Etty Hillesum en Carla Simons: spiegelbeelden?

In het najaar van 2021 verschijnt Judith Koelemijers biografie van Etty Hillesum. Deze joodse vrouw uit Amsterdam werd bekend door de publicatie van haar oorlogsdagboek, 38 jaar na haar dood. De talloze overeenkomsten met het leven van een ander Holocaust-slachtoffer uit de hoofdstad, Carla Simons, zijn te veelvuldig en opvallend om ongenoemd te laten.

Etty Hillesum was, meteen na Anne Frank (Het Achterhuis), maar samen met Philip Mechanicus (In Dépôt. Dagboek uit Westerbork) de bekendste chroniqueur van de jodenvervolging. Honderdduizenden Nederlanders lazen Het verstoorde leven en haar ooggetuigeverslag kreeg vele vertalingen.

Zo bekend als Etty Hillesum (lang) na haar gewelddadige levenseinde werd, zo anoniem bleef Carla Simons. In 2014 probeerde ik haar wat naamsbekendheid te geven, maar verder dan een paar honderd verkochte exemplaren van het aan Simons gewijde en grotendeels door haar geschreven Dagboek 1942 kwam het niet. En dat terwijl uitgeverij Contact al in 1947 aankondigde om haar literaire oorlogsgedachten uit te geven. Het ging uiteindelijk niet door, om onbekende redenen. Ook de eerste pogingen om Hillesums bewaard gebleven aantekeningen uit te geven, eveneens in 1947, strandden aanvankelijk. Meerdere uitgevers zagen de publicatie niet zitten. Het is lang niet de enige overeenkomst tussen deze twee zelfstandige, eigenzinnige, geëmancipeerde vrouwen.

Carla Simons, ca. 1939 (Joods Historisch Museum)

Etty Hillesum, ca. 1939 (Wikipedia)

Er waren uiteraard ook de nodige verschillen. Zo werd Hillesum in 1914 geboren in Middelburg en Simons elf jaar eerder in Amsterdam. Het grootste verschil betreft het dagboek zelf. Waar de eerste gedurende lange periodes bijna dagelijks de pen oppakte, beperkte Simons zich tot een maandelijks overzicht. Soms sloeg ze zelfs een maand over. Ze lijkt aan het karwei te zijn begonnen met het idee dat er vooral iets literairs moest ontstaan. Haar aan het papier toevertrouwde gedachten zijn zeker de eerste periode verheven, zo niet pompeus.

Uit alles blijkt dat ze in die beginfase van het schrijven geen idee had van de dodelijke gevaren die haar en de andere joden in Nederland bedreigden. Etty Hillesum schreef in de eerste weken van 1942 indringend over onder meer de Joodse Raad, de Gestapo en een doodgemartelde kennis. Carla Simons daarentegen filosofeerde over bomen, bloemen en sterren, en leek te vluchten in een fantasiewereld. Pas in april wijdde ze voor het eerst een paar woorden aan de enorme beperkingen waarmee joden te maken hadden. ‘Verboden voor Joden’, signaleerde ze bij een lonkend Amsterdams terras. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Maar wie ontneemt mij dit genot, dit verlangen naar lenteleven?’ Het leek alsof ze zich toeschouwer waande in een grimmig sprookje, fictie waaraan ze zelf nog zou kunnen ontsnappen. Het zou bijna driekwart jaar duren voor ze definitief een andere insteek koos en de realiteit vaker tot zich liet doordringen. Maar zelfs toen bleef ze een dromerig optimisme koesteren.

Polen

Haar naïviteit komt misschien wel het best tot uiting in een goedbedoeld advies aan een joodse kennis. De 23-jarige vrouw overwoog te trouwen met een volgens Carla ongeschikte partner. Het was inmiddels september 1942 en de transporten naar Auschwitz waren al enkele maanden aan de gang. Carla raadde de jonge vrouw aan om van het huwelijk af te zien: ‘Het is erger dan naar Polen gestuurd te worden.’ Even daarvoor had ze weliswaar vastgesteld te leven in een ‘tijd van verschrikking, arrestaties, razzia’s, wanhoop, zelfmoord’, maar desondanks achtte ze een slecht huwelijk erger dan de gedwongen tocht naar een duistere bestemming in Polen. Ter vergelijking: tezelfdertijd noteerde Etty Hillesum in haar dagboek: ‘Een hele hoop mensen maken zich ziek of houden zich ziek uit angst om versleept te worden. Velen maken ook zichzelf dood, ook uit angst.’

De verschillende invalshoeken die beide buurtgenoten tot het najaar van 1942 hanteerden is verklaarbaar. Hillesum had als medewerkster van de Joodse Raad het leed dat de joden werd aangedaan al aan den lijve ondervonden. Bovendien was ze inmiddels korte tijd in kamp Westerbork geweest. Simons kon, dankzij haar relatie met een Italiaan, nog geruime tijd haar relatief luxe leven voortzetten en de boze buitenwereld tot op zekere hoogte ontkennen.

Na acht maanden kwam Simons tot de conclusie dat ze soms ‘te gestileerd, te mooi, te weinig doordacht’ schreef. Het was een vriend, de bekende concertpianist Imré Ungár, die haar daarop attendeerde. Ze besloot om meer aandacht te besteden aan het rauwe leven en de gruwelijkheden die de hoofdstad bedreigden. Halverwege haar manuscript veranderde de verheven, soms bijna abstracte tekst in een tastbaarder verhaal. Er drongen steeds vaker gruwelen en bedreigingen in door. Het dagboek werd meer en meer een kroniek van een aangekondigde dood. En daarmee kwam het een stuk dichter te staan bij de getuigenissen van Etty Hillesum (die overigens eveneens vooral haar innerlijk leven boekstaafde).

Parallellen

Er zijn te veel parallellen tussen de twee schrijvende joodse, Amsterdamse vrouwen om ze te kunnen negeren. Ik zet ze hieronder op een rij.

  • Beide vrouwen deden een academische talenstudie: Simons waagde zich aan het Italiaans, Hillesum wierp zich op de Slavische talen.
  • Zowel Simons als Hillesum was vrijzinnig en openhartig. Nadat Simons een roman had gepubliceerd waarin een biseksueel verlangen aan bod kwam, oordeelde de bekende historica Annie Romein-Verschoor preuts: ‘Het geeft te denken dat die zichzelf doorgrondende openhartigheid zich zo overwegend op het seksuele richt.’ Volgens haar collega A.M. de Jong benaderde Simons met haar beschrijving van de ‘overprikkelde erotomane Lea (…) bedenkelijk de grenzen der pornografie.’ Hillesum, die tezelfdertijd meerdere relaties onderhield, noteerde al op de eerste pagina van haar dagboek: ‘Erotisch ben ik geraffineerd, ik zou haast zeggen doorgewinterd genoeg om tot de goede minnaressen te behoren.’
  • Ze kregen allebei een relatie met een buitenlandse charismatische intellectueel die zich in Nederland had gevestigd. De mannen waren afkomstig uit een nadien als vijandige mogendheid beschouwd land. Simons werd smoorverliefd op de Italiaanse privaatdocent Romano Nobile Guarnieri, Hillesum op de uit Duitsland gevluchte ex-bankier Julius Spier. In beide gevallen kwam het overigens niet tot een huwelijk of kinderen.
  • Opvallend is het leeftijdsverschil tussen de geliefden. Guarnieri (1883) en Simons scheelden twintig jaar, Spier (1887) en Hillesum 27 jaar.
  • De twee vrouwen onderwierpen zich aan navelstaarderige sessies met handlijnkundigen of andere toekomstvoorspellers. Hillesum deed dat bij Spier, die van het handlezen zijn beroep had gemaakt. Simons bezocht meermalen niet bij naam genoemde waarzeggers.
  • Ze woonden allebei in Amsterdam-Zuid, op een paar honderd meter van elkaar. Simons aan de Noorder Amstellaan, Hillesum in de Gabriël Metsustraat.
  • Beiden begonnen pas in de oorlog met het schrijven van een dagboek. Hillesum vanaf 1941, Simons in 1942. Beide dagboeken eindigden abrupt: dat van Simons in mei 1943, dat van Hillesum vier maanden later.
  • Zowel uit Dagboek 1942 als uit Het verstoorde leven spreekt een continu godsbesef. Beide schrijfsters praten op papier met grote regelmaat met en over Hem. In de laatste alinea van haar dagboekaantekeningen typeert Etty Hillesum zichzelf in bijbelse bewoordingen: ‘Ik heb mijn lichaam gebroken als brood en het uitgedeeld onder de mannen.’ De laatste dagboekzin van Carla Simons bevat een letterlijk bijbelcitaat: ‘Maar in mijn hart komt rust en vertrouwen, en ik denk aan deze woorden: “En hij scheidde zich van hen af omtrent een steenworp, en knielde neder en bad, zeggende: Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van mij wegnemen, doch niet mijn wil, maar de Uwe geschiedde.”‘
  • Hoewel ze allebei meermalen een aanbod kregen om onder te duiken, weigerden ze die stap te zetten. Simons omdat waarzeggers haar vertelden dat haar niets zou overkomen, Hillesum ‘omdat ze het lot van haar volk wilde delen.’
  • Op 19 november 1943 stierf Carla Simons in de gaskamer van Auschwitz. Etty Hillesum onderging dat lot elf dagen later, in het hetzelfde kamp.

J.G. Gaarlandt

In het voorwoord van Het verstoorde leven schrijft inleider Jan Geurt Gaarlandt over ‘haar uiteenzettingen over het “vrouwenvraagstuk”, haar bevindingen in de literatuur van de Russen en Duitsers, van [Rainer Maria] Rilke vooral, haar visie op de geschiedenis en het jodendom, haar constante groei naar een leven dat zich verzet tegen de haat die vriend en vijand beheerst, de eerlijkheid en vrijgevochtenheid, haar stemmingen, haar lyrische ontvankelijkheid, de dreigende gebeurtenisen, de steeds grotere evidentie van “het verstoorde leven” om haar heen, ze peilt ze, schrijft ze neer, helder, intens, met een opvallend literair talent.’ Gaarlandt doelt daarbij uiteraard op Etty Hillesum. Het wonderlijke is dat zijn omschrijving precies zo van toepassing is op Carla Simons.

Lees die twee schrijfsters! (En daarna natuurlijk Judith Koelemeijers biografie.)

Carla Simons, 1939

Etty Hillesum, 1939 (Wikipedia)

 

 

Archiveren moet je leren

Een van de trotse verzamelaars in Allen tegen allen.

In de prachtige documentaire Allen tegen allen (2019), over het vooroorlogse Nederlandse fascisme, komt een keur aan verzamelaars langs. Een logo van de NSB, het paspoort van Mussert, zeldzame partijspeldjes; de trots op en begeerte naar nazistische parafernalia spat uit hun ogen. De extreemrechtse collecties zijn hen gegund. Maar toch…

Toen ik in 2017 vier foto’s van de Februaristaking in 1941 in de schoot geworpen kreeg, was mijn aarzeling kort. Tot dan toe waren er van die werkonderbreking tegen de jodenvervolging wereldwijd slechts twee foto’s bekend. Het kwartet aanvullingen was dus uitermate zeldzaam en daarmee -ook vanuit geschiedkundig oogpunt- kostbaar. Mijns inziens hoorden ze niet in een particuliere collectie, maar in een voor iedereen toegankelijk archief. De foto’s verhuisden daarom naar het Gemeentearchief Zaanstad.

Hetzelfde gebeurde toen ik wat later vele honderden originele oorlogsdocumenten ontving met de namen, adressen en andere gegevens van ‘foute’ Zaankanters. De papieren bevinden zich nu in een veilige omgeving, onder ideale klimatologische omstandigheden. En, minstens zo belangrijk, iedereen die er onderzoek naar wil doen, heeft daartoe nu de gelegenheid.

Het schilderij van Frans Mars.

Soms krijg ik privécollecties onder ogen die me doen watertanden. Dat de eigenaar van een door Frans Mars gemaakt schilderij (een kado in mei 1945 van de even eerder uit de gevangenis bevrijde Zaandamse verzetsman Jaap Buijs voor zijn stadgenoot/medestrijder Bob Pel; handgeschreven opschrift op de achterkant: ‘Ter herinnering aan onze prachtige samenwerking’) het kunstwerk in de familie wilde houden, begrijp ik ten volle. Maar hoe graag zou ik op basis van de binnen dezelfde familie circulerende documenten en verhalen over agent Pel een biografie over diens leven willen maken. Dat is nu lastig tot onmogelijk; ik kan niet bij de originele bronnen komen.

Ook meer dan jammer: enige tijd terug mocht ik een blik werpen in een reeks dagboeken die geschreven waren door een in Krommenie ondergedoken joods echtpaar. Ze hadden de schuiltijd op zolder onder meer besteed aan het schrijven van een mooi toneelstuk over de omstandigheden waarin ze moesten zien te overleven. Het geheel was verlevendigd met bijzonder mooie tekeningen van onder meer de decors die het stuk moesten aankleden. Het was en is uniek materiaal, waarvan ik geen equivalent ken. Helaas ging de dagboeken na de bezichtiging weer in de tas mee naar huis. Ik hoop van harte dat ze op enig moment in een archief belanden. En wat zou ik graag dat toneelstuk eens opgevoerd zien worden.

Kiddoesjbeker

Niet voor een archief, maar voor een museum lijkt me -vanwege het achterliggende verhaal- de kidoesjbeker die ooit het eigendom was van Gabriël Pais een aanwinst. Hij werd in 1942 vermoord in Auschwitz, zijn voor de sabbath bedoelde drinkbeker met de initialen G.P. bleef bewaard en verhuisde met een familielid naar Curaçao. Het enig resterende aandenken aan Gabriël Pais is of wordt dit jaar geschonken aan een dertienjarige naamgenoot in België. Een prachtig gebaar natuurlijk, maar -persoonlijke voorkeur- ik had de beker liever gezien bij een publieke organisatie.

Max Lewin op het Binnenhof.

Nog een voorbeeld. Voor mijn te schrijven boek over de joodse radiopionier, politicus en spion Max Lewin mocht ik van een familielid tal van persoonlijke documenten lenen. Zonder die nalatenschap had Lewins levensverhaal er een stuk kaler uitgezien. Bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis ligt namelijk wel wat informatie over deze bijzondere man, maar dat is slechts een fractie van het originele materiaal dat ik in handen had. Het zou fijn zijn wanneer alle gegevens in het IISG bij elkaar komen. Dan kunnen anderen er ook van genieten.

Een laatste illustratie. Helaas pas nadat begin 2020 mijn boek over verzetsman/verrader Johnny de Droog was uitgegeven, belden er twee Gelderse broers. Hun moeder speelt een belangrijke rol in de biografie. Ze werkte in 1941/’42 -zonder zich daarvan bewust te zijn- samen met collaborateur De Droog, in de veronderstelling dat hij nog altijd actief was binnen en voor de illegaliteit. Haar ‘vriend’ schonk haar een gesigneerde foto van zichzelf, schreef ansichtkaarten naar haar en liet wat van zijn bezittingen bij haar achter. De broers hadden van hun moeder een bureau geërfd waarin ze deze spullen bewaarde. En wellicht nog meer, maar vooralsnog hadden haar zoons dat nooit uitgezocht. Ik mocht langskomemn, een kijkje nemen en de waardevolle spullen zelfs meenemen. Helaas liep het contact daarna dood. Ik ben bang dat de unieke documentatie -van Johnny de Droog, een van Nederlands grootste verraders, is zo goed als niets bewaard gebleven- op enig moment bij het vuil verdwijnt.

Resumerend: wees zuinig op uw oude artikelen. Leg het in geval van twijfel voor aan iemand die er kijk op heeft. Zorg dat hetgeen van belang is voor de geschiedschrijving een plek krijgt in een museum of archief. En waar dat gewenst is, ben ik graag uw intermediair.

Gevangene Jaap Buijs was 166.500 gulden waard (maar het geld raakte zoek)

Jaap Buijs in 1944 (C. Dorjee)

Oud-verzetsman Jacob ‘Jaap’ Buijs (1888-1960) wordt waarschijnlijk geëerd in het Zaanse straatbeeld. Als het aan de gemeente Zaanstad ligt, krijgt hij een brug naar zich vernoemd. Gezien Buijs’ toenmalige woonplaats en beroep -houthandelaar-, lijkt het me logisch dat dat een houten oeververbinding in Zaandam wordt.

Dat Buijs niet eerder is vernoemd, is zowel betreurenswaardig als verklaarbaar. Na de Tweede Wereldoorlog werden vooral verzetsstrijders met een straatnaambordje geëerd die tussen 1940 en 1945 het leven lieten. De vernoeming van iemand als Jan Brasser -die voorop ging in de gewapende strijd, dat ternauwernood overleefde en in 2007 een tunnel in Krommenie op zijn naam kreeg- was en is een uitzondering. Maar waar Brasser vooral regionaal actief was, opereerde Jaap Buijs (ook) in de landelijke verzetsleiding en had zijn inzet veel meer impact. Hij was de rechterhand van de spin in het web binnen de Nederlandse illegaliteit, Walraven van Hall, en gaf onder meer leiding aan de Stichting 1940-1945. Buijs werd voorzitter van de landelijke koepelorganisatie de Kern -het belangrijkste gremium van ondergronds Nederland- en van hulporganisatie Natura. En hij zat in de top van het Nationaal Steunfonds. En dat is nog maar een selectie uit zijn verzetsactiviteiten tussen 1941 en 1945. Hoe belangrijk zijn medestrijders deze geboren en getogen Zaandammer achtten, werd me onlangs eens te meer duidelijk.

Siegfried Wreszynski

In het boek Opkomst en ondergang van een onweerstaanbare oplichter (1993) schetst Igor Cornelissen het leven van de stateloze bedrieger Siegfried Wreszynski (1893-1954). Deze in Polen geboren joodse man lichtte in en buiten Nederland talloze mensen op en harkte zo enorme bedragen binnen. Alleen al de Amsterdamsche Bank raakte voor de oorlog bijna twintig miljoen gulden kwijt aan deze charmant opererende crimineel. In 1941 kwam Wreszynski, na een relatief korte gevangenisstraf wegens oplichting, op vrije voeten. Hij belandde een jaar later in kamp Westerbork, maar wist daar in juli 1942 uit te komen, nadat hij een aantal joodse lotgenoten had overgehaald hem geld en andere kostbaarheden te geven. In ruil zou hij de organisatie van hun passage naar de Verenigde Staten op zich nemen. Na zijn vrijlating dook hij onder en liet hij zijn geldschieters in de steek.

Wreszynski in de Volkskrant, 10-1-1946

In de navolgende jaren zette hij zijn oplichterspraktijken voort. Hij troggelde bijvoorbeeld de vader van een gearresteerde verzetsman vijftigduizend gulden af, in ruil voor de belofte de gevangene vrij te kopen. De zoon werd geëxecuteerd, het geld was weg. Ook voor het redden van andere illegalen vroeg en kreeg hij enorme bedragen. Tegenprestaties bleven in de regel uit.

Jan Teewis Duyvis

Een van zijn slachtoffers was Jan Teewis Duyvis, telg uit een Zaans ondernemersgeslacht. Waar zijn familieleden in Koog aan de Zaan liever olie en vetten verwerkten (en, veel later, borrelnootjes), zag Jan Duyvis meer toekomst in de opkomende elektriciteit. Hij stichtte daarom in 1910 in Amsterdam-Noord de Hollandsche Draad- en Kabelfabriek (Draka). In november 1944 vertelde een zakenrelatie Duyvis over een voor de Britse geheime dienst werkende Poolse jood die zijn financiële steun genoot. Daarop besloot de kapitaalkrachtige Duyvis deze uiterst betrouwbaar ogende ‘Hans’ eveneens geld te lenen, bijna een ton. Toen Duyvis’ schoonzoon Jan Jacob van Dam in januari 1945 wegens verzetsactiviteiten werd garresteerd, bood ‘Hans’ hulp aan. In ruil voor dertigduizend gulden kon hij Van Dam vrijkopen, luidde de belofte aan Jan Duyvis. De verzetsstrijder werd echter doorgezonden naar een Duits kamp. Daar stierf hij op 25 april 1945. De Draka-directeur zag zijn schoonzoon en zijn investeringen nooit meer terug.

Gijs van Hall

Er is nog een Zaanse link, die in Cornelissens publicatie niet aan de orde komt. En dat terwijl daarbij sprake was van veel grotere bedragen dan in voorgaande loskoopzaken. Walraven van Halls broer Gijs stipte hem wel even aan, in het boek Het Nationaal Steun fonds 1943-1945. Hij beperkte zich daarbij tot één bittere zin: “In het enige geval waarin wij op verzoek van officiële instanties aan een loskoopsom hebben bijgedragen, is deze prompt in handen van de beruchte oplichter Wreszynski terechtgekomen.” Verdere namen noemde Gijs van Hall niet. De affaire was blijkbaar te pijnlijk.

Johan van Lom op zijn trouwdag

Op 12 januari 1945 werd Jaap Buijs gearresteerd tijdens een vergadering van de Stichting 1940-1945. Het was een gevolg van verraad in eigen gelederen. Omdat de verrader, Johan van Lom, bij de Sicherheitsdienst had bedongen dat de arrestanten niet mochten gedood, sleet de houthandelaar de laatste vier oorlogsmaanden in de gevangenis. Zowel hijzelf als de buitenwereld wist niet dat Buijs als gevolg van Van Loms afspraak de doodstraf zou ontlopen. En dus ondernam de top van de landelijke illegaliteit via Wreszynski een poging gedaan om hem en een aantal anderen vrij te kopen.

166.500 gulden

In een archief vond ik onlangs enkele briefjes over deze affaire. Op één ervan stond het bedrag dat ten bate van Jaap Buijs was overhandigd: de immense som van 166.500 gulden. Anno 2020 staat dat gelijk aan bijna een miljoen euro. De eerstvolgende naam op het lijstje met een handvol vrij te kopen illegalen was Jan Goedkoop, de enkele weken na Buijs tezamen met Walraven van Hall opgepakte secretaris van de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Voor hem was ‘slechts’ 36.000 gulden gereserveerd. Wat Siegfried Wreszynski met het geld heeft gedaan, is onbekend. Hij heeft in ieder geval geen van de gevangenen weten los te krijgen. Buijs en Goedkoop zaten vast tot mei 1945.

Na de bevrijding resteerde van  Jaap Buijs een zowel geestelijk als lichamelijk wrak. In de gevangenis was hij veel gewicht kwijtgeraakt. Hij had zowel zijn in een naastgelegen cel opgesloten vriend ‘Wally’ van Hall verloren als tientallen andere medestrijders. Kort voor diens executie zegde hij Van Hall toe zich te zullen ontfermen over diens echtgenote en drie kinderen. Daaraan hield hij zich, tot zijn eigen dood in 1960. Maar iedere keer als hij de kinderen van Walraven en Tilly van Hall ontmoette, barstte Jaap Buijs in tranen uit. Ondanks zijn eigen verdriet deed hij zo zijn best om Tilly bij te staan dat zijn echtgenote hem er -ten onrechte- van verdacht met de weduwe een buitenechtelijke relatie te hebben of te willen. Jaap Buijs was ernstig getraumatiseerd. Maar ondanks zijn PTSS -dat begrip bestond toen nog niet- zette hij zich vanaf 1945 in om monumenten op te richten -dat aan het Zaandamse Verzetsplantsoen en de Eerebegrafplaats in Bloemendaal zijn mede aan hem te danken- en oorlogsslachtoffers te helpen.

De 166.500 gulden die het landelijk verzet er voor over had om Jaap Buijs uit de gevangenis en van een mogelijke dood te redden, zegt veel over diens status in de illegaliteit. Buijs behoorde tot de meest gewaardeerden onder zijn medestrijders, zowel in de Zaanstreek als in de rest van het land. Het is de hoogste tijd om deze dappere, onbaatzuchtige Zaankanter te eren in het publieke domein. Met een brug of anderszins.

Uitreiking van de Medal of Freedom, 7-5-1953, door VS-ambassadeur Selden Chapin (W. Dorjee)

Filmbeelden gezocht over de Zaanstreek in oorlogstijd

 Oproep!
De eerste stappen zijn gezet om een film samen te stellen over de Zaanstreek in oorlogstijd. Het eindresultaat zal merendeels bestaan uit filmbeelden die zijn gemaakt tussen 1939 en 1945. Inmiddels hebben we de beschikking over enkele tientallen filmpjes uit die jaren, maar waarschijnlijk is er meer. Wie heeft of weet films -hoe kort, schijnbaar onbetekenend of amateuristisch ook- waarop de Zaanstreek in de aanloop naar en gedurende de oorlogsjaren is vastgelegd?
Reacties zijn van harte welkom via info@schaapschrijft.nl of 075-6313819. (En het verder verspreiden van deze boodschap is ook aardig.)
Hier een voorbeeld van een filmpje zoals we op het oog hebben: een huwelijk in Koog aan de Zaan (1941).

Podcast over het naoorlogse communisme

Voor ‘Andere Tijden’ mochten voormalig CPN-wethouder Wim Nieuwenhuijse en ik van gedachten wisselen over het naoorlogse Zaanse communisme. Van verzetshelden naar staatsvijanden. Het resultaat van de uitwisseling is nu te beluisteren via een podcast.

 

Eisendrath in de uitverkoop

Ik heb geen idee hoeveel exemplaren er nog over zijn, maar wacht niet te lang om een exemplaar te bemachtigen van mijn boek Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945). Het is nu namelijk in de aanbieding.

Biografie Walraven van Hall herdrukt

De eerste druk was uitverkocht. De tweede sinds een paar weken ook. En dus werd het tijd voor een herdruk van Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945). In paperbackvorm dit keer. Met wat aanvullende informatie. En enkele nieuwe foto’s. Het levensverhaal van Nederlandse belangrijkste verzetsstrijder is weer verkrijgbaar.

Twee boekpresentaties ‘De levens van Johnny de Droog’

Op zondag 1 en vrijdag 6 maart vindt de publieke presentatie plaats van mijn nieuwste boek, De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader. Wees welkom!

De Arnhemse fietsenmaker Johnny de Droog liet tussen 1942 en 1945 minstens driehonderd verzetsstrijders en joden achter de tralies verdwijnen. Ruim een kwart van zijn slachtoffers zou de bevrijding niet halen. De Droog joeg zijn prooien genadeloos op, martelde en moordde. Hij betoverde zijn slachtoffers met zijn charisma en fantastische verhalen. Elke poging om hem uit te schakelen faalde. Toch stierf deze ’sadist in optima forma’ op gewelddadige wijze, kort voor de Duitse capitulatie. Wie was daarvoor verantwoordelijk? Wat deed de gepassioneerde verzetsstrijder partij kiezen voor de Sicherheitsdienst? Hoe kon De Droog vervolgens straffeloos de illegaliteit binnendringen en talloze kopstukken uitleveren aan de vijand? En waarom kent bijna niemand deze opportunistische oorlogsmisdadiger, een van de effectiefste en gevaarlijkste die Nederland telde?
Archieven die eerder gesloten waren en gesprekken met ooggetuigen leiden naar verrassende antwoorden.

Op zondag 1 maart interviewt Harry van der Ploeg (De Gelderlander) me van 14.00-16.00 uur bij de Arnhemse boekhandel Het Colofon (Bakkerstraat 56) over De levens van Johnny de Droog. Op vrijdag 6 maart onderwerpt Martijn Couwenhoven (uitgeverij Oevers) me van 15.30-17.00 uur in het Zaandamse filmtheater De Fabriek (J. Sijbrandssteeg 12) aan een serie vragen. De entree is in beide gevallen gratis.

Nieuw boek: De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader

Johnny de Droog liet tussen 1942 en 1945 minstens driehonderd verzetsstrijders en joden achter de tralies verdwijnen. Ruim een kwart van zijn slachtoffers zou de bevrijding niet halen. De Arnhemse fietsenmaker joeg zijn prooien genadeloos op, martelde en moordde. Hij betoverde zijn slachtoffers met zijn charisma en fantastische verhalen. Elke poging om hem uit te schakelen faalde. Toch stierf deze ’sadist in optima forma’ op gewelddadige wijze, kort voor de Duitse capitulatie.

Wie was daarvoor verantwoordelijk? Wat deed de gepassioneerde verzetsstrijder partij kiezen voor de Sicherheitsdienst? Hoe kon De Droog vervolgens straffeloos de illegaliteit binnendringen en talloze kopstukken uitleveren aan de vijand? En waarom kent bijna niemand deze opportunistische oorlogsmisdadiger, een van de effectiefste en gevaarlijkste die Nederland telde?

Archieven die eerder gesloten waren en gesprekken met ooggetuigen leiden naar verrassende antwoorden. Het boek De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader verscheen in maart 2020 bij uitgeverij Oevers (ISBN 9789492068408, €21,95).

Joods roofgoed: Bandoeng, Amsterdam, Wormer, Krommenie

Joods roofgoed dat bestemd was voor vernietiging bij de Wormer papierfabriek Van Gelder bleef behouden dankzij een arbeider uit Krommenie. Maar wie zijn de mensen op die bewaard gebleven foto’s uit de Tweede Wereldoorlog?

Nadat in 1942 in Amsterdam de eerste grootschalige razzia’s tegen joden hadden plaatsgevonden, zagen de inwoners van Wormer dag na dag volgeladen vrachtwagens het dorp binnenrijden. De door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bevatten honderden tonnen aan boeken en documenten. Het was roofgoed, afkomstig van weggevoerde joden. De enorme collectie literatuur, Thorarollen, antieke geschriften en fotoalbums werd bij Van Gelder Zonen tot pulp gemalen. Een voormalig sous-chef van de papierfabriek getuigde later: “Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.” De nazi’s deden – ook – in Wormer hun uiterste best om elke tastbare herinnering aan het jodendom te wissen. Maar ondanks de strenge bewaking ter plekke slaagden sommige Van Gelder-medewerkers er een enkele keer in om iets van de aangevoerde lading achterover te drukken.

Nadat ik in 2016 via het jaarboek van het Historisch Genootschap Wormer de aandacht vestigde op deze vrijwel onbekende massavernietiging van joodse bezittingen nam Elly Rozemeijer uit Krommenie contact op. Haar vader, Barend (‘Bab’) Daenen, werkte tijdens de oorlog bij Van Gelder. Op enig moment tussen 1942 en 1945 slaagde hij er in om een fotoalbum dat bestemd was om te worden vermalen veilig te stellen. Hij nam het album mee naar huis. Bij gebrek aan informatie over de oorspronkelijke eigenaar(s), ongetwijfeld van Amsterdams-joodse komaf, had het sindsdien een plek in de Krommenieër boekenkast bij de familie Daenen en daarna bij dochter Elly.

Bandoeng

Het album bevatte slechts negen foto’s. Te zien zijn een man met een baby (vader en kind?), diezelfde man op een motor, vier afbeeldingen van kleine kinderen, de Amsterdamse Westerkerk en een verder onbekend straattafereel, vermoedelijk eveneens in de hoofdstad. De laatste foto is atypisch: op de afdruk is een vrouw zichtbaar die poseert voor een traditioneel Indonesisch batakhuis. Op de achterkant van deze foto is met blauwe inkt een tekst geschreven: “Bandoeng Aug. ’38 Ik zit toch liever in mijn torenkamertje in de J.W. Brouwersstraat 21. Tabee Eussie.” De blijkbaar al voor de oorlog naar Nederlands-Indië vertrokken ‘Eussie’ – een typisch joodse koosnaam – had blijkbaar heimwee naar Amsterdam.

Een zoektocht door oude Amsterdamse woningkaarten leidde naar een lijst met vele tientallen vooroorlogse inwonenden van de Amsterdamse Jan Willem Brouwersstraat 21. De lengte van het namenoverzicht is niet verwonderlijk; op dat adres bevond zich namelijk Pension Hirsch. Naast de ‘gewone’ gasten daar herbergde Hirsch in de jaren ’30 Duitse vluchtelingen als de befaamde uitgevers Fritz Landshoff (Querido) en Walter Landauer (Allert de Lange) en de beroemde auteur Klaus Mann. Afgaand op een brief uit 1935 aan zijn moeder beviel het Mann prima bij Hirsch. Omdat het pension volgeboekt was, had hij helaas elders een kamer moeten zoeken. “Ik zit hier te bibberen van de kou, want waar ik nu verblijf zijn slechte kolen geleverd en de verwarming doet het niet. Helaas was er in het charmante Pension Hirsch opeens geen geschikte kamer meer voor mij, zodat ik moest verhuizen naar een klein hotel in de buurt”, klaagde hij.

In 1941 moesten zowel de veelal joodse pensionbewoners als de joodse eigenaar plaatsmaken voor een nieuwkomer. NSB-kopstuk en president van De Nederlandsche Bank Meinoud Rost van Tonningen nam zijn intrek in het grote, door hem geconfisqueerde pand. Toen waren zowel Klaus Mann als ‘Eussie’ overigens al jaren in het buitenland. De eerste vluchtte in 1938 verder naar de Verenigde Staten, de tweede vertrok datzelfde jaar naar Nederlands-Indië.

Rappaport

Op de woningkaart in het Stadsarchief Amsterdam is maar één bewoner van de Jan Willem Brouwersstraat 21 te vinden die naar Nederlands-Indië afreisde. Op 21 juni 1938 werd Siegfried Eduard Rappaport uitgeschreven als Amsterdammer. Kort daarna dook deze op 6 september 1914 in Semarang geboren opticien op in Bandoeng, het huidige Jakarta. Vanuit deze stad zou hij de foto met heimwee-opschrift naar Amsterdam sturen.

Verder onderzoek leert dat de joodse Rappaport door zijn vertrek uit Nederland ontsnapte aan de Holocaust, maar na de bezetting van Nederlands-Indië wel in Japanse gevangenschap belandde. Op dat moment werkte hij als sergeant bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Na enig speurwerk lukte het om een dochter van Siegfried Rappaport te vinden. Ze was na de oorlog met haar ouders naar de Verenigde Staten vertrokken en bevestigde dat het handschrift van ‘Eussie’ op de foto dat van haar vader was. “It made my heart warm”, schreef ze in reactie op de plotseling opgedoken vondst, 72 jaar na de bevrijding. Haar vader had het verblijf in verschillende Jappenkampen ternauwernood overleefd (‘close to death due to dysentery and credited his survival to a fellow prisoner’). Hij zou uiteindelijk in 2003 in Houston overlijden, 89 jaar oud.

Gabriella Rappaport meende verder haar tante Dorothy te herkennen op de foto met het batakhuis, maar wist helaas niet wie er afgebeeld zijn op de andere foto’s. Waren het vrienden van Siegfried Rappaport, of misschien zelfs familie? En hadden ze als joodse Amsterdammers de bevrijding meegemaakt of waren niet alleen hun bezittingen, maar ook zijzelf vernietigd?

Aanknopingspunten om de zoektocht naar de geportretteerden af te ronden waren er nauwelijks. Het nummerbord op de auto achter de motorrijder kon worden herleid tot de voormalige eigenaar, maar die leek niet in relatie te hebben gestaan tot de poserende man. Het identificeren van de afgebeelde personen was alleen nog mogelijk via inmiddels hoogbejaarden die hen herkenden. Inmiddels vonden de foto’s hun weg gevonden naar diverse (sociale) media. Wellicht konden op die manier de foto’s terugkeren bij de nabestaanden.

 

Enfin, om een lang verhaal naar een mooi einde te schrijven: na een oproep op Facebook meldde zich Yvonne van Wijk. Zij herkende opeeens haar oom Eli Gezang, met in de armen zijn zoon Hans. Die overleefde samen met zijn broer Rob en zijn ouders de jaren ’40- ’45 door onder te duiken en van adres naar adres te trekken. Daarna was het contact snel gelegd. Op 30 maart 2018 kwamen beide broers naar Krommenie. Daar ontvingen ze uit handen van Elly Rozemeijer de foto’s die hen toebehoorden, ruim driekwart eeuw na de oorlog. De cirkel was rond.