Vrouwenverzet in de Zaanstreek en Waterland (1940-1945)

Op verzoek van de Contactgroep Verzetsgepensioneerden 1940-1945 en het Zaans verzet schreef ik het boekje Vrouwenverzet in de Zaanstreek en Waterland (1940-1945). Het zag half december 2015 het daglicht, maar alleen als presentje voor de leden van bovengenoemde organisaties. Omdat er veel vraag naar was van niet-leden plaats ik de twee belangrijkste hoofdstukken uit deze publicatie hieronder, als ware het een longread.

Omslag 'Vrouwenverzet'

In de schaduw. Het vrouwenverzet in Nederland

’t Gevaar heeft haar beloerd van dag tot dag
En elke avond, als zij huiswaarts keerde,
Is ’t haar een wonder dat nog niets haar deerde
En ’t ouderhuis haar welkom heten mag.
(Openingsregels van gedicht over een omgekomen koerierster, geschreven door haar vader)

Wie de vroege geschiedschrijving van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog bestudeert, treft vele verhalen aan over jonge meiden die honderden kilometers fietsten met in hun tassen geldbundels of illegale pamfletten die uit Duitse handen moesten blijven. Ook komen in de boeken en geschriften tal van echtgenotes voorbij die hun strijdende partners ondersteunden. Uitzonderingen daargelaten waren de beschreven, meestal naamloze vrouwen vooral dienend aan de mannelijke verzetsstrijders. Die laatste groep had volgens de toenmalige historici de regie en liep voorop bij het organiseren van weerstand tegen de nationaalsocialisten.

Des te publieksvriendelijker de teksten in de eerste decennia na de bevrijding waren, hoe vaker een portret werd getoond van schietende en saboterende doeners, dag en nacht er op uit trekkend om de vijand te dwarsbomen. Wat meer op de achtergrond bevond zich – soms – de vrouw die met een kinderwagen verboden goederen vervoerde, haar korset volstopte met vervalste bonkaarten of thuis voor onderduikers zorgde. Het waren stereotyperingen die tegelijkertijd klopten en een uitvergroting waren van de werkelijkheid.

In de latere literatuur was ruimte voor meer nuances. Het man-vrouwpatroon in de geschiedenisboeken veranderde, mede omdat vanaf de jaren zestig een nieuwe generatie onderzoekers het oorlogsverleden onder de loep nam. Sommige verzetsstrijdsters kregen zodoende een naam en daarmee een gezicht. Bovendien bleken er tussen 1940 en 1945 wel degelijk vrouwen in leidende functies te hebben geopereerd. Gesina van der Molen (Vrij Nederland, Trouw), Marie Anne Tellegen (Nationaal Comité van Verzet) en Helena Kuipers-Rietberg (Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers) – om er maar een paar te noemen – kregen enige naamsbekendheid als aanvoersters van belangrijke illegale organisaties.

Desondanks bleven ook toen de beschrijvingen van ondergrondse activiteiten door vrouwen meestentijds een huiselijke sfeer uitstralen. Dat is begrijpelijk: zodra ze getrouwd waren, kregen echtgenotes vrijwel altijd de zorg over het huishouden en de kinderen. Hun eventuele betaalde arbeid eindigde zodra het ja-woord had geklonken. Voor buitenhuiselijke activiteiten bleef weinig ruimte over, en al helemaal niet in de mannenmaatschappij die Nederland gedurende de jaren veertig was.

Ook ongetrouwde meisjes telden overigens zelden volledig mee in een samenleving waar het gezinsleven de norm was. Onderbelicht bleef dat veel verzetsvrouwen studeerden en dus jong en meestal kinderloos waren. Hannie Schaft – die zou uitgroeien tot icoon van het vrouwelijke gewapend verzet – was zo’n studente. Ze werkte samen met onder andere de zusjes Freddie en Truus Oversteegen. (De laatste zou ver na de oorlog een Oostzaans herdenkingsmonument ontwerpen voor haar vriendin Hannie.)

Hannie SchaftHannie Schaft

Dat vrouwen niet voor vol werden aangezien gold meer in behoudende en conservatief-kerkelijke milieus dan in socialistische, communistische, vrijzinnig-democratische en liberale kringen. Adolf Hitler moest al helemaal niets hebben van gelijkwaardigheid tussen de seksen. In 1934 hield hij de NS-Frauen in Nürnberg voor dat hun bewegingsruimte ‘kleiner’ was dan die van de mannen: ‘Want haar wereld is: haar man, haar gezin, haar kinderen, haar huis.’ De kostwinner mocht er op uit, moeder paste op de – liefst vele – kleintjes en zorgde voor de maaltijd; zo zag de ideale nationaalsocialistische rolverdeling er uit. Zodra de fascisten het in Italië en Duitsland voor het zeggen kregen, drongen ze de vrouwen dan ook terug van de arbeidsmarkt en de universiteiten (ter ‘compensatie’ werd er op academisch niveau wel begonnen met hogere huishoudkundige studies).

In dat opzicht lagen er ook kansen voor het verzet. De tegenpartij ging er vanuit dat vrouwen minder snel in opstand zouden komen tegen de Nieuwe Orde. De nazi’s zagen hen als personen die geacht werden zich op het tweede plan te bewegen, niet als mensen die het heft in eigen hand namen. Door in te spelen op dat verwachtingspatroon konden vrouwen illegale activiteiten ontplooien die voor mannen te riskant waren. Er zijn meerdere voorbeelden bekend van Duitse militairen die assisteerden bij het tillen van een met wapens of verboden krantjes volgeladen kinderwagen, omdat de arme ‘moeder’ het niet alleen af kon. Dat er een – in Duitse ogen – ‘terrorist’ schuilging achter die schijnbaar hulpeloze dame kwam niet in hen op.

De aard van het ondergrondse werk was voor vrouwen meestal anders dan voor mannen. Bij het thuis verstoppen van belastend materiaal, het gastvrijheid verlenen aan vergaderende illegalen en het huisvesten van joden, arbeidsplichtweigeraars en verzetsstrijders waren relatief veel vrouwen betrokken. Met name de zorg voor onderduikers betekende een enorme belasting, mede omdat het structureel werk was en permanente alertheid vereiste. In de woorden van een Groningse: ‘Het herbergen van onderduikers was voor mij veel essentiëler dan wat ik daarnaast deed in het verzet. Essentiëler en zwaarder, slopender. De constante spanning 24 uur per etmaal, van begin ’42 tot de bevrijding: wek ik geen argwaan, gaat ’t goed, sleep ik ze erdoor?’

Ondanks de enorme risico’s werd onderduikhulp lange tijd niet gezien als actief verzet. Zelfs een gezaghebbend historicus als Loe de Jong deelde deze visie. Mede daardoor kwam hij tot het standpunt dat er veel meer mannen dan vrouwen actief waren binnen de illegaliteit. Pas in de 21-ste eeuw, zestig jaar na de oorlog, begon langzaam het historische beeld te kantelen dat vrouwen tijdens de bezetting kwantitatief en kwalitatief een absolute minderheidsrol hadden. Steeds duidelijker werd dat ze zich weliswaar meer met klassieke ‘vrouwentaken’ bezighielden (al bestond bijvoorbeeld de Amsterdamse gewapende verzetsgroep CS-6 voor ruim een derde uit vrouwen), maar ook veel ruimer vertegenwoordigd waren dan uit onder meer De Jongs magnum opus naar voren kwam.

In 2006 zei onderzoekster Marjan Schwegman (die een jaar later directeur werd van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) in een interview: ‘Ik denk dat er nog steeds de neiging is om oorlog te beschouwen als een mannenzaak.’ Het waren merendeels mannen die de beschrijving van de periode 1940-1945 op zich namen, een van de redenen voor de onderbelichting van het vrouwelijk aandeel. En door hun ‘smalle’ definitie van hetgeen burgermoed tegen de nazi’s behelsde kwamen de vrouwelijke strijdsters er nog bekaaider vanaf. Als ze al werden belicht, was dat veelal als verzorger of als slachtoffer, en veel minder vaak als bepaler van het eigen lot.

Toen Schwegman in 2013 de Willem Arondéuslezing voor haar rekening mocht nemen, begon ze haar verhaal met een citaat: ‘De enige ware adel bereikt men in onze tijd door zich volledig in zichzelf op te sluiten, zich niet te laten zien en in de schaduw te blijven.’ Die wijsheid was van de Franse dichter Jean Cocteau en kwam uit de nalatenschap van de Haagse verzetsstrijdster Henrica Maria Paré. Pas ver na haar dood werd bekend dat Paré gedurende de bezetting tientallen joodse kinderen het leven had gered. ‘Tante Zus’ en ‘tante Do’ – de levenspartner van Ru Paré – zwegen na de oorlog over hun illegale inspanningen. Ze bleven in de schaduw. En kwamen daar pas, postuum, uit toen er in 2006 een boek verscheen waarin hun verhaal werd verteld.

Iets soortgelijks geldt voor Frieda Belinfante. Pas tien jaar na haar dood verscheen er een biografie over deze lang zwijgende én verzwegen Amsterdamse verzetsvrouw. Ze bleek onder meer, in 1943, het initiatief te hebben genomen voor de geslaagde overval op het hoofdstedelijk bevolkingsregister. Een ander voorbeeld van bescheidenheid betreft het oorlogsverhaal van Jacoba van Tongeren. In 2013 werden in een la haar memoires teruggevonden. Van Tongeren bleek niet alleen een verzetsnetwerk te hebben opgericht, maar daaraan ook vijf jaar lang leiding te hebben gegeven. Bij haar Groep 2000 waren tachtig medewerkers en 4500 onderduikers betrokken. Desondanks werd de naoorlogse onzichtbaarheid van deze jonge vrouw pas enigszins weggenomen toen er in 2015 een meermalen herdrukt boek over haar imposante leven in de winkel lag.

Frieda

Opmerkelijk genoeg bestaat er maar weinig onderzoeksliteratuur over de rol van Nederlandse vrouwen in het gevecht tegen de nazi’s. De belangrijkste publicatie, Het stille verzet, dateert uit 1980 en is geschreven door voornoemde Schwegman. In datzelfde jaar kwam Kinderwagens & korsetten uit, een onderzoek naar de sociale achtergrond en rol van verzetsvrouwen. Afgezien van een aantal interviewbundels en herinneringen aan en van individuele strijdsters verschenen er sindsdien nauwelijks andere boeken over de vrouwelijke illegaliteit.

Voor Zaanstreek-Waterland geldt iets soortgelijks. Ter illustratie: sinds de bevrijding kwam er een handvol boeken op de markt waarin in de breedte aandacht werd besteed aan oorlog en verzet binnen de regio. Het eerste, De Zaanstreek in droeve en blijde dagen, zag al in maart 1946 het daglicht. Behalve veel foto’s bevatte deze publicatie terugblikken op de bezettingstijd door zestien personen, merendeels voormalige verzetsstrijders. Onder de auteurs bevond zich één vrouw, Johanna Glazenburg-Decker. Zij beschreef de daden van het (overigens niet illegale, hoogstens clandestiene) Vrouwen-Hulpcomité, dat tijdens de hongerwinter voedsel en kleding verzamelde en distribueerde. Dat gebeurde wel onder leiding van het door mannen opgerichte en bestuurde Noodcomité, zoals de schrijfster niet naliet te vermelden.

Veel vrouwen vertelden toen al dat ze gedurende de bezettingsjaren eigenlijk alleen maar wat ‘klusjes’ deden; ze hielpen het ‘echte’ verzet naar eigen zeggen een beetje waar dat nodig was. Het klein maken van de eigen rol was kenmerkend voor die tijd. En als vrouwen dat niet zelf deden, namen mannen die taak voor hun rekening. Zo stipte kapelaan en verzetsstrijder Gerrit Groot in het openingshoofdstuk van De Zaanstreek in droeve en blijde dagen wel aan dat ‘onze mannen en vrouwen hebben getoond moed te bezitten’, maar in de navolgende alinea’s benadrukte hij alleen nog de ‘heldenmoed’ van ‘onze grote mannen’. Iets soortgelijks gebeurde in – de titel verklapte het al – De mannen van Overste Wastenecker, dat zich voor een flink deel afspeelde in de Zaanstreek en Waterland. Dit uit 1947 daterende boek over de Binnenlandse Strijdkrachten boven het Noordzeekanaal bevatte één hoofdstuk over de vrouwenrol in het verzet. Het had als kop ‘Vrouwen-Koeriersters helpen de B.S.’ en ging met name over de ‘huismoeders’ en ‘meisjes’ die ‘de ondergrondsche strijders steeds weer geherbergd hebben, die ze hebben gevoed en verkwikt, als zij vermoeid, nat en verkleumd van hun tochten huiswaarts keerden’. Vrouwen waren weliswaar ‘onmisbaar’ voor de Binnenlandse Strijdkrachten, maar dan toch vooral als ‘steun en toeverlaat van ons allen’. Met die ‘allen’ werden uiteraard de echtgenoten, vaders en zonen bedoeld.

Het zou nog geruime tijd duren voor de Zaanse vrouwen wat meer krediet toebedeeld kregen. In de 122 personen tellende namenindex van Zet en tegenzet. Fascisme en illegaliteit in de Zaanstreek (1975) kwamen er slechts twee voor, koningin Wilhelmina en Hannie Schaft – overigens geen van beiden Zaankanter. Hun bijdrage in de tekst was bovendien miniem. En hoewel in dit boek ruim aandacht was voor de mede door Hannie Schaft uitgevoerde liquidatie van de nazistische Zaandamse politiechef Willem Ragut, kreeg de lezer de indruk alsof haar kameraad Jan Bonekamp deze dodelijke klus alleen klaarde.

Vijf jaar na Fascisme en illegaliteit in de Zaanstreek verscheen Wim Swarts Zaanstreek in bezettingsjaren. In dat boek figureerden iets meer dan tien bij naam genoemde vrouwelijke verzetsstrijders. Daar tegenover stond een veelvoud aan mannen. In het mede door oud-illegalen samengestelde Bezetting en verzet aan de Zaan (1985) was een grotere rol weggelegd voor vrouwen die zich keerden tegen het nazisme. Aan hun gevaarlijke werkzaamheden zijn zelfs meerdere hoofdstukken gewijd. Maar tegelijkertijd valt op dat slechts een enkeling een naam kreeg en dat er vaak sprake was van ‘de vrouw van een verzetsstrijder’ of ‘de dochter van de directeur’. De kop ‘De herinneringen van de weduwe van Evert Woud’ wekt de suggestie dat de overleden echtgenoot de hoofdrol had in en om huize Woud. Uit het betreffende hoofdstuk blijkt echter dat zijn vrouw – haar voornaam bleef achterwege – niet minder actief was. Ze bood in Wormer aan talloze onderduikers gastvrijheid, regelde voor hen voedsel en kleding en zorgde ervoor dat een potentiële verrader monddood werd gemaakt. Desondanks bleef ze ‘de weduwe van’.

Door de, veelal summiere, beschrijvingen van hun werkzaamheden kwamen de vrouwen in bovengenoemde boeken vooral over als aanhangsels van de strijdende mannen om hen heen. Ze waren de ‘ondersteunende figuur op de achtergrond, zorgdragend voor een goede “sfeer”, die het mannen mogelijk maakte verzetsacties te kunnen ondernemen.’ En als er al leidende posities werden ingenomen, dan gold dat alleen ‘bij de organisaties die zich met “vrouwelijke” taken bezighielden, zoals het uit Duitse kampen houden van joodse kinderen en de daadwerkelijke lichamelijke verzorging van onderduikers’. Aldus de auteurs van Bezetting en verzet aan de Zaan.

Pas in 1990 verscheen er een regiobreed boek waarin de vrouwenrol in vrijwel al haar aspecten werd belicht. In Verzet verwoord, dat de Waterlandse oorlogsgeschiedenis bevatte, kwamen beide seksen uitgebreid aan bod. Bovendien werd er in deze publicatie voor het eerst aandacht besteed aan de onafhankelijke en zelfstandige rol die strijdbare vrouwen tussen 1940 en 1945 soms óók hadden.

Al met al kan worden vastgesteld dat in de halve eeuw na het begin van de bezetting de erkenning van de verzetsvrouw in de regionale oorlogsliteratuur steeds iets groter werd, met Verzet verwoord als hoogtepunt. In de navolgende jaren kwamen er alleen nog deelstudies beschikbaar, veelal over individuele Zaanse strijders. Het betrof daarbij in bijna alle gevallen mannen. Zo zijn er nu (auto-)biografieën over en levensbeschrijvingen van illegalen als Jan Brasser, Walraven van Hall, Jaap Boot, Gerard Maas, Maarten Cieremans, Jan Hendrik op den Velde, August Sabel en Cor Inja. Daarnaast verscheen er één boek over een Zaanse verzetsvrouw, Sky. Dat was een op jongeren gerichte en alleen in de Verenigde Staten uitgebrachte publicatie van voormalig koerierster Hanneke Eikema. Het duurde tot zeventig jaar na de bevrijding alvorens er een ‘volwassen’ boek aan een Zaanse verzetsvrouw werd gewijd. In 2015 verscheen Een gegeven leven. Daarin vertelde Hanneloes Pen de lotgevallen van Geertje Pel-Groot, een Zaandamse die de zorg op zich nam voor een joodse baby en daarvoor met haar leven betaalde. Voor de Waterlandse regio geldt dat er nauwelijks ‘persoonlijke’ boeken zijn verschenen over de jaren 1940-1945, waardoor de beschreven vrouwelijke rol zo mogelijk nog kleiner is.

HannekeHanneke Ippisch-Eikema

In 1944 sprak koningin Wilhelmina via Radio Oranje de Nederlandse vrouwen moed in. ‘Als eenmaal alles wat gij vrouwen en moeders deed en geduld en doorstaan hebt bekend zal worden en de geschiedenis van deze verschrikkelijke tijd te boek gesteld zal zijn, dan pas zal ten volle blijken de grootte van uw aandeel in de overwinning en zal dit een van de schoonste, aan diep menselijk gevoel rijkste bladzijden van dit tijdperk beslaan.’ De publicatie die u nu vasthoudt kan worden gelezen als een laat eerbetoon aan de vrouwen die tussen 1940 en 1945 risico’s durfden te nemen in het belang van een vrij Nederland. Hun oorlogsgeschiedenis is namelijk nog altijd onderbelicht. Vrouwenverzet in de Zaanstreek en Waterland is een poging om die leemte een klein beetje op te vullen, in ieder geval op regionaal gebied.

Het is helaas onmogelijk om alle vrouwen die op beslissende momenten hun stem lieten horen te noemen in dit boekje. Tientallen zijn herkenbaar opgevoerd, honderden blijven noodgedwongen ongenoemd. Desondanks, hopelijk herkennen zij wier namen op de volgende pagina’s ontbreken zichzelf – en anders wellicht hun naasten – in de personen en organisaties die aan bod komen. In ieder geval gold voor hen allen dat zij, toen het er op aankwam, leefden en handelden conform de uitspraak die het Oostzaanse oorlogsmonument siert: ‘Waar recht tot onrecht wordt, wordt verzet een plicht.’

‘Het was eigenlijk zo gewoon.’ Het vrouwenverzet in de regio Zaanstreek-Waterland

Het aantreden van Adolf Hitler als Duitse rijkskanselier leidde tot euforie bij zijn snel groeiende aanhang. Er was echter ook toenemende bezorgdheid, in binnen- en buitenland. Het autoritaire bewind van de Führer, zijn oorlogsdreigementen en de nationaalsocialistische omgang met minderheden deden sommigen het ergste vrezen. In Waterland duurde het even voor dit leidde tot georganiseerde oppositie, maar in de Zaanstreek ontstond al vrij snel een tegenbeweging. Met name uit de hier sterk vertegenwoordigde linkse organisaties en uit de vrijzinnig-democratische hoek klonken waarschuwingen. Die behelsden zowel de dictatoriale ontwikkelingen bij de Oosterburen als de opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging in eigen omgeving.

Vanaf 1936 herbergden sommige Zaanse en Waterlandse gezinnen politieke emigranten. Driekwart eeuw nadien memoreerde het toenmalige Zaandamse CPN-lid Bep Koeman de vanzelfsprekendheid daarvan: ‘Wij hielpen voor de oorlog al Duitse vluchtelingen. Dat was ik van huis uit al zo gewend.’ Haar stad- en partijgenote Lies Winter: ‘Dat waren “Duitse SDAP’ers”, communisten, Joden. Dikwijls vooraanstaande figuren. Die Duitse SDAP’ers vertelden dat hún partij haar gezicht verloren had: die lonkte te veel naar het kapitaal, en daardoor kon Hitler zijn gang gaan. Zaankanters zorgden dat deze mensen steeds – wisselende – onderkomens hadden. Dat ze ergens konden eten.’

In Duitsland en Oostenrijk beperkte extreemrechts de vrijheden steeds verder, in Spanje was de republikeinse regering verwikkeld in een bloedige strijd met de nationalistische troepen van generaal Franco. Het Iberisch schiereiland werd proefterrein voor de fascistische staten. Ze zetten wapens en militairen in ter ondersteuning van de pogingen om de democratisch gekozen linkse regering omver te werpen. De Spaanse Burgeroorlog maakte dat sommigen in actie kwamen voor de bonte mengelmoes van communisten, socialisten en anarchisten die tussen 1936 en 1939 vochten tegen Franco’s fascistische legers. Om en nabij twintig Zaanse mannen en een enkele Waterlander trokken zuidwaarts en pakten aan republikeinse kant de wapens op. Gelijkgezinde achterblijvers zamelden ter ondersteuning goederen, protesthandtekeningen en geld in. In Wormer verkocht een comité onder leiding van Annie Houtman voor het goede doel zegels van een stuiver. De opbrengst was bestemd voor Spaanse kinderen.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1939 legde de Wormerveerse CPN zelfs een link tussen de Spaanse Burgeroorlog en de stembusstrijd. In een profetische tekst ‘over de belagers van de vrede’ richtte de partij ‘een ernstig woord aan de vrouwen en moeders’: ‘Vrouwen, steunt de Communisten, die in de Spaanse vrijheidsstrijd bewezen hebben de werkelijke strijders tegen het fascisme en voor de vrede te zijn.’ Ook op andere manieren werd adhesie betuigd. Het Vrouwen-Actief van de Rode Hulp in Zaandam maakte bekend ‘dat wij 39 stuks [kleding] gebreid hebben’. De truien, sokken en mutsjes waren bestemd voor de oorlogsslachtoffers. ‘Moeders van Nederland, helpt mee het fascisme verslaan!’, luidde een oproep in het Zaans Volksblad. In de linkse krant Afweerfront verschenen oproepen ‘aan de vrouwen zich voor deze actie aan te melden bij Mej. Exalto, Molenpad 43, Zaandam. Wij breien, truien, sokken, dassen, enz.’. Ook in Landsmeer werd enthousiast gecollecteerd en gebreid voor het goede doel. Nog in februari 1939 hield de net uit Spanje teruggekeerde Amsterdamse publiciste Lie Tillema-Heijnen in een volgepakte Purmerendse zaal een hartstochtelijk pleidooi om de republikeinse regering te steunen. Al het hand- en inzamelwerk zou tevergeefs zijn; anderhalve maand na de Purmerendse lezing greep Franco de macht, om die bijna vier decennia stevig vast te houden.

Rond de jaarwisseling van 1938/1939 – in Duitsland had net de antisemitische Kristallnacht plaatsgevonden – ontstonden in diverse gemeenten hulporganisaties voor joodse vluchtelingen. Dit keer sloten zich niet alleen linksgeoriënteerde burgers aan. Onder de mensen die in de Zaanstreek geld bijeenbrachten bevonden zich leden van B&W, predikanten en artsen. Het Joodse Vluchtelingen-Comité Zaanstreek telde twee vrouwen: de publiciste Alida Veen-Brons en Johanna Scholten-Hoefman, de echtgenote van de Zaandamse gemeentesecretaris. Bij het bestuurlijk trio dat in Zaandam voor dit doel collecteerde waren de vrouwen zelfs in de meerderheid.

Er was ook hulp van niet-georganiseerde hulpverleners. Leentje Schouten-Hagenaar – zelf joods – en haar echtgenoot Jan namen vanaf 1938 in hun Oostzaanse woning meerdere joodse vluchtelingen op. De eveneens joodse Ellen Inja-Weijl en haar man Cor waren rond die tijd eveneens actief bij de opvang van joodse en andere buitenlandse vervolgden. Beide Zaandammers zouden na mei 1940 doorgaan met hun illegale werkzaamheden, ondanks hun aanvankelijke verslagenheid over de Nederlandse capitulatie. ‘Enige onzer beste vrienden pleegden zelfmoord’, noteerde Cor Inja in zijn dagboek. ‘Zelf hadden we het ook prettig gevonden als we onder waren gegaan in het geweld.’

EllenEllen Weijl en Cor Inja

De Nederlandse overheid nam een ambivalente houding aan tegenover al die particuliere initiatieven. De private hulp aan joodse vluchtelingen werd gestimuleerd, maar diende er tegelijkertijd niet toe te leiden dat er nog veel meer ontheemden de grens overstaken. De regering had zorgen over zowel de ontwikkelingen in nazi-Duitsland als over de tegenacties vanuit neutraal Nederland. De Centrale Inlichtingendienst was dan ook gespitst op al te progressieve activiteiten contra de bestaande orde, of die nu gericht waren tegen het Duitse en Spaanse totalitarisme of tegen de binnenlandse machthebbers. Op een CID-lijst met ‘links-extremistische personen’ uit 1939 stonden tientallen Zaankanters en Waterlanders vermeld, onder wie zo’n vijftien vrouwen. Het waren merendeels communisten en radicaal-socialisten. Een flink aantal van hen zou in de navolgende jaren actief worden binnen de illegaliteit.

De Vrouwenvredesgang in Amsterdam was gepland op 18 mei 1940. Net als tijdens de voorgaande zes edities werden er duizenden deelnemers verwacht, veel van hen afkomstig uit omliggende plaatsen. Alleen al in de Zaanstreek waren meerdere vrouwenvredesgroepen actief. Door de Duitse inval, acht dagen eerder, kwam het echter niet meer van de anti-oorlogsbetoging.

Openlijk verzet maakte plaats voor heimelijke oppositie, zij het vooralsnog erg kleinschalig. Volgens Loe de Jong en andere historici telde Nederland tot medio 1942 niet meer dan een paar honderd verzetsstrijders. Vele tientallen van hen woonden, opvallend genoeg, in de Zaanstreek en, in mindere mate, Waterland. Dirk en Jo van der Horst behoorden tot de zeer kleine voorhoede die al in de zomer van 1940 in opstand kwam. Op 29 juni 1940, de verjaardag van prins Bernhard, stencilde het Wormerveerse echtpaar samen met een neef in de Wormerveerse Delistraat zo’n vijfduizend vellen papier. Daarop stonden teksten als ‘Nederland zal herrijzen’. ’s Nachts werd dit drukwerk verspreid in hun eigen woonplaats en in Zaandijk. Het was het begin van de Zaanse illegale nieuwsverspreiding.

Andere pioniers in deze regio waren te vinden bij wat later als de Stijkelgroep de geschiedenisboeken zou halen. De deelnemers aan deze organisatie hielden zich sinds medio 1940 bezig met spionage, pilotenhulp en het verzamelen van wapens. ‘De familie Ero was hiervoor zeer in de weer en zorgde voor voldoende levensmiddelen’, aldus een betrokkene over de ondersteuning van neergehaalde geallieerde vliegeniers door Louise en Hendrik Ero. Een andere medewerkster zag dit echtpaar, eigenaars van café-restaurant De Waakzaamheid in Koog aan de Zaan, zelfs als de aanvoerders van het lokale verzetsnetwerk.

Ook Wesselina van Hinte-de Bruin uit Wormer had banden met de Stijkelgroep. Samen met haar man verborg ze in haar woning in Wormer een door de Sicherheitsdienst gezocht groepslid. Tevergeefs; de man werd gevonden en samen met het echtpaar Van Hinte opgepakt. Hetzelfde lot ondergingen de Ero’s en tientallen andere leden van de Stijkelgroep. De organisatie bleek aan alle kanten te zijn geïnfiltreerd. ‘Zorg jij voor de kinderen’, kon Louise Ero op 25 april 1941 nog net tegen haar dienstmeid zeggen, alvorens te worden afgevoerd naar het Oranjehotel, de gevangenis in Scheveningen. Ze zou haar gezin niet terugzien. Wesselina van Hinte overleefde haar gevangenschap ternauwernood, Louise Ero stierf op 31 december 1944 in concentratiekamp Ravensbrück aan uitputting en difterie. Ze was een van de twee vrouwelijke Zaanse verzetsstrijders die in Duitse gevangenschap het leven lieten.

Louise EroLouise Ero

De eerste oorlogsjaren werd het gebrek aan mededogen en de geslepenheid van de nieuwe machthebbers onderschat. Veel opponenten van het nazisme opereerden aanvankelijk in betrekkelijke naïviteit en namen te weinig voorzorgsmaatregelen om onheil te voorkomen. Dat gold zowel voor de actieve tegenstanders als voor de plegers van symbolisch verzet. Sophia Schagen-Christiaanse kan dienen als voorbeeld van die relatieve onbevangenheid. Toen zij, hoorbaar voor haar NSB-buren in de Saenredamstraat, op haar piano liedjes speelde die tegen de nieuwe orde gericht waren, kreeg politieman Bob Pel opdracht om haar te arresteren. Hij weigerde, onder het voorwendsel de moeder niet van haar jonge kinderen te willen scheiden. De zaak liep uiteindelijk met een sisser af. Maar toen de Zaandamse in januari 1942 de inboedel van haar joodse overbuurman veiligstelde – hij werd gedwongen om naar Amsterdam te verhuizen – en vervolgens ook nog eens een collecte voor hem hield, was er geen ontsnappen meer aan. Samen met haar man belandde Sophia Schagen anderhalve maand achter de tralies.

In diezelfde Saenredamstraat besloot het echtpaar Bark om hun in januari 1941 geboren dochter Irene Beatrix te noemen, naar de kinderen van prinses Juliana en prins Bernhard. Na de buitenwereld via een krantenadvertentie op de Oranjebaby te hebben geattendeerd, ondervonden de trotse ouders de gevolgen. Hij belandde op een lijst met potentiële gijzelaars, zij werd lastiggevallen door onder meer politieagenten. Zo zijn er talloze verhalen te vinden over mannen en vrouwen die hun weerzin tegen de bezetter vrij openlijk vormgaven. In de meeste gevallen liep dat goed af. De bezetter hoopte in die begintijd nog de Nederlandse bevolking massaal aan zijn kant te krijgen en strafte minder hard dan in latere jaren het geval zou zijn.

Desondanks, de acties die bijvoorbeeld een vrouw als Henny Krabbé al in de eerste oorlogswinter ondernam, zouden haar bij ontdekking zeker een enkele reis concentratiekamp hebben opgeleverd. De alleenstaande communiste uit Zaandam-Zuid verborg op verzoek van buurtgenoot George Louis Jambroes wapens en spionagemateriaal in het magazijn van haar winkel. Toen Jambroes – hij zou later als geheim agent slachtoffer worden van het Englandspiel – na de Februaristaking door de SD werd gezocht, alarmeerde Krabbé hem en bespraken ze zijn vluchtmogelijkheden. Krabbé’s rebellie ging ook nadien door: drie jaar lang had ze een joodse onderduikster in huis.

Een andere alleenstaande moeder met een joodse gast – ze woonde een paar straten bij Henny Krabbé vandaan – bekocht haar moed met de dood. Net als Krabbé nam de doopsgezinde weduwe Geertruida Pel-Groot in de eerste helft van 1942 een joods meisje op in haar gezin. Dat ging goed tot begin 1944. Een nazistische overbuurman verraadde de onderduikster. De pleegmoeder moest het kind afgeven bij de Sicherheitsdienst, maar koos ervoor om het meisje elders te laten schuilen. Geertruida Pel reisde zelf wel naar de SD en stierf daardoor een paar maanden voor de bevrijding in de gaskamer van kamp Ravensbrück.

Geertje
Geertje Pel met de joodse baby Marion Swaab 

Tot degenen die al meteen lieten merken niets op te hebben met de bezetter hoorde zeker Tine Kramer. In 1939 begon ze haar verpleegstersopleiding in het Zaandamse Gemeenteziekenhuis, maar tot een afronding zou het niet komen. Binnen twee jaar kreeg ze van de ziekenhuisdirectie te horen dat ze vanwege haar anti-Duitse houding niet te handhaven was. Ze vertrok naar Amsterdam, sloot zich aan bij CS-6 en zou tot haar arrestatie in augustus 1943 onder meer de zorg voor dertig joodse kinderen op zich nemen.

Het echtpaar Ham, wonend aan de Westerweg in de Purmerpolder, was er eveneens vroeg bij. Al in 1941 arriveerde hun eerste onderduiker, een Duitse jood. Nadien volgden er nog veel anderen. De boerderij van Aagje en Anton Ham zou bovendien jarenlang dienst doen als hoofdkwartier van een Knokploeg. Het echtpaar vond het niet meer dan vanzelfsprekend.

Tal van vrouwen, gehuwd of partnerloos, ontfermden zich over joodse oorlogsvervolgden, met alle risico’s van dien. Guurt van Houten-van Ederen, die met haar man een groentewinkel dreef in de Zaandamse Oostzijde, ondervond als gevolg van haar hulpverlening meerdere angstige momenten. Ze illustreerde dat nadien met een herinnering aan de Amsterdamse Levie Polak. ‘Ik haalde dat jongetje op. Ondanks het feit dat het voor joden al lang verboden was om met de tram te gaan, hadden we geen andere keus. Ik zette Jopie, dat was zijn nieuwe naam, naast me op de bank en wel zo, dat zijn gezicht naar buiten gericht was. Als de tram zich in beweging zet komt er iemand van de Grüne Polizei langs ons. Plotseling draait Jopie zijn gezicht van het raam weg, ziet de man en zegt: “Kijk tante, daar gaat zo’n rot-NSB’er.” Hoewel ik er de volgende halte echt nog niet uit moest, heb ik het wel gedaan.’

Dirkje Brondgeest-Vreeling had minder geluk. Uit een rapport van het Amsterdamse Bureau Joodsche Zaken bleek dat Dirkje, ‘wonende te Zaandam, Prinsenstraat 28, wordt verdacht haar persoonsbewijs te hebben verkocht ten behoeve van joden’. Ze verdween in de cel ‘ter voorgeleiding voor den SD.’ Huberdina Emond, ambtenaar op de Zaandamse gemeentesecretarie, pakte het anders aan. Ze voerde zichzelf op als ongehuwde moeder en kon zodoende Riwka Weissberg, in 1943 geboren op een onderduikadres, vervalste papieren en een veilig adres bezorgen. Tot de bevrijding ging Riwka door het leven als Hanneke Emond. De jonge bakkersdochter Nel Dekker zorgde, als lid van een Zaans gereformeerd netwerk, eveneens dat joodse baby’s een veilig onderkomen kregen. Ze haalde de kinderen op uit Amsterdam en bracht hen vervolgens met de trein of boot naar schuiladressen in Friesland.

Het is een zeer bescheiden greep uit de vele vormen van steun aan opgejaagde joden. Op minstens 250 Zaanse adressen (van Waterland zijn geen cijfers bekend) waren tussen 1942 en 1945 joodse onderduikers te vinden en in de meeste gevallen kregen die hulp van echtparen. Aangezien de man des huizes meestal het grootste deel van de dag elders werkte of – gedurende de tweede oorlogshelft – zelf ook ondergedoken was om de Arbeitseinsatz te ontlopen, rustte de zorg voor de logés vooral op vrouwelijke schouders.

Een klein, maar bijzonder onderduikgezelschap vormden de neergehaalde geallieerde vliegeniers. In en rond de Noord-Hollandse polders wilden nog wel eens parachutisten landen. Ze kwamen uit de bommenwerpers en jachtvliegtuigen die vanuit Engeland oostwaarts waren gevlogen en op de heen- of terugweg in de problemen kwamen. Arrestatie van de overlevende bemanningsleden was het gevolg, tenzij ze zich op de begane grond uit de voeten konden maken. Er zijn meerdere situaties bekend waarbij Engelsen en Amerikanen zich dankzij hulpverleners konden redden. Piloot Victor Krüger bijvoorbeeld, die veertien maanden verscholen zat bij het Purmerendse echtpaar Mart en Julia Schrieken. Daar kreeg hij af en toe bezoek van jachtvlieger Floyd Stegall. Die had als gevolg van een motorstoring een buiklanding moeten maken in de buurt van Edam. Tot het moment dat hij door een koerierster naar België kon worden gebracht, logeerde hij in Purmerend bij het echtpaar De Boer, dat tot over de oren in de illegaliteit actief was. Het is een willekeurige greep uit de voorbeelden van pilotenhulp. In totaal zijn op deze wijze in de Zaanstreek en in Waterland tientallen mannen opgevangen, ondergebracht en verder geholpen.

Harde cijfers ontbreken, maar waarschijnlijk doken er in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog ongeveer 300.000 mensen onder, voor langere of kortere tijd. Ze konden terecht bij 100.000 tot 200.000 gezinnen. De Zaans-Waterlandse regio telde enkele duizenden onderduikers, variërend van mannen die dwangarbeid in Duitsland probeerden te ontlopen en ondergrondse werkers tot vervolgde joden. Alleen al van die laatste bevolkingsgroep zijn meer dan vijfhonderd individuele namen bekend. De twee andere groepen vormden een veelvoud van dat getal. Zowel de ‘gasten’ als degenen die hen een relatief veilig verblijf aanboden, liepen gevaar.

De solidariteit met het ‘niet-arische’ bevolkingsdeel kreeg voor het eerst een duidelijk zichtbare vorm tijdens de Februaristaking. Hoewel gehuwde vrouwen over het algemeen niet in loondienst werkten en mannen dus de overgrote meerderheid van de betaalde arbeid voor hun rekening namen, deden er op 26 en 27 februari 1941 in deze omgeving honderden werkneemsters mee aan het stilleggen van bedrijven. De Zaandamse CPN-voorman Gerard Maas tikte en verspreidde pamfletten met de oproep om het werk neer te leggen en kreeg bij de Verkademeisjes een enthousiaste ontvangst. ‘Bij Verkade gingen ze grif weg, want de meisjes uit Amsterdam die daar werkten, wisten al wat in Amsterdam gaande was’, vertelde hij later. Zijn partijgenote Bep Koeman-Westmijze trok er met enkele gelijkgezinden op uit. ‘Met de vrouwen uit dat groepje ging ik bijvoorbeeld biljetten plakken, ’s avonds in het donker. Voor de Februaristaking van ’41 bijvoorbeeld. Om de beurt, want iedereen had kinderen thuis.’ De Amsterdamse stakingsleider Jan Vlietman, die bij Albert Heijn in Zaandam werkte: ‘Zonder de inzet van de vrouwen was er geen staking geweest en geen verzet.’

Na deze massale werkweigering liet rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart zijn eerder gedane belofte varen ‘het Nederlandse volk geen vreemde ideologie op te dringen’. Hij ging over op een geforceerde gelijkschakeling met het Duitse staatsbestel. In steeds sneller tempo werden organisaties ontbonden of onder NSB-toezicht geplaatst. De onderdrukking kreeg een harder gezicht.

Om het verzet te stimuleren doken er al snel onregelmatig uitkomende illegale kranten op. Van de ruim 1200 verschillende titels die na de oorlog zijn geteld, verschenen er bijna tachtig boven het Noordzeekanaal. In oktober 1940 ontstond het eerste Zaanse exemplaar van De Vonk (later De Waarheid), een communistisch periodiek. Halverwege 1941 kwam in Zaandam het eerste nummer uit van verzetsblad Je Maintiendrai. Die stad kreeg ook al snel een sociaaldemocratisch Parool-netwerk. Poortstraat 6, de bescheiden woning van Pieter en Margaretha Tjeertes, fungeerde als verspreidingsadres en als verzamelpunt voor ondergrondse acties. Koeriersters brachten Het Parool van Amsterdam naar Zaandam, waarna het echtpaar Tjeertes de regionale verspreiding coördineerde (en tussen de bedrijven door ook nog een joods gezin huisvestte).

Er belandden steeds meer vrije bladen in de huizen. Een deel ervan kwam tot stand in lokale drukkerijen. In Purmerend alleen al, waar de illegaliteit voor een groot deel bestond uit sociaaldemocraten, werden minstens negen verschillende titels vervaardigd. De Oostzaanse drukkerij Van Wijk maakte de christelijke krant Trouw, op het eind van de oorlog wel 30.000 exemplaren per week. Tonny Dral, destijds nog een tiener, werd verzocht om er een stuk of 25 in het dorp te bezorgen. Ze gaf er zonder lang nadenken gehoor aan (‘Ik was eigenlijk helemaal niet bang’). Maar het merendeel van de kranten moest Oostzaan uit, om te beginnen naar een verspreidingspunt op de Zaandamse Dam. Dat was een riskante taak voor koeriersters. Met gevulde fietstassen maakten ze over het Weerpad de tocht naar Zaandam, hopend onderweg niet te worden gecontroleerd. Wonder boven wonder is er van hen nooit iemand gearresteerd.

Trouw

De niet-gecensureerde nieuwsvoorziening kon alleen bestaan dankzij tientallen koeriersters en bezorgsters. Pal onder Duitse ogen ontstond een al maar uitdijend distributienet. Landelijk opererende bladen als Trouw, Het Parool, De Waarheid en Vrij Nederland (soms overigens aangevuld met lokale berichtgeving), maar ook regionale kranten als De Typhoon, Zaans Nieuws en Strijd vonden hun weg via damesfietstassen en kinderwagens. Dat gold tevens voor loodzetsels, die naar drukkerijen vervoerd moesten worden. Daarbij dienden Duitse militairen, Landwachters en collaborerende ambtenaren van de Crisis Controledienst te worden omzeild. Hoe fataal een aanhouding kon aflopen bewijst de geschiedenis van (de overigens ook af en toe in dit gebied opererende) Hannie Schaft.

Bij Nel Boot – ze woonde aan de Wormerveerse Marktstraat 7 – kwamen regelmatig de redacteuren en hoofdverspreiders van Trouw bij elkaar. In het grootste geheim bespraken ze daar de gang van zaken rond het schrijven, drukken en distribueren. Haar broer Jaap: ‘Ze verleende onderdak aan zowel leden van de redactie als aan veel medewerkers van de technische ploeg. Ze verspreidde zelf veel exemplaren in Wormerveer en omstreken.’ Hij noemde zijn zus in een interview zelfs ‘de moeder van de illegaliteit. Niet direct voor Wormerveer, maar landelijk gezien’. Het aantal kopstukken uit met name de gereformeerde verzetswereld dat bij Nel Boot te gast was, kan dan ook indrukwekkend worden genoemd.

In de beginfase van De Typhoon, oktober 1944, gaf ook Jo Hagendorn-Bouwmeester in haar woning aan de Zaandamse Koning Williamstraat ruimte aan krantenmakers. Diverse betrokkenen vertelden later dat zij tevens de naam van het blad bedacht, nadat een eerdere titel – De Moffenzeef – was afgekeurd als zijnde te banaal. Van invloed ontbloot waren de vrouwen dus niet bij de productie van staatsondermijnende lectuur.

Wie er allemaal meeschreven aan de teksten in al die dwarse blaadjes is moeilijk te achterhalen, maar van één vrouw is bekend dat ze zelfs de touwtjes in handen had bij een belangrijke verzetskrant. Rie Kogenhop-Huig kwam in 1943 over uit de Amsterdamse Spaarndammerbuurt om leiding te geven aan de Zaanse Waarheid-editie. De regionale CPN-afdeling was door arrestaties ernstig verzwakt en had dringend versterking nodig. Hoewel de Duitsers sinds de Februaristaking intensief naar Rie Kogenhop zochten, lukte het haar een groep jonge mensen om zich heen te verzamelen en vanuit Zaandam De Waarheid nieuw leven in te blazen. Ze schreef ook artikelen en hielp bij het stencilen. En ze maakte samen met Cor Geugjes en Wim Mans (later Marcus Bakker) deel uit van het trio dat de CPN-Zaanstreek aanstuurde. Het latere communistische Kamerlid Bakker, destijds een trouwe volger van zijn ‘toeziend voogd’: ‘Rie Kogenhop legde contact tussen ons en een groep jongeren uit Haarlem, Joop en Jaap Wolff, en Ton van Stralen. Er was een ontmoeting op straat, die werd voortgezet bij iemand thuis in Haarlem. Ik maakte kennis met Annie Averink, een indrukwekkend fraaie vrouw, een knappe verschijning. Na Ber en Uut Hulsing [een prominent Zaans CPN-echtpaar] kreeg ik opnieuw de sensatie dat er bijzondere types in die partij zaten. De twee instructeurs vanuit de partijleiding met wie ik te maken heb gehad, waren beiden vrouw.’

De jongeren die met Rie Kogenhop werkten, beschouwden haar als hun politieke moeder. Als eindredactrice – onder de schuilnaam ‘Jo de Vries’ – slaagde ze er in om De Waarheid tot een van de belangrijkste en grootste vrije kranten in de verre omgeving te maken. In die tijd kon ze haar elders ondergebrachte kinderen slechts een enkele keer ontmoeten, in het Amsterdamse Zuiderbad waar ze zwemles kregen. Om veiligheidsredenen moesten ze hun moeder dan aanspreken met ‘tante Marie’.

RieRie Kogenhop-Huig

In Zaanstreek-Waterland werden niet alleen kranten gedrukt, maar ook valse bonkaarten en persoonsbewijzen gemaakt. Onder meer offsetdrukkerij Litho Zaanlandia, clichéfabriek De Boer en Vink (Zaandijk) en drukkerij C. Huig (Zaandam) produceerden die aan de lopende band. Het overgrote deel van het werk was in handen van mannen, maar directeur Gerrit Huig vertelde in 1965 dat zijn vrouw ‘in alles actief meewerkte’. Toen het Zaanse netwerk in 1943 werd opgerold, leidde dat tot 23 arrestaties, onder wie Grietje Kleiman-van Omme en Aagje Huig-Bolding. Gerrit Huig: ‘Mijn vrouw speelde het spel bij het verhoor meesterlijk mee en daardoor vielen er geen slachtoffers.’ Na een week werd Aagje vrijgelaten, nog wat later ook Grietje Kleiman.

Arrestaties waren er sowieso volop. Hoewel ze vrouwen gemiddeld genomen minder snel als verdachten beschouwden, waren de nazi’s niet naïef. Al in 1941 verdwenen de eerste Zaanse vrouwen, leden van de Stijkelgroep, achter de tralies. In de vier jaren daarna zouden tientallen seksegenoten hen volgen. De grootste slag sloegen de Duitsers in 1943. De Zaandamse Francisca de Munck-Siffels gaf daartoe de aanzet. Francisca was zelf ook ondergronds actief; ze verspreidde communistische bladen en had een joodse onderduiker in huis. Toen ze echter in de herfst van 1943 ontdekte dat haar zuster een verhouding had met haar echtgenoot stapte ze woedend naar de Sicherheitsdienst en gaf ze haar partner aan. De SD zette Francisca vervolgens onder druk om meer namen van illegalen te noemen. In zes maanden tijd leidde dat tot minstens zeventig arrestaties. Zeker dertien vrouwen werden het slachtoffer. De in Zaandam ondergedoken joodse Elly Wessel-Premsela zou haar gevangenschap niet overleven, de andere vrouwen kwamen na enige tijd weer vrij.

Een aparte categorie binnen de illegaliteit vormden de joodse verzetsstrijdsters. Waar de straf voor betrapte ‘arische’ vrouwen vaak beperkt bleef tot een relatief korte tijd achter de tralies, was het concentratiekamp en een vrijwel zekere dood de sanctie voor opgepakte joodse ‘terroristen’. Door hun onderduikplaatsen te verlaten en zich te mengen in het strijdgewoel namen deze vrouwen dus een immens risico. Voor zover bekend was in de Zaanstreek een handvol joodse vrouwen ondergronds actief. De bekendste was Lore Durlacher. Zij slaagde er in om uit Westerbork te ontsnappen en onder te duiken in Zaandijk. Beschermd door valse documenten reisde ze door Nederland en hielp onder meer mee met het laten vluchten van gevangenen uit het Drentse doorvoerkamp.

LoreLore Durlacher 

Een andere strijdster was de Amsterdamse Beppie Nunes Nabarro-Ephraim. Zelf verbleef zij onder een valse naam in Zaandam. Haar dochtertje was ondergedoken in Westzaan en haar man onderging een lange reeks concentratiekampen. Beppie bracht in de Zaanstreek voedselbonnen en levensmiddelen naar onderduikers en schroomde ook niet om incidenteel wapens te vervoeren. ‘Ik heb drie jaar in angst gezeten’, vertelt ze. ‘Iemand die zat ondergedoken en zegt nooit bang te zijn geweest… dat kan niet. En al helemaal niet als je op straat kwam, zoals ik. Als je gepakt werd als verzetsstrijder ging je ook naar een concentratiekamp, maar verzetsstrijders kwamen ook wel eens vrij. Maar als ik gepakt werd, was het twee keer zo erg: als verzetsvrouw en als jodin. Voor mij bestond er geen enkele kans.’

Beppie Nunes Nabarro-Ephraim met dochter Carine (collectie Robertine Nunes Nabarro)
Beppie Nunes Nabarro-Ephraim met dochter Carine

Als gevolg van de Arbeitseinsatz, talloze arrestaties en het onderduiken van vele tienduizenden mannen kwamen er steeds meer banen vrij voor vrouwen. Met name de lokale voedingsindustrie (zoals Verkade, Albert Heijn en Simon de Wit) had behoefte aan werkneemsters. De animo ervoor was echter beperkt. Soms omdat men het idee had al doende steun te verlenen aan de bezetter, vaker omdat de huishouding en het gaande houden van het gezin al een stevig beslag legden op de tijd en de energie. De massale mannelijke afwezigheid gedurende de laatste oorlogsjaren leidde echter wel tot een grotere vrouwelijke zelfstandigheid. Mede daardoor konden vanaf het voorjaar van 1943 vrouwen wat meer op de voorgrond treden binnen de illegaliteit, zoals onder meer blijkt uit de activiteiten van Rie Kogenhop-Huig.

De onschuld die de Duitsers vaak toedichtten aan vrouwen werd benut als middel om gevaarlijke activiteiten te ontplooien. Ze ondernamen acties die voor mannen te riskant bevonden werden. (Beppie Nunes Nabarro: ‘Op een dag moest Piet [Bosboom] revolvers wegbrengen voor het verzet. We kregen echter een seintje dat onderweg mannen gecontroleerd werden. Toen ben ik gegaan.’) In een enkel geval kon het zelfs gebeuren dat een man zich als vrouw vermomde om een klus te klaren. Toen het te hachelijk werd om door te gaan met het drukken van Het Parool onder de toneelvloer van Ons Huis, een verenigingsgebouw op de Gedempte Gracht in Zaandam, moest de inboedel verhuizen. Jo Scholtz trok, tenger als hij was, meisjeskleding aan, pakte een boodschappenmand en stopte die vol met papieren en apparatuur. Zonder problemen te ondervinden kon hij met de goederen een veilige plek elders in de stad bereiken.

Het sabotagewerk bracht dus gevaren met zich mee, maar naarmate de Duitse krijgskansen keerden, nam het vaderlandse verzet in hevigheid toe. De paar honderd mensen uit de beginfase van de bezetting kregen – voor zover nog niet aangehouden en/of gedood – geleidelijk aan hulp van tienduizenden anderen. De dagelijkse beslommeringen werden echter ook steeds groter. Hoe langer de oorlog aanhield, hoe lastiger het werd om de werkzaamheden in en om huis gaande te houden. De schaarste liep op, de lengte van de rijen voor de winkels eveneens. Voedsel, kleding, brandstoffen; het bemachtigen ervan kostte steeds meer tijd en geld. Het waren werkzaamheden waarmee vooral vrouwen zich bezighielden. Desondanks steeg ook hun aandeel in de strijd tegen de buitenlandse indringers.

Bij Koninklijk Besluit van 5 september 1944 werden de Binnenlandse Strijdkrachten opgericht, een bundeling van het gewapend verzet. Intenser dan ooit maakten ‘partizanen’ jacht op wapens, bonnen en tegenstanders. Sabotage was dagelijkse praktijk. Er waren steeds meer koeriersters nodig om verzetslectuur, wapens, valse documenten en voedselbonnen te transporteren. Toen een meisje in 1944 aan Verkade-medewerkster Ida Hoorn vroeg of ze iets voor haar land wilde doen ‘als de oorlog voorbij was’ bleek dat een misverstand; ze kon vrijwel meteen aan de slag. Tot aan de bevrijding zou Ida wapens, geld en boodschappen overbrengen. Jonge vrouwen zoals zij waren er veel, uit alle milieus.

Ida (later Muis-)Hoorn, Jan van Altena, Alie Ehrenberg, Jopie Koopman (mei 1945, Dik Tromschool, Zaandam)
V.l.n.r. de  BS’ers Ida Hoorn, Jan van Altena, Alie  Ehrenberg en Jopie Koopman

Een combinatie van levensgevaarlijke, maar broodnodige werkzaamheden was niet ongebruikelijk binnen de illegaliteit. De al eerder genoemde Nel Boot werkte mee aan Trouw en Vrij Nederland, maar werkte ook als koerierster en stelde haar huis open voor verboden vergaderingen en onderduikers. Een bewaard gebleven lijstje van ‘vrouwen in dienst van de BS en/of medewerkers van illegale groepen in het Gewest 11’ (waar de Zaanstreek en Waterland toe behoorden) geeft wat globale informatie prijs over de veelheid van taken die sommige vrouwen uitvoerden. Neem bijvoorbeeld Sophia van der Geer, eveneens een christelijke vrouw uit Wormerveer. Ze was niet alleen ‘stafkoerierster’ van de Gewestelijke Sabotage Afdeling en lid van de Raad van Verzet (‘van opr.[ichting] af’), maar zorgde ook voor joodse onderduikers en transporteerde wapens, springstoffen en ondergrondse post. Of de uit Koog aan de Zaan afkomstige Geesje Reidsma: ‘Stafkoerierster. Transport springstoffen. Levensmiddelenvoorziening aan onderduikers en joodse gezinnen.’

Het liep niet altijd goed af, zo blijkt uit het relaas van Geesjes destijds amper 20-jarige dorpsgenote Maria (‘Rie’) Pels (‘Koerierster KP van opr. af. Overbrengen van brieven. Vervoer wapens en springstoffen’). De Koogse sprong in april 1945 uit een raam bij Litho Zaanlandia, een Zaandijkse drukkerij waar nogal wat documenten werden vervalst. Aanleiding daarvoor was een Duitse huiszoeking. Ze kwam verkeerd neer en brak haar pols en bekken. Desondanks wist ze via het naastgelegen huis te ontkomen. Helemaal herstellen van haar verwondingen zou ze echter niet meer. Nel Boot op haar beurt ontsnapte aan gevangenschap toen een arrestatieploeg de verkeerde Wormerveerse woning bezocht en bij haar buren terechtkwam. Daar woonde ook een Nel, die prompt werd opgepakt, samen met haar man. Zo zijn er meer verhalen over illegale werksters die ternauwernood ontkwamen aan arrestatie. En soms ook belandde er wel iemand in de cel. Veelal wegens jodenhulp, een enkele maal op verdenking van andere ondermijnende bezigheden.

Tonny Dral was bijna drie jaar ondergronds actief was. Ze verspreidde Trouw, kreeg al snel een wijk toegewezen waar ze bonnen voor onderduikers moest bezorgen en bracht illegale berichten naar Wormerveer. Bij drukkerij Van Wijk krabde ze met een speld cijfers en letters van persoonsbewijzen, waarna er nieuwe, gewenste gegevens konden worden ingevuld. Jong als ze was, kreeg ze toch een breed takenpakket toebedeeld. Tegelijkertijd was haar naoorlogse houding kenmerkend voor veel verzetsstrijdsters. Op de vraag of ze ooit onderscheiden was, antwoordde de Oostzaanse verontwaardigd: ‘Ik zou me doodschamen voor dat beetje dat ik gedaan heb.’

Het echtpaar Ham vertelde pas in 1979, toen ze al geruime tijd pensioen genoten, publiekelijk hun verzetsverhalen. Eenmaal, op uitdrukkelijk verzoek. Van Aagje Ham, destijds op tal van fronten actief in de Purmer, hoefde het niet zo: ‘Het was je plicht, het was eigenlijk zo gewoon.’

Hoewel niet helemaal legaal was de grootschalige vrouwelijke inzet bij de Zaanse Noodorganisatie een stuk minder gevaarlijk dan wat andere hulpverleners deden. In dit bijzondere samenwerkingsverband, waarin zowel de gematigde Zaandamse NSB-burgemeester Vitters als BS’ers zaten, liepen de onder- en bovenwereld door elkaar. Illegale documenten, nodig om de Zaankanters tijdens de hongerwinter van voedsel te kunnen voorzien, werden gecamoufleerd met Vitters’ handtekening. Zo konden honderden tonnen gestolen voedsel gratis worden verstrekt aan de behoeftige bevolking. Het onder de Noodorganisatie vallende Vrouwen-Hulpcomité maakte van de buit voedselpakketten. Tijdens de winter van 1944/1945 werden er 13.000 verstrekt.

Honger bleef er, ondanks alle lapmiddelen. Al op 27 juni 1944 plaatste De Waarheid een oproep om bij het Zaandamse gemeentehuis te demonstreren voor beter en meer voedsel uit de gaarkeuken. Enkele vrouwen mochten hun pannetjes met inhoud tonen aan burgemeester Vitters en wethouder IJdenberg, die wel oog hadden voor het huisvrouwenprotest. Zij zorgden ervoor dat zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het eten in de centrale keuken toenam. In februari 1945 was de nood echter zo hoog dat de CPN opnieuw opriep tot een massaal protest. ‘Verhongeren of strijden, een andere keus is er niet!’, schreef de partij in haar krant. De andere vrije bladen vonden dat onaanvaardbaar, bang als ze waren voor een bloedbad. ‘De Zaanstreek mag geen tweede Warschau worden’, schreven ze. De geplande demonstratie ging niet door.

De bevrijding gaf velen vreugde en opluchting, al dan niet vermengd met verdriet over het verlies van bekenden. De honger hield nog weken aan, maar er was tenminste weer perspectief op een beter, vrijer leven. Voor veel verzetsvrouwen betekende de Duitse capitulatie ook om een andere reden geen automatische terugkeer naar de orde van de dag. De Zaanse Gees Kok en de Waterlandse Jopie ten Hoope en Frieda Molenaar werden ingeschakeld op Fort Edam. Daar zaten vanaf mei 1945 NSB-vrouwen gevangen. Frieda: ‘Gees en ik hebben er vrij lang gewerkt. Als bewaking vooral. Hun lange haar werd afgeknipt, je moest hun was controleren, de post sorteren. Er zaten veel bekenden, ook Edammers. Ze hadden de strijd verloren. Maar ze werden goed behandeld.’

Bij Gees Kok, die jarenlang had gewerkt als koerierster en helpster van onderduikers, speelden verschillende gevoelens een rol bij de gedachten aan de vijf voorgaande jaren. ‘Door de oorlog heb ik geleerd te incasseren. Later maak je dingen mee, dan merk je dat. Ik kan nog steeds niet tegen onrechtvaardigheid, maar tegenslag kan ik makkelijker verwerken. Maar naast veel narigheid heb ik ook echt mooie momenten meegemaakt. Ik heb vrienden leren kennen en door het verzet heb ik mijn man ontmoet.’

Nog tweeslachtiger was Marie de Boer-van der Brink. In 1943 haalden zij en haar man Klaas de eerste onderduiker in hun Purmerendse woning en sindsdien zou het daar een zoete inval zijn. Klaas werd tijdens een razzia thuis opgepakt en in februari 1945 gefusilleerd. Marie: ‘Ik heb geen spijt van die tijd, maar ik heb er wel veel verdriet aan overgehouden. Toen ik pas in verwachting was van onze tweede dochter zei Klaas: “Als dit kindje wordt geboren is er vrede.” Hij heeft gelijk gekregen. Ze is in september 1945 geboren. Toen was er vrede. Maar ze had geen vader!’

Zaanse koeriersters
Zaanse koeriersters, mei 1945

Hoe zwaar het verzetswerk op de schouders kon drukken – tijdens, maar ook na de oorlog – illustreerde Dymph Zwaan-van der Maeden in 2005. Zij, voormalig koerierster en bezorgster van het illegale Trouw, beschreef toen in een vraaggesprek hoe ze als gevolg van alle herdenkingsprogramma’s de jaren 1940-’45 herbeleefde. ‘Ik slaap er slecht van. Alles zie ik weer voor me.’ Maar ook was daar die almaar terugkerende herinnering aan Guurtje van Velzen uit Wormer. Vier SD’ers arresteerden Guurtje in mei 1944 in haar ouderlijk huis. Zij kon namelijk vertellen waar zich twee gevluchte illegalen uit het dorp bevonden, onder wie haar broer. Dymph Zwaan: ‘Ze is vreselijk geslagen en naar kamp Vught gebracht, waar ze opnieuw geslagen is. Maar ze liet niets los.’ Toen de jonge vrouw na ruim zes weken Vught haar vrijheid terugkreeg, werd ze het slachtoffer van wantrouwen aan het ondergrondse thuisfront. Want misschien had Guurtje verraad gepleegd, wellicht speelde ze nu een dubbelrol. Dymph Zwaan: ‘Uiteindelijk kwam het er op neer dat ik op het perron zou staan – als meisje was ik het minst verdacht – en dat een paar jongens zich verdekt in de struiken bij het perron opstelden, voor als het mis zou gaan. Toen ik haar uit de trein zag komen zag ik een menselijk wrak. Geestelijk totaal afwezig. Ze had een lepel en een servet in haar handen. Ze liep voor me. Ik tikte haar op haar schouder. Ze draaide zich om en begon vreselijk te huilen toen ze me zag.’

Guurtje van Velzen was zwaar getraumatiseerd en zou dat nog lang blijven, ook door het gebrek aan adequate geestelijke bijstand toen de bevrijding al lang een feit was. Pas vele tientallen jaren later werd ze gehuldigd voor haar dappere houding onder onmenselijke druk. Het was een kleine pleister op een immense wond. Talloze andere verzetsvrouwen kregen na 1945 evenmin de noodzakelijke hulp en de erkenning waarop ze recht hadden. Dymph Zwaan nogmaals: ‘Veel verzetsmensen voelden zich na de oorlog miskend. De periode na de bevrijding was teleurstellend voor hen. Daarom zijn er later ook zoveel geëmigreerd. Het is heel anders gelopen dan we hadden gedacht. De oude machthebbers namen hun posities weer in. Later kregen we de Koude Oorlog. Bij een sollicitatiegesprek kon je maar beter niet zeggen dat je in het verzet had gezeten. Want dat waren lastige linkse mensen. Zo werd er toen gedacht.’

Kort na de bevrijding schreef Rie Kogenhop-Huig een artikel waarin ze de vrouwelijke verdiensten gedurende de voorgaande jaren roemde. Enkele citaten: ‘De oorlogsjaren hadden een sterke invloed uitgeoefend op het politieke bewustzijn van de vrouwen, omdat de strijd voor de bevrijding en de strijd voor de instandhouding van het gezin hen voor zeer belangrijke beslissingen plaatsen. Vrouwen, die uren voor een stuk brood in de rij stonden. Vrouwen, die bulletins plakten. Vrouwen, die bielsen sleepten en balken sjouwden, voor verwarming of om het schamele beetje eten te koken. Vrouwen, die met kinderwagen of trekkarretje zware vrachten sleepten, soms honderden kilometers ver. Vrouwen, die solidariteitswerk deden voor stakende spoorwegarbeiders, voor ondergedokenen, voor de verzetsbeweging. Vrouwen, die hulp aan de hongerenden organiseerden. Vrouwen, die kinderen van de steden naar het platteland brachten. Vrouwen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, uit Groningen en Friesland, uit Brabant, uit de top van Noord-Holland, uit de Zaanstreek, vechtend tegen de moffen, strijdend voor eten om de hunnen het leven te redden. (…) Zo streden vrouwen tegen de beulen van ons volk. Massadeportaties, vermoorden van weerloze gevangenen, niets was in staat haar murw te maken.’

6 antwoorden
  1. Greet Bos
    Greet Bos zegt:

    Prachtig geschreven, Erik. Eindelijk een stem voor de moed van vrouwen
    Jammer dat het boekje niet te koop is, dat zou het heel erg waard zijn.

    Beantwoorden
  2. Erik Schaap
    Erik Schaap zegt:

    Dank je wel, Greet. De opdrachtgever heeft deze keus gemaakt, maar vond het prima om bovenstaande hoofdstukken op de site te plaatsen. Kan iedereen daar toch nog (kosteloos) kennis van nemen.

    Beantwoorden
    • Erik Schaap
      Erik Schaap zegt:

      Dag Loes,

      Dank je wel. En wie weet, ik sluit niets uit, blijven er wel wat boekjes over die aan de Bieb kado gedaan kunnen worden. Het Gemeentearchief Zaanstad en het NIOD hebben in ieder geval al een exemplaar.

      Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.