee jongens die ik hiervoor op het oog had, hadden geen kans om naar Duitschland gezonden te worden en verdienden behoorlijk hun eigen kost, zoodat ze niet meer door ons behoefden te worden onderhouden.

Op 1sten Kerstdag, 25 december 1944, kreeg ik van de heer Hellema een telefoontje, dat ons bevolkingsregister dien nacht ‘in veiligheid’ zou worden gebracht en dat het verdere beheer en de verzorging hiervan aan mij werd opgedragen. Al spoedig had ik er een geschikte en veilige bergplaats voor gevonden. ‘s Avonds ongeveer elf uur overviel een stelletje jongens van het S.G. [Strijdend Gedeelte van de Binnenlandse Strijdkrachten] den gemeentesecretaris De Boer, die met bedreiging van geweld gedwongen werd alle sleutels van het raadhuis even af te staan. Dit gebeurde prompt en terwijl een gedeelte der jongens waakte dat De Boer geen alarm zou kunnen maken, stapten de andere jongens naar het raadhuis, openden met de geleende sleutels de kluis en laadden de geheele inhoud hiervan zorgvuldig in negen gonje zakken, hiervoor meegebracht, verpakten het heele geval op een bakfiets, waarmee de zaak naar aangewezen bewaarplaats werd getransporteerd. Toen mij later bleek dat de jongens niet alleen het bevolkingsregister, maar ook een paar trommels met geld hadden meegenomen, zoodat de gemeente geheel zonder geld zat, heb ik deze trommels er uitgelicht en er voor gezorgd dat deze weer op het raadhuis terechtkwamen, natuurlijk zoo, dat ze niet wisten wie ervoor had gezorgd.

Bij die gelegenheid bleek mij dat er zich ook bij bevond een boek met alle mogelijke zegels voor persoonsbewijzen en dat natuurlijk ook door mij werd meegenomen en waarvan wij buitengewoon veel pleizier hebben gehad bij de verstrekking van valsche persoonsbewijzen. Ik ben altijd nog erg blij dat ik die geldtrommels toen onmiddellijk heb terugbezorgd, want toen direct na de capitulatie burgemeester Van Gelderen en de heer Vesseur weer op hun posten terugkeerden en de heele zaak aan een nauwkeurig onderzoek onderwierpen, bleek dat er een kastekort was van maar even 70.000 gulden.

Wanneer ik moet vertellen over het zuivere OD-werk, dan zou ik dit willen samenvatten in de paar woorden ‘orders en tegenorders, instructies en tegeninstructies’. Van al het vóór de bevrijding verrichte werk is maar heel weinig tot zijn recht gekomen, omdat tenslotte alles heel anders is gelopen dan we ons dat aanvankelijk hadden voorgesteld. Wel werd begin januari 1945 door ons een kern gevormd voor de B(ewakings)T(roepen), bestaande uit twaalf man, die ieder op hun beurt weer een tiental vertrouwde menschen zouden uitkiezen om zoodra dit noodig zou zijn deze menschen ook in de geheimen in te wijden. Gedurende eenige maanden werden bovengenoemde twaalf man geregeld twee maal per week geoefend in de hanteering van stengun en handgranaten. Deze oefeningen vonden plaats in een lokaal van de ULO-school alhier, terwijl het oefenmateriaal ons welwillend werd ter beschikking gesteld door ‘Oome Jaap’ van het S(trijdend) G(edeelte). Zij hebben echter nooit dienst behoeven te doen.

Reeds eerder heb ik vermeld dat de heer Hellema als Commandant van Koog en Zaandijk werd opgevolgd door den heer P. Bets te Zaandijk. Daar heb ik steeds zeer aangenaam mee samengewerkt. Vanaf dien tijd kwamen de heeren Bets en Nijzink en ik iederen maandagmiddag bij mij thuis bij elkander om de verschillende zaken te bespreken en te regelen. Zoodra de heer Bets was benoemd, werd zijn naam aan de sterktelijst der BS toegevoegd. Hij was zeer verwonderd toen te ervaren dat de naam van den heer Nijzink ook op deze lijst voorkwam, maar dat de naam van mij, die ondertusschen al zoo ongeveer twee jaren dienst in den OD achter den rug had, er nog niet op stond. Door zijn toedoen werd eerst toen ook mijn naam aan die lijst toegevoegd. De chef-menagemeester van de BS, J. van Delft, noteerde hiervoor mijn naam keurig op een briefje, borg dit briefje zorgvuldig in zijn tasch op en toen de landwacht op 19 maart 1945 een inval deed in Van Delft’s Fabrieken en daar o.a. ook de tasch, met het briefje, van J. van Delft meenam, begon het voor mij wel wat gevaarlijk te worden om thuis te blijven. Van den heer Nijzink kreeg ik een telefoontje, dat ik verstandig zou doen om voorlopig maar onder te duiken. Maar met het oog op mijn werkzaamheden voor de goede zaak kon ik de gemeente niet verlaten. Ook met het oog op de Nood-Organisatie, waarvan ik secretaris was, en de distributie van de Zweedsche en Roode Kruis-uitdeeling van brood en andere artikelen, waarvan ik de leiding hier in de gemeente had, was mij dit niet mogelijk. Daarom bepaalde ik mij er maar toe om gedurende ruim veertien dagen bij een familielid alhier te slapen en te eten. Gelukkig heb ik hierover verder nooit meer iets bemerkt, dan alleen dat mijn naam dan toch eindelijk aan de sterktelijst der BS was toegevoegd.

En hierop volgde al spoedig de dag waarnaar we al zoo lang reikhalzend hadden uitgezien, namelijk de capitulatie der Duitschers op vrijdagavond 4 mei 1945. Het liefst zouden we toen meteen maar begonnen zijn met ons werk, maar we hadden van hoogerhandf instructies om niets te doen zonder hiertoe order of bevel te hebben ontvangen, ook was sterk afgeraden te gaan vlaggen zoolang we hiervoor geen toestemming hadden ontvangen. Maar het publiek stoorde zich daar niet aan. Overal zag men de vlaggen tevoorschijn komen en toen vrijwel de geheele gemeente één groote vlaggentooi was, heb ik zaterdagmorgen om 12 uur zelf ook maar de vlag op het raadhuis geheeschen. 

Zondagmorgen 6 mei installeerden we ons in het raadhuis. Als bewakingstroepen kreeg ik direct de beschikking over een groep van tien man, die door ‘Oome Jaap’ voor het strijdend gedeelte keurig was geoefend en afgericht, doch daarin schijnbaar niet kon worden opgenomen. Later, toen bleek dat wij aan die tien man niet voldoende hadden, werd ons corps Bewakingstroepen nog verder uitgebreid en tenslotte bestond uit:
1 Commandant voor Koog en Zaandijk
1 adjudant
1 P.C. voor Zaandijk
1 adjudant
1 koerier
2 groepsleiders
21 manschappen
1 motorordonnans
dus totaal 29 man.

De werkzaamheden van deze menschen waren in hoofdzaak de bewaking van het raadhuis, eerst dag en nacht, later alleen overdag.
Controle, minstens tweemaal per dag, van de huizen van gearresteerde personen.
Het aanplakken van de verschillende, met kwistigen hand rondgestrooide proclamaties.
Het schoonhouden van het bureau van den P.C. en het wachtlokaal.
Het werken in de BS-keuken in Wormerveer.
Het bewaken van de orde op straat en het controleren van rijvergunningen voor auto’s en motorfietsen.
En later, toen op 2 juni 1945 de eerste trein weer reed, een trein speciaal voor uit Duitschland repatrieerenden, die iederen middag hier om 1 uur aankwam, deden de mannen dienst om ongelukken te voorkomen, aangezien de publieke belangstelling hiervoor enorm was en de afrastering van den spoorweg door de brandstoffenschaarschte was gesneuveld. Ook werden de aankomende repatrieerenden dan meteen even aan een onderzoek onderworpen of er niet één bij was die op onze lijst van te arresteeren personen voorkwam. Wat Zaandijk betreft hebben we hiermee maar eenmaal succes gehad. Wel is het nog eens voorgekomen dat er één die op onze lijst stond met een andere gelegenheid thuiskwam, maar hij was nog geen vijf minuten in huis of ik was met mijn adjudant bij hem en hij gaf gewillig gehoor aan mijn verzoek om mee te gaan naar mijn bureau, alwaar hij later door de bevoegde instantie werd overgenomen.

Maar op zondag 6 mei zaten we wel op het raadhuis, maar er was nog bitter weinig voor ons te doen. Voor de legering van het S.G. in de Kooger school hadden ze behoefte aan stroozakken. Uit hoofde van mijn vroegere functie bij de Evaluatiecommissie was mij bekend dat van deze commissie in de Paral-verffabriek 35 balen stroo, vier gevulde stroozakken, 80 leege stroozakken en 83 hoofdkussentjes aanwezig waren. Deze werden voor dit doel door mij aan den C.C. Koog afgegeven en ik geloof dat dit een van de weinige werkzaamheden van dien dag was, want wij zaten nog maar steeds af te wachten.

Intusschen was de heer J.H. Fust met zijn auto naar Waddinxveen gegaan om de burgemeester Van Gelderen terug te halen. Afgesproken was met den C.C. Koog, dat die voor een eere-escorte van de BS zou zorgdragen bij de feestelijke intocht van burgemeester van Gelderen, die maandagmorgen 9 uur zou plaatsvinden. Door een misverstand kwam het eere-escorte echter niet opdagen en de feestelijke intocht werd verschoven naar ‘s middags twee uur. Dat ging beter. Met Zaandijksch Fanfarecorps voorop en begeleid door het eere-escorte der BS en gevolgd door een enorme menschenmassa trok de stoet vanaf de Parklaan naar het raadhuis, alwaar het gebruikelijk ceremonieel plaatsvond, toespraken, felicitaties, enz.

Maandag 7 mei werd er ‘s avonds één arrestatie hier verricht (H. van Essen), maar dinsdag 8 mei was hier de groote arrestatiedag, terwijl er ook woensdag 9 mei nog verschillende gearresteerd werden. In totaal werden hier in die paar dagen 38 menschen gearresteerd, waarvan er 7 al heel gauw weer vrijgelaten moesten worden.

Door deze arrestaties kwamen er 17 huizen onder onze bewaking te staan. De sleutels van deze huizen, voorzoover geen bewoners meer achtergebleven, kwamen onder mijn berusting. Al deze huizen moesten worden onderzocht of er nog bezwarende papieren te vinden waren, of er geld aanwezig was, dat door mij voorloopig is bewaring werd genomen, of er aan bederf onderhevige etenswaren aanwezig waren, de in deze huizen binnenkomende post werd gecontroleerd. Etenswaren werden afgeleverd aan de staf, terwijl er door ons brandstoffen zijn weggehaald en afgeleverd aan de BS-keuken te Wormerveer, het Roode Kruis en het Kindertehuis voor NSB-kinderen te Edam. Ook kwam het voor dat in die NSB-huizen voorwerpen waren van niet-NSB’ers die aan den rechtmatigen eigenaar moesten worden terugbezorgd.

Soms hadden de in de strafgevangenis gedetineerden andere kleeren, eetgerei, toiletartikelen of iets dergelijks noodig. Hierover kregen wij dan bericht van de strafgevangenis en wij zorgden ervoor. Ook het verstrekken van bewijzen van politieke betrouwbaarheid hoorde tot onze werkzaamheden en nog zooveel andere dingen, maar ik hoop dat u mij niet kwalijk zult nemen wanneer ik het een of ander nog heb vergeten. Zoo heb ik nog niet vermeld dat één van de allereerste dingen die we maandag 7 mei hebben gedaan was het weer ophalen uit zijn schuilhoek en weer op het raadhuis terugbrengen van het ondergedoken bevolkingsregister. Later kwamen menschen die door de moffen alles kwijtgeraakt waren en daarom van Bureau Rechtsherstel toestemming hadden gekregen om uit verschillende NSB-huizen goederen te halen, hetgeen ook weer door ons werd gecontroleerd.

De districtsgevangenis in Zaandam, mei 1945 (Gemeentearchief Zaanstad)

Nog druk met al deze werkzaamheden bezig, ontving ik op 8 juni 1945 een schrijven van den 7-en, dat krachtens order van H.K.-G11 [hoofdkwartier van Gewest 11] Sec. 1 No. 51 d.d. 5 juni 1945 de werkzaamheden van de Plaats. Commandanten per 10 juni zouden worden overgenomen. Er was echter geen Comp. Commandant te vinden die orde had of ook maar eenigszins genegen was de zaken van mij over te nemen. Hierop vervoegde ik mij bij mijn Distr. Commandant, die mij op de vraag wat ik nu moest doen, antwoordde: rustig doorgaan en zelf de zaken afwikkelen. Mitsdien werd de zaak weer op denzelfden voet voortgezet. Wel heb ik getracht de heele zaak zoo spoedig mogelijk te liwideeren. Zoo langzamerhand heb ik verschillende zaken die ik onder mijn berusting had, zooals geld enz., overgedragen aan Bureau Rechtsherstel, zoodat ik tenslotte op 28 juli de zaak als officieel afgesloten kon beschouwen. Dat wil niet zeggen dat ik er heelemaal niets meer mee te maken had, want na de officieele sluiting kwam men toch steeds nog weer met alle mogelijke inlichtingen bij mij, hetgeen zelfs tegenwoordig nog wel eens gebeurt.

Ik meen u hiermede zoo ongeveer een overzicht gegeven te hebben van hetgeen ik hier in de oorlogsjaren in grove trekken heb meegemaakt. Aan den eenen kant zal ik wel wat hebben vergeten, aan den anderen kant zal er ook wel wat in voorkomen wat u misschien niet interesseert, maar wat er te veel is ziet u maar over het hoofd. Ik hoop dat ik u hiermee naar uw genoegen heb ingelicht.

V.l. n.r. Jan Dirk Vis, waarsch. P. van Daalen, Pieter Bets, Herm Nijzink en Reijer Bets (particuliere collectie)

Een kat in het nauw

Dat de nood tijdens de Hongerwinter werd gelenigd met bloembollen mag algemeen bekend verondersteld worden. Dat ook de kat werd ingezet om in het geïsoleerde westen van Nederland nog iets eetbaars op tafel te krijgen, weten minder mensen. Naar schatting bijna de helft van de huiskatten haalde de bevrijding niet.

De jacht op deze dieren begon overigens al vroeg. De kattenmepper deed al in 1940 zijn intrede. Op 12 december 1940 waarschuwde het Nieuwsblad van het Noorden: “Er verdwijnen katten. Of het om het vlees of om het zachte velletje te doen is, weet men nog niet. Wel heeft (de politie) bij een opkoper het vel van een vermiste kat gevonden.” Vlees was inmiddels op de bon en er waren restaurants die poes serveerden, zij het dat op de menukaart Minoes en Poekie waren vermomd als ‘hazepeper’. De gemeente Amsterdam gaf in juni 1942 zelfs toestemming om honden- en kattenvlees te verkopen, mits de huisdieren waren gekeurd en geslacht in het gemeentelijk abattoir. De autoriteiten vaardigden een half jaar later alsnog een verbod uit op het slachten van honden en katten. Ondergronds ging de jacht overigens gewoon verder. Met name het laatste oorlogsjaar waren de voorheen zo aaibare en om andere redenen gewaardeerde beestjes hun leven niet zeker.

Een mooi Zaans voorbeeld wordt geschetst door oud-verzetsman Klaas Baarda. In zijn memoires wijdt de Zaandammer enkele passages aan hetgeen er tijdens de winter van 1944-’45 in en rond de keukens van zijn strijdmakkers Albert op den Velde en Nico Pos gebeurde. “Appie had zo’n honger dat hij zich vergreep aan de kat van zijn buurman. Hij slachtte hem snel en en zette hem in een pannetje op zijn noodkacheltje. Deksel erop en lekker pruttelen. Even later komt buurman bij hem aan de deur. ‘Allebert, heb je mijn poes ook gezien?’ Waarop Appie met een steelse blik op zijn pruttelende pannetje antwoordde: ‘Nou buur, ik zie hem niet, maar ik dacht toch dat ik hem hoorde.’
Cootje had een heel andere methode om een kat te vangen, want die waren zeer schaars geworden. Hij ving een paar stekelbaarsjes en stopte die in de omslag van zijn pantalon. Heel zachtjes door de achtertuintjes wandelend lokte hij een kat, die op de lucht afkwam, naar zich toe. Er zijn mensen die een kat lekkerder vinden dan een konijn.”

Een kattenrecept heb ik niet gevonden, maar wie meer wil weten over Felis catus in oorlogstijd verwijs ik naar het antiquarisch vast nog wel verkrijgbare boek Poes in verdrukking en verzet 1940-1945 (waarin bovenstaande anekdotes overigens niet voorkomen).

De memoires van verzetsman Nico Rem

Nicolaas (‘Nico’) Frederik Rem (1922-1988) uit Wormerveer was onder andere lid van de zogeheten ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Meerdere leden van deze kleine Zaanse organisatie, die zich vooral bezighield met gewapend verzet, zouden de oorlog niet overleven. Nico Rem gelukkig wel. Ruim veertig jaar na de bevrijding zette hij zijn herinneringen op papier. Ze geven een goed inzicht in zijn activiteiten, maar ook van de gevaren, de angsten en de (naoorlogse) emoties. Ik plaats zijn verhaal daarom één-op-één. Omdat Rem pseudoniemen gebruikte, heb ik wel waar mogelijk tussen [ ] de echte namen – en zo nu en dan een kleine correctie – toegevoegd. Een long read over een onderdeel van de Zaanse illegaliteit, van binnenuit geschreven.

Een woord vooraf

Toen Duitsland in 1945 capituleerde, dacht ik een periode uit mijn leven te kunnen afsluiten. Er wachtte een nieuwe taak – de wederopbouw van ons zo gehavende land. Zowel mijn vader als ik waren de laatste ander­half jaar voortvluchtig geweest. Van ons eens zo florerend bedrijf N.H. Rem, stokkenfabriek N.V., Wormerveer, was na onze terugkeer niet zo veel meer over. Alleen de gebouwen en de ter­reinen waren er nog als restanten uit het verleden. Wat hebben wij, vooral de eerste tien jaar na de bevrijding, gezwoegd. Het ontbrak ons aan alles: machines, grondstoffen, materialen. Wij hadden echter wél de sterke wil ons bedrijf weer in zijn oude glorie te herstellen. Maar het was haast een onmogelijke taak. Tijd om terug te zien, terug te denken aan de enerve­rende periode welke achter ons lag, was er niet, gunden wij ons ook niet. Achteraf geloof ik dat ik hieraan ook niet herinnerd wilde worden, om­dat deze herinneringen gepaard zouden gaan met emoties welke ik nog niet verwerkt had.

Soms komen deze emoties ‘s nachts toch naar boven in de slaap. Ik droom­de veel. Ik zag de doodsangst in de ogen van de man die ik had neerge­schoten. Ik hoorde hem spreken, maar kon hem niet verstaan, als sprak hij vanuit een andere wereld. Ik zag mijn gevallen vrienden, hoorde hoe zij hun namen uitspraken en herkende hen aan hun stemmen. Stemmen die nooit meer zouden klinken. Ik beleefde mijn arrestatie weer. Ik keek toe, gelovend in de werkelijkheid van zo’n nachtmerrie.

Deze dromen werden steeds frequenter. Zij ondermijnden mij, totdat ik zowel geestelijk als lichamelijk totaal was uitgeput. Ik begon aan ge­heugenstoornissen te lijden. Met name wat er gedurende de bezettings­jaren was voorgevallen, kon ik mij nauwelijks herinneren. Ik werd door mijn huisarts doorverwezen naar een zenuwspecialist. Ik trof in hem een oud-medestrijder. En toen begon ik eindelijk te praten. Het werkte bevrijdend. Het was als de verfrissende regen na een smoor­hete dag. Hij raadde mij ook aan mijn belevenissen gedurende de bezettingsjaren op te schrijven. “Je moet proberen de emoties van je af te schrij­ven. Het zal je goed doen.” Ik heb heel lang geaarzeld – ik kon er maar niet toe komen. Eindelijk heb ik zijn raad dan toch opgevolgd. Het zijn slechts enkele voorvallen uit een reeks van gebeurtenissen. Geen terug­blik op een ‘heroïsch’ verleden, want een held ben ik niet geweest. Ik erken dat ik wellicht meer had kunnen doen, meer had moeten riskeren, maar dat de angst mij soms in zijn greep had. Met verbazing en een zekere jaloezie heb ik naar vrienden gekeken die de meest riskante opdrachten vervulden zonder ook maar een spoor van angst te tonen. Zo was ik niet. Alles wat ik deed, heb ik gedaan met een bonzend hart en de bede; o God, help mij alstublieft.

Nog later besloot ik deze verhalen te bundelen, opdat zij die mij na staan en vooral zij die na mij komen hiervan kennis kunnen nemen. Ik hoop dat zij zullen beseffen welk een voorrecht het is in een vrij land te mogen leven en ook dat zij bereid zullen zijn zich hiervoor in te zetten. Bij het schrijven van deze herinneringen, verwijlden mijn gedachten veel bij mijn geliefde ouders. Dierbare herinneringen, aan hen die het woord liefde voor hun kinderen zichtbaar maakten. Wat hebben zij zich fier ge­dragen gedurende de bezettingsjaren. Ongetwijfeld de moeilijkste periode uit hun beider leven – een periode vol angsten, zorgen en verdriet. Natuur­lijk waren tijdens het schrijven mijn gedachten ook bij die velen voor wie de bevrijding te laat kwam – bij die vele vrienden die het hoogste offer brachten – het offer van hun leven. Moge zij thans de ware vrede gevonden hebben. De vrede die alle verstand te boven gaat. En nu, zo vele jaren later, kijk ik nogal eens om. Kan ik weer terugzien op een periode uit mijn leven welke zulke diepe sporen heeft achtergelaten en waarin ik haast ten onder was gegaan. En dan overweldigt mij de dank­baarheid dat ik, o wonder, mocht blijven leven.

Enkele dagen na de bevrijding kreeg mijn vader van een vriend een tekst die vele jaren in ons huis aan de muur heeft gehangen. Ik zie hem nog voor mij en ik lees opnieuw:
Door ‘s Hoogsten arm ‘t geweld onttogen
zal ik genoopt tot dankbaarheid
verschijnen voor Zijn heilige ogen
met offers aan hem toegewijd.
Ik zal, nu ik weer mag ademhalen
na zoveel bange tegenspoed
al mijn geloften U betalen
U die in nood mij hebt behoed.

Dikwijls is mij gevraagd waarom ik bij “het verzet” ben gegaan. Mijn ant­woord was heel simpel: omdat ik het niet laten kon. De Duitse bezetting – de Duitse vernederingen – de vervolging van onze joodse landgenoten, ik onderging dit alles haast als lichamelijke pijn. Hoe goed begreep en verstond ik toen de dichter van ons volkslied: “de tirannie verdrijven/die mij mijn hart doorwondt.”

N.F. Rem
Emmeloord, 1987

Mannenwerk

Gedurende het eerste jaar van de Duitse bezetting namen de meeste Nederlanders een afwachtende houding aan. Er was bij sommigen zelfs een gevoel van opluchting. De geruchten over een wereldoorlog wel­ke als onheilspellende wolken boven Europa hadden gehangen, wa­ren althans wat ons land betreft voorbij, zo redeneerde men. Wij wa­ren Duits gebied. Nou en? De Duitsers gedroegen zich correct. Boven­dien, de ellende van de crisisjaren met zijn honderdduizenden werklo­zen lag bij velen nog vers in het geheugen. Wie weet braken er nu be­tere tijden aan. En toen Seyss-lnquart, de Rijkscommissaris voor Ne­derland, op 29 mei 1940 tijdens zijn bekende rede plechtig verklaarde dat Duitsland zich niet zou inlaten met de binnenlandse aangelegen­heden van Nederland, sliepen vele Nederlanders de slaap der gerusten. Er waren ook die reeds voor de oorlog hun stem hadden laten horen en waarschuwden tegen de gevaren van Hitler-Duitsland. Zij bleven wantrouwend en achterdochtig de ontwikkeling volgen. Van enig daadwerkelijk verzet tegen de bezettende macht was, behoudens een enkele uitzondering, nauwelijks sprake.

Begin 1941 kwam aan deze schijnbare rust een einde. De Duitsers maak­ten een begin aan hun grootste misdaad: de Jodenvervolging. Vol af­schuw keek Nederland naar wat zich voor hun ogen voltrok, wat uitmondde in de zogenaamde Februaristaking, welke vooral in de industriestreken de vorm aannam van een volksopstand. Duitsland toonde zijn ware gezicht en bij velen werd de slaap der gerusten wreed verstoord en de kiem voor verzet gelegd.

Op een avond, wij waren bijna klaar met de maaltijd, kwam onverwacht een Joodse vriend van mijn vader bij ons op bezoek op Wandelweg 126, Wormerveer . Hij was totaal overstuur en richtte zich half huilend tot mijn vader. “Familieleden van mij zijn gisteren tijdens een razzia opgepakt. Wanneer zal mijn gezin aan de beurt zijn? Jij bent toch mijn vriend en wil je ons niet helpen?” Althans woorden van gelijke strekking. Ik zag mijn vader ver­bleken en de ontzetting in de ogen van mijn moeder. Nadat mijn vader hem beloofd had dat hij op hem kon rekenen, vertrok de man enigs­zins gekalmeerd. Verslagen bleven wij achter. Niemand had behoefte de maaltijd voort te zetten. Laten wij dan maar eindigen zei mijn va­der en hij bad waarschijnlijk zijn kortste avondgebed: “Heere, verlos ons van die rot-moffen.”

Die nacht sliep ik onrustig en ik was weer wakker toen mijn vader plot­seling aan mijn bed verscheen. Hij beduidde mij me aan te kleden. Binnen enkele ogenblikken liepen wij samen op straat. Ik begreep van de situatie niet zo veel. Het was al spertijd, dus de wereld was als uitgestorven. Door de verplichte verduistering was het bovendien aardedonker. Mijn vader droeg een emmer en een kwast. Toen wij bij een brug aankwamen, werd de kwast in de emmer gestoken en kalkten wij op de brug: Red de Joden. Op een muur: Leve de Koningin. En zo kalkten wij diverse leuzen op bruggen, muren, pleinen, enz. Wij begonnen er net plezier in te krijgen, toen wij plotseling in ons werk werden gestoord. Een stem uit de duisternis: “Wat heeft dat te betekenen?” Als versteend bleven wij staan. Voetstappen naderden en wij ontwaarden een politieagent. Was het een ‘goeie’ of een ‘verkeerde’? Gelukkig bleek het eerste ‘t geval te zijn. Vaderlijk vermaande hij ons weer naar huis te gaan en hij besloot met de woorden: “Maken jullie je maar niet ongerust. Ik heb niets gezien.” Op de terugweg bezwoer mijn vader me vooral niets tegen moeder te zeggen. “Ze is altijd zo bezorgd en ze zou geen moment rust meer hebben.” Bedenkelijk haalde ik mijn schouders op. “U zult toch wel een verklaring moeten geven waar u zo lang bent gebleven.” “Och”, zei mijn vader, “een klein leugentje om bestwil. Ik heb haar gezegd dat ik niet kon slapen en dat ik beneden wat ging werken.”

Vlak bij ons huis struikelde ik, misleid door de duisternis, over de stoep­rand. De emmer met inhoud kletterde over de grond. Een schijnbaar oorverdovend lawaai in de doodstille nacht. De volgende morgen keek mijn moeder me veelbetekenend aan. Op mijn vragende blik zei ze: “Ik heb vannacht slecht geslapen. Wat ik gisteravond hoorde, was niet uit mijn gedachten. Ik ben dus maar vroeg opgestaan. Toen ik uit het raam keek, zag ik vlak bij ons huis een grote witte vlek. Blijkbaar had iemand iets laten vallen. Ik kon aan de witte voetstappen zien waar hij naar toe is gegaan.” Ik kon mij wel voor mijn hoofd slaan, stommeling die ik was. Mijn moeder zag mijn verwarring en vervolgde: “Toen ik dat zag, heb ik de straat maar schoongeveegd.” Ze glimlachte fijntjes toen ze vervolgde: “Zeg maar niets tegen vader, want jullie mannen praten toch altijd zo graag over ‘Mannenwerk’.”

Enkele dagen later sprak de politieagent uit bovengenoemd verhaal mij aan. Of ik wat voor hem wilde opknappen. Ik begreep onmiddellijk waarop hij doelde. Mijn eerste (wankele) stap op het pad van ‘t verzet werd gezet.

Het glaasje melk

De zogenaamde Stijkelgroep, genoemd naar de academicus J.A. Stijkel was een van de eerste verzetsorganisaties. De activiteiten van deze groep, welke hoofdzakelijk bestonden uit spionage, duurden evenwel niet lang. Reeds in 1941 werd de heer Stijkel, beladen met gegevens voor Londen te Scheveningen gearresteerd. Nadien volgden snel de arrestaties van bijna alle leden van deze groep. Allen werden overgebracht naar Duitse concen­tratiekampen of gefusilleerd.

Een van degenen die aan arrestatie wist te ontkomen, was rijksveldwachter De Koning [Joop Keijzer] uit mijn woonplaats, Wormerveer [was in werkelijkheid Zaandijk]. Twee jaar zwierf hij als een opgejaagd dier door ons land tot het net zich om hem sloot. Tijdens zijn vlucht­poging werd hij neergeschoten en vervoerd naar het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam. Bij fouillering bleek dat De Koning een revolver op zak had – de doodstraf stond bij voorbaat dus al vast.

Wij besloten een poging te wagen hem uit het ziekenhuis te bevrijden. Via een wijkverpleegster [zuster Veekman uit Wormerveer] kregen wij contact met enkele verpleegsters in het Wilhelmina Gasthuis die bereid en in staat waren ons te helpen [Clarie Smeenk, Theckla van Os, Han Meerburg, Josje Bollee en Hansje Suermond]. Van hen kregen wij informatie over de toestand van De Koning, de kamer waar hij ver­pleegd werd, zijn bewaking, enz. Hij lag in een kamertje met een even­eens gewonde Joodse Nederlander. Beiden onder bewaking van een SD’er (Sicherheitsdienst).

Gezien deze omstandigheid leek het haast onmogelijk De Koning te bevrij­den. Wij wilden zo lang mogelijk wachten met onze poging, opdat De Koning in zoverre weer hersteld zou zijn dat hij enigszins kon meewerken. Inmiddels wist hij dat er aan zijn bevrijding werd gewerkt. Enkele nach­ten verbleven wij in het Wilhelmina Gasthuis en loerden op een onbewaakt ogenblik. Helaas, wij kregen geen enkele kans. inmiddels herstelde De Koning van zijn verwondingen en zag het er naar uit dat hij spoedig vervoerd zou kunnen worden. De Koning verkeerde begrijpelijk in een ondragelijke spanning. Nood maakt vindingrijk. Eén van de verpleegsters bracht onder het toeziend oog van de SD’er een bepaalde stof aan op de wond, zodat deze infecteerde. Een week uitstel, maar ook deze week kwam er geen oplossing. Wij verkeerden zo langzamerhand in het stadium dat wij deze operatie maar als niet uitvoerbaar moesten opgeven. Een van de verpleegsters lanceerde evenwel nog een laatste mogelijkheid. Het was wel riskant, maar wie niet waagt, die niet wint.

Op 19 augustus 1943 begaven wij ons met z’n vieren [Ger Fraaij, Joep Heijdra, Co van Riessen en Nico Rem] naar het Wilhelmina Gasthuis. In een kast had een verpleegster twee witte doktersjassen gelegd. Twee pseudo-artsen gingen naar de kamer van De Koning. De twee anderen hielden de wacht in de gang om een eventuele aftocht te dekken. Even een diepe zucht en open die deur. De SD’er zat bij het bed van De Koning, onbewust van het gevaar dat voor hem dreigde, rustig te lezen. Mijn ‘collega’ begon uitvoerig de wonden van De Koning te onderzoeken. Terwijl hij hier mee bezig was, liep ik achter de SD’er om en haalde on­der mijn jas een hamer te voorschijn, waarmee ik hem een flinke klap op zijn hoofd gaf. De rest was snel geregeld. De Koning uit het bed en de SD’er er in. De man was bewusteloos, maar voor alle zekerheid werd hij stevig vastgebonden. Om hem niet te compromitteren werd de andere patient, Bram Groen [Norbert Kleijn], eveneens vastgebonden en bovendien een pleister op zijn mond. Ongezien konden wij het Wilhelmina Gasthuis verlaten.

Enkele dagen later bezocht ik De Koning op zijn onderduikadres. Naast zijn enorme blijdschap en dankbaarheid, had hij toch wel een opmer­king. Waarom hebben jullie Bram Groen ook niet meteen meegenomen? Deze vraag hield ons bezig. Zouden wij alsnog een poging kunnen wagen? Wij vernamen van de verpleegsters dat de wijze van bewaking door de SD was veranderd. Een SD’er zat nu op de gang, bij de kamer waar Groen lag. De deur was op slot en een ieder die naar binnen wilde, moest hem om de sleutels vragen. De oplossing lag voor de hand. Wij wachtten totdat een van de verpleegsters late dienst had. Na ongeveer een week was het zo ver. Zij onderging een ware gedaantewisseling. Een bril op, haar haardracht werd veranderd enz. Zonder problemen kreeg zij van de SD’er de sleutel van de kamer. Toen zij eenmaal binnen was, schoof zij het raam voorzichtig open en leverde de sleutel zonder blikken of blozen weer bij de SD’er in. Bij het onderzoek dat de SD later verrichtte, bleek dat de vermomming goed had gewerkt, want de bewuste SD’er herkende haar althans niet.

Wij [Aart Brinkman, Joep Heijdra, Ger Fraaij, Gerhard Müller, Nico Rem] stonden buiten in de tuin van het ziekenhuis vol spanning te wachten. Eindelijk verscheen het hoofd van Groen. Een ladder werd tegen de muur gezet. Groen was nog lang niet genezen van zijn verwondingen. De afdaling scheen eindeloos te duren. Wat kan een mens toch vreemd reageren in momenten van uiterste spanning. Opeens hoorden wij Co [van Riessen] verzuchten: “Ik zou best een glaasje melk lusten.” Het transport van Groen leverde nog wel een probleempje op. Zijn been was nog gespalkt, zodat er niets anders opzat dan het portierraampje te openen. En zo reden wij dan dwars door Amsterdam met een gespalkt been buitenboord.

Toen Groen veilig en wel was ondergebracht en alle spanning was ge­weken, kreeg Co onder grote hilariteit zijn glaasje melk.

Het jochie

Ik kende Nel al een tijdje. Ze was verpleegster in het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam. Samen met enkele andere verpleegsters was zij ons behulp­zaam geweest bij de bevrijding van enkele Duitse arrestanten die ziek of gewond waren.

Op een avond kwam zij bij mij met een verzoek. Er lag in Amsterdam een partij bonkaarten, welke daar niet langer kon blijven. Spoed was geboden. De knokploeg waar ik deel van uitmaakte, had de beschikking over een auto en ik kon chauffeuren. Of ik het klusje dus maar wilde opknappen. Om het voor mij misschien wat aantrekkelijker te maken (o vrouwelijk raffinement) bood zij mij aan me te vergezellen. Helaas moest ik haar teleurstellen, de auto was op dat moment niet beschikbaar. Maar wat doet een jongen als hij de teleurstelling op het gezicht van een meisje ziet? Grootmoedig bood ik aan naar Amsterdam te gaan en bonkaarten per trein te vervoeren. Ze was uit het goede hout gesneden en liet me dus niet alleen gaan.

Samen trokken wij dus naar Amsterdam. Op het bewuste adres aange­komen, werden wij geconfronteerd met een grote koffer, boordevol bonkaarten. Het geheel was echter zo zwaar, dat het nauwelijks te tillen was. Nu was het in die dagen al riskant om met een koffer te lopen. Je liep dan, en zeker in Amsterdam, een behoorlijke kans aangehouden te worden met het bevel de koffer te openen. Moesten wij met deze koffer door Amsterdam zeulen? Goede raad was duur. Maar zoals in zovele gevallen, het vrouwelijk vernuft zorgde voor een oplossing. Of ik mij maar even wilde verwijderen. Toen ik weer binnen mocht komen, had Nel een ware gedaanteverwisseling ondergaan. Het slanke meisje was veran­derd in een hoogzwangere vrouw. De koffer was nu te dragen. Over de bonkaarten werden enkele luiers gelegd en wij besloten het zo toch maar te wagen.

En daar liepen wij dan door Amsterdam, stevig gearmd als een gelukkig echtpaar waar de gezinsuitbreiding niet lang meer op zich zou laten wach­ten. De weg naar het Centraal Station was echter lang en wij schuifelden maar moeizaam voort. Wij besloten de tram te nemen, temeer daar wij ons realiseerden dat wij ons nog moesten haasten om de laatste trein te halen. Maar al wat er kwam, geen tram richting CS. Eindelijk kwamen wij zuchtend en zwetend bij het CS aan. Helaas, vijf minuten te laat – de laatste trein was inmiddels vertrokken. Daar stonden wij dan. Weer wist Nel een oplossing. Kom maar mee naar mijn kamer. Weer lopen en de koffer werd steeds zwaarder en wat erger was, de lading bij Nel begon te schuiven. In een cafeetje konden wij even op adem komen. Nel verdween in het toilet om orde op zaken te stellen. Eindelijk kwamen wij op haar adres aan. In één oogopslag had ik de situatie overzien. Een klein kamertje waarin een tafel, drie stoelen en…. één bed. Hier kan ik dus niet slapen, mompelde ik. Nel begreep mijn verwarring. “Sorry hoor, hieraan heb ik niet zo gauw gedacht.” Ik hield me groot en zei met een breed gebaar: “Ik kan overal slapen, ook op de grond.” Ik was moe, ik had het koud en de vloer was hard. Na enige tijd hoorde ik een stem uit het bed: “Kan je niet slapen?” Mijn ant­woord klonk kennelijk nogal klagelijk, want tot mijn verbijstering hoorde ik haar zeggen: “Kom maar naast me.” Ze brak mijn protest af met de woor­den: “Op één voorwaarde. Je begrijpt wel wat ik bedoel. Beloofd?” “Ja beloofd!”

Een week later werd Nel gearresteerd en overgebracht naar een Duits con­centratiekamp. Dikwijls heb ik met enige vertedering aan haar terug­gedacht. Zou zij het kamp overleefd hebben? Nasporingen bleken vruch­teloos. De jaren verstreken en daarmee ook de herinnering. De wonderen zijn evenwel de wereld nog niet uit. Ongeveer veertig jaar later kruisten als bij toeval onze wegen zich weer. Wat een weerzien na zoveel jaren. Ik kon niet nalaten haar te zeggen: “De laatste keer dat ik je zag, was bij jou in bed. Ik heb mij toen wel aan onze afspraak gehouden, hè.” Even een vragende blik, toen een licht blosje en het ontnuchterende antwoord: “Wat was je toen nog een onschuldig jochie.”

De aanslag

Op een avond, het was september 1943, was ik bij Jan [Breeker], de leider van onze knokploeg. Hij maakte zich ongerust – hield er rekening mee dat hij gearresteerd zou kunnen worden. Hij gaf mij instructies hoe ik in dit geval zou moeten handelen. Wij zaten tegenover elkaar in de erker, zodat wij tussen de plantjes door ieder de helft van de straat konden overzien. De straat was echter rustig, alleen wat spelende kinderen en een enkele onschuldig uitziende voetganger. Ons gesprek was bijna geëindigd toen een fietser voor het huis afstapte. Gelukkig een bekende, de heer M., de leider van het plaatselijk distributiekantoor. Het was mij bekend dat op dat bureau ‘malversaties’ werden gepleegd, waardoor enkele tientallen onderduikers toch hun distributiebescheiden kregen. Eenmaal gezeten, kwam de Heer M. met zijn probleem. Ene K. [Willem Korf uit Zaandijk] had hij op ‘t bu­reau in vertrouwen moeten nemen. Tot voor kort verliep alles vrijwel probleemloos. K. werkte vlot mee en had er kennelijk ook nog plezier in. “Onlangs”, zo vervolgde de heer M. zijn relaas, “ben ik echter geschrok­ken. K. wilde mij spreken en vroeg om geld. Ik heb toen maar aan zijn verzoek voldaan, in de hoop dat het eenmalig zou zijn. Maar vanmorgen kwam hij weer. Op een haast arrogante toon eiste hij weer geld en niet een ‘fooitje’ zoals de vorige keer. Bovendien zei hij ook nog dat hij wel wist met wie ik in contact stond.” De heer M. was kennelijk met de zaak verlegen. Wij spraken af dat hij K. aan het lijntje zou houden en wij ons inmiddels zouden beraden wat ons te doen stond. Voordat de heer M. vertrok, hoorde ik hem nog in de gang tegen Jan zeggen: “Ik herken die man niet meer. Hij is opeens zo brutaal en arrogant. Hij zei me vanmor­gen ook nog dat ik morgen niet op hem kon rekenen, want hij kwam niet op kantoor.”

Toen de heer M. vertrokken was, bleef het lang stil in de kamer. Wij hadden ieder zo onze eigen gedachten. Wat stond ons te doen? Was het alleen maar bangmakerij in de hoop er een slaatje uit te kunnen slaan, of was het veel ernstiger? Ik zou wel eens willen weten, verzuchtte Jan, waarom die vent morgen niet op zijn werk komt. Na lang heen en weer­ gepraat besloten wij dat ik zou trachten K. de volgende dag te observeren. Ik kende K. niet. Hij waarschijnlijk mij dus ook niet. Jan wist betrouw­bare mensen die tegenover K. woonden.

Die dag was ik al vroeg op dat adres. Ik had achter de gordijntjes een goed uitzicht op het huis van K. ‘s Middags verliet K. zijn woning. Om­zichtig volgde ik hem. K. ging naar het station en kocht een kaartje Am­sterdam. Aldaar aangekomen, ging hij te voet naar een café op de Nieu­wendijk. Enige tijd stond ik besluiteloos voor die deur. Misschien, zo overwoog ik, zou hij mij herkennen als de man die schuin tegenover hem in de trein had gezeten. Dit zou zijn argwaan kunnen opwekken. Twee mannen gingen het café binnen en ik besloot van die gelegenheid gebruik te maken door achter hen naar binnen te glippen. Ik zag de man­nen zoekend om zich heenkijken en na enige aarzeling op een tafeltje toestappen waaraan K. gezeten was. Ik nam plaats aan een ander tafeltje, met de rug naar hen toe. Hun gesprek kon ik echter niet volgen. Na enige tijd besloot ik op te stappen en buiten op de twee mannen te wachten. Ik moest weten wie die mannen waren. Na een half uurtje kwamen alleen de twee mannen naar buiten. Ik volgde hen door straten en steegjes tot ik hen op een van de grachten in een auto zag stappen.

Die avond bracht ik Jan verslag uit. Ik had het nummer van de auto genoteerd. Jan, die in dienst was bij de gemeentepolitie, dacht wel kans te zien de naam van de eigenaar gewaar te worden. Wij spraken af dat wij elkaar de volgende avond weer zouden ontmoeten. Hopelijk zou er dan een einde komen aan onze onzekerheid.

Hieraan kwam inderdaad een einde. Langs verschillende kanalen was Jan veel aan de weet gekomen. Ons angstig vermoeden bleek juist. K. stond in contact met de SD. De klap kwam hard aan. Welke namen waren hem bekend? Was het kwaad al geschied? Uit de reactie van de mannen in het café zou kunnen worden opgemaakt dat zij K. nog niet eerder hadden ontmoet. “We mogen geen enkel risico nemen”, zei Jan en hij voegde er na een lange pauze aan toe: “Hij moet onschadelijk gemaakt worden.” Ik schrok. Mochten wij over leven en dood beschikken? Jan leek vastbesloten. Hij stond op “Ik ga nu naar Aad, die moet het opknappen. Vanavond nog. Elk uur kan te laat zijn.” Ik was een half uurtje alleen. Alleen met mijn gedachten. Hoe meer ik over de situatie nadacht, hoe meer ik tot de overtuiging kwam dat Jan gelijk had. Ik beklaagde Aad die een zo ingrijpende daad moest verrichten. Jan kwam eerder terug dan ik had verwacht. Hij had Aad niet thuis getroffen. “Ik heb overwogen om het zelf te doen”, zei Jan, “maar dat is te riskant. Niet alleen K. , maar de hele buurt kent mij daar.” Opeens begreep ik wat er van mij verlangd werd. Ik kon geen woord uitbrengen. Ik knikte alleen maar.

Een paar uur later fietste ik door Wormerveer. Het werd al duister. Ik voelde mijn hart bonzen. Jan zijn revolver woog als lood in mijn jaszak. In een moment van zwakte overwoog ik de opdracht terug te geven. Maar dat zou de dood van vele goede vaderlanders kunnen betekenen. Dus fietste ik door, wel steeds langzamer. Het was vrijwel duister toen ik bij het huis van K. afstapte. De huisbel klonk luid, veel te luid dacht ik nog. De deur werd geopend door een vrouw. “Is Uw man thuis?” Ze keek me verwonderd aan. “Zo laat nog?” Ze slofte weg. Na enige tijd verscheen K. in de deuropening. “Bent u de heer K.?” Een kort knikje en vragende ogen. Ik trok mijn revolver. In een fractie van een seconde zag ik de paniek op zijn gezicht. De schoten klonken oorverdovend door de uitgestorven buurt. Terwijl ik wegholde, hoorde ik mensen schreeuwen, ramen en deuren werden geopend. De duisternis slokte mij op.

Nadien heb ik nog enkele keren dergelijke situaties meegemaakt. De strijd was onverbiddelijk, hard. Te hard voor een jongen van amper 20 jaar. Jarenlang hoorde ik nog de echo van dit eerste schot.

Pilotenhulp

De nachten waren gedurende de bezettingsjaren donker en dreigend. Slechts een enkeling durfde zich zonder Ausweis op straat te begeven. Degene die zich niet aan de spertijd hield, liep ook een behoorlijke kans door het duis­ter misleid te worden. Tastend en zoekend zocht ik gedurende vele nachten mijn weg. Soms werd de diepe stilte verbroken door vliegtuiggeronk – de geallieerde luchtmacht op weg naar Duitsland. Het klonk als muziek in mijn oren.

Helaas werden gedurende deze vluchten soms bommenwerpers door het Duitse luchtafweer neergeschoten. De bemanning was dan meestal ten dode opgeschreven. Een enkeling had alle geluk van de wereld als hij zich per parachute, althans voorlopig in veiligheid kon stellen. Maar zijn po­sitie bleef toch hachelijk. Dikwijls had hij geen notie waar hij zich bevond, kon zich meestal ook niet verstaanbaar maken. Veelal viel hij na lange of korte tijd toch in handen van de vijand, die fel jacht op hem maakte. Som­migen zochten een schuilplaats bij de burgerbevolking. Degenen die bereid en in staat waren onderdak te verlenen aan geallieerd luchtpersoneel liepen evenwel een enorm risico. Bij ontdekking wachtte hen het concentratiekamp of de doodstraf. Menig boerderij is in vlammen opgegaan als represaille­maatregel tegen het verbergen van geallieerde vliegers.

Op een middag kreeg ik van Jan een telefoontje. Er was iemand naar mij onderweg en hij vroeg mij hem zoveel mogelijk behulpzaam te zijn. Kort hierop kreeg ik inderdaad bezoek van de heer A., een mij bekend ver­zetsman. Hij was in het gezelschap van een R.K. geestelijke. Of ik de Eer­waarde direct per auto naar de kop van Noord-Holland wilde vervoeren. Gelukkig kon dit geregeld worden en reden wij enige tijd later noordwaarts. Onderweg werd weinig gesproken. Wij verkeerden beiden in spanning. De auto was nog niet voorzien van Duitse kentekens. lndien wij aangehou­den zouden worden, kwamen wij in een lastig parket en kon het ons laatste ritje wel eens zijn. Gelukkig bleven ons rampen bespaard. De geestelijke wees mij de weg naar een boerderij en vertelde mij en passant dat daar twee geallieerde piloten waren ondergedoken die (al veel te lang) wachtten op vervoer naar het zuiden van het land. Vandaar hoopten zij via de zogenaamde pilotenlijn Engeland te bereiken. Wij verbleven enige tijd op de boerderij en ik maakte kennis met de vliegers, die hunkerend uitzagen naar hun trans­port. Zij waren al enkele weken op de boerderij ondergedoken en ik begreep dat de boer onrustig werd. Hij vreesde dat de aanwezigheid van de piloten niet langer onopgemerkt zou blijven. Ontdekking zou voor hem en zijn gezin inderdaad fatale gevolgen hebben.

De geestelijke had opeens een heldere inval. Ik was er nu toch en nog wel met de auto. Ik zou de piloten kunnen vervoeren naar een ‘tussenstation’ in Amsterdam. Weinige minuten later reed ik in gezelschap van de piloten richting Amsterdam. Het was inmiddels donker geworden. Door de spaarzame verlichting van de auto kon ik mij amper oriënteren. Bij Heiloo naderden wij een weg­versperring. Op de heenreis waren wij deze zonder problemen gepasseerd. Toen wij op enkele meters waren genaderd, trad, tot mijn grote schrik uit het duister een ‘Grüne Polizei’ naar voren die het bekende stopteken maakte. De man liep voor de auto langs naar mijn portierraampje. Ik handelde als in een droom, alsof ik er zelf niet bij was, maar vanuit de verte toekeek. Ik gaf vol gas, hoorde en voelde een klap tegen de auto. Ik schakelde de verlichting uit en reed met grote snelheid door het duister. Achter mij hoorde ik schreeuwen en schieten. De auto werd op verschillende plaat­sen geraakt. Wij raasden maar voort. Naar mijn gevoel wel uren lang, waar­schijnlijk slechts enkele seconden. Ik begon weer bewust te reageren, scha­kelde de verlichting weer in en nam de eerste de beste afslag. Langs smalle paadjes reden wij in razende vaart door het boerenland, totdat ik de auto ten slotte op een boerenerf achter een schuur stalde. Niemand was gelukkig gewond. De auto was er minder goed aan toe. De linnen kap was onder andere aan flarden geschoten. Bij het eerste daglicht hebben wij onze weg vervolgd. Via een omweg be­landden wij zowaar in Amsterdam, in een auto vol kogelgaten, waarin twee geallieerde vliegers en een angstige verzetsman.

Enkele dagen later kreeg ik van Harm [Gerssen] een telefoontje. Ik wist dat hij naar Urk was gegaan om vliegeniers op te halen. Per boot zouden zij naar Urk reizen, vanwaar ik hen per auto verder zou vervoeren. Afgesproken was dat hij mij het vermoedelijke tijdstip van aankomst te Hoorn nog zou doorbellen. Toen ik de hoorn van de haak nam, hoorde ik hem alleen zeggen: “19 uur.” Ik wist genoeg.

Ik was precies op tijd op de afgesproken plek in Hoorn. Ik wachtte een kwartier, een half uur, een uur, maar geen Harm. Ik begon mij danig on­gerust te maken. Ik durfde niet in de auto te blijven. Een auto was geen alledaags verschijnsel meer en ik had een politieagent al eens belangstellend naar de auto zien kijken. Eindelijk kwam het gezelschap opdagen. Controle op Urk en motorpech hadden een vertraging van ca. anderhalf uur veroor­zaakt. Dus in snel tempo richting Zaanstreek. Bij Purmerend werden wij opgeschrikt door een enorme klap. Mijn eerste gedachte was dat er op ons geschoten werd. De auto begon te slingeren en ik had de grootste moeite hem op het goede spoor te houden. Kennelijk dus een klapband. Nog een geluk bij een ongeluk. Het verwisselen van de band in het stikkedonker kostte tijd, waarbij de zenuwachtige spanning natuurlijk ons ook parten speelde. Enkele auto’s passeerden ons, waarbij wij er rekening mee moesten houden dat er ‘verkeerden’ in zaten die wellicht nieuwsgierig waren. Terwijl ik de band verwisselde, lagen de anderen in de berm van de weg, de revol­vers bij de hand.

Eindelijk, het leek wel of het uren had geduurd, konden wij onze weg vervolgen. De vliegers moesten in Amsterdam ‘afgeleverd’ worden. Vanaf Zaandam zouden wij per trein reizen, de pont bij de Hembrug was te ris­kant. Toen wij het perron opliepen, zagen wij de laatste trein juist vertrek­ken. Het perron was donker en uitgestorven. In de wachtkamer beraad­slaagden Harm en ik hoe het nu verder moest. Een van de vliegers deelde sigaretten uit. Heerlijk na zoveel jaren weer een echte sigaret te roken. De spanning week en wij zaten heel relaxed te bekomen van de emoties. Plotseling ging evenwel de deur open. Wij ontwaarden een spoorwegbe­ambte. Hij begon uit te leggen dat de laatste trein vertrokken was en dat de wachtkamer op slot ging. Hij hield echter opeens z’n mond, snoof een paar keer en zei: “Wat ruikt het hier lekker.” Het was eigenlijk wel een amu­sante situatie. Niettemin wederom een waarschuwing dat de boog gespannen moest blijven. Een moment van verminderde waakzaamheid kon fataal zijn.

Die nacht sliepen de vliegeniers noodgedwongen bij mij thuis. M’n broer en zus waren nog jong. Wellicht té jong om een geheim te kunnen bewaren. Vol verwondering keken ze de volgende dag naar die twee vreemde mannen die allebei ‘doofstom’ waren.

De overval

Wat enkelen hadden gevreesd, werd helaas bewaarheid. De Duitse bezettende macht begon satanische vormen aan te nemen. De joden werden bij duizenden gearresteerd en naar Duitse vernietigingskampen gebracht. De Arbeitseinsatz zorgde er voor dat duizenden Nederlanders in Duitsland te werk werden gesteld. De Nederlandse militairen moesten zich weer melden en dat alles was meestal het begin van een lijdens­weg. Aanvankelijk gaf men in ‘t algemeen gehoor aan de oproep om zich te melden. Er was nauwelijks een alternatief. Toch werd er allerwegen gezocht naar mogelijkheden om aan deportatie te ontkomen. Het fenomeen ‘onderduiken’ werd geboren. Ondermeer de Landelijke Organisatie voor [hulp aan] onderduikers (LO) maakte zich sterk om onder­duikers onder te brengen, resp. gastgezinnen te vinden welke het risico durfden te aanvaarden één of soms zelfs meer onderduikers in hun gezin op te nemen.

Aanvan­kelijk leverde dit niet zo veel problemen op. In het diepste geheim werden valse persoonsbewijzen gedrukt en velen begonnen een nieuw leven onder een nieuwe naam. Maar het aantal onderduikers groeide gestaag, doch met name de dagelijkse levensbehoeften werden steeds schaarser, zodat praktisch alles uitsluitend ‘op de bon’ verkrijgbaar was. De onderduikers bleven van deze bonnen verstoken. Het werd voor de gastgezinnen hierdoor onmogelijk gemaakt onderduikers te herbergen. Naarstig werd daarom gezocht naar oplossingen. De oplossing, hoe riskant ook, lag voor de hand, nl. het ‘kraken’ van distributiebureaus. Mede hierdoor sloten diverse knokploegen zich aaneen in de LKP, de Landelijke Knokploegen.

Een lid van onze groep had contact met een distributieambtenaar [Klaas Veen uit Oegstgeest]. Het scheen daar mogelijk een overval te plegen. Na langdurige voorbereiding kon een draaiboek worden gemaakt. Eén van de grootste problemen was evenwel dat in Wormerveer het politiebureau tegenover het distributiekantoor was gevestigd. Hoe wij de zaak ook wendden of keerden, het bleef een riskante onderneming. In november 1943 kregen wij van onze informant een seintje dat de tijd gunstig was. De kluis lag vol bonkaarten, ook voor de omliggende dorpen. De uitreiking zou over twee dagen plaatsvinden. De taken waren verdeeld – het distributiekantoor en het politiebureau moesten gelijktijdig ‘genomen’ worden.

Die dag begaven wij ons op weg naar ons operatieterrein. Het was rustig op de weg. De meeste auto’s waren door de Duitsers gevorderd en benzine was wel een heel schaars artikel. Er werden wel regelmatig wegcontroles uitgevoerd, maar wij voelden ons tijdens de rit toch tamelijk veilig. Onze auto was inmiddels voorzien van Duitse kentekens, nog wel van de Duitse Sicherheitsdienst. Bij wegcontrole werd er dan ook ruim baan voor ons gemaakt! Wij verkeerden echter toch wel in spanning. Misluk­kingen van een dergelijke overval zou natuurlijk fatale gevolgen hebben. Toen wij om ca. 17 uur bij het bewuste distributiebureau arriveerden, was het kan­toor, zoals ons bekend was, reeds voor het publiek gesloten. Op enige afstand stond onze informant, die ons tot onze schrik mededeelde dat de leider van het kantoor (met de sleutel van de kluis) ziek naar huis was gegaan. Even dreigde er paniek, immers alles moest binnen een uur geklaard zijn. Wij overwogen zelfs om maar onverrichte zake terug te keren. Onze informant wist gelukkig het adres van de distributieleider. Pijlsnel reden wij naar zijn huis. De man lag inderdaad al in zijn bed en was niet van zins om met ons mee te gaan. Onder bedreiging gaf hij ons wel twee sleutels, één van de voordeur en één van de kluis. Wij lieten een man bij hem achter om alarmmelding te voorkomen.

Door dit onverwachte oponthoud liep ons zo zorgvuldig opgebouwde tijdschema danig in de war. Dus maar improviseren en zien wat er van komt. Binnen de kortste keren stond het hele distributie apparaat in twee kamers keurig in de rij met de gezichten tegen de muur. Op dat moment drong het met een schok tot mij door dat wij door de verwarring ontstaan door het oponthoud niet meer hadden gedacht aan het politiebureau. Een kort overleg in een paniekerige situatie. Wij misten een man, dus toog ik in m’n eentje maar naar de overkant. Toen ik binnenstapte waren daar enkele agenten aanwezig. Aan mijn sommatie: “In naam van de Koningin, handen omhoog”, werd vlot voldaan. Dit gaf mij moed. In een oogwenk werden de agenten, ontdaan van hun bovenkleding, opgesloten in twee cellen. Ik trok een uniformjasje aan en ging achter een bureau zitten. De telefoon ging verschillende keren – verloren voorwerpen – diefstal van een zak aardappelen enz. Ik verzekerde hen dat ik ‘t had genoteerd en dat wij er spoedig op terug zouden komen. Moeilijker werd het met bezoekers. Vooral toen de eerste de beste zei dat hij een afspraak had met een van de agenten. “Komt u naar mee”, beduidde ik hem, “hij zit in de achterkamer.” Voordat de man begreep wat er aan de hand was, was hij celgenoot van de agent. Nog enkele andere bezoekers gingen dezelfde weg.

Inmiddels was het 17.40 uur en om 18 uur zouden, zoals ons bekend was de agenten worden afgelost. In angstige spanning wachtte ik af. Hoe zou het aan de overkant gaan? Opeens weer voetstappen. Zou dit de aflossing al zijn? Ik was op alles voor­bereid. Met een ruk vloog de deur open. Met een grijns op z’n gezicht stond Harm in de deuropening. “Kom op ‘t is geklaard. Wegwezen.” De volgende dag maakte de Engelse zender melding van onze overval; de, zoals werd genoemd, tot dusverre grootste kraak van een distributiebureau!

Nicolaas Frederik Rem, kort na 1945 (J. Rem)

Arrestatie

Eind januari 1944. De strijd werd steeds grimmiger. Verschillende vrien­den waren reeds uitgeschakeld. Wie zouden volgen? Ook ik voelde soms de hete adem van de SD in mijn nek. Ik vroeg mij dikwijls af hoe ik zou reageren als ik gearresteerd zou worden. Zou ik kunnen zwijgen, ook als ik gemarteld werd? Deze gedachten hielden mij ook bezig toen ik in Amster­dam liep op weg naar het Centraal Station. In de hal aangekomen, werd ik plotseling van achteren bij de armen gegrepen door twee mannen in leren jassen. In een flits schoot het door mij heen dat ik gelukkig geen wapen bij me had, want in dat geval stond de doodstraf al vast. Voordat ik naar Amsterdam ging, had ik geaarzeld – wel of niet meenemen? Ik had tot het laatste besloten. Voorgevoel? Voor zover ik mij kon herinneren, had ik ook geen belastend materiaal bij me. Ik had te veel arrestaties in de trein gezien. Gedachten die door mij heen spookten toen ik in snel tempo werd afgevoerd naar het beruchte SD-kamertje in het CS. Hier werd ik grondig gefouilleerd. Men vond niets van enige betekenis. Maar ik herinnerde mij opeens met schrik dat ik in Amsterdam een adres in mijn handpalm had geschreven. Ik moest in een hoek met mijn armen omhoog en mijn gezicht naar de muur staan. Ik schuurde ongemerkt mijn handen langs de muur totdat de letters onleesbaar waren. Er werd weinig gespro­ken. De SD’ers waren ‘Nederlanders’. Op mijn vraag wat dit alles te be­tekenen had, werd nauwelijks gereageerd. Ik hoorde hoe een van de SD’ers telefonisch melding maakte van mijn arrestatie. Daarna kreeg ik van hem te horen dat ik vervoerd zou worden naar de gevangenis Weteringschans en hij vervolgde: “Het is gebeurd met je, Rem. Morgen schieten ze je kapot. Jouw soort kunnen wij missen als kiespijn.”

Met een schok drong de betekenis van deze woorden tot mij door. Was dit echt het einde? Had ik de grens tussen leven en eeuwigheid bereikt? Of was het alleen maar bangmakerij? Ik realiseerde mij dat als zij alles van mij wisten, ik geen enkele illusie kon hebben. Geordend denken kon ik niet meer en ik liet mijn gedachten de vrije loop. Wat kan er veel gedurende enkele seconden in iemand omgaan en ik stond daar maar, als duizenden seconden. Ik had momenten dat ik als het ware reeds rondkeek in die onbekende wereld – een wereld van de onbegrensde vrede. Maar dan dacht ik weer aan allen die mij zo dierbaar waren – mijn ouders, broer, zuster, vrienden. Ik kon dit nauwelijks verwerken. Ik voelde mij leeg worden. Alles ontviel me. Nu was het toch echt afgelopen. Ik hoorde de treinen aan en af rijden. ik hoorde in de verte de geluiden van mensen – schreeuwen, lachen, roepen. Het was mijn wereld niet meer.

De auto welke mij naar de Weteringschans zou vervoeren, liet maar op zich wachten. Ik probeerde langzaam naar de deur te schuifelen in een vertwijfelde poging te ontsnappen, maar ik werd hardhandig teruggeduwd naar mijn plaats, zo ver mogelijk van de deur verwijderd. Voor de zoveelste keer rinkelde de telefoon. Terwijl de ene SD’er het gesprek voerde, werd ik door de andere buiten het kamertje gebracht. Hier stonden wij getweeën te wachten. Kennelijk was de auto voor mijn vervoer aangekomen, zo dacht ik. Zou ik nu een poging kunnen wagen om te ontsnappen? Het was nu man tegen man. Maar hij is waarschijnlijk gewapend, zo overwoog ik. Terwijl ik nog in tweestrijd stond, ging de deur weer open. In de deur­opening stond de SD’er die het telefoongesprek voerde toen ik naar buiten werd gebracht. Hij wenkte mij naar binnen en terwijl hij mij nauwelijks aankeek sprak hij de woorden die nog in mij natrillen: “Rem, pak je spullen maar weer. Het is een vergissing.” Ik hoorde de woorden wel, maar het drong niet tot mij door. Ik bleef daar maar staan. Het was als een droom – of ik wakker werd door een luide slag en bij het ontwaken toch doordroomde. Toen opeens drong de realiteit tot me door. Ik griste mijn spullen bijelkaar en rende trappen op en trappen af. Ik zag een vertrekkende trein. Ik kon er nog net inspringen. Ik keek in de trein als verdwaasd om mij heen. Ik zag mensen die zwegen, praatten, lachten. Het was alsof ik uit een andere wereld was teruggekeerd.

Aanvankelijk verkeerde ik in de veronderstelling dat niet mijn arrestatie, maar mijn vrijlating op een vergissing berustte. Reeds de volgende dag ben ik evenwel tot de conclusie gekomen dat mijn vrijlating vermoedelijk een list was geweest. De SD was, zo is mij veel later gebleken, onze groep al enige tijd op het spoor, maar wachtte op het moment dat onze groep in zijn geheel kon worden opgerold. Deze tactiek werd door hen veelvuldig toegepast. Indien namelijk slechts een enkeling werd gearresteerd, waren de anderen in de gelegenheid onder te duiken resp. hun activiteiten voort te zetten. Ongeveer te zelfder tijd dat ik werd gearresteerd, deed de SD een poging de rest van onze groep te arresteren. Door een gelukkige samenloop van omstandigheden mislukte de opzet. Allen wisten te ontkomen. Door mij vrij te laten, hoopte de SD dat ik hen weer op hun spoor zou zetten.

Onderduiker (1)

In de trein kwam ik langzaam weer tot mijn positieven. Ik zat natuurlijk in een verkeerde trein en ik moest enkele keren overstappen, maar ik kwam toch nog voor spertijd in Wormerveer aan. Ik durfde niet naar huis, dus ik belde maar weer aan op het adres waar ik uit voorzorg al zo vele nachten had doorgebracht. Van slapen kwam echter niet veel. De emoties waren te groot geweest, de schrik zat nog in mijn benen en de gedachten vermenigvuldigden zich. Wat verlangde ik die nacht naar het einde van dat bestaan, die voortdurende angst, die mij al zo lange tijd als een schaduw volgde.

De volgende dag zou onze groep weer bijeenkomen. Dringende zaken moesten geregeld worden. Er stond weer een overval op stapel. Piloten moesten vervoerd worden. Bij een van onze medewerkers [Harm Gerssen] was sinds kort een joodse vrouw [Hannie Verschoor] ondergedoken. Er waren nu twijfels gerezen. Was zij wel een jodin? De mogelijkheid van een SD-spionne leek niet denkbeeldig! Niettemin begaf ik mij de volgende dag vol goede moed op weg. Ik haalde en passant nog een tas met trotyl op, welke ik na onze bijeenkomst elders wilde bezorgen. Vooraf reed ik langs mijn huis. Ik kon niets verdachts bespeuren. Wel zag ik even voorbij ons huis een auto staan, waarin twee mannen zaten. Onraad?

Toen ik op het afgesproken adres binnenstapte, heerste daar een nerveuze stemming. Tot mijn verbijstering hoorde ik dat de SD de vorige dag er bijna in geslaagd was onze hele groep op te rollen. Men had mij nadien tevergeefs getracht te waarschuwen. Toen ook ik mijn belevenissen van de vorige dag vertelde, besloten wij direct uit elkaar te gaan en voorlopig onder te duiken. Als eerste stapte ik, met mijn tas met trotyl het huis uit. Juist toen ik op mijn fiets stapte, zag ik twee auto’s naderen. De auto’s waren zo dichtbij dat de inzittenden mij ongetwijfeld uit het huis hadden zien komen. Ik zag één van de mannen naar mij kijken, maar ze reden door en stopten voor het huis dat ik enkele seconden daarvoor had verlaten. Achterom ziende zag ik dat er mannen uit de auto’s sprongen en het huis van voor en achter binnendrongen. Aan het einde van de straat stelde ik mij verdekt op.

Na geruime tijd zag ik hoe mijn vrienden in de auto’s werden gedreven. Het was een afschuwelijk gezicht, maar ik had geen tijd om hier lang bij stil te staan. Ik moest nu handelen. Contacten moesten direct gewaarschuwd worden. Ook mijn ouders moest ik telefonisch waarschuwen dat zij huiszoeking konden verwachten. Het duurde lang voordat de telefonische verbinding tot stand kwam. Zou de SD ook al bij mij thuis zijn? Eindelijk de stem van mijn vader. “Hebt u bezoek?” “Gelukkig niet”, was het laconieke antwoord. Ik vertelde hem wat er was voorgevallen, dat hij dus huiszoeking kon verwachten en dat ik ging onderduiken. Was dit een afscheid voor korte of lange tijd, of voor altijd?

Die nacht sliep ik voor het eerst op mijn echte onderduikadres. De keren dat ik daarvoor niet thuis sliep, was een voorzorgsmaatregel Nu was het realiteit. Ik werd gezocht. Na enkele dagen kreeg ik een vals persoonsbewijs. Ik heette vanaf dat moment Nico de Jong en mijn beroep was onderwijzer. Er werd wat aan mijn uiterlijk gesleuteld – een bril, een snorretje, andere kleding. Alles wat kon wijzen op mijn vorig bestaan werd vernietigd. Spoedig daarna werd ik overgebracht naar een ander adres. Het was te gevaarlijk om te lang op een adres te verblijven. Ik was, ondanks het grote risico dat zij namen, welkom bij lieve meelevende mensen. Ik gedenk hen met eerbied en dankbaarheid.

Onmiddelijk nadat ik mijn vader telefonisch had gewaarschuwd, nam hij de nodige maatregelen. Belastend materiaal bracht hij in ijltempo in veiligheid. Toen hij ongeveer een half uur na ons telefonisch gesprek hiermee bijna gereed was en de deur van Wandelweg 126 uitstapte met onder zijn arm een onderdeel van een zender, zag hij in onze straat een auto stoppen voor Wandelweg 136, enkele huizen verderop. De koplampen van de auto werden op het huis van deze buren gericht. Nauwelijks had mijn vader de overkant van de weg bereikt, of de SD – hun vergissing bemerkend – was op weg naar nummer 126.

Mijn vader kreeg van vrienden het dringend advies ook onder te duiken. Hij had te veel bemoeiingen met onze knokploeg gehad en was bovendien bij veel zaken betrokken die nu niet bepaald ‘deutschfreundlich’ waren.

Vals persoonsbewijs van Nico Rem.

Mijn ouders

Mijn moeder bleef voor de rest van de oorlog met twee jonge kinderen achter. Zij was een bescheiden, stille vrouw. Zij straalde liefde uit. Oorlog – geweld – terreur, het stond alles zo ver weg van haar verstilde belevingswereld. Mijn vader en ik hebben ons nogal ongerust gemaakt. Zou deze kwetsbare vrouw wel stand kunnen houden in de precaire situatie waarin zij plotseling kwam te verkeren? Maar wat hebben wij ons in haar vergist. Zij doorstond alles, – intimidaties – huiszoekingen – verhoren, met een ongekende moed en vastberadenheid.

Tegenpolen trekken elkaar aan, wellicht ook in het huwelijk, want hoe anders was mijn vader. De extraverte, impulsieve man, altijd haantje de voorste. De man die ook wel eens teruggefloten moest worden. Hij werkte met zijn onvoorstelbare energie van ‘s morgens vroeg tot in de nacht voor zijn gezin, zijn bedrijf. Hij was hard voor zichzelf, maar omringde zijn gezin met een grote verzorgende liefde. Hij had een onwankelbaar, haast kinderlijk geloof. Ook kende deze altijd bezige man de momenten van bezinning, vooral op latere leeftijd. Peinzend kon hij dan voor zich uitzien, als zag hij reeds de onzienlijke dingen.

Onderduiker (2)

En zo zwierf ik door het land, achtervolgd en bedreigd. Op een avond las ik op een zolderkamertje de krant. Op de voorpagina stond in vette letters:

“Der Höhere SS und Polizeiführer Nordwest deelt mede, dat het poli­tiestandrecht op 23 februari 1944 de volgende Nederlands staatsburgers als saboteurs heeft veroordeeld.” Hierna volgden de namen van mijn zeven gearresteerde vrienden [Joep Heijdra, Gerhard Docter, Harm Gerssen, Jan Eshuijs, Ab Hommerson, Willem van de Kamp, Cornelis Koetsier]. De mededeling werd besloten met: “Alle beschul­digden zijn ter dood veroordeeld. Het vonnis is voltrokken.” Het was of de wereld even stilstond. Ik had ze zo goed gekend. Samen hadden wij de angst geproefd die mensen zo dicht tot elkaar kan brengen dat er een band ontstaat welke ver boven normale vriendschap uitgaat.

In de Bloemendaalse duinen rusten onze doden.
Op een vroege morgen werden zij berecht.
Een laatste blik – een kort vaarwel, onwankelbaar gezegd,
voor zij het vuurpeleton zichzelf ten offer boden
een kort vaarwel, onwankelbaar gezegd.

Wat waren hun gedachten en hun gebeden,
toen hun laatste blik naar de hemel was gericht
Hier zijn zij ingegaan tot Gods oneindig licht
Hun taak volbracht, de aardse strijd gestreden.
Hier zijn zij ingegaan tot Gods oneindig licht.

Eens, toen ik alweer van adres moest veranderen, liep het mis. Ik stond voor een winkel en er was mij gezegd dat er met enkele minuten iemand naar mij toe zou komen en mij zou begeleiden naar mijn nieuwe adres. Hij zou mij aanspreken met de woorden: “Nog laat op pad.” Ik moest antwoorden: “Ik moet nog een heel eind.” Er verliep een kwartier, een half uur. Er moest iets mis zijn. Omzichtig keek ik om mij heen. Het begon al te schemeren, maar ik zag aan de overkant van de weg een man die ik door de spiegeling van de winkelruit al eerder had zien staan. Ik liep zo rustig mogelijk weg, maar waarheen? Al spoedig merkte ik dat de man mij volgde. Ik begon te rennen door straten en steegjes. Achter mij hoorde ik schreeuwen en schieten. Ik klom over een schutting en verborg mij onder de struiken in een tuin. Opeens was het stil. Blijkbaar was men mijn spoor bijster geraakt.

Toen ik enigszins tot rust was gekomen, ontdekte ik dat ik gewond was. Een kogel had mijn vinger doorboord. Die nacht ‘sliep’ ik onder de open hemel. Het regende soms en ik had het door en door koud. Bovendien werd de pijn in mijn vinger, althans wat er van over was, steeds heviger. Bij het ochtendgloren ging ik dan ook op zoek naar een dokter. Enige straten verder zag ik tot mijn opluchting een ziekenhuis. Men was daar direct bereid mij te helpen, maar eerst moest aan enkele formaliteiten worden voldaan – hoe het ongeluk was gebeurd – wie mijn huisarts was – adres van mijn werkgever enz. Het duurde niet lang of ik had mij volkomen vastgepraat en ik deed er dus maar het zwijgen toe. De verpleegster begreep niets van de situatie en begon haar geduld te verliezen. lnmiddels maakte ik mij danig ongerust. In hoeverre was deze verpleegster betrouwbaar? Ik zag verschillende ver­pleegsters onze richting uitkijken en ik stond juist op het punt maar te verdwijnen en mijn heil ergens anders te zoeken, toen ik een bulde­rende stem hoorde: “Wat is hier aan de hand?” Omstandig deed de ver­pleegster verslag aan een witgejaste man, kennelijk een arts. Hij keek mij enige ogenblikken doordringend aan, keek toen naar de verpleegster en fluisterde haar toe: “Zo, begrijpt u niet wat hier aan de hand is. U staat zich hier te vergapen aan iemand die in nood is.” De verpleegster droop af. Hij beduidde mij dat ik hem moest volgen. Toen wij op zijn kamer waren, was de norse uitdrukking op zijn gezicht verdwenen. Met een vertrouwelijk gebaar legde hij zijn hand op mijn schouder en zei: “Vertel me nu alles maar. Je kunt me vertrouwen en ik zal alles doen om je te helpen.” Binnen de kortste keren lag ik op de operatietafel. Mijn vinger moest geamputeerd worden was zijn conclusie. Op mijn uitdrukkelijk verzoek zou hij evenwel toch trachten mijn vinger te behouden.

Na de operatie leek mijn vinger wel een rollade, een vormloos klompje vlees, bijeengeregen door een touwtje. Regelmatige controle was nood­zakelijk. Aangezien ik ‘geen vaste woon- en verblijfplaats’ had, zorgde de dokter voor een kamertje in het ziekenhuis met het opschrift op de deur ‘isoleerkamer’. Na ca. twee weken werd ik ‘ontslagen’. Ik had inmiddels het plan opgevat te trachten onderdak te vinden in de om­geving van mijn woonplaats. Het zag er toen immers naar uit dat het einde van de oorlog nabij was. Er was evenwel geen vervoer – de spoor­wegstaking was inmiddels een feit. Nog afgezien hiervan durfde ik geen gebruik te maken van het openbaar vervoer, dus moest ik naar een andere mogelijkheid omzien. Ik had alle geluk van de wereld, ik kon nl. met een vrachtboot mee richting Amsterdam.

Het was al laat toen ik daar aan wal stapte. Waar moest ik heen? Over een uur zou de spertijd ingaan. Ik had tot dusverre vermeden contact met familieleden op te nemen. ln Amsterdam woonde een tante van me, sinds lange tijd weduwe. Ik had geen keus. Ik moest haar om onderdak vragen. Enkele minuten voor spertijd belde ik bij haar aan. Er werd echter niet opengedaan. Ik bleef wanhopig bellen, maar zonder resultaat. Ten einde raad zocht ik in de omgeving naar een mogelijkheid om desnoods onder de open hemel de nacht door te brengen. ‘t Was inmiddels aardedonker en ik kon mij na enige tijd niet meer oriënteren.

Eindelijk kwam ik weer op mijn uitgangspunt terug. Ik belde opnieuw in een vertwijfelde poging. Boven mij hoorde ik een raam opengaan. Ik noemde mijn naam. Binnen enkele seconden ging de deur wagenwijd open en stapte ik binnen, dol­gelukkig dat ik althans voor deze nacht onderdak had. Wij stonden nog beneden in het trapportaal toen mijn tante mij toefluisterde: “Er wacht boven een verrassing voor je.” Ik begreep niet waar zij op doelde. Toen ik de trap opliep, keek ik nog eens om. Verrassing?? Ik stapte de huis­kamer binnen en zag in de hoek van de kamer bij het schijnsel van een waxinelichtje een oude man met baard. Mijn eerste gedachte was dat mijn tante een nieuwe levensgezel gevonden had. Wat moest ik met die man? Was hij wel betrouwbaar? Aarzelend stapte ik op hem toe. Ik noemde mijn naam en mompelde een excuus voor mijn late komst. De man stond op en stelde zich voor: “Dr. Broekhuis.” Ik herkende hem aan z’n stem – mijn vader, haast onherkenbaar vermomd. Een ogenblik om nooit te vergeten. Maanden lang hadden wij elkaar niet gezien. Maanden lang waren wij ieder onze weg gegaan, wantrouwend, angstig, beiden wetend dat wij op die smalle grens liepen tussen leven en dood. Dikwijls had ik mij afgevraagd waar mijn vader zich schuil hield en in sombere ogenblikken of hij nog in leven was.


Nicolaas Harmijn Rem (1891-1982) zonder en met vermomming.

Enkele dagen zijn wij bij elkaar gebleven. Het waren feestdagen, een oase in de woestijn. Daarna ging ieder weer zijns weegs. In een polder in de omgeving van mijn woonplaats woonde een vriend van mij. Bij hen vond ik tot het einde van de oorlog een veilige schuilplaats. De hongerwinter met al zijn verschrikkingen was in aantocht. Op hun boerderij ontbrak het mij echter aan niets. Soms schaamde ik mij hiervoor. Wat werd er vooral in westelijk Nederland onbeschrijfelijk veel geleden. Aan duizenden ontbrak het aan alles, vooral aan voedsel. Bij honderden zagen wij hen op hongertocht langs de boerderijen trekken. Ook bij ‘ons’ aan de Wormerveerse Wandelweg werd van vroeg tot laat aangebeld door uitgehongerde mensen, de uit­putting nabij.

Het was eind februari 1945 al donker toen er nog werd aangebeld. Een meisje en een jongen, kinderen nog. Blijkbaar hadden zij kans gezien iets te bemachtigen. De lading was afgedekt met een kleedje. Ze vroegen niets, keken alleen maar naar de kar met angstige verdrietige ogen. Het meisje verbrak het stilzwijgen. Wijzend op de lading vertelde zij dat vader tijdens de tocht onwel was geworden. Toen het kleed werd weg­gehaald, bleek dat de man inmiddels was bezweken.

Wat vergeet een mens snel. Weinige jaren later verdween in ons land per dag weer tientallen tonnen aan voedsel in de vuilnisemmer, terwijl elders in de wereld duizenden de hongerdood sterven. Het is vandaag zondag. Mijn gedachten zijn nog bij de preek: De arme man en de rijke Lazarus. Als er geen solidariteit zal zijn tussen arm en rijk, als wij die in weelde mogen leven alleen maar bezig zijn met ons zelf, zijn wij dan niet die ‘rijke man’?!

Uitreiking Verzetsherdenkingskruis aan vader en zoon Rem, 3-9-1981.

Met bloed betaald

Enkele maanden voor de bevrijding werd ik als toegevoegd stafofficier opgenomen in de Binnenlandse Strijdkrachten. De bevrijdingsdagen zijn als een roes aan mij voorbijgegaan. Naast de haast uitzinnige vreugde, was er bij velen toch ook het gemis van hen die hun leven hadden gegeven opdat wij deze bevrijding mochten beleven. Ik heb getracht door middel van eigen belevenissen duidelijk te maken hoe ons volk gele­den heeft onder de tirannie van de Duitse bezetting. De naoorlogse generatie kan zich, en dat is ook begrijpelijk, moeilijk een voorstelling maken wat zich in de jaren 1940-1945 heeft afgespeeld. Alleen zij die deze periode bewust hebben meegemaakt, kunnen ten volle beseffen wat het betekent en welk een voorrecht het is in een vrij land te mogen leven. Het is goed te beseffen dat wij deze vrijheid niet cadeau hebben gekregen, maar met bloed werd betaald.

114.000 Joodse Nederlanders werden vergast of op andere wijze om het leven gebracht.
34.000 Nederlanders, voor het overgrote deel gedwongen in Duitsland te werken, kwamen aldaar om het leven.
22.000 burgerslachtoffers kwamen door oorlogshandelingen om het leven.
7.000 militaire verliezen (Meidagen 1940 – marine en Irenebrigade).
2.600 verliezen bij de Nederlandse koopvaardij.
13.000 verzetsmensen werden gefusilleerd of kwamen in concentratie­kampen om het leven. (ca. 70% van de verzetsstrijders ‘van het eerste uur’ moest onderduiken, belandde in gevangenis of concentratiekamp, of werd gefusilleerd).
25.000 slachtoffers van de hongerwinter 1944 – 1945.
22.000 Nederlandse slachtoffers van het Japanse geweld.
Tenslotte moet nog worden vermeld dat 50.000 geallieerde militairen tijdens gevechten ter bevrijding van ons land zijn gesneuveld.

Bovenstaande kille cijfers betreffen ‘slechts’ de directe dodelijke slacht­offers. Hoeveel mensen zijn bovendien voor hun leven geestelijk of licha­melijk verminkt? Hoeveel mensenlevens werden verwoest omdat zij hun dierbaarsten moesten missen? Duizenden hebben het hoogste offer gebracht – het offer van hun leven, omdat diep in hun hart de regels van ons volkslied weerklank vonden: De tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt. Hun offers waren niet vergeefs, immers de tirannie werd verdreven. Wij kunnen thans met verbijstering terugzien, maar tevens vooruitzien, vervuld met een opdracht. Een opdracht om zich in te zetten voor vrede, veiligheid en gerechtigheid. Moge ons volk vooral geestelijk weerbaar zijn, opdat de geschiedenis zich niet herhale!

Eerste bestuur van de Stichting Zaans Verzet. V.l.n.r. Jan Brasser, Klaas Mink, Nico Rem sr., Cor de Boer, Cas Rayer, Gerrit Sierhuis, Jan Bruin, Jan van Wijngaarden. Zittend Piet Lust en Jan Nijgh.

‘We vieren ons bevrijdingsfeest/want Adolf Hitler is gesjeesd’

Zaandamse BS’ers achter het postkantoor in hun stad, mei 1945.

Meteen na de Duitse capitulatie was er in Nederland een grote behoefte om door middel van zang en poëzie de verworven vrijheden te bejubelen, de eigen (al dan niet vermeende) heldhaftigheid te benadrukken en de verslagen vijand te bespotten. Het komt allemaal samen in onderstaande tekst, gemaakt door een mij onbekend lid van de Binnenlandse Strijdkrachten in Zaandam. In het lied uit mei 1945 komen meerdere namen voor van BS’ers, veelal mannen die in de voorgaande jaren hun leven waagden in het verzet tegen de nazi’s en die nadien, als Bewakingsteam Zaandam, de verantwoordelijkheid hadden over de aan hen toevertrouwde verdachten, veelal collaborateurs.

We vieren ons bevrijdingsfeest
Want Adolf Hitler is gesjeesd

De moffen joegen we over de kling
De N.S.B. in de Sing Sing

Kijk hier eens even om je heen
De muren klagen steen en been
Zoo’n prachtig stel was nooit bijeen
Het kader is ‘t als nummer 1

De vader van de Compagnie
Is oome Gerrit potverdrie
Als grootmajoor zit hij te paard
Zijn kinderen om hem heengeschaard

Eerst zat hij op een houten knol
Nu is ‘t benzinetankje vol
Met z’n compies hoestbui op wielen
Zit hij nu ieder op z’n hielen

Hij knort wat op de middagpot
De kok zat bijna op ‘t schavot
Er is vandaag een beetje sliert
Dus verder lustig feest gevierd

De tweede man is Tjeertes Piet
Dit is de man die kogels schiet
Het kan niet schelen wat voor spuit
Hij schiet er wel een kogel uit

Hij pakt de snuiters in hun kraag
Of ze al schieten niet of graag
Wordt hij nog eens politieman
Geen mensch die hem beschieten kan

Dineeren doet hij uit een pan
Mellekie drinken gaat per kan
Hij schranst er van gelijk een slager
En toch blijft hij maar even mager

Als derde man komt Soepeboer
De gansche dag zit hij op de loer
Of hij geen moffengrietenspan
Of N.S.B.’er pakken kan

Hij heeft als oome Dirk gezeten
Bij boeren en bij S.D. zitten zweeten
De rollen zijn nu omgekeerd
Al loopt het alles nog niet gesmeerd

Hij heeft al menig zaakje rond
Zelfs Ooms houdt zachtjes aan zijn mond
Ze doen maar zachtjes aan want ziet
Dan breekt ook vast het lijntje niet

Een soepeboer die ‘t soepie rost
Bij prins Bernhard legt hij in de kost
In ‘t fikkie stoken is hij goed
Dat merkte Ravenswaaij pas goed

De vierde is vriend Piekenpol
Dat is die met die rooie bol
Als paardepil kreeg hij de zak
Nu is hij hier bij ons in ‘t vak

Als mensenpil is hij content
Zijn medicijn kost je geen cent
Hij zet je met het grootst pleizier
Een nieuwe versche apenklier

De muren gaan soms op en neer
Van z’n geweldig gecommandeer
In plaats van pillen geeft hij melk
Want jongens dat is goed voor elk

De vijfde man is Hendrik Maas
dat is die zomerkacheltjesbaas
Hij hoort hier eigenlijk niet thuis
Maar in het ouweijzerhuis

Het is een rare scharrelaar
Hij rommelt alles voor elkaar
Je ziet hem zoo, en zoo weer niet
De meeste tijd zie je hem niet

Bekijk hem goed dan zie je pas
‘t Is eigenlijk geen Arisch ras
Is er een geintje af te draaien
Daar is ons Maasje voor te paaien

Henk Vos de voedselofficier
‘t Is feitelijk doodgewoon fourier
Die voert ons dik met brood en pap
En met een goeie warme hap

Zijn hoofd slaat soms wel eens op hol
Met die distributie aan z’n bol
Wat heeft ie toch een hoop gemier
En wat is het doffe klier

Kom niet aan Vos, je komt aan ons
Hij krijgt van allemaal de bons
We halen hem terug in ‘t hol
Schenk nou de glaasjes nog eens vol

We houden de fourier in eer
Al plukken ze hem keer op keer
De beste stuurlui staan aan wal
Maar deze Vos gaat bovenal

De man van het papier Jan Kat
Die legt de heele boel soms plat
Want het papier viert nog hoogtij
Daar zijn geen Fransche woorden bij

Hij is beslist een reuzekrent
Betalen doet ie op de cent
De la zit altijd goed op slot
Juist als je er in wezen mot

Zijn stemgeluid zeer schoon van toon
Klinkt donderend aan de telefoon
Als Kat-er met z’n poesje praat
Is er niemand die meer iets verstaat

Tot slot komt dan de puzzelaar
Je weet wel da’s die hengelaar
Hij lokt de visch met veel gegaap
En eindelijk valt ie dan in slaap

Je neemt het maar een beetje ruim
Je zuigt van alles uit je duim
Verschiet je kruit
Zing nog eens luid
Want vrienden, nou is ‘t liedje uit.  

Het boek en het vraaggesprek

Jan Hovers, directeur van het Zaans Museum, ging voor de camera met mij in gesprek over het boek én de tentoonstelling De Zaanstreek in oorlogstijd. Over bewogen persoonlijke verhalen en unieke fotovondsten. Het boek is verkrijgbaar in het Zaans Museum en de betere boekhandel. De tentoonstelling is tot 3 januari te zien. En het gesprek over beide hier

Podcast over het naoorlogse communisme

Voor ‘Andere Tijden’ mochten voormalig CPN-wethouder Wim Nieuwenhuijse en ik van gedachten wisselen over het naoorlogse Zaanse communisme. Van verzetshelden naar staatsvijanden. Het resultaat van de uitwisseling is nu te beluisteren via een podcast.

 

Eisendrath in de uitverkoop

Ik heb geen idee hoeveel exemplaren er nog over zijn, maar wacht niet te lang om een exemplaar te bemachtigen van mijn boek Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945). Het is nu namelijk in de aanbieding.

Biografie Walraven van Hall herdrukt

De eerste druk was uitverkocht. De tweede sinds een paar weken ook. En dus werd het tijd voor een herdruk van Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945). In paperbackvorm dit keer. Met wat aanvullende informatie. En enkele nieuwe foto’s. Het levensverhaal van Nederlandse belangrijkste verzetsstrijder is weer verkrijgbaar.

De ondergang van de oliehaven (14 mei 1940)

Op 14 mei 1940, de dag dat het Nederlandse leger capituleerde, werd een groot deel van de Amsterdamse Petroleumhaven vernietigd. In de navolgende dagen zag de Zaanse bevolking immense rookwolken langsdrijven. Maar wie was verantwoordelijk voor deze verwoesting? Een verslag, aan de hand van een reeks bijzondere foto’s.

De Petroleumhaven werd eind negentiende eeuw aangelegd bij de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal, schuin tegenover de Zaandamse Achtersluispolder. Binnen- en buitenlandse bedrijven bouwden in de navolgende decennia tientallen immense tanks, waar de op- en overslag van olieproducten plaatsvond.

De Petroleumhaven rond 1933. Rechtsonder pakhuis De Vrede, gelegen in de Zaandamse Achtersluispolder.

Na de Tweede Wereldoorlog zou de Amsterdamse Petroleumhaven uitgroeien tot de grootste benzinehaven ter wereld, maar dat het ooit zover zou komen leek op 14 mei 1940 verder weg dan ooit. Op dat moment bevonden zich in de haven 95 tanks, goed voor 185 miljoen liter olie, elf pomphuizen, zeven aftaploodsen, vier ketelhuizen, een drijvend ponton en dertien steigers.

De Petroleumhaven in Amsterdam enkele jaren voor de vernietiging.

Dinsdag 14 mei was een warme, bijna zomerse dag. Maar zorgeloos genieten van het mooie weer bleek onmogelijk. Het koningshuis was een dag eerder naar Engeland gevlucht, tienduizenden Nederlandse militairen vochten een wanhopige strijd tegen de Duitse bezettingsmacht en het werd steeds duidelijker dat de nederlaag onafwendbaar was. In die sfeer was de HMS Vesper naar IJmuiden gestuurd. De Britse torpedojager had als opdracht de in Amsterdam opgeslagen Nederlandse olievoorraden te vernietigen. Koste wat kost moest worden voorkomen dat dit vloeibare goud in Duitse handen zou vallen.

HMS Vesper tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op 10 mei, de eerste oorlogsdag, arriveerde er ook al een demolition-party in IJmuiden, met als doel zowel de sluizen daar als de olietanks tegenover Zaandam op te blazen. Toen werd er nog een stokje voor gestoken. Vier dagen later waagde de Vesper een tweede poging. Het aangekondigde voornemen stuitte aanvankelijk op weerstand bij kapitein-luitenant ter zee C. Hellingman. Als commandant van de verdedigingslinie bij IJmuiden vond hij dat niet de Britten, maar het Nederlandse opperbevel orders moest geven tot het al dan niet vernietigen van Nederlandse eigendommen. Het duurde tot even na negenen ‘s morgens voor de Nederlandse generaal Winkelman akkoord ging met het Britse plan. Even later begon de bemanning van de Vesper met het opblazen en in brand steken van het Gemeentelijk Petroleum Entrepôt, zoals het terrein officieel heette. Om 9.36 uur stonden de tankinstallaties in brand en schoten de vlammen honderden meters de lucht in.

De in Zaandam gelegen veerpont over het Noordzeekanaal, met de brandende olietanks op de achtergrond.

De speciale troepen die de Petroleumhaven in lichterlaaie zetten, slaagden er niet in om alle tanks te verwoesten. Ruim de helft van de voorraad liep zware schade op of werd tot ruïnes gereduceerd. Zwarte rookwolken stegen op vanaf de Noordzeekanaaloever. Het inferno lokte talloze Zaanse toeschouwers naar de waterkant, ondanks het gevaar dat Britse vliegtuigen ook de nabije Artillerie-Inrichtingen zouden bestoken. Hun aanwezigheid leverde flink wat foto’s op. Het publiek was getuige van de grootste verwoestingsactie die de directe omgeving van de Zaanstreek tijdens de oorlog zou treffen.

De Hembrug als decor voor de uitslaande vlammen.

In de dagen na de brandstichting stroomden er honderden tonnen stookolie in het IJ en het Noordzeekanaal.

Ook in Amsterdam, hier vanaf het Singel, was de brand goed zichtbaar.

Een jaar na de brand schreef Etty Hillesum over de 14de mei in haar dagboek: “En plotseling de zware, logge, duidelijk herkenbare gestalte van Bonger die daar langs de ijsclub schoof, een blauwe bril en de zware, originele kop terzijde, gericht op de rookwolken die daar vanuit boven de stad heersten en afkomstig waren van de in brand gestoken petroleumhaven. Dat beeld, die logge gestalte met de kop schuin geheven naar die rookwolken in de verte, zal ik nooit vergeten.” Hoogleraar Willem Adriaan Bonger was een bekend tegenstander van de nazi’s. Hij zou een dag na de ontmoeting met Etty Hillesum zichzelf het leven benemen

De brandende olie liep over het achterland van het opslagterrein.

De Amsterdamse kunstenaar Mijndert Krijnsen maakte op 14 mei zelfs een tekening van het geweld aan de andere kant van het water.

Tekening van Mijndert Krijnsen (1894-1942)

De brand zou dagenlang woeden en was maar moeilijk te blussen. Op 15 mei begonnen in de late ochtend de bluswerkzaamheden.
Diezelfde dag eisten Duitse officieren die in de hoofdstad waren aangekomen een bezichtiging van de brandende tanks van de Bataafse Petroleum Maatschappij. De Amsterdamse plaatsvervangend gemeentesecretaris Johannes Franken begeleidde hen. Blijkbaar vond het gemeentebestuur het minder verstandig om de joodse gemeentesecretaris mee te laten varen. Het gezelschap ging die middag op weg met enkele gevorderde boten van de firma Bergmann.

Stereoscopische foto van het blussen van de brand.

Toen een Duitse militaire colonne op 16 en 17 mei via een oversteek van het Noordzeekanaal en de Provincialeweg het centrum van Zaandam bereikte, op weg naar de kop van Noord-Holland, fotografeerde een omstander enkele pauzerende soldaten. Terwijl zij een versnapering bestelden bij de plaatselijke ijscokar was verderop nog altijd de langswaaiende rook zichtbaar uit wat later Westpoort zou gaan heten.

16 mei 1940. Duitse militairen op doortocht kopen in Zaandam, tegenover Provincialeweg 36, een ijsje. Op de achtergrond is de vette rook uit de restanten van de Petroleumhaven zichtbaar.

Enkele van de verwoeste olietanks, kort na de brand.

De bluswerkzaamheden in de Petroleumhaven duurden tot en met 19 mei. Na het doven van de vlammenzee kon voorzichtig worden begonnen met het opruimen van de immense berg rotzooi in de Petroleumhaven.

Het schoonmaken van de Petroleumhaven na de brand.

De Petroleumhaven op 1 juni 1940.

In het laatste oorlogsjaar lag de Petroleumhaven er troostelozer dan ooit bij. Het zou nog jaren duren voor de wederopbouw werd afgerond.

Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) sloopten de Duitsers alles wat nog enigszins bruikbaar was. Eén tankje van tweehonderd kubieke meter was alles wat ongeschonden door de oorlog kwam. Eind 1949 was het merendeel van de opslagcapaciteit hersteld. Er stonden toen 65 tanks, goed voor ruim 130 miljoen liter olie. In de navolgende jaren zou de vooroorlogse capaciteit geëvenaard en uiteindelijk zelfs overtroffen worden.

Bovenstaande foto’s zijn afkomstig uit particuliere en het eigen archief en van het NIOD, NIMH, Verzetsmuseum Amsterdam en Stadsarchief Amsterdam.