Antisemitisme door vriend en vijand

Het was een opvallend bericht in het Noordhollands Dagblad van 10 december 2010 (overgenomen door onder meer Het Parool en GeenStijl): in 1943 stuurde een Nederlandse diplomaat in Bern een document naar de Nederlandse regering in ballingschap met daarin een ontluisterend advies over de benoeming van joden. Zijn tekst: “Uit Nederland komen reeds lang vele berichten over de teleurstelling ondervonden bij het verbergen van joden en het veiligstellen van hun vermogens. Vaak komt voor het verraden van christen-gastheren en andere helpers en het aangeven van bergplaatsen van juwelen en dergelijke om zichzelf te redden of door lafhartig gedrag. Geheel onafhankelijk van Duitse propaganda ontstaat hierdoor groeiende anti-joodse stemming. (…) Daarom heb ik de indruk dat de benoeming van joden in hogere officiële regeringsposities in Nederland niet gaarne wordt gezien en vertrouwen in de regering niet bevordert.” Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens vond het bericht blijkbaar dermate belangrijk dat hij het doorstuurde naar de minister van Justitie.

Antisemitisme was tijdens de Tweede Wereldoorlog geen alleenrecht van de nazi’s. Ook binnen andere kringen, en zelfs bij de illegaliteit, kwam het voor. Een paar jaar geleden vond ik bij het Nationaal Archief in Den Haag een voor de Nederlandse inlichtingendienst bestemde notitie van de Zaandijker Andreas Ausems (1904-1955). Deze technisch beambte bij Fokker reisde in september 1943 via Frankrijk, Spanje en Portugal naar Groot-Brittannië. Daar kreeg deze verzetsman van de Nederlandse regering de opdracht krijgt om terug te keren naar Nederland om er een verzetsnetwerk op te bouwen.

In zijn notitie liet Ausems zich erg kritisch uit over zijn joodse landgenoten. Ik citeer: “Er zijn natuurlijk ook goede, doch er zijn er die verbazend indringerig zijn, mopperen over de kinderen en het eten en de huiselijke regelen naar hun wensen willen hebben en er niet over denken dat zij zich volgens de huiselijke regelen van dat gezin hebben te gedragen. Ik heb zelf twee joodse jongens en 1 joods meisje in huis gehad. Mijn vrouw, die geen dienstmeisje had, moest hen de gehele dag nalopen en kreeg geen medewerking. Zij zijn onvoorzichtig door het schrijven van brieven aan elkaar, waarin zij uitvoerige gegevens vertellen over de familie waar zij ondergebracht zijn. Hierdoor zijn ook mensen verongelukt. Aan de andere kant heb ik ook joden ontmoet die zeer goed en sympathiek zijn, doch zij vormen de grote minderheid van de ondergedokenen. Wanneer je aan illegaal werk doet, dan ben je bang voor een jood. Je helpt hen dan niet meer en heb je een slaapadres nodig, dan informeer je eerst of er een jood verborgen gehouden wordt. Het is zeer erg wat de joden wordt aangedaan, doch je moet ook voor de veiligheid van je eigen familie zorgen en daarom kan je ze dan niet meer helpen. Een en ander is mijns inziens de schuld der joden zelf en niet het gevolg van de Duitse of NSB-propaganda.”

De Nederlandse gezant in Bern luisterde overigens naar de naam J.J.B. Bosch ridder van Rosenthal. Deze jonkheer was iemand die, getuige Jacques Pressers standaardwerk Ondergang, weinig op had met joden. Het lijkt er op dat de diplomaat en verzetsman Dré Ausems wat hen betreft op één lijn zaten. En ze waren helaas geen uitzonderingen.

Andreas Wilhelmus Maria Ausems


Ministerieel bericht uit september 1943