Johnny de Droog, verzetsman en verrader

 Het is nog even doorzoeken -aanvullende gegevens zijn welkom- en verder schrijven, maar ik hoop in 2019 een biografie te kunnen presenteren over Johnny de Droog (1893-1945). Deze met mythes en fictie omgeven Arnhemse verzetsstrijder werkte vanaf maart 1942 voor de Sicherheitsdienst. Als V-Mann hielp hij minstens tweehonderd Nederlandse verzetsstrijders, veelal kopstukken, de gevangenis in. Van hen zouden er tientallen de oorlog niet overleven. De Droog stierf overigens ook voortijdig en, volgens veel onderzoekers, onder raadselachtige omstandigheden. Ook daarover denk ik volgend jaar uitsluitsel te kunnen geven.
Nu eerst een kort filmpje over één van Johnny’s slachtoffers, Henry Vroom. Inderdaad, een telg van de warenhuisfamilie.

Anton Stam: de vergeten verzetsstrijder

Tien mannen en vrouwen vormden in oktober 1941 de leiding van wat zou uitgroeien tot het belangrijkste verzetsblad, Vrij Nederland. In de daarop volgende maanden belandden ze bijna allemaal voor het vuurpeloton of in een cel. De overlevenden vertelden na de bevrijding hun oorlogsverhaal. Op die ene onbetrouwbaar geachte Zaandammer na, Anton Stam.
Portret van een kat met negen levens.

Anton Stam, 1938

In de ochtend van 10 mei 1940 ontsnapte Antonie Hendrik Stam (1919) voor de eerste keer aan een vroege dood. De dienstplichtige radiotelegrafist/ boordschutter was gestationeerd op het Rotterdamse vliegveld Waalhaven toen Duitse bommenwerpers in een aanvalsgolf de luchthaven volledig verwoestten. Daarbij sneuvelden 51 Nederlandse militairen. Stam bleef ongedeerd. Na de capitulatie, vier dagen later, probeerde hij om via IJmuiden naar Groot-Brittannië te vluchten. Dat mislukte jammerlijk; zijn pogingen liepen uit op krijgsgevangenschap.

Zodra hij werd vrijgelaten, zocht Stam naar mogelijkheden om op een andere manier overzeese contacten te leggen. Met zijn eveneens uit Zaandam afkomstige vriendin Amy Duif vertrok hij eind 1940 naar Geldrop. Ze wilden daar bij familie een geheime zender installeren. Ook die poging faalde, naar verluidt omdat hun gastheer de risico’s onverantwoord vond.

Vrij Nederland

Eind februari 1941 begon de Sicherheitsdienst met het oprollen van Vrij Nederland. Dat was mogelijk na de vondst van vijf exemplaren van het blad in de jaszak van een medewerker. In de maanden die volgden verdwenen vrijwel alle schrijvers, drukkers en bezorgers, in totaal 65 mensen, in gevangenissen of werkkampen. Hoewel Stam al sinds het najaar van 1940 Vrij Nederland verspreidde en hij ook nummers had nagestencild, ontsprong hij de dans.

Het lukte de paar VN’ers die nog niet waren opgepakt met veel moeite om een maart- en aprilnummer samen te stellen. De voortgaande arrestaties sloegen echter met de week grotere gaten in het medewerkersbestand. Jan Kassies en Arie van Namen zouden op 9 mei de laatste hand leggen aan de editie van die maand, toen de laatste die avond zag hoe de SD Kassies uit diens woning haalde en afvoerde. De opgejaagde en wanhopige Van Namen – de Duitsers gijzelden zijn ouders, hopend dat hij zich dan zou aangeven – stond er vanaf dat moment vrijwel alleen voor.

Redding kwam in de persoon van journalist Edouard de Nève, die zich eerder vooral bezighield met spionage en pilotenhulp. Van Namen: ‘Hij had weer contact met een zekere heer Stam uit Zaandam. Met behulp van de heren De Nève en Stam hebben wij toen het volgende nummer uitgegeven in juni 1941.’ De Nève beschouwde Stam inderdaad als één van ‘mijn grote helpers’. ‘Bij het stencilen had ik veel hulp van een relatie uit Zaandam, A.H. Stam. Die organiseerde het.’ Onder Stams leiding konden in de Amsterdamse, deels ondergronds opererende uitgeverij Bottenburg de juni-, juli- en augustuseditie worden samengesteld. Het voortbestaan van Vrij Nederland was weer even verzekerd.

De driekoppige redactie trachtte via een leugen in de editie van 10 juni de gearresteerde VN-medewerkers los te krijgen: ‘Talrijke mannen en vrouwen zijn in hechtenis genomen die ervan verdacht werden op een of andere manier met ons in relatie te staan. Het feit is echter dat wij hun werk van verre, noch van dichtbij kennen.’ Ze stuurden tien exemplaren naar de Sicherheitsdienst. De actie bleek vergeefs; veel gevangenen hadden al bekentenissen afgelegd.

Vrij Nederland, juni 1941

Henk en Amy waren Zaandam inmiddels ontvlucht. Ze doken in Amsterdam onder op een door Van Namen gehuurde etage aan de Oudeschans 48. ‘Wij woonden in de achterkamers, terwijl u zo nu en dan de voorkamer in gebruik had’, herinnerde Stam Van Namen dertig jaar na de oorlog aan het halfjaar dat ze daar verbleven. ‘Waarschijnlijk hadden wij toen de schuilnamen van Amy en Anton van Bergen o.i.d. Mijn vrouw vertelt mij zojuist dat ze u eens de achterkamer heeft laten zien die toen afgeladen met Vrij Nederland-krantjes lag, terwijl ook nog een zendontvanger opgesteld stond.’

Toen De Nève op 29 september eveneens achter de tralies belandde, ging Stam naar eigen zeggen in zijn eentje voort. [Ik] ‘nam alles over, stelde VN samen van oude en nieuwe copie, niette het geval en zorgde voor de verspreiding.’

Van Randwijk

Henk Kooistra, een nog niet opgepakte VN-bezorger van het eerste uur, vroeg zijn Amsterdamse collega-onderwijzer Henk van Randwijk om het door de arrestaties ontstane gapende gat in de redactie te helpen vullen. Medio oktober 1941 vond er in Van Randwijks woning aan de Stadionkade een eerste, ‘constituerende vergadering’ plaats van de nieuwe VN-leiding. Stam was een van de tien aanwezigen. Tijdens het door het echtpaar Van Randwijk aangeboden etentje overheerste aanvankelijk de argwaan. Veel genodigden kenden elkaar nog niet en de bezetter had net de doodstraf afgekondigd op het verspreiden van antinazistische geschriften. Kooistra ontbrak. Hij was kort tevoren in Sperrgebiet aangehouden en zou, net als ruim honderd andere VN’ers, de bevrijding niet beleven. Ondanks deze tegenslag gingen het tiental ’s avonds hoopvol en eensgezind hun weegs. Ze hadden elkaar gevonden in het streven naar een verzetsblad ‘met inhoud’ waarin de ‘vormende waarde’ (dixit Van Randwijk) van het christendom was te vinden. De samenkomst bleek cruciaal voor de toekomst van Vrij Nederland. Het blad groeide, aldus de Sicherheitsdienst in december 1941, nadien uit tot het ‘weitververbreiteste und gefährlichste Hetzschrift’.

Zwitserland

Talloze angstdromen plaagden hoofdredacteur Henk van Randwijk. ‘De ene nacht word ik opgehangen, de volgende nacht word ik doodgeschoten’, vertelde hij zijn vrouw. Hij meende dat er binnen Vrij Nederland een verrader ronddwaalde. Begin maart 1942 arresteerde de SD Van Randwijk. Bij gebrek aan bewijs kwam hij na enkele weken vrij, maar het kwaad was geschied. Verdachtmakingen besmetten de organisatie. Eén daarvan luidde dat Anton Stam onbetrouwbaar was. Een belangrijke bron voor die zware beschuldiging was Zaandammer Martinus Arends. Die had sinds 1940 met Stam samengewerkt. ‘Dan tikte mijn dochter (Leny Arends) de stencils en werden de VN’s gefabriceerd. Eerst gebeurde dat op een kamer 3 hoog op de Weteringschans 103, waar A. Stam deze kamer gehuurd had. Daar werkten dan A. Stam, zijn verloofde en mijn dochter. Wanneer ze dan klaar waren, werden ze in Zaandam verspreid’, schreef Martinus Arends in 1946. De verkoopopbrengst overhandigde hij aan Stam. En daar ging het volgens hem mis. ‘In september 1941 vertrouwde ik Stam niet meer en vermoedde dat hij het grootste gedeelte ten eigen bate gebruikte.’ Arends verbrak de samenwerking en kreeg na een tijdje bezoek van ‘Oom Henk [van Randwijk] en Wim [Speelman] die met mij over Stam kwamen praten en toen ook maatregelen tegen hem genomen hebben.’

De inner circle van het aan alle kanten bedreigde blad ondernam inderdaad actie, ter voorkoming van erger. Er werd tijdens een ingelast beraad geopperd om Stam te liquideren, maar redactielid en rechtsgeleerde Gezina van der Molen verzette zich met hand en tand tegen die optie. Volgens haar was er geen onomstotelijk bewijs van Stams verraad. Van der Molen: ‘Wij hadden niet meer dan het vermoéden.’ Ze stelde voor om met de verdachte te gaan praten.

Aldus geschiedde, in bodega Keyzer naast het Amsterdamse Concertgebouw. Aan een belendend tafeltje volgden andere verzetsstrijders onopvallend de conversatie, klaar om indien nodig in te grijpen. Van der Molen vertelde Stam dat het vertrouwen in hem was opgezegd. Daarop stelde haar aangeslagen gesprekspartner voor te willen uitwijken naar Engeland. Dat leek Van der Molen een goed idee. Ze pakte een exemplaar van het Nieuwe Testament uit haar tas en overhandigde hem dat. Vervolgens namen de twee afscheid van elkaar.

In een drie weken na de bevrijding gezonden brief aan Vrij Nederland liet de diep geraakte Stam weten dat hij zich begin 1942 (‘aangezien ik toen meer op de achtergrond raakte door mijn geringe kennis van de journalistiek’) had willen bezighouden met het zenden van ondergrondse boodschappen naar Radio Oranje, maar rond die tijd ‘moest ik naar Zwitserland’. De reden van zijn gedwongen vertrek liet hij onbesproken. Enkele maanden later in 1942 hield hij zich tijdens een verhoor in Neuchatel wederom op de vlakte. Hij vertelde zich na de Nederlandse capitulatie ‘in het bijzonder [te hebben] beziggehouden met strijden tegen de bezettingsmacht, door de mensen op te roepen om in actie te komen tegen de Duitsers’. Toen hij vervolgens op bevel van de plaatselijke autoriteiten zijn levensloop opschreef, deed hij de voorgaande anderhalf jaar zelfs af als ‘een oninteressante periode die afgesloten werd met mijn vertrek op 12 april jl. naar Zwitserland’. Ook later zou hij niet publiekelijk terugkomen op zijn Vrij Nederland-werkzaamheden en de hem aangewreven, onterechte beschuldigingen.

Anton Stam, 1940

Antwerpen

Amy vertrok samen met de VN-prominenten Wim Speelman en Henk Hos naar een nieuwe schuilplaats, dit keer bij Antons zus in Zandvoort. Haar verloofde reisde richting de Alpen. Dat Stam daar wist te komen, mag een klein wonder heten. Vanuit het onderduikadres op de Oudeschans werd hij via de zogeheten Van Niftrik-lijn over de Belgische grens geleid. Met een collega-verzetsman reisde hij per tram naar de in het complot betrokken familie Van Dulken. Hun Antwerpse adres bleek echter te zijn verraden. Op 13 april wekte de Sicherheitsdienst de bewoners. Stam: ‘De heer des huizes werd met een overvalwagen afgevoerd en alleen een Duitse politiebeambte bleef achter ter bewaking van mevrouw, dienstmeisje, mijn reisgenoot naar Zwitserland en mij. Duidelijk was dat wij, voordat de overvalwagen terugkwam, iets moesten ondernemen. Met die ene, al wat oudere Duitser leek dat niet zo moeilijk en ik vroeg het dienstmeisje dan ook of ze niet een fles had of iets dergelijks, zodat we hem een tik in zijn nek konden geven. Het meisje verdween om wat te zoeken. Zeer tot ongenoegen van de Duitser ging het meisje een verdieping naar beneden, ondanks het bevel dat ze direct weer naar boven moest komen. Ik liep toen halverwege de trap, hard schreeuwend: “Du sollst zurückkommen”, dan de rest van de trap en de volgende, steeds met meer volume schreeuwend dat ze terug moest komen. De laatste trap heb ik toen maar sprongsgewijze genomen, daarna naar buiten gerend en op een juist voorbijrijdende tram gesprongen.’

Vader en zoon Van Dulken zouden hun gevangenschap niet overleven. Stam wist heelhuids een ander ondergronds adres te bereiken. ‘Uiteindelijk ben ik per trein door een koerierster naar de Zwitserse grens gebracht, daar door een koerier overgenomen en zonder verdere avonturen in Zwitserland afgeleverd.’ Hij belandde er achtereenvolgens in de gevangenis, een straf- en een werkkamp. ‘Later mochten wij de weekends in Lausanne doorbrengen en nog later mochten enigen, waaronder ik, voor ons vertrek naar Engeland voor het in orde maken van paspoorten, visa, e.d. op kosten van het consulaat in Genève wonen. Dat vertrek naar Engeland viel voor mij echter negatief uit, want nadat met veel moeite en geduld uit-, trans- en inreisvisa georganiseerd waren, passagegelden betaald waren, werd uitgerekend op de dag van ons vertrek ook Zuid-Frankrijk bezet, waardoor we onze semi-legale papieren niet meer konden gebruiken.’

Zwitserse notitie dat ‘Antoine Henri Stam’ in december 1942 Zwitserland heeft verlaten (collectie Bundesarchiv Bern)

Onbekend met de nieuwe geopolitieke situatie vertrok Stam met mede-Engelandvaarder Sjaak Brouwers richting Spanje, om begin december 1942 vlak voor de Frans-Spaanse grens te worden opgepakt. Door zich voor te doen als werkloze studenten op zoek naar een baan in Zuid-Amerika ontsnapte het duo aan een mogelijke doodstraf. Stam: ‘Ofschoon mij tijdens een van de vele verhoren gevraagd werd: “Wollen Sie noch weiter lügen?”, werd ons verhaal waarschijnlijk toch geslikt, want tegen Kerstmis werden wij in gezelschap van een Duitse officier in een normale trein naar Parijs gebracht, waar hij ons afleverde bij het bureau van de organisatie Todt.’

Brouwers en Stam wisten zich ook aan deze dwangarbeidersorganisatie te ontworstelen. In Parijs legden ze contacten voor een vluchtroute naar Zwitserland. Zelf gingen ze terug naar Nederland om deze escapeline verder uit te bouwen. Bekend is dat zowel Stam als Brouwers in de navolgende maanden meermalen met onderduikers en illegale documenten naar Zwitserland reisde. ‘Geld kreeg ik altijd via Stam’, aldus Brouwers. Een andere illegaal, Dirk Jan de Jong, verklaarde kort na de oorlog dat hij nauw samenwerkte met Stam, ‘die OD [Ordedienst]-contacten had en aan wie ik een pistool verschafte en voor wie ik illegale berichten meenam naar Zwitserland. Met hem samen vervoerde ik valse papieren en stempels.’ Stam bleef tot medio 1944 leidinggeven aan de ontsnappingslijn.

Groep 2000

Anton en Amy hadden zich in 1941 verloofd en zouden pas na de bevrijding trouwen, ware het niet dat een zwangerschap roet in het eten gooide. Op 12 januari 1944 huwde het stel alsnog in Amsterdam, 2,5 maand later beviel Amy van een dochter. De vernoeming naar haar moeder viel minder op dan de toevoeging, Margriet. De verwijzing naar het eveneens pasgeboren prinsesje was een extra ‘verzetje’ tussen alle andere ondergrondse werkzaamheden. Tot aan de bevrijding zou moeder Stam de kinderwagen gebruiken om niet alleen haar dochter, maar ook wapens en illegale lectuur te vervoeren. Daarnaast transporteerde ze joodse kinderen naar veilige adressen.

Kraambed, met Amy, Anton en moeder Stam (1944)

Antons verzet bestond onder meer uit het plaatsen en bedienen van een geheime zender in een woning op de Herengracht. In het Amsterdamse Oudeliedenhuis aan de Amstel (de tegenwoordige Hermitage) had de Ordedienst eveneens een zender geïnstalleerd. Onder leiding van chef-marconist Leendert Lauwerens zonden vier marconisten, onder wie Stam, vanaf september in ploegendienst honderden gecodeerde berichten het land in. Namens het eveneens illegale Marine Zendstation van Groep 2000 verstuurden ze tevens codetelegrammen naar het inmiddels bevrijde Eindhoven. Daaraan kwam een abrupt einde toen de Grüne Polizei medio december binnenviel. De medewerkers wisten ternauwernood via een achterdeur het pand te ontvluchten.

Drijber

Stam moest de hoofdstad verlaten. Formeel woonde hij nog steeds bij zijn ouders in de Zaandamse Kamphuijsstraat, in de praktijk zwierf hij van de ene schuilplaats naar het andere onderduikadres. Met zijn vriend Andries Buitenhoff ten Cate en Amy week hij op oudejaarsdag uit naar het Friese Lekkum en hervatte daar zijn zendactiviteiten. Hun verblijf in het hoge Noorden verliep niet naar tevredenheid. In een anoniem, intern briefje van de Binnenlandse Strijdkrachten werd geconcludeerd dat ‘deze zender gevallen’ was en hun BS-contactpersonen hen ‘in de steek gelaten’ hadden. ‘Zij zitten nu volkomen zonder geld en levensmiddelen, ook zonder papieren. (…) Zij hebben altijd gewerkt voor het H.K. [hoofdkwartier] in Amsterdam en het ontbrak hen daar aan niets.’ Stam was nog altijd geïrriteerd toen hij in juli 1945 deze conclusies onderschreef: ‘De algemene gang van zaken op G1 [zijn zendstation] was ergerlijk slap en nonchalant. Het duurde 4 weken voor wij bonkaarten hadden en andere PB’s [persoonsbewijzen] hebben wij helemaal nooit gehad. Wat het werken betreft werden wij aan alle kanten tegengewerkt; er was absoluut geen interesse voor.’ Ontevreden reisde hij op 2 februari verder naar een boerderij in een dorp nabij Assen. Zijn vriend, zijn echtgenote en een derde verzetsstrijder betrokken een adres in Leeuwarden.

Het verblijf in Drijber, zijn nieuwe standplaats, beviel Stam beter: ‘De verbinding met Brabant was zeer goed en behoorlijk veel berichten zijn dan ook verzonden en ontvangen.’ De voorspoed duurde slechts een week. Stam: ‘Hieraan kwam een einde doordat op een morgen de boerderij omsingeld was door Duitsers die mij d.m.v. een machinepistoolsalvo uit mijn schuilplaats, tevens zendstation, verdreven en gevangennamen.’ Op 9 februari kwam daardoor definitief een eind aan zijn zendactiviteiten.

De Duitse codespecialist Ernst May zou later verklaren dat Stams zender was uitgepeild. Dat was slechts de halve waarheid. De SD wist van de zender dankzij de arrestatie van de illegale marconist Jacob van den Hul, drie dagen eerder. Ze martelden deze Ordedienst-medewerker zo zwaar dat hij onder meer Stams verblijfplaats verraadde.

‘Heraus kommen’

Met de aanwijzingen van Van den Hul op zak was het een koud kunstje om Stams zender te peilen. In de ochtend van 9 februari sloot een groep van zestien SD’ers de omgeving van het kantoor annex de bedrijfswoning van de Vuil Afvoer Maatschappij – de door Stam genoemde ‘boerderij’ – in Drijber af. Helemaal onopvallend gebeurde dat niet. Gewaarschuwd door een medebewoonster rende Stam naar zijn schuilplaats, een kamer op de bovenverdieping. Hij wist nog net een noodsignaal uit te zenden en de antenne in te trekken, alvorens zich in een kast te verbergen. Sachbearbeiter Karl Klingbeil, na de oorlog: ‘Ik ging toen naar deze kast toe en klopte op de binnenwand van de kast en riep: “Heraus kommen, sonst wird geschossen.” Daarop meldde zich niemand. Vervolgens werd door mij aan een van mijn ondergeschikten bevel gegeven met zijn machinepistool enige waarschuwingsschoten op de wand af te geven, doch hoog, zodat een zich achter de kast bevindend persoon niet zou kunnen worden getroffen, omdat wij aan een dode marconist niets hadden. Na het eerste salvo gaf de marconist nog geen antwoord, waarop een tweede salvo werd afgevuurd, waarvan de kogels vlak langs hem heen gingen, waarna er één in het Duits schreeuwde: “Komm heraus, wir wissen wohl dass du da bist.” Er kwam hierop niemand achter de wand vandaan, zodat wij toen de rechterwand die enigszins hol klonk hebben ingedrukt. Wij zagen toen het zendapparaat staan dat nog op contact stond. Met één van mijn mannen ben ik in die schuilplaats gekropen en zag aldaar een man verdekt op de grond liggen. Op mijn vraag of hij in het bezit was van een wapen zei hij: “Neen.” Ik heb hem bevolen eruit te komen, wat hij toen deed.’

‘Anton, Anton’

Het was Stam, die met touwen werd vastgebonden, onmiddellijk duidelijk dat de Duitsers hem kenden. Een eveneens in het VAM-kantoor aanwezige beambte van de Funkmessstelle verwelkomde zijn gevangene met de woorden: “Guten Morgen Anton, wir werden einander wie Kriegsmänner begrüssen.” Tijdens een verhoor, later die dag in Beilen, kreeg Stam een schets voorgelegd waarop de geheime bergplaats van zijn zender was weergegeven. De tekening was gemaakt op aanwijzing van Jacob van den Hul. Toen Stam bleef volharden niets te weten over de betrokkenheid van andere verzetsstrijders, sprak de ondervragende officier hem belerend toe: ‘Anton, Anton, dat moet je niet doen, wij weten immers alles.’ Dat klopte. Stam: ‘Ik ben het verdere van de dag en de daarop volgende nacht aan een verhoor onderworpen geweest, waarbij mij bleek dat de Duitsers volledig bekend waren met de situatie van de zenders te Amsterdam, Uithuizermeden, Lekkum en Drijber.’

Tijdens latere verhoren wist Stam de Duitsers naar eigen zeggen wijs te maken de door hen begeerde codesleutel niet te kennen. ‘Inlichtingen over de organisatie in Leeuwarden heb ik wel gegeven, maar dusdanig verdraaid of verouderd dat ze waardeloos waren. Er is dan ook nooit iemand gearresteerd.’ Dat klopte, voor zover het zijn eigen bekentenissen betrof. Getuigenissen van andere gevangenen maakten echter dat er meer arrestaties volgden. Vier van hen werden op 8 maart 1945 gefusilleerd, als represaille voor de aanslag op SD-leider Hanns Albin Rauter.

Legitimatie Anton Stam als ex-politieke gevangene, 1945

Stam werd van Beilen overgebracht naar het Huis van Bewaring in Assen. Zijn bewakers daar maakten de fout hem op te sluiten in een ruimte met onderduikers en arbeidsweigeraars, in plaats van tussen de politieke gevangenen. ‘Na verloop van tijd werden ongeveer twintig mensen van de zaal op transport gesteld naar het concentratiekamp Wilhelmshaven. Door mee te schuiven en bij een willekeurige naam “ja” te roepen, lukte het mij me aan te sluiten bij dit transport, met de gedachte onderweg misschien te kunnen ontsnappen.’ Hij slaagde er echter niet in om uit de overvolle veewagen te springen, ‘en bij het eindpunt stonden dan ook twee SD-officieren te wachten die een kreet van opluchting slaakten toen ze me uit een van de wagens konden plukken.’ De vluchteling werd op 16 februari teruggevoerd naar Assen.

Klingbeil

Op 2 maart 1945 bracht Karl Klingbeil zijn arrestant naar een SD-kantoor in Zwolle. Daar volgden nieuwe verhoren. Het geluk was met Stam; waar veel SD’ers hun gevangenen afranselden in een poging om gegevens los te krijgen, moest Klingbeil daar weinig van hebben. Het bleef bij het afvuren van vragen en – in reactie – geven van ontwijkende antwoorden. De status quo werd uiteindelijk doorbroken met een Duits dwangvoorstel. Stam: ‘Hij [Klingbeil] deelde tijdens het laatste verhoor aan mij mede dat ik voor de keus werd gesteld om óf voor de Duitsers te werken óf te worden doodgeschoten. In dat voorstel zag ik een mogelijke kans om te ontsnappen en heb er toen in toegestemd om voor de Duitsers te gaan werken. Tijdens het onderhoud in Zwolle werd afgesproken dat ik de namen van code-officieren en de code per brief naar een Hauptsturmbannführer, wiens naam ik niet meer weet, zou zenden in Zwolle. Daarnaast is de afspraak gemaakt dat ik eens in de veertien dagen in De Groene Weide te Leeuwarden zou komen, waar ik dan een man zou ontmoeten die als een herkenning een doos onder zijn arm had.’

Nog eenmaal zetten de Duitsers hem in een auto. ‘Ik werd op een plek ergens buiten Beilen losgelaten, met de belofte contact te houden via de SD-Leeuwarden. Het weggetje lag ongeveer driehonderd meter van de straatweg en nog droom ik wel eens van dat bevroren terrein waar ik van die twee Duitsers wegliep, elk ogenblik een kogel in mijn rug verwachtend.’ De nazi’s hielden hun wapens dit keer echter op zak. Dankzij de met Klingbeil gemaakte afspraak wist Stam niet voor het eerst zijn leven te redden. Had hij volhard in zijn ontkenningen en uitvluchten, dan was hij ongetwijfeld eveneens gefusilleerd na de aanslag op Rauter, enkele dagen later.

Anton Stam hield zich niet aan de gemaakte afspraken. Hij overnachtte in Beilen en ging toen naar Leeuwarden, waar Amy en hun dochter verbleven. Twee uur voor Anton Stam haar weer in de armen kon sluiten, vernam Amy pas dat hij was opgepakt. Stam: ‘Ze wist dit doordat Dries [Buitenhoff ten Cate] weer naar Hoogeveen was gegaan en daar vernomen had dat ik gearresteerd was. Mijn vrouw had toen twee marconisten en een baby in huis, die gedurende de tijd dat ik weg was geen geld en geen eten hadden gehad. Werkelijk een zeer teleurstellende geschiedenis.’ Samen met Amy – die opnieuw zwanger was en in shock verkeerde door zijn arrestatie –, Buitenhoff ten Cate en drie anderen dook hij de rest van de oorlog onder op het Leeuwarder adres Steinstraat 11. ‘Tot aan de bevrijding zijn wij verder niet actief geweest, behalve het verzorgen van de onderduikers en het door mij ophalen van een pistool bij een boer die het niet langer in huis durfde hebben.’ Een paar weken later konden ze eindelijk hun bevrijders begroeten.

Even daarvoor had Anton Stam nog één ontmoeting met Karl Klingbeil. ‘Kort voor de bevrijding ben ik in Leeuwarden eens gaan kijken naar de stroom van vluchtende Duitsers. Toen ik er langs liep, werd ik door een Duitser aangehouden, die mij vroeg wat ik hier moest te spioneren. Ik antwoordde dat ik de SD’er Klingbeil uit Assen zocht. De Duitser antwoordde mij dat hij Klingbeil zou roepen en hij kwam even later met Klingbeil terug. Klingbeil vroeg mij waarom ze niets meer van me hadden gehoord. Ik vertelde hem dat er niets meer te melden was geweest, waarop hij mij het beste wenste en we uit elkaar gingen.’

Anton Stam was en bleef vrij. Hij zou, alvorens samen met zijn gezinsleden een woning te huren in Zandvoort, nog enkele maanden zijn intrek nemen in het ouderlijk huis te Zaandam. Klingbeil werd kort na de Duitse capitulatie gevangen genomen en voor de rechter gebracht. Hij werd eind 1948 buiten vervolging gesteld, omdat zijn misdrijven niet ernstig zouden zijn, hij het verzet had geholpen en al jaren in bewaring had gezeten.

Oorlogsuitkering

Pas in de jaren tachtig vertelde Anton Stam min of meer openlijk, in een voor de familie bestemd genealogisch boekje, beknopt over zijn oorlogservaringen. Hij had zich tot dan vooral gericht op zijn werk bij de KLM en zijn gezin. Bij gebrek aan getuigenissen kostte het hem zelfs moeite om een oorlogsuitkering te krijgen. Naarmate zijn vrouw en hij ouder werden, spookten de jaren 1940-’45 steeds vaker door hun hoofden. Hun dochter Amy: ‘Op het eind van zijn leven lag hij te malen in bed. Alles kwam terug. En mijn moeder voelde zich achtervolgd en vertrouwde niemand meer. Helemaal toen mijn vader overleden was. Ze verving alle deursloten en ik mocht er ook niet meer in. Ze meende dat haar kleindochter, schoonzoon en ik gevaarlijk waren en haar wilden vermoorden. Heel verdrietig.’ Het echtpaar vertrouwde elkaar wel tot het laatst. Amy: ‘Hun onderlinge band bleef erg sterk. Hij heeft altijd voor haar gezorgd en liet haar nooit in de steek.’

Anton Stam overleed op 9 januari 1998, zijn echtgenote elf maanden later.

Een sterk vermagerde Anton Stam, kort na de bevrijding

Gedicht

Op 12 september 1942 stuurde Anton Stam vanuit Zwitserland een gedicht naar zijn verloofde Amy Duif (die hij op de envelop aanduidde als mevrouw ‘Pigeon’).

Wacht op me, ik kom terug
wacht, wacht toch nog
wacht, wanneer je treurig bent
en als de regen langzaam valt
wacht op me, ik kom terug.

wacht op me, ik kom terug
de dood zal mij niet vinden kunnen
en als ze zeggen: hij heeft geluk gehad
zullen ze dan begrijpen
dat het alleen jouw wachten was dat me redde?
och wacht op me, ik kom terug.

Door BS-officier V. de Bie geschreven getuigschrift, 17-5-1945

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij de hulp van Sierk Plantinga en Amy Stam.

Een monument voor Van Hall?

 


In de eerste jaren na de bevrijding was Walraven van Hall een begrip in Nederland. Het valt onder meer af te lezen aan de hoeveelheid geboortekaartjes in het familiearchief waarop blijde ouders kenbaar maken hun pasgeboren zoon als eerbetoon Walraven of Wally te hebben genoemd. (Een jaar of wat geleden ontving ik een mail van een moeder die vertelde dat haar zoon een reïncarnatie was van Walraven van Hall. Dat bewijs heb ik dan weer niet teruggevonden in bovengenoemd familiearchief.)

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog zakte Van Hall en hetgeen hij had betekend weg in het collectieve geheugen. Met de speelfilm over zijn leven is er een nieuw monument gebouwd voor deze verzetsgrootheid, de belangrijkste illegale strijder die Nederland ooit had. En daarmee lijkt het met zijn naamsbekendheid de komende jaren wel goed te zitten.

In de gemeente waar hij de laatste vijf jaar van zijn leven woonde is helaas weinig monumentaals terug te vinden dat herinnert aan Walraven van Hall. Zijn woning, Westzijde 42, werd in de jaren zestig afgebroken en hetzelfde lot onderging de bank waar hij mede de scepter zwaaide. Waar Amsterdam twee blijvende herinneringen heeft gecreëerd voor Van Hall – een plaquette in het beursgebouw en een monumentale bronzen boom naast De Nederlandsche Bank – heeft Zaanstad hem, na een moeizame discussie, alleen vermeld op een namenbalk in de raadszaal. De Zaanstreek telt twee monumenten voor Hannie Schaft. Ze woonde hier niet, maar het is haar gegund. Voor de wèl in Zaandam wonende Van Hall moet er echter toch wel meer inzitten dan alleen die magere vernoeming in een vergaderruimte waar slechts een select publiek komt. Wellicht dat die film daartoe een aanzet kan vormen? En wie is er bereid om het initiatief te nemen? 

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Tranen bij De Nederlandsche Bank


Wally van Hall (de kleinzoon van), DNB-directeur Nout Wellink en ondergetekende tijdens de boekpresentatie (10-2-2006) Foto J. v/d Wal 

Voor ik mij zette aan een levensverhaal over Walraven van Hall publiceerde ik wel eens boekjes, maar qua volume legden die weinig gewicht in de schaal. Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) daarentegen was het serieuzere werk.  Mijn uitgever vond dan ook dat de biografie een stevige ontvangst moest krijgen en ze regelde dat het eerste exemplaar zou worden gepresenteerd in het hoofdkwartier van De Nederlandsche Bank.

Het werd een bijzondere bijeenkomst, de tiende februari van 2006. Tot mijn verbazing verschenen er een stuk of honderd genodigden in de zwaarbeveiligde bunker aan het Frederiksplein. Nout Wellink was de eerste DNB-directeur die in zijn speech de bedenkelijke rol erkende die zowel zijn bank als de meeste andere in Nederland speelden tijdens de oorlog. Ik schoot vol toen ik exemplaren van de aan hen opgedragen verse waar mocht overhandigen aan mijn twee petekinderen, toen nog basisscholieren. En een gelijknamige kleinzoon van Walraven van Hall barstte tijdens zijn verhaal in tranen uit. Overmand door emoties kon hij zijn speech niet afmaken. Het gaf niet. Integendeel, het was misschien wel het mooiste moment van de bijeenkomst.

Na de plechtigheden wilden veel bezoekers een opdracht voorin het boek. Ik was er totaal niet op voorbereid, had niet eens een pen op zak. De eersten die me aanschoten waren familieleden. ‘Veel leesplezier’ schreef ik bij gebrek aan betere volzinnen voorin, me even niet realiserend dat Walraven aan het eind van mijn boek wordt doodgeschoten (alsnog mijn excuses voor de tekst).

Pas veel later hoorde ik dat tijdens de doop van het boek een van de aanwezigen Nout Wellink had benaderd met een verzoek om mee te werken aan een monument voor de bankier van het verzet. Wellink zegde het toe en mede dankzij hem kon korte tijd later het kunstwerk ter ere van Van Hall worden onthuld. Vlak naast De Nederlandsche Bank, de misschien wel meest symbolische plek.

Sinds die biografiepresentatie in Amsterdam zijn er nog een stuk of tien boeken van me in roulatie gegaan. Maar zo intens als op die februaridag in 2006, exact een eeuw na de geboorte van Walraven van Hall, is het nooit meer geworden.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Het kistje van Cees

 

Jaap Buijs met echtgenote en kinderen.

Tot de onbaatzuchtigen die de Nederlandse illegaliteit telde, mag zeker Cees Buijs worden gerekend. Zijn vader, Jaap Buijs, was vier oorlogsjaren lang de rechterhand en vertrouwensman van Walraven van Hall en zoon Cees assisteerde hen op tal van terreinen. In een twee jaar na Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) geschreven boek liet ik deze Zaandammer een paar keer aan het woord, onder meer over de Hongerwinter. “Nog hoor ik het gejank der honden en katten, die op 5 december voor onze deur stonden. Want wat was het geval? In de gang stonden 2 kisten vol paling, bestemd als sinterklaascadeautje voor de [stakende] spoorweglieden”, vertelde Cees Buijs kort na de bevrijding. “Het hele huis rook er naar en wij liepen de gehele dag te watertanden. Wat hadden we er zelf graag eentje op onze boterham gehad.” De erecode van het ondergrondse Nationaal Steunfonds, waarin Cees’ vader een landelijke hoofdrol vervulde, stond het niet toe. Buijs senior: “Men heeft bij het NSF altijd op het punt gestaan dan men niet werkte om zichzelf te verrijken.”

Voor de Van Hall-biografie had ik Cees Buijs dolgraag willen spreken. Ik was te laat; hij leefde niet meer. Zijn familie wist echter dat Cees altijd een metalen kistje bewaard had met nogal wat documenten over de oorlog. Er was sprake van onder meer sprake van vervalste papieren, stempels, Ausweisen en andere identiteitsdocumenten. Cees’ dochter, die inmiddels in Nieuw Zeeland woonde, was bereid op zoek te gaan naar dat wat ik inmiddels beschouwde als een heuse schatkist. Het bestond nog, bleek enige tijd later. Maar daar was ook alles mee gezegd. “Mijn broer kon vertellen dat mijn vader, niet zolang voordat hij stierf, de totale inhoud van dit kistje heeft verbrand”, mailde Cees’ dochter. “Hij heeft langere tijd geleden aan Alzheimer, sprak veel over de oorlog en raakte op die momenten buitengewoon emotioneel. Hij heeft zeer waarschijnlijk gedacht dat al deze papieren te gevoelig waren om te bewaren. Er is hiermee, in de letterlijke zin van het woord, een brok historie in vlammen opgegaan.”

Gelukkig vond ik bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie enkele interviews met Cees Buijs waarin hij vertelde over zijn oorlogsbelevenissen. Maar nog altijd zingt zo nu en dan door mijn achterhoofd de vraag wat het kistje van Cees aan geheimen bevatte.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

De sportiviteit van Cees Overgaauw

 

De familie Van Hall (1940). Linksonder Walraven.

Medio 2005 vorderde ik aardig met mijn boek over Walraven van Hall. Contact met zijn nakomelingen had ik echter nog niet gehad. En dat was wel nodig, want het vertrouwelijke familiearchief van de Van Halls -32 strekkende meters, opgeslagen bij het Stadsarchief Amsterdam– was niet toegankelijk zonder hun toestemming. Bovendien had ik de nodige vragen aan Walravens drie kinderen.
Toen ik voor het eerst contact kreeg met Aad, de zoon van Walraven, reageerde die erg vriendelijk. Natuurlijk was ik welkom om langs te komen. En uiteraard mocht ik vragen stellen. Er was alleen één maar. Documentairemaker Cees Overgaauw was bezig met een filmisch portret van Walraven en zijn kinderen hadden hem exclusieve toegang beloofd tot het familiearchief. Cees wilde namelijk óók een biografie schrijven over hun vader.

Dat ik een inzinking kreeg is overdreven, maar het idee dat ik na zo’n acht maanden zoeken en schrijven een incompleet verhaal moest inleveren, deed me de moed wel een beetje in de schoenen zakken. Enfin, ik sprak met Aad van Hall af dat ik mijn manuscript-in-wording zou toesturen, opdat hij en zijn zussen er hun blik over konden laten gaan. Aldus geschiedde.
Binnen een paar weken belde Aad me. “Mijn zussen en ik hebben het er over gehad”, zei hij: “En we vinden dat jij dat boek maar moet schrijven.” Ik kreeg alsnog exclusief toegang tot het familiearchief. “Maar”, stamelde ik: “Wat zal Cees Overgaauw daar van vinden?” Aad had daar ook al over nagedacht: “Ik ga wel met hem praten. Hij heeft het toch al erg druk, dus dat komt wel goed.”

Dat kwam het ook. Cees Overgaauw was aanwezig bij de boekpresentatie en feliciteerde me als een van de eersten met het resultaat. Sportiever had ik het niet kunnen treffen. 

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Liber amicorum voor Van Hall

 

Koningin Juliana op bezoek bij drukkerij Huig

Het boek dat ik schreef over Walraven van Hall is -verbazingwekkend genoeg, gezien de historische rol van deze man- tot op heden het enige in zijn soort. En toch ook weer niet. Kort na de bevrijding verscheen er voor zijn familie en vrienden een liber amicorum, een 98 pagina’s tellend boekje dat in kleine kring werd verspreid. Het werd gedrukt door zijn Zaandamse collega Gerrit Huig  en bevat verhalen van de mensen die Van Hall nabij stonden. Laat ik voor deze gelegenheid diezelfde drukker Huig aan het woord, over zijn ervaringen met Van Hall zoals verwoord in dat vriendenboekje:
“In Mei 1943 behoorden mijn Vrouw en ik tot de daders van den aanslag op de Gew. Arbeidsbeurs in Zaandam. Door een samenloop van omstandigheden geraakten wij door een der mededaders in gevaar. Op aanraden van den heer Soepboer, chef van de politie Hembrug, een mede-dader, heb ik mij in verbinding gesteld met Walraven. Het was een zeer delicate zaak en ik achtte hem uitermate geschikt om alles in het reine te brengen, wat hij met medewerking van den heer Buys ook prompt gedaan heeft. Vanaf dien dag kwam ik steeds meer met hem in contact. O.a. krantenpapier leveren, drukken van div. drukwerken, enz. Ook heeft hij mij rechtstreeks voorgesteld aan Gerrit van der Veen en zijn nicht Suzan van Hall.
Nu verplaatste mijn werkkring zich meer naar Amsterdam, hoewel ik in voortdurend contact bleef met Walraven en den heer Buys. Altijd had hij een open oor voor mijn moeilijkheden en plannen. Opvallend was zijn zorg voor mijn welzijn. Iederen keer, wanneer ik bij hem geweest was, maande hij mij tot voorzichtigheid en voor dolle, niet goed doordachte en niet verantwoorde plannen voelde hij niets. Ik had ook den indruk, dat hij gewelddaden met grooten tegenzin goedkeurde.
Hij was geen man, die verzet pleegde om het verzet. Opvallend was zijn onbuigzame geest ten opzichte van den bezetter en zijn trawanten. Een onbuigzame geest in dien zin, dat hij zich op den juisten tijd wist te buigen, wanneer het ging om menschenlevens te sparen, maar zich dan weer te fierder oprichtte.
In October 1943 ben ik gevangen genomen. Sindsdien niet meer met hem in contact geweest. Wel heeft hij mijn vrouw bezocht en b.v. met Nieuwjaarsdag 1945 bezocht en bemoedigd! Dat hebben wij beiden zeer geapprecieerd en toen mijn vrouw bij mijn thuiskomst dit vertelde, was mijn antwoord ongeveer: Aan Wally zijn medeleven heb ik in de gevangenis nooit getwijfeld, dat was geen punt van overweging.
Dit zijn ongeveer mijn ervaringen met Walraven van Hall. Een naam, die mij dikwijls door mijn gedachten gaat en voor mij een bijzondere beteekenis heeft gekregen.”

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

De aanleiding voor de Van Hall-biografie

 


De misschien wel meest gestelde vraag over mijn literaire bezigheden is hoe ik er toe ben gekomen om steeds maar weer over de Tweede Wereldoorlog te schrijven. Het kortste antwoordt luidt: “Door toeval.” Maar dat verdient misschien wat uitleg.

In 2004 gaven mijn ouders me een boek cadeau met de titel Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Ze hadden het dubbel, en wie weet kon de inhoud rekenen op mijn belangstelling. Dat deed het. Wat opviel was dat om de zoveel pagina’s de familie Van Hall opdook in dit werk van Geert Mak. Ze bleken een flinke rol te hebben gespeeld in de hoofdstedelijke historie, met name in de negentiende en twintigste eeuw.

In het laatste hoofdstuk verscheen opeens ene Walraven van Hall ten tonele. Dat bleek een Zaandamse bankier annex verzetsman te zijn, en Mak plaatste hem op een voetstuk. Een citaat: “Binnen twee jaar groeiden de gebroeders Van Hall uit tot centrale figuren binnen de Nederlandse illegaliteit, en over Wallie werd zelfs gesproken als de ‘minister-president van bezet Nederland’.”

Tot dan had ik alleen weet van de Walraven van Hallstraat, een weinig tot de verbeelding sprekend hoekje van Zaandam. Geert Mak maakte me echter nieuwsgierig naar meer informatie over de ‘olieman’, een van Van Halls bijnamen tijdens de bezetting. Vreemd genoeg bleek er geen boek over zijn leven te bestaan. Loe de Jong schetste in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog weliswaar een uitgebreid beeld van Walraven van Hall, die hij beschouwde als de belangrijkste ondergronds werker die Nederland had tussen 1940 en 1945, maar het levensverhaal van deze man vond ik niet. In mijn naïviteit dacht ik toen: “Dan schrijf ik het zelf wel.”

In het navolgende jaar stak ik al mijn vrije tijd in het onderzoek naar en schrijven over Van Hall. Ik nam een aantal maanden vrij van mijn werk. Mijn voornemen was om op 10 februari 2006, de honderdste geboortedag van ‘Wallie’, zijn levensverhaal te kunnen presenteren. Dat lukte, al dreigde het op het laatste moment nog te mislukken. Maar daarover morgen meer.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

 

Walraven van Hall: bankier van het verzet

Loe de Jong noemde hem de centrale figuur van de illegaliteit. De in Amsterdam werkzame Walraven van Hall werd tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog door velen gezien als de minister-president van bezet Nederland. Desondanks zakte deze ‘bankier van het verzet’ sindsdien langzaam weg in de vergetelheid.

Er zijn de nodige raakvlakken tussen de Franse ambtenaar Jean Moulin en de effectenhandelaar Walraven van Hall, mannen die in eigen land uitgroeiden tot het middelpunt van de strijd tegen de nazi’s. Allebei dwarsboomden ze hun tegenstanders waar mogelijk, overigens zonder daarbij gebruik te maken van wapens. Ze slaagden er in het verdeelde verzet te laten samenwerken. En als gevolg van verraad in eigen gelederen stierven beiden een gewelddadige dood.

Verschillen zijn er ook. Moulin kreeg zijn laatste rustplaats in het aan de allergrootsten voorbehouden Parijse Panthéon. Hij werd in Frankrijk opgewaardeerd tot bijkans mythologische held, die in vrijwel elke plaats een straat of school naar zich vernoemd kreeg en wiens leven keer op keer is verfilmd en geboekstaafd. Van Hall daarentegen, bijgezet op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal, bleef – het eerbetoon van De Jong en andere historici ten spijt – aanvankelijk onbekend bij het grote publiek.

Zaandam

Na een korte carrière als zeeman kwam de in Amsterdam geboren ‘Wally’ van Hall in de financiële wereld terecht. In maart 1940 verhuisde hij naar Zaandam. Namens de plaatselijke bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon reisde hij dagelijks naar het hoofdstedelijke Beursplein om er effecten te verhandelen. Aan zijn onbekommerde gezinsleven kwam een eind na de Duitse bezetting van Nederland. Walraven werd in zijn woonplaats voorzitter van de Nederlandse Unie. Deze volksbeweging wilde het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Veel mensen sloten zich er bij aan, uit weerzin tegen het nationaalsocialisme.

In december 1941 verboden de Duitsers de wispelturige Nederlandse Unie, op dat moment de grootste politieke partij ooit. Tal van Unie-leden gingen vervolgens ondergronds. Zo ook Van Hall. Hij was al gestart met een geldinzameling voor slachtoffers van de Februaristaking en raakte nu ook betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor gezinnen van uitgeweken koopvaardij- en marinepersoneel. Samen met zijn broer Gijs – de latere burgemeester van Amsterdam – lukte het Walraven om via kennissen in de bank- en beurswereldvloer honderdduizenden guldens aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Ik denk er niet over om mijn makkers, met wie ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, vertrouwde hij een vriend toe.

Plundering van schatkist

In de loop van 1942 werd duidelijk dat steeds meer nazislachtoffers hulp nodig hadden. De beide Van Halls stichtten daartoe het landelijk opererende Landrottenfonds. Dat sloot grote leningen af bij banken en vermogende Nederlanders. Het geld ging naar gezinnen van gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van arbeidsinzet-onderduikers en acht- à negenduizend ondergedoken joden.

Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstond het Nationaal Steunfonds (NSF). Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider was, financierde gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gingen er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw en Het Parool. Toen de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 opriep tot een spoorwegstaking nam het NSF de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een maandelijkse last van 5-6 miljoen gulden. Tot mei 1945 deelde het NSF meer dan 85 miljoen gulden uit binnen de illegaliteit.

Ruim tweederde van dit bedrag was afkomstig van De Nederlandsche Bank. Het idee om de nationale kas te plunderen kwam van Gijs van Hall. Hij herinnerde zich de Zweedse luciferproducent Ivar Kreuger. Die wist in de jaren dertig met valse schatkistpromessen miljoenen te ontfutselen aan een Italiaanse bank. De Van Halls kregen kassier-generaal C.W. Ritter zo ver om valse papieren om te ruilen voor echte. Het was een gevaarlijke klus, want De Nederlandsche Bank werd geleid door NSB-kopstuk Meinoud Rost van Tonningen. Vijftien keer vond er in het bankgebouw aan de Oude Turfmarkt een ingewikkelde wisseltruc plaats, waarna de echte waardepapieren bij acht sympathiserende bankdirecties werden omgezet in contant geld. Het was de grootste bankfraude ooit in Nederland. Terecht concludeerde Loe de Jong dat het de Nederlandse illegaliteit wellicht aan van alles ontbrak, maar dankzij het Nationaal Steunfonds in ieder geval niet aan geld.

Waar Gijs van Hall zich vooral concentreerde op het NSF leek zijn broer alom aanwezig. In het laatste oorlogsjaar was Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, bij de door het NSF gefinancierde en gehuisveste Binnenlandse Strijdkrachten en was hij de initiatiefnemer van een succesvolle landelijke campagne om de Duitse Arbeitseinsatz te frustreren. Hij hield zich verder onder meer bezig met hulp aan geallieerde piloten, het onderbrengen van joden, de levering van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens ideologische conflicten binnen de verzuilde landelijke illegaliteit.

Walravens gezondheid ging tijdens de hongerwinter van 1944-’45 snel achteruit. Geert Mak beschreef in zijn boek Een kleine geschiedenis van Amsterdam de vermoedelijk laatste keer dat zijn gezin hem zag. “Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Duur gekochte vrijheid

Op 27 januari 1945 werd Van Hall gearresteerd tijdens een topoverleg op de Leidsegracht, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Weteringschans belandde hij in een cel naast zijn eerder gearresteerde verzetsvriend Jaap Buijs. Die beschreef in een bewaard gebleven dagboekje Van Halls laatste uren. “12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. (…) Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til [zijn echtgenote] mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.”

Op 12 februari 1945 stierf de twee dagen eerder 39 jaar geworden Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Na de bevrijding werd zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen.

Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken betitelde de eerste naoorlogse premier, Wim Schermerhorn, Van Hall als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Het heeft desondanks 65 jaar moeten duren voor Walraven van Hall werd geëerd met een monument, geplaatst naast en deels gefinancierd door diezelfde Nederlandsche Bank waaruit de broers Van Hall het kapitaal voor hun verzetswerk roofden. Dat de ‘olieman’ (een van zijn vele bijnamen) een voetnoot in de historie dreigde te worden heeft als belangrijke oorzaak dat zijn naasten de publiciteit meden. Wally’s familie zweeg. Zijn beste vriend, Jaap Buijs, was te getraumatiseerd om over de oorlog te spreken. Van Halls hoofdkoerier, L.C. Weeda, vertrok na de bevrijding al snel naar Nederlands-Indië. Kassier Ritter en andere bankiers wilden niet te koop lopen met hun ‘frauduleuze’ oorlogswerkzaamheden. En Gijs van Hall heeft in zijn memoires nog wel een poging gedaan om zijn broer lof toe te zwaaien, maar van dat boek bleef vooral het beeld hangen van een burgemeester die zijn taak niet tot een bevredigend einde wist te brengen.

De speelfilm Bankier van het verzet (met onder anderen Barry Atsma, Jacob Derwig en Pierre Bokma) geeft mogelijk het laatste zetje dat nodig is om Van Hall dezelfde naamsbekendheid te geven als bijvoorbeeld Hannie Schaft, Erik Hazelhoff Roelfzema en Gerrit Jan van der Veen. Hij verdient het.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Unieke foto’s van de Februaristaking

In de zomer van 2016 nam de tachtigjarige Gerard Wijdenes contact op. Of ik geïnteresseerd was in een fotoalbum van zijn ouders, wat boeken over de jaren ’40-’45 in de Zaanstreek en een pak oude oorlogskranten. Dat was ik natuurlijk. Ik bladerde het fotoboek door en stuitte op vier foto’s die blijkens het bijschrift op 25 februari 1941 waren gemaakt in Zaandam. ‘Wauw,’ zei ik. Want hoewel de Februaristaking een unieke gebeurtenis was tijdens de Tweede Wereldoorlog (want de enige keer in heel Europa dat de bevolking opstond tegen de jodenvervolging), dook er pas een jaar eerder voor de eerste keer een foto op waarvan onomstotelijk vaststond dat het de Februaristaking betrof. En plotseling had ik er vier tegelijk in mijn handen.

De in 2015 geopenbaarde opname was gemaakt door een journalist van het socialistische dagblad Het Volk. Decennialang had het kiekje onopgemerkt in het provinciaal archief in Leeuwarden gelegen. Op de foto is te zien was hoe burgers zich verzamelen rond een – niet zichtbare – spreker op het Amsterdamse Raamplein.

Het album met de Zaanse foto’s had jarenlang op de zolder gelegen van Gerard Wijdenes’ zusje Marion. ‘Toen ze bezig was met een grote schoonmaak wilde ze het album op de schroothoop gooien’, vertelt Gerard.’ “Doe maar niet”, zei ik. “Ik kijk wel of ik er een bestemming voor vind.” Die vond hij dus. In het najaar arriveerde opeens per post een doos met daarin het fotoalbum. Het bevatte beelden van de bombardementen in Rotterdam die tijdens de oorlog wijd werden verspreid, kiekjes van de koninklijke familie, vergeelde krantenknipsels en bonnenboekjes. Prachtig materiaal, maar niet uniek. Maar halverwege het boek wachtte me de grote verrassing.

Dirk Wijdenes en zijn vrouw Elisabeth woonden sinds oktober 1935 in hartje Zaandam, aan wat toen de Hoogendijk 10 was. Ze hadden uitzicht op het standbeeld van Czaar Peter. Nu is het een pleintje met veel horeca, destijds waren er een postkantoor, bioscoop, kleine middenstanders en een café gevestigd. Het woonhuis is nog steeds een opvallend pand, genaamd ‘Het Wapen van Friesland’. Tegenwoordig is ook hier horeca gevestigd, maar in die jaren zat er de firma Keg, een comestibleswinkel. Er werden koffie, thee, wijn, zeep en kaarsen verkocht. Dirk was er de bedrijfsleider en woonde dus in een groot appartement boven de zaak. Op een van foto’s in het album is hij te zien in een keurig pak mét plusfour, gepoetste schoenen en een strikje. Hij staat trots tussen zijn personeelsleden op de dag dat er Zweeds wittebrood wordt uitgedeeld. Blijkens het bijschrift is de foto genomen op 8 maart 1945.

Op dinsdag 25 februari 1941, ergens laat op de middag, pakte Dirk of Elisabeth een fototoestel en richtte de lens naar buiten. Rond het beeld van Czaar Peter was sprake een kleine volksoploop. Het waren stakers, die – gretig naar nieuws – richting het centrum waren getrokken. De onrust was overgeslagen uit Amsterdam. En om uit te leggen hoe dat zo kwam, moeten we een paar weken terug in de tijd.

Op zondag 9 februari viel de Weerafdeling van de NSB het Amsterdamse café en variététheater Alcazar binnen, omdat de eigenaars hadden geweigerd het bordje ‘Joden niet gewenst’ op te hangen. Later die dag vernielden door Duitsers gesteunde NSB’ers de ruiten van woningen die toebehoorden aan joden in de buurt van het Waterlooplein. De spanningen liepen op, en het kwam – niet voor de eerste keer – tot gevechten tussen joodse bewoners die hun eigendommen wilden verdedigen en NSB’ers die door de straten schuimden. Daarbij werd – het verhaal is bekend – de WA-man Hendrik Koot doodgeslagen. Het vormde de opmaat tot de eerste grote razzia in Amsterdam, waarbij 427 willekeurige joodse mannen van straat werden geplukt als represaille. De foto’s van de arrestanten op het Jonas Daniël Meijer plein zijn wereldberoemd geworden. Vrijwel alle gevangenen zouden worden vermoord in Mauthausen.

Rood bolwerk

Ook in de Zaanstreek was het onrustig in die dagen. Bij het partijkantoor van de NSB waren eerder al de ruiten ingegooid en ook bij NSB-gezinde families gingen er regelmatig keien door de voorruit. Zaandam en omgeving was van oudsher een rood bolwerk, en de contacten tussen de leden van de Communistische Partij in Amsterdam en Zaandam waren dan ook hecht. Men hield elkaar nauwkeurig op de hoogte. Toen de joodse arrestanten in een colonne van tien gesloten vrachtwagens vanuit Amsterdam naar een tijdelijk kamp in Schoorl werden vervoerd, passeerden ze via de Provincialeweg ook de Zaanstreek. Dat was niet onopgemerkt gebleven, verklaarden getuigen na de oorlog.

Op 21 februari verscheen in het Zaanse advertentieblad De 7000 het bericht dat alle inwoners van joodse afkomst zich – tegen betaling – moesten laten registreren. Dat vergrootte onder de Zaankanters de toch al aanwezige verontwaardiging over de handelswijze van de bezetter. Het kwam tot een eerste openlijke confrontatie toen de WA op een stampvolle zondagavond binnenviel bij het Koogse café De Waakzaamheid, waar bezoekers en masse op de dansvloer stonden. De boel werd kort en klein geslagen, aanwezigen mishandeld. De aanleiding is altijd onduidelijk gebleven: vonden de WA’ers dat de burgerij moest rouwen over de dood van hun kameraad Koot?

Op diezelfde zondag besloten kopstukken van de CPN in Amsterdam om daar een staking te organiseren uit protest tegen de razzia. ‘Protesteert tegen de afschuwelijke Jodenvervolgingen!!!!!’ was te lezen op een pamflet. De staking die begon op dinsdag 25 februari leidde er in Amsterdam toe dat tienduizenden het werk neerlegden en het openbaar vervoer stil kwam te liggen. De staking sloeg, aangewakkerd door de CPN, ook over naar omliggende gemeenten. In de Zaanstreek legden die eerste dag ruim drieduizend arbeiders het werk neer bij onder meer Duyvis, de Zaanlandsche Scheepsbouw Maatschappij en zetmeel- en voedingsmiddelenconcern Honig. Veel stakers trokken – zonder vlaggen of demonstratie, werkonderbrekingen waren streng verboden – naar het centrum van Zaandam, en dat is wat het echtpaar Wijdenes vanuit het raam op de eerste verdieping vastlegde. Dat ze foto’s maakten is op zich niet zo raar. In die eerste oorlogsjaren waren er nog volop fotorolletjes te koop en fotograferen was op dat moment nog niet verboden.


Op de foto die op de albumpagina rechtsboven is geplakt, is te zien hoe de bevolking zich verzamelde voor een winkelpui schuin tegenover Keg. ‘Opplakken van bepalingen. Werden door de mensen afgerukt’, luidt het bijschrift bij de foto. De ‘bepalingen’ waarop werd gedoeld, waren waarschijnlijk mededelingen van de Duitse autoriteiten waarin ze zich verantwoordden voor de razzia’s in Amsterdam, en waarin de joodse bevolking alle schuld in de schoenen werd geschoven. De foto’s moeten om een uur of vier in de middag zijn gemaakt, dat zie je aan de lange schaduwen op deze heldere winterdag. Het is een tijdstip waarop normaal de arbeiders in de fabrieken zouden zijn. De beelden komen overeen met politierapporten van die dag. Na een tip van een bezorgde burger waren agenten ter plaatse poolshoogte gaan nemen. Ze meldden dat ze enkele tientallen mensen aantroffen bij het honderd meter van Keg gelegen hotel-restaurant ‘Het Wapen van Zaandam’ (tegenwoordig is er een wokrestaurant gevestigd).

Die samenscholing bij Het Wapen van Zaandam is op de drie andere foto’s uit het album in de verte aan de rechterhand te zien. Nadere bestudering van de eerste van die foto’s wijst uit dat er aan het einde van de straat een open Duitse legertruck met achterin soldaten staat.


De drie foto’s zijn kort na elkaar genomen; klik, rolletje transporten, klik, transporteren, klik. Dat weten we omdat links op de stoep een Duitse soldaat is te zien die er op de tweede foto ook staat als de truck in de richting van de Dam rijdt en halverwege de straat is. En er is nog een aanwijzing dat er weinig tijd zat tussen de foto’s: op alle drie de beelden staat een man in een donkere korte winterjas en met een hoed op. Op de eerste hangt hij tegen een muur te roken, op de tweede staat hij daar nog steeds en op de derde foto steekt hij, sigaret in de hand, de straat over, als de vrachtauto is gepasseerd. Op het derde beeld, rijdt de truck onderlangs de winkel van Keg. De helmen van de soldaten zijn duidelijk te zien. Het bijschrijft luidt: ‘Mensen vluchten.’ Dat klopte, want de straat was inmiddels vrijwel leeg. De fotograaf deed een stap naar binnen toen de vrachtwagen naderde. Niet verwonderlijk, want fotograferen van militaire objecten was, hoewel op dat moment nog niet verboden, wel riskant.

Die 25ste februari bleek achteraf de aanloop naar de grote stakingsdag. Op woensdag de 26ste werd er gestaakt in Amsterdam, Utrecht, Hilversum, Weesp en andere omliggende plaatsen. Ook de hele Zaanstreek ging plat. NSB’ers werden belaagd. Eentje werd zelfs in de Vaart gegooid en mocht er pas weer uit nadat hij het Wilhelmus had gezongen. Stakers sloegen andere NSB’ers in elkaar, een huis werd leeggeroofd, andere bekogeld. Een NSB-bruidspaar dat toevallig die dag in het huwelijk trad, vlakbij de Dam in het toenmalige stadhuis, werd bekogeld met stenen. De Zaandamse politie moest er aan te pas komen om de menigte op afstand te houden. De Duitse autoriteiten kwamen later die dag echt in actie. Op de Dam werd met scherp geschoten, slagersknecht Jan Keijzer verloor hierbij na een gericht schot het leven.

Boete

Uiteindelijk, en dat is weinigen bekend, duurde de Februaristaking het langst in de Zaanstreek, langer dan in Amsterdam. De laatste werkweigeraars gingen pas op 1 maart weer aan de slag. De Duitse autoriteiten legden Zaandam een boete op van een half miljoen gulden. Die moest worden opgebracht door de rijkste inwoners. Burgemeester Joris In ’t Veld werd met pensioen gestuurd en vervangen door de fel-antisemitische Cornelis van Ravenswaay, die uiterst actief opereerde bij de jodenvervolging. Bioscopen gingen dicht, er kwam een strenger uitgaansverbod dan elders en veel stakers kregen een korting op hun salaris.

Dirk Wijdenes was volgens zijn zoon Gerard tijdens de oorlogsjaren die volgden actief in het verzet. Hij bewaarde wapens en had onderduikers op zolder. Niet lang na de bevrijding kreeg Dirk een hersenbloeding en raakte hij verlamd. Het gezin moest het huis boven de winkel verlaten. Dirk overleed in 1970, zijn vrouw Elisabeth in 2008.

Het fotoalbum lag daarna al die tijd in een doos op een zolder.

(Dit is een bewerking van een met Harm Ede Botje geschreven artikel dat in februari 2017 in Vrij Nederland stond.)