Berichten

De vervolging van de Zaanse joden

Voor een beoogd boek over de jodenvervolging in Nederland (en in het bijzonder de gevolgen in de Zaanstreek) schreef ik onderstaande inleiding. Aangezien het er niet naar uitziet dat de beoogde publicatie nog van de grond komt, plaats ik het hier. Een longread over een donkere periode.

De jodenvervolging lijkt op het eerste gezicht grotendeels aan de Zaanstreek voorbij te zijn gegaan. De Davidster, die eind april 1942 werd ingevoerd, kende in deze Noord-Hollandse regio nauwelijks dragers. De bijna 320 ‘voljoodse’ Zaanse inwoners werden in het najaar van 1942 niet zoals hun lotgenoten in Amsterdam bij nacht en ontij van hun bed gelicht. En toch vonden ruim 180 van hen een gruwelijke dood.

Die schijnbare tegenstelling is deels terug te voeren op de ‘evacuatie’ die de negen Zaangemeenten in een vroeg stadium van de Tweede Wereldoorlog ondergingen. Zaandam, verreweg de grootste van dit negental, was door de Duitsers geselecteerd als proefstad voor de uitzetting van joodse inwoners naar getto’s. Vanuit die verzamelplekken zou het makkelijker zijn hen naar de vernietigingskampen te deporteren. Het net werd dichtgetrokken, maar wel in meerdere etappes. In de eerste, ijskoude maand van 1942 ging de proef van start. Amsterdam en Westerbork, de nieuwe verblijfplaatsen van de verdrevenen, bleken de voorportalen van Auschwitz en Sobibor. Maar dat kon niemand weten toen de jacht begon.

Waarom?

Het antwoord op de vraag naar het waarom van de joodse Zaandammers als proefkonijnen moet waarschijnlijk worden gezocht in een op de voorgeschiedenis terug te voeren combinatie van gebeurtenissen en de locatie van deze stad van, destijds, ongeveer 40.000 inwoners groot. Vanaf het begin onderkende de bezetter het autonome, zo niet dwarse gedrag van nogal wat Zaankanters. Zo kreeg Zaandam op 17 juni 1940 te maken met een relatief grote militaire bezettingsmacht, vijfhonderd man sterk. ‘De Zaanstreek is één der moeilijkste streken van ons vaderland’, klaagde de Nationaal-Socialistische Beweging op 1 april 1941 in haar blad De Zwarte Soldaat. ‘Eens was de bevolking hier felrood en toen zat er tenminste nog leven in, maar dat leven is verstard en de houding van de Zaankanter is zoals van zovelen in ons volk een burgerlijke, slappe en laffe houding geworden.’ De inwoners, zo hadden zowel de bezetter als haar handlangers al snel door, hielden vrij massaal vast aan de vooroorlogse ideeën en partijen – veelal socialistisch en communistisch – en lieten zich weinig gelegen liggen aan de Nieuwe Orde. Dat had minder te maken met een ‘slappe en laffe houding’ dan met een breed gedeelde afkeer van het nazisme.

Al in het late voorjaar van 1940 kwam het lokale verzet voorzichtig op gang. Het was te vinden in de progressieve hoek, maar ook bij hier werkzame (para-)militairen. De in Zaandam gevestigde wapen- en munitiefabriek Artillerie Inrichtingen, de grootste werkgever in de regio, speelde een belangrijke rol bij het vormgeven van de weerstand. Vanaf de zomer van 1940 werden er bijvoorbeeld pistolen, springstoffen en munitie van de Artillerie Inrichtingen naar de ontluikende ondergrondse beweging gesmokkeld, in een tijd dat er nog lang geen sprake was van wapendroppings door geallieerde vliegeniers. Daarnaast ontstonden er al snel linkse verzetscellen in het door duizenden socialistische en communistische partijleden bewoonde Zaandam.

Obstructie

Op het bestuurlijk vlak was er eveneens sprake van obstructie. Vanwege het nazistisch karakter van de Winterhulp sloeg de werving voor dit armoedefonds nauwelijks aan onder de Zaanse bevolking. ‘De opbrengst in deze gemeente van de vorige collecte was niet bevredigend’, schreef de Zaandamse burgemeester Joris in ’t Veld begin maart 1941. ‘Onze gemeente nam op de lijst van de gemiddelde opbrengst per inwoner de op één na laatste plaats in.’ De plaatselijke ambtenaren hadden dan ook hun best gedaan om de animo voor de Winterhulp zo klein mogelijk te houden. Op 28 januari 1942 schreven twee gemeenteambtenaren ‘namens verreweg het grootste gedeelte van het gemeentepersoneel’ een protestbrief aan het departement van Binnenlandse Zaken. Cornelis van Ravenswaay, de NSB-burgemeester die de verbannen In ’t Veld inmiddels was opgevolgd, had de ambtenaren verplicht te collecteren voor de Winterhulp. ‘Voor een groot deel van het personeel betekent deze ambtshalve opdracht een langs middellijke weg dwingen tot handelingen, waartoe het uit vrije overtuiging niet wenst over te gaan.’ Bij de middenstand en in het grote conglomeraat aan Zaanse fabrieken waren soortgelijke geluiden te horen.

Cornelis van Ravenswaay (5-3-1941)

Uiteraard had In ’t Veld zich met zijn sabotage van de Winterhulp bij de Duitsers niet geliefd gemaakt. Ook was ‘Den Haag’ een eerder door hem publiekelijk geuite sympathiebetuiging aan het koningshuis nog niet vergeten. Toch had deze sociaal-democraat wellicht nog wat langer in functie kunnen blijven als er in 1941 geen Februaristaking was uitgebroken.

Op de ochtend van 25 februari kreeg de Zaandamse CPN’er Wim Mans het die dag in Amsterdam verspreide pamflet in handen met de later beroemd geworden kreet ‘Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!!’. Hij gaf het aan partijgenoot Gerard Maas, die het onmiddellijk overtikte. Nog dezelfde dag werd het op een Zaandamse zolderkamer vermenigvuldigd en begon het uitdelen bij de fabriekspoorten. De oproep sloeg aan. Tienduizenden Zaankanters legden twee dagen lang het werk neer en gaven daarmee gehoor aan de aansporing van de Communistische Partij van Nederland om in opstand te komen tegen met name de jodenvervolging.

De machthebbers beschouwden Amsterdam, Hilversum en Zaandam als de belangrijkste actiehaarden van het land. Inderdaad waren dit plaatsen waar het protest tegen de antisemitische overheidsmaatregelen tot volle wasdom kwam. In de ogen van de höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter reageerde het Zaandamse gemeentebestuur veel te slap op de werkonderbreking. Geagiteerd liet Rauter weten dat op 27 februari de staking overal op zijn eind liep, ‘behalve in het marxistische Zaandam’. Hoewel de rust nog diezelfde dag terugkeerde – enkele uitzonderingen daargelaten –, werd de gemeente zwaar gestraft, om te beginnen met een avondklok en een boete van 500.000 gulden. Alleen Amsterdam en Hilversum kregen te maken met vergelijkbare sancties. Burgemeester In ’t Veld moest zijn ambtsketen inleveren en de stad verlaten. Zijn plaats werd ingenomen door de antisemitische NSB’er Cornelis van Ravenswaay.

Voor zover bekend zijn er geen documenten bewaard gebleven die aantonen waarom uitgerekend Zaandam als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ moest zijn, maar in voorgaande alinea’s zijn wel de nodige aanwijzingen te vinden voor deze keuze. De combinatie van een antisemitische burgemeester, de massale Zaanse respons op de Februaristaking, het makkelijk per trein te bereiken hoofdstedelijke Judenviertel en de opkomende illegaliteit in de Zaanstreek speelden ongetwijfeld een rol bij de beslissing. Daarop wijst ook de selectie van de eerstvolgende gemeenten waar de joden weg moesten, Hilversum en Utrecht. Die plaatsen hadden eveneens een fanatieke, Duitsgezinde burgemeester en ook daar had de bevolking op grote schaal deelgenomen aan de Februaristaking.

‘Koopt niet bij Joden’

Aan de ontjoodsing van Zaandam ging een sluipend proces vooraf dat ook elders in Nederland zichtbaar was. Al op 2 juli 1940 deden de Zaanse gemeenten per advertentie en aanplakbiljetten een oproep: niet-arische vreemdelingen moesten zich op het politiebureau melden. Op 18 juli 1940 werd op verschillende joodse winkels in Zaandam een pamflet met de tekst ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden’ op de ruit geplakt. Het was een aanmoediging van de plaatselijke NSB, die zich gesteund wist door de nazistische autoriteiten. Begin oktober van dat jaar moest alle overheidspersoneel een niet-joodverklaring ondertekenen. Wie dat vanwege zijn of haar familiegeschiedenis niet kon, had de zeer uitgebreide joodverklaring in te vullen. Dat bleek in feite een ontslagaanbieding te zijn, en op langere termijn een doodvonnis. Eind van die maand moesten joodse bedrijfseigenaren vergelijkbare verklaringen invullen.

En zo ging het verder, van dreigende waarschuwing naar beperkende verordening. Alle Zaanse inwoners ‘van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’ moesten zich laten registreren. Men diende daartoe een naar waarheid ingevuld formulier bij de gemeente in te leveren. Op weigering stond een gevangenisstraf van vijf jaar. Van slechts één Zaandammer is bekend dat hij zich – bijna per toeval – niet als zijnde joods liet vastleggen. Het betrof de meubelhandelaar Ies Löwenstein. Toen hij zich bij de gemeente meldde, zei een hem bekende ambtenaar grappend: ‘Jij bent toch geen jood, Ies?’ Waarop Löwenstein antwoordde: ‘Natuurlijk niet.’ Hij ontsnapte aan registratie, en daarmee aan het vernietigingskamp.

Het overgrote deel van de joden in de negen Zaangemeenten woonden in Zaandam. Het was een mengeling van families die er soms al generaties leefden en van buitenlandse joden die in de jaren dertig uit Duits-nazistisch gebied waren gevlucht. In totaal maakten zij minder dan 1% uit van de Zaandamse bevolking.

Uit een landelijk overzicht van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters blijkt dat Zaandam op 1 oktober 1941 224 ‘voljoodse’ inwoners telde, evenveel vrouwen als mannen. Volgens de nazi-regels waren voljoden burgers met minimaal drie joodse grootouders. Mensen die één of twee joodse grootouders hadden, maar zelf de joodse godsdienst aanhingen dan wel gehuwd waren met een voljood, golden eveneens als volledig joods. Als halfjood werden 44 personen beschouwd, en als kwartjood 34. De laatste groep werd niet systematisch vervolgd. Van de 224 Zaandamse voljoden had ruim 40% (92 personen) de niet-Nederlandse nationaliteit – merendeels vluchtelingen uit Duitsland –, van de 44 halfjoden waren er vijf buitenlands.

‘Evacuatie’

De overheidspesterijen kregen steeds meer impact. Eind april 1941 moesten de Zaandamse joden hun radio inleveren. Vanaf 1 september 1941 was het joodse (en soms ook halfjoodse) leerlingen verboden naar ‘arische’ scholen te gaan. Op 25 november 1941 verloren Duitse joden in Nederland hun nationaliteit. Hun vermogen verviel aan het Groot-Duitse Rijk. Daarnaast werden alle niet-Nederlandse joden op 5 december van dat jaar opgeroepen tot ‘vrijwillige emigratie’. Aan Duitse joden was al eind september een eerste oproep gedaan. Vanaf nu leken de geruchten waar te zijn dat de niet-Nederlandse joden zeker weg moesten. ‘Naar Westerbork? Naar Amsterdam? Naar Duitsland? Naar Polen?’, vroegen de vanuit Duitsland naar Zaandam gevluchte Hennie Petersen-Stock en haar dochters zich af.

Het onschuldig klinkende woord ‘evacuatie’ sloot aan bij de opduikende berichten dat de kustgebieden wellicht zouden worden ‘geëvacueerd’ vanwege het risico op een Britse invasie. De term ‘Evakuierung’ kreeg overigens in deze periode na toestemming van Hitler dezelfde betekenis als ‘Endlösung’, ofwel uitroeiing. Voor ouderen, kinderen van gemengd gehuwden en joden die belangrijk waren voor de oorlogsvoering zouden uitzonderingen kunnen gelden.

Dat er een gedwongen vertrek uit Zaandam aankwam, werd op woensdagavond 14 januari 1942 bekendgemaakt via een schrijven van de Joodsche Raad. Het droeg de aanhef ‘Aanwijzingen voor de evacuatie uit Zaandam’. Op zaterdag 17 januari diende men klaar te staan om naar Amsterdam te vertrekken, met als bagage slechts datgene wat men kon dragen. De politie moest toestemming geven en kreeg bij vertrek de huissleutels. Men hoorde zich voor 15.00 uur op de Amsterdamse Nieuwe Keizersgracht bij de Joodsche Raad te melden (bij het ‘Bureau Evacuatie Zaandam’). De Raad zou helpen bij de voorlopige onderbrenging in de hoofdstad. De getroffenen mochten onder geen beding terugkeren naar Zaandam, ook niet voor werk of een bezoek aan vrienden.

Ellen Weijl en haar niet-joodse man Cor Inja behoorden tot de ongelukkigen die het vertrekbevel op deze avond van twee gemotoriseerde politiemannen ontvingen, ‘krachtens een besluit van de burgemeester’. Inja – zijn vrouw en hij zouden zich kort nadien aansluiten bij de illegaliteit – schreef na de oorlog dat ze het motorgeluid voor hun woning nooit meer konden vergeten. Aanhangers van de communistische partij verspreidden een in haast getikt papiertje onder gelijkgezinden, zoals ze dat ook al deden tijdens de Februaristaking. ‘Opnieuw hebbende fascistische horden hun bloedige terreur ingezet. Opnieuw zijn het de ongelukkige joden die het slachtoffer moeten zijn’, ving het pamflet aan. ‘Ze worden a.s. zaterdag weggesleept. WAARHEEN??? Zij weten het niet!!! ZIJ WETEN ALLEEN DAT ZIJ ERGENS EEN GRUWZAME DOOD GAAN STERVEN!!!’ De korte tekst besloot met een oproep tot ongehoorzaamheid. ‘Smeedt allen het wapen van verzet.’ Ondanks de overvloed aan kapitalen en uitroeptekens, symbolen van onmacht, bleef het rustig in de stad.

In de Zaandamse juwelierswinkel van Arnold Vet, de secretaris van het synagogebestuur, kon men in de ochtend van 15 januari aan vier leden van de Joodsche Raad opgeven wie wegens ziekte of invaliditeit niet in staat was om te reizen. Een doktersattest moest als bewijs gelden. Eventueel uitstel betekende uiteraard geen afstel.

Westerbork

Een dag later ontboden de machthebbers alle geregistreerde joodse gezinshoofden naar de synagoge aan de Gedempte Gracht 40, in het hart van de stad. Daar diende men de persoonlijke gegevens van de gezinsleden te overleggen. Die middag werd plotseling een uitzondering bekendgemaakt. De niet-Nederlandse joden gingen bij nader inzien niet naar Amsterdam, maar naar het Vreemdelingenkamp Westerbork. Toen zal hen ook zijn gezegd, wat alleen uit politierapportages blijkt, dat zij pas maandag 19 januari aan de beurt waren. Een brief van deze datum van de SS’er Karl Wörlein, de leider van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, aan de commandant van het toen nog Nederlands geleide kamp Westerbork sprak van ‘verkeerstechnische redenen’. Het winterweer gooide waarschijnlijk roet in het eten. Hauptsturmführer Wörlein verwees in zijn schrijven naar een eerder telefoongesprek en vroeg kampcommandant Jacques Schol een lijst te maken van de Zaandamse joden die in het vreemdelingenkamp aan zouden komen. Uit het late antwoord, 23 januari, bleek dat het om niet-Nederlanders ging.

Zaterdagmorgen maakten minstens acht Zaanse politiemensen een ronde langs de adressen van de Nederlandse joden. Hun taak bestond er uit om na controle van de handbagage de gezinsleden op straat te zetten, de inventarislijsten in te nemen en het huis te verzegelen. De meeste Zaandamse joden vertrokken op de zeventiende, een minderheid kreeg uitstel.

Saul Smit ging die dag wel. Hij kon 45 jaar na de oorlog van kwaadheid nog niet uit zijn woorden komen: ‘En de politieagenten die me de ene dag – want ik was toen toch ook al een bekende Zaandammer; iedereen kwam bij me als ‘ie een huis nodig had – nog meneer Smit noemden, die zetten me de volgende dag uit m’n woning. Dat heeft me altijd ontzettend…’ Saul scheidde van zijn niet-joodse vrouw, zodat zij met de kinderen terug kon naar Zaandam. Ook enkele andere gemengd gehuwde joden gingen over tot deze wanhoopsdaad.

De winter van 1941/’42 was de strengste in meer dan een eeuw. De wind blies uit de oosthoek, de hemel was diepblauw. Een minstens twintig centimeter dikke ijsplak bedekte de sloten. Het werd een weekend vol schaatstochten. De Koogse vereniging Voorwaarts verheugde zich deze zaterdag op de opening van een natuurijsbaan, pal naast de brug over de Zaan.

Een paar kilometer zuidelijker maakten honderden mensen zich op voor de treinreis naar Amsterdam. In het politiebureau werden de laatste instructies gegeven. Johan Jongepier kreeg als taak de zijstraten van de Westzijde te ontdoen van de mensen op zijn lijst. Acht joodse huishoudens telde die, in totaal ruim twintig personen. De rechercheur had medelijden met ze, maar hij deed ook alleen wat hem was opgedragen.

Jongepier gaf het echtpaar Drukker uitstel van vertrek. Abraham, de synagogebestuurder, overtuigde hem er van dat zijn vrouw te ziek was voor transport. ‘Drukker verklaarde dat hij reeds een doktersattest had doen toekomen aan de Joodsche Raad te Amsterdam, die dit geval met de Duitse instanties zou bespreken’, tikte Jongepier in zijn rapport.

‘Übergenommen Judenhausrat’

Hoe de ontruiming van Zaandam verliep is goed af te lezen aan het gedwongen vertrek van huisarts Bernard Eisendrath en zijn gezin. De Eisendraths, zesde op Jongepiers loopbriefje, zaten gespannen klaar. Ze wachtten op de agent die hen verwijderde uit het huis waarmee ze zo vergroeid waren. Ze hadden hun onderkomen onttakeld. Alleen wat grotere meubels, die met geen mogelijkheid elders waren te bergen, stonden her en der verspreid over de verdiepingen. Bedden, een tafel, dat soort goederen. De nazigezinde ophalers zouden een paar weken later de waarde van deze ‘übergenommen Judenhausrat’ schatten op 140 gulden, een schijntje van wat er drie dagen eerder nog aan kostbaarheden stond.

Zodra Johan Jongepier binnenkwam, begon hij met afvinken. Het aantal gezinsleden, zes, klopte. De zevende aanwezige, een oude dame van Duitse komaf, hoefde de stad nog niet te verlaten. Hij vergeleek de klaarstaande bagage met de door Bernard Eisendrath gemaakte inventarislijst. Was de hoofdkraan van de waterleiding afgesloten? De gas- en elektriciteitsmeter ook? Alles leek in orde, iedereen kon naar buiten. Beleefd vroeg hij om de huissleutels. Hij moest ze innemen en voorzien van een kaartje met naam en adres.

Emma Juchenheim, de oude dame, had geluk, voor zover dat woord onder deze omstandigheden nog van betekenis was. Op het laatste moment werd besloten dat zij en vijf andere ouderen niet met de overige buitenlandse lotgenoten naar Westerbork hoefden. De kwetsbare zeventig- en tachtigplussers mochten de volgende dag naar Amsterdam verhuizen. Tot het zover was, werd Emma Juchenheim ondergebracht bij een ander Zaans huishouden.

Het afscheid van zowel haar moeder als haar gewaardeerde buurt werd Selma Eisendrath te veel. In Jongepiers woorden: ‘Mevrouw Eisendrath was dermate overstuur dat zij vlak voor het verlaten van haar woning in elkander zakte en enige tijd het bewustzijn verloor.’ Behulpzame handen tilden haar van de vloer en droegen haar naar buiten. Terwijl agent Jongepier Bootenmakersstraat 108 verzegelde, kreeg Bernard toestemming om bij betrokken kennissen zijn vrouw te verzorgen. Daar kwam Selma ‘enigszins op verhaal’.

Politiekorps Zaandam (1941)

‘Dramatische dag’

De emoties bleven niet beperkt tot de Bootenmakersstraat. ‘Dramatische dag. Overal staan mensen aan de voordeur te huilen. 23 gr. vorst’, signaleerde de Zaandamse Alida Veen. Mirjam Levie, een medewerkster van de Joodsche Raad: ‘Bij het vertrek vond een ware ovatie plaats. Het medeleven van de bevolking was geweldig. De mensen moesten nl. hun meubels laten staan en zouden in Amsterdam bij andere joden worden ingekwartierd. Men sleepte de waardevolle spullen van de joden uit hun huizen en beloofde ze voor hun te bewaren.’ Of iedere ‘bewariër’ met de beste bedoelingen begon te slepen, bleef onvermeld. Een derde ooggetuige: ‘Hartroerende tonelen hebben zich hier afgespeeld. Ook christenen die met joden getrouwd zijn, lieten hun vrouw en kinderen niet alleen gaan in de ballingschap, maar deelden dit lot. Met een moed en een berusting (eigenschappen door eeuwenlange vervolging gekweekt) zijn zij vertrokken. Hun huizen en eigendommen zijn door de politie verzegeld. Hun ellende wordt nog zwaarder door de strenge vorst. Het bestaan is soms ondragelijk, geloven in God, in zijn ondoorgrondelijk besluit, vertrouwen, ondanks alles wat gebeurt, ik wil het zo graag, maar soms, zoals nu, gaat het onze kracht te boven. Dat Gij ons helpe, vooral hen, die vervolgd worden.’

Johan Jongepier hield het zakelijker. Hij had zijn ronde afgelegd conform de voorschriften, kon hij de hoofdcommissaris melden. ‘Op zaterdag, 17 januari 1942, heb ik, ondergetekende, na daartoe bekomen opdracht, het vertrek gecontroleerd van onderstaande personen, hunne huizen gesloten en verzegeld, sleutels en inventarislijsten ingenomen, welke hierbij worden overhandigd.’ Waarna de namen volgen van de Drilsma’s, Brilleslijpers, Drukkers en nog wat verschoppelingen. Onder wie ‘dr. B. Eisendrath met zijn echtgenote en vier kinderen’.

Alle ingeschakelde agenten typten een rapport voor de politiecommissaris. De meeste rapportages bevatten, ter geruststelling, de zinsnede: ‘Er deden zich geen onregelmatigheden voor.’ Uit de aantekeningen op de briefjes en rapporten blijkt dat er vooral moeilijkheden waren met de gemengd gehuwde vrouwen en de zieken. Het half-‘arische’ echtpaar De Ridder-Samson zei simpelweg dat de maatregel niet voor hen opging en bleef thuis. De familie Mars-de Jong stond niet op de lijst en wilde niet vertrekken. Personen die ziek waren, bleven eveneens. Terwijl sommige gemengd gehuwde vrouwen met hun gezin al weg waren, kwam er bericht van de SS-bevelhebber Willy Lages. Hij gaf de gemengd gehuwden uitstel van vertrek. Agent Hendrik van der Kraan – hij zou korte tijd later een van de beruchtste jodenjagers van Nederland worden – noteerde ‘nader order’ op zijn briefje en zette streepjes bij de betreffende huishoudens. De huissleutels werden aan hen teruggegeven, voorlopig.

Op maandagmorgen 19 januari 1942 vond er in Zaandam een tweede ophaalronde plaats, waarbij de joodse buitenlanders het mikpunt waren. Het aantal te vertrekken personen bedroeg dit keer 67. De politieagenten dienden de mensen op hun namenlijstje te melden dat ze zich hadden te begeven naar het gymnastieklokaal van een plaatselijke school. Van daar moest men per trein naar kamp Westerbork. Daar aangekomen kregen de meeste van oorsprong Duitse, joodse volwassenen van de kampregistratie de namen Israel of Sara toebedeeld. Die stigmatiserende toevoeging gold al sinds 1939 in het Duitse rijk.

Opnieuw heerste er angst. De onwetendheid over wat er zou komen, voedde die angst. Het was niet de angst van alledag die ook al voor de oorlog loerde in sommige joodse huishoudens, die voor de slechte manieren en luidruchtigheid waarop men kon worden aangesproken omdat men nu eenmaal joods was. Het was zelfs niet de angst die Johanne Rosenbaum haar tafel deed dekken met een schoon kleed alvorens voor de allerlaatste keer haar huis te verlaten, opdat die rotmoffen niet zouden denken dat joden de dagelijkse etiquette negeerden. Deze angst ging veel dieper dan het oude, onderhuidse antisemitisme.

Voor de Zaandammers die in Amsterdam belandden was waarschijnlijk voldoende woonruimte voorhanden. In een door de Joodsche Raad-bestuurders Cohen en Asscher ondertekend standaardbriefje van 23 januari 1942 staat: ‘Zeer geachte Mevrouw, U waart zoo vriendelijk om ten behoeve van degenen, die plotseling uit Zaandam moesten evacueeren, Uw huis open te stellen. Door bijzondere omstandigheden behoefden wij van Uw vriendelijk aanbod geen gebruik te maken.’

J. Brandon, de secretaris van de Joodsche Raad, schreef op 21 april 1942 in een interne nota over de bezittingen van de uit Zaandam vertrokken joden: ‘Het meubilair uit de huizen van geëvacueerden is thans weggehaald. De huizen zijn wederom ter beschikking gesteld van den huiseigenaar onder voorwaarde, dat de sleutels niet aan Joden mogen worden gegeven. Een winkel, waarin nog wat artikelen waren achtergebleven is geheel uitverkocht.’

Andere gemeenten

Toen de gedwongen verhuizing van Zaandamse joden slechts kleine problemen en weinig bezwaren bleken te geven, paste men de formule verfijnd toe op de andere Noord-Hollandse gemeenten (Haarlem uitgezonderd), Zeeland en Delfzijl. Er kwam wel protest van de gemeente Amsterdam, dat de mensen moest inkwartieren. En er werd tegen geageerd door Lodewijk Visser, de inmiddels ontslagen joodse president van de Hoge Raad. Visser legde de Zaandamse verdrijving verontwaardigd voor aan secretaris-generaal Karel Frederiks. ‘De niet te verdedigen maatregelen veroorzaken niet alleen onnoemelijke ellende over de Nederlandse burgers die daardoor worden getroffen, zij raken ook aan de algemene volksbelangen’, liet hij weten. Frederiks verzocht de hoogste Duitse politiefunctionaris, Hanns Albin Rauter, van het vervolg af te zien. Ook de voorzitter van de Joodsche Raad, David Cohen, sprak er zijn Duitse contacten op aan. Maar Cohen waarschuwde ook Visser: ‘Stop hiermee, het concentratiekamp dreigt.’ En Rauter antwoordde Frederiks eind februari dat ‘joden geen Nederlanders zijn’. Nederlandse autoriteiten hadden zich hier dus niet mee te bemoeien. Frederiks reageerde daarop met de woorden: ‘Ik zal mij voor het gegeven bevel moeten buigen.’ Toen was Lodewijk Visser echter al aan een hartaanval overleden, op 17 februari 1942. Loe de Jong suggereerde in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog dat dit mede een gevolg was van de vernederende reacties op zijn verzet tegen de jodenuitzetting van Zaandam.

Een aantal Zaanse joden dook vrijwel onmiddellijk onder bij familie of bekenden in de Zaanstreek. In de navolgende maanden zouden ook elders in het land tientallen Zaankanters een schuilplaats vinden. Omgekeerd hielpen niet-joodse Zaankanters binnen hun eigen woonplaats meer dan vijfhonderd joden uit heel Nederland aan onderdak. In de meeste gevallen kregen de nazi’s en hun helpers daar geen lucht van, maar bijna een derde van de onderduikers belandde toch nog in het kamp, meestal als gevolg van verraad.

Beppie Nunes Nabarro-Ephraïm, onderduikster in Zaandam.

De isolatie van de joodse bevolkingsgroep werd ondanks de geboden hulp steeds groter. Op 15 juli 1942 reed de eerste Nederlandse trein via Westerbork naar Auschwitz. Drie dagen later werd Rückla Jakoby uit de Hoveniersstraat daar als eerste Zaandamse slachtoffer om het leven gebracht. Na hun gedwongen vertrek was er soms nog enig contact tussen de uitgezette Zaandammers en hun achtergebleven stadgenoten. Bewaard gebleven afscheidsbrieven leggen daarvan getuigenis af. Zo is daar de brief van de toen 19-jarige Julie Vet aan haar Zaandamse vriendin Annie de Beurs. Die was geschreven op 24 mei 1943, de maandag dat Julie een oproep kreeg voor Duitsland. ‘Beste Annie, ik heb een heel tijdje weer niets van me laten horen, maar ’t is nu wel heel noodzakelijk want ik heb zojuist vanmorgen een oproep voor Duitsland gekregen’, schreef Julie. Een dag later moest ze zich melden, met duizenden anderen.

Duitsland

Historicus Jacques Presser legde vast hoe de Joodsche Raad op vrijdag 21 mei het bevel had gekregen zevenduizend personen van het tot dan toe vrijgestelde Joodsche-Raadpersoneel – onder wie Julie Vet – voor vertrek naar Duitsland op te roepen. De gedwongen selectie van deze duizenden door de eigen joodse leiding veroorzaakte een onvoorstelbare verwarring en paniek. Julie schreef tamelijk rustig over de ontvangen oproep. ‘Ik moet me morgen melden en hoogstwaarschijnlijk zullen mijn ouders als ze er vandaag geen krijgen, er de volgende week wel een krijgen. Je zult waarschijnlijk wel begrijpen dat ik vandaag een beetje krabbel, want het gaat je allemaal niet in je koude kleren zitten. Maar toch ben ik nu ik er voor sta wel een beetje flink, mijn moeder is zenuwachtiger dan ik.’ Julie Vet hield zich groot: ‘Ik hoop niet, dat jij of je ouders ooit voor de arbeidsinzet naar D.[uitsland] hoeven, want een pretje lijkt het me niet bepaald. Nu Annie, doe de groeten van mij aan al mijn kennissen en vooral ook voor je ouders. Ik wens je het allerbeste en we zullen maar hopen dat we elkaar spoedig weer in vrede zullen ontmoeten.’ Nog geen twee weken later werd Julie Rika Vet vergast in vernietigingskamp Sobibor. Haar ouders ondergingen dat lot drie maanden later eveneens, in Auschwitz.

Van de voljoden die in januari 1942 gesommeerd werden Zaandam te verlaten, verloren 137 personen direct of indirect door de Holocaust het leven (62%). De hulp die relatief veel Zaankanters gaven aan joodse onderduikers bood hen geen soelaas. Sara Weiss-Metzger (81) overleed een week na de verdrijving uit Zaandam in Amsterdam. Roosje Drilsma stierf daar op 3 februari 1942. Bernard Eisendrath nam in oktober 1942 in Amsterdam gif in. De 134 andere personen werden gevangen genomen, gedeporteerd, vergast, bezweken aan honger, ziektes of marteling of moesten in onbeschrijfelijke omstandigheden werken tot ze dood waren. Slechts 84 joodse burgers van Zaandam overleefden de Sjoa.

De Duitse bezetting betekende het einde van de vooroorlogse Zaans-joodse gemeente. Met de mensen verdwenen tevens hun eigendommen, meestal als roofbuit. Ook hun godshuis werd geconfisqueerd en vervolgens ontheiligd. Luttele maanden voor de nazistische inval, op 21 januari 1940, was het 75-jarig bestaan gevierd van de Zaandamse synagoge. Opperrabbijn Philip Frank sprak toen tussen de regels door over de brandende synagogen in het Duitsland van de Kristallnacht. Burgemeester In ’t Veld zei in zijn gelukwens dat hij zich tijdens de viering weliswaar een vreemde in het kerkgebouw had gevoeld, maar niet ‘in een volksvreemde kring’. ‘Wij kunnen het eens zijn, al verschillen wij naar het uiterlijk.’ Hij hoopte dat de gewetens- en geloofsvrijheid ‘zou behouden worden tot in alle eeuwigheid’. Die hoop werd drieënhalve maand later dus de bodem in geslagen.

In de zomer van 1942 probeerde NSB-wethouder Jacob IJdenberg in zijn andere hoedanigheid, als makelaar, de synagoge te verkopen aan de gemeente Zaandam. ‘Ik heb dit gedaan, daar ik het als een normale makelaarszaak beschouwde en er geen kwaad in zag’, verklaarde hij na de oorlog. De winst zou in handen komen van de Duitse roofbank Liro. De directeur van de Zaandamse dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond, zag echter niets in het verkoopplan: ‘Op aandringen van IJdenberg zou [burgemeester Hendrik] Vitters hiertoe zijn overgegaan, doch in samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ IJdenberg slaagde er wel in om een flink aantal andere Zaanse panden die tot 1942 in joodse handen waren te verkopen of te verhuren. Hij ontving daarvoor commissie.

Paardenstal

De synagoge werd na de jodenverdrijving gebruikt als paardenstal, geplunderd en vernield. Tot het laatst toe zou het gebedshuis misbruikt worden door Duitse soldaten, zoals blijkt uit dagboekaantekeningen de dato 15 april 1945 van Zaandammer Andries Bouman: ‘Vinkenstraatschool, Garage Jan Does en Synagoge zitten weer vol soldaten.’ De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken had naar eigen zeggen zilveren voorwerpen onder de synagogevloer verborgen. Na de oorlog waren die verdwenen. Zes Torarollen zouden gespaard zijn gebleven, maar onbekend is waar ze zijn.

Bestuurslid Jacob Drukker vertelde in 1965 wat er na de oorlog resteerde van de synagoge: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’

Duitse opleggers voor de synagoge, het witte gebouw links.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw ging de synagoge wegens gebrek aan geld en gebruikers over in andere handen. Een daarop volgende ingrijpende ‘verbouwing’ leidde er toe dat anno nu alleen de uit 1865 daterende bovenkap van het gebedshuis resteert. Wrang genoeg is het enige Zaans-joodse bouwwerk dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ongemoeid bleef de begraafplaats. Tegen dode joden hadden de nazi’s immers geen bezwaren.

 

Voor dit artikel is geput uit de website www.joodsmonumentzaanstreek.nl en mijn volgende boeken:
De Februaristaking in de Zaanstreek
Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945)
Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945)

 

Nieuw: ‘Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945)’

 De Tweede Wereldoorlog was smerig en ongewis. De Zaankanters die zich keerden tegen de bezetter en zijn handlangers pionierden en probeerden, onwennig als ze waren met de spelregels van de nieuwe, nazistische orde. Dat leidde tot grootse daden, maar ook tot onzekerheden, fouten en soms bovenmenselijke spanningen.
Aan de hand van enkele tientallen Zaanse verzetsstrijders toont mijn nieuwe boek Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) zowel de veelzijdigheid van het ondergrondse werk als de zoektocht van de stoutmoedigen die tijdens de bezetting hun nek uitstaken.
Alle geportretteerden in deze publicatie namen hun verantwoordelijkheid toen het er op aankwam, soms met fatale gevolgen. Mededogen, altruïsme, (wan-)hoop, wraakgevoelens, opportunisme, levensovertuiging; er was een veelheid aan motieven om het gevecht aan te gaan. Maar wat en hoe ze dat ook deden, de uitvoerders keken niet weg. Ze kozen, daar waar de meerderheid van de bevolking zich -overigens om begrijpelijke redenen- afzijdig hield. Of die keuzes de juiste waren, viel vaak pas achteraf vast te stellen.
Strijd is een poging om de breedte te schetsen van het verzet in de regio, van de gewapende durfal tot de verzorger van onderduikers, van de ondergrondse regelneef tot de koerierster. Beoogd is om via hun wederwaardigheden zowel de diversiteit als de onvermijdelijke rommeligheid van de illegaliteit te tonen.
Strijd (140 pagina’s) kan worden gelezen als een ode aan de Zaankanters die immense risico’s opzochten in een tijd dat je ter vergroting van de overlevingskansen beter kon wegduiken. Door hun bijzondere daden voor het voetlicht te brengen, worden hopelijk ook de vele honderden andere Zaanse verzetsmensen geëerd die tot nu toe in de geschiedschrijving onzichtbaar zijn.

Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) is voor €17,50 verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en Bol.com.

Unieke foto’s van de Februaristaking

In de zomer van 2016 nam de tachtigjarige Gerard Wijdenes contact op. Of ik geïnteresseerd was in een fotoalbum van zijn ouders, wat boeken over de jaren ’40-’45 in de Zaanstreek en een pak oude oorlogskranten. Dat was ik natuurlijk. Ik bladerde het fotoboek door en stuitte op vier foto’s die blijkens het bijschrift op 25 februari 1941 waren gemaakt in Zaandam. ‘Wauw,’ zei ik. Want hoewel de Februaristaking een unieke gebeurtenis was tijdens de Tweede Wereldoorlog (want de enige keer in heel Europa dat de bevolking opstond tegen de jodenvervolging), dook er pas een jaar eerder voor de eerste keer een foto op waarvan onomstotelijk vaststond dat het de Februaristaking betrof. En plotseling had ik er vier tegelijk in mijn handen.

De in 2015 geopenbaarde opname was gemaakt door een journalist van het socialistische dagblad Het Volk. Decennialang had het kiekje onopgemerkt in het provinciaal archief in Leeuwarden gelegen. Op de foto is te zien was hoe burgers zich verzamelen rond een – niet zichtbare – spreker op het Amsterdamse Raamplein.

Het album met de Zaanse foto’s had jarenlang op de zolder gelegen van Gerard Wijdenes’ zusje Marion. ‘Toen ze bezig was met een grote schoonmaak wilde ze het album op de schroothoop gooien’, vertelt Gerard.’ “Doe maar niet”, zei ik. “Ik kijk wel of ik er een bestemming voor vind.” Die vond hij dus. In het najaar arriveerde opeens per post een doos met daarin het fotoalbum. Het bevatte beelden van de bombardementen in Rotterdam die tijdens de oorlog wijd werden verspreid, kiekjes van de koninklijke familie, vergeelde krantenknipsels en bonnenboekjes. Prachtig materiaal, maar niet uniek. Maar halverwege het boek wachtte me de grote verrassing.

Dirk Wijdenes en zijn vrouw Elisabeth woonden sinds oktober 1935 in hartje Zaandam, aan wat toen de Hoogendijk 10 was. Ze hadden uitzicht op het standbeeld van Czaar Peter. Nu is het een pleintje met veel horeca, destijds waren er een postkantoor, bioscoop, kleine middenstanders en een café gevestigd. Het woonhuis is nog steeds een opvallend pand, genaamd ‘Het Wapen van Friesland’. Tegenwoordig is ook hier horeca gevestigd, maar in die jaren zat er de firma Keg, een comestibleswinkel. Er werden koffie, thee, wijn, zeep en kaarsen verkocht. Dirk was er de bedrijfsleider en woonde dus in een groot appartement boven de zaak. Op een van foto’s in het album is hij te zien in een keurig pak mét plusfour, gepoetste schoenen en een strikje. Hij staat trots tussen zijn personeelsleden op de dag dat er Zweeds wittebrood wordt uitgedeeld. Blijkens het bijschrift is de foto genomen op 8 maart 1945.

Op dinsdag 25 februari 1941, ergens laat op de middag, pakte Dirk of Elisabeth een fototoestel en richtte de lens naar buiten. Rond het beeld van Czaar Peter was sprake een kleine volksoploop. Het waren stakers, die – gretig naar nieuws – richting het centrum waren getrokken. De onrust was overgeslagen uit Amsterdam. En om uit te leggen hoe dat zo kwam, moeten we een paar weken terug in de tijd.

Op zondag 9 februari viel de Weerafdeling van de NSB het Amsterdamse café en variététheater Alcazar binnen, omdat de eigenaars hadden geweigerd het bordje ‘Joden niet gewenst’ op te hangen. Later die dag vernielden door Duitsers gesteunde NSB’ers de ruiten van woningen die toebehoorden aan joden in de buurt van het Waterlooplein. De spanningen liepen op, en het kwam – niet voor de eerste keer – tot gevechten tussen joodse bewoners die hun eigendommen wilden verdedigen en NSB’ers die door de straten schuimden. Daarbij werd – het verhaal is bekend – de WA-man Hendrik Koot doodgeslagen. Het vormde de opmaat tot de eerste grote razzia in Amsterdam, waarbij 427 willekeurige joodse mannen van straat werden geplukt als represaille. De foto’s van de arrestanten op het Jonas Daniël Meijer plein zijn wereldberoemd geworden. Vrijwel alle gevangenen zouden worden vermoord in Mauthausen.

Rood bolwerk

Ook in de Zaanstreek was het onrustig in die dagen. Bij het partijkantoor van de NSB waren eerder al de ruiten ingegooid en ook bij NSB-gezinde families gingen er regelmatig keien door de voorruit. Zaandam en omgeving was van oudsher een rood bolwerk, en de contacten tussen de leden van de Communistische Partij in Amsterdam en Zaandam waren dan ook hecht. Men hield elkaar nauwkeurig op de hoogte. Toen de joodse arrestanten in een colonne van tien gesloten vrachtwagens vanuit Amsterdam naar een tijdelijk kamp in Schoorl werden vervoerd, passeerden ze via de Provincialeweg ook de Zaanstreek. Dat was niet onopgemerkt gebleven, verklaarden getuigen na de oorlog.

Op 21 februari verscheen in het Zaanse advertentieblad De 7000 het bericht dat alle inwoners van joodse afkomst zich – tegen betaling – moesten laten registreren. Dat vergrootte onder de Zaankanters de toch al aanwezige verontwaardiging over de handelswijze van de bezetter. Het kwam tot een eerste openlijke confrontatie toen de WA op een stampvolle zondagavond binnenviel bij het Koogse café De Waakzaamheid, waar bezoekers en masse op de dansvloer stonden. De boel werd kort en klein geslagen, aanwezigen mishandeld. De aanleiding is altijd onduidelijk gebleven: vonden de WA’ers dat de burgerij moest rouwen over de dood van hun kameraad Koot?

Op diezelfde zondag besloten kopstukken van de CPN in Amsterdam om daar een staking te organiseren uit protest tegen de razzia. ‘Protesteert tegen de afschuwelijke Jodenvervolgingen!!!!!’ was te lezen op een pamflet. De staking die begon op dinsdag 25 februari leidde er in Amsterdam toe dat tienduizenden het werk neerlegden en het openbaar vervoer stil kwam te liggen. De staking sloeg, aangewakkerd door de CPN, ook over naar omliggende gemeenten. In de Zaanstreek legden die eerste dag ruim drieduizend arbeiders het werk neer bij onder meer Duyvis, de Zaanlandsche Scheepsbouw Maatschappij en zetmeel- en voedingsmiddelenconcern Honig. Veel stakers trokken – zonder vlaggen of demonstratie, werkonderbrekingen waren streng verboden – naar het centrum van Zaandam, en dat is wat het echtpaar Wijdenes vanuit het raam op de eerste verdieping vastlegde. Dat ze foto’s maakten is op zich niet zo raar. In die eerste oorlogsjaren waren er nog volop fotorolletjes te koop en fotograferen was op dat moment nog niet verboden.


Op de foto die op de albumpagina rechtsboven is geplakt, is te zien hoe de bevolking zich verzamelde voor een winkelpui schuin tegenover Keg. ‘Opplakken van bepalingen. Werden door de mensen afgerukt’, luidt het bijschrift bij de foto. De ‘bepalingen’ waarop werd gedoeld, waren waarschijnlijk mededelingen van de Duitse autoriteiten waarin ze zich verantwoordden voor de razzia’s in Amsterdam, en waarin de joodse bevolking alle schuld in de schoenen werd geschoven. De foto’s moeten om een uur of vier in de middag zijn gemaakt, dat zie je aan de lange schaduwen op deze heldere winterdag. Het is een tijdstip waarop normaal de arbeiders in de fabrieken zouden zijn. De beelden komen overeen met politierapporten van die dag. Na een tip van een bezorgde burger waren agenten ter plaatse poolshoogte gaan nemen. Ze meldden dat ze enkele tientallen mensen aantroffen bij het honderd meter van Keg gelegen hotel-restaurant ‘Het Wapen van Zaandam’ (tegenwoordig is er een wokrestaurant gevestigd).

Die samenscholing bij Het Wapen van Zaandam is op de drie andere foto’s uit het album in de verte aan de rechterhand te zien. Nadere bestudering van de eerste van die foto’s wijst uit dat er aan het einde van de straat een open Duitse legertruck met achterin soldaten staat.


De drie foto’s zijn kort na elkaar genomen; klik, rolletje transporten, klik, transporteren, klik. Dat weten we omdat links op de stoep een Duitse soldaat is te zien die er op de tweede foto ook staat als de truck in de richting van de Dam rijdt en halverwege de straat is. En er is nog een aanwijzing dat er weinig tijd zat tussen de foto’s: op alle drie de beelden staat een man in een donkere korte winterjas en met een hoed op. Op de eerste hangt hij tegen een muur te roken, op de tweede staat hij daar nog steeds en op de derde foto steekt hij, sigaret in de hand, de straat over, als de vrachtauto is gepasseerd. Op het derde beeld, rijdt de truck onderlangs de winkel van Keg. De helmen van de soldaten zijn duidelijk te zien. Het bijschrijft luidt: ‘Mensen vluchten.’ Dat klopte, want de straat was inmiddels vrijwel leeg. De fotograaf deed een stap naar binnen toen de vrachtwagen naderde. Niet verwonderlijk, want fotograferen van militaire objecten was, hoewel op dat moment nog niet verboden, wel riskant.

Die 25ste februari bleek achteraf de aanloop naar de grote stakingsdag. Op woensdag de 26ste werd er gestaakt in Amsterdam, Utrecht, Hilversum, Weesp en andere omliggende plaatsen. Ook de hele Zaanstreek ging plat. NSB’ers werden belaagd. Eentje werd zelfs in de Vaart gegooid en mocht er pas weer uit nadat hij het Wilhelmus had gezongen. Stakers sloegen andere NSB’ers in elkaar, een huis werd leeggeroofd, andere bekogeld. Een NSB-bruidspaar dat toevallig die dag in het huwelijk trad, vlakbij de Dam in het toenmalige stadhuis, werd bekogeld met stenen. De Zaandamse politie moest er aan te pas komen om de menigte op afstand te houden. De Duitse autoriteiten kwamen later die dag echt in actie. Op de Dam werd met scherp geschoten, slagersknecht Jan Keijzer verloor hierbij na een gericht schot het leven.

Boete

Uiteindelijk, en dat is weinigen bekend, duurde de Februaristaking het langst in de Zaanstreek, langer dan in Amsterdam. De laatste werkweigeraars gingen pas op 1 maart weer aan de slag. De Duitse autoriteiten legden Zaandam een boete op van een half miljoen gulden. Die moest worden opgebracht door de rijkste inwoners. Burgemeester Joris In ’t Veld werd met pensioen gestuurd en vervangen door de fel-antisemitische Cornelis van Ravenswaay, die uiterst actief opereerde bij de jodenvervolging. Bioscopen gingen dicht, er kwam een strenger uitgaansverbod dan elders en veel stakers kregen een korting op hun salaris.

Dirk Wijdenes was volgens zijn zoon Gerard tijdens de oorlogsjaren die volgden actief in het verzet. Hij bewaarde wapens en had onderduikers op zolder. Niet lang na de bevrijding kreeg Dirk een hersenbloeding en raakte hij verlamd. Het gezin moest het huis boven de winkel verlaten. Dirk overleed in 1970, zijn vrouw Elisabeth in 2008.

Het fotoalbum lag daarna al die tijd in een doos op een zolder.

(Dit is een bewerking van een met Harm Ede Botje geschreven artikel dat in februari 2017 in Vrij Nederland stond.)

De dood van een slagersknecht

Het neerslaan van de Februaristaking kostte in de Zaanstreek één persoon het leven. Op 26 februari 1941 werd slagersknecht Jan Keijzer dodelijk getroffen door een Duitse kogel.

Jan Keijzer (Middelie, 26-7-1920) groeide op in zijn geboortedorp, maar ging kort voor de bezetting van Nederland in de leer bij de Zaandamse slager Jan Honingh. Die had zijn winkel en woning aan de Hoogendijk 50. Kort tevoren was een eerdere knecht vertrokken en Honingh kon wel een nieuwe hulp gebruiken. Keijzer nam zijn intrek bij het echtpaar Honingh en hun kinderen, vastbesloten om het slagersvak onder de knie te krijgen.


Hoogendijk 50 (het witte pand) na de oorlog

Op 26 februari 1941 was Jan niet aan het werk. Net als vrijwel alle andere Zaanse ondernemingen hield slagerij Honingh die woensdag de deuren gesloten. Een etmaal eerder had de tegen jodendeportaties en Duits machtsmisbruik gerichte Februaristaking de Zaanstreek bereikt. Waar op dinsdag de werkonderbreking nog beperkt bleef tot enkele duizenden arbeiders, leek het de 26ste wel alsof iedereen zich bij de revolte aansloot. Dicht opeengepakt liepen de mensen door de Westzijde en over de Dam. Sommigen vergeleken het tafereel later met de viering van Derde Pinksterdag, het jaarlijkse Zaanse feest dat herinnerde aan het verdrijven van de Spaanse bezetter, vier eeuwen eerder. Gezinnen wandelden ’s middags in hun zondagse kleding langs de gesloten etalages in het stadshart. De sfeer was vrolijk en strijdbaar, alsof de Duitse bezetting zijn laatste uren inging.

In de namiddag ging Jan Keijzer naar een collega-slagerij, die van Kluft. Het was slechts enkele tientallen meters lopen van Hoogendijk 50 naar de om de hoek gelegen Nicolaasstraat 7. Pieter Honingh: “M’n vader had nog tegen hem gezegd dat hij maar beter niet de straat op kon gaan, omdat het er zo’n rommeltje was. ‘Ga maar uitbenen’, had hij hem gezegd. Maar ja, Jan ging toch kijken. (…) Op een gegeven moment waarschuwde mijn moeder dat er koffie was, maar Jan kwam niet. Hij was zonder wat te zeggen toch de deur uitgegaan. (…) Hij kende de mensen van Kluft, dus daar ging hij heen.”

http://images.memorix.nl/zaa/thumb/250x250/b00e7fee-62be-420d-b4b0-2ebee3c825cb.jpg Slagerij Kluft na de oorlog

Te beleven viel er inderdaad genoeg. Vanuit slagerij Kluft had je een goed zicht op de Dam, het drukste stukje Zaandam. Er werd daar geestdriftig gepraat en gespeculeerd. Even verderop joegen mensen NSB’ers op. De angstige nationaalsocialisten zochten een veilig heenkomen. In het verlengde van de Nicolaasstraat sneuvelden ramen bij ‘deutschfreundlichen’. De Zaandamse politie deed weinig om de opwinding in goede banen te leiden. De meeste agenten konden zich wel vinden in de vrijheidsgedachten achter de staking. Het wachten was op ingrijpen door de Duitsers.

Ordnungspolizei

Vader en zoon Kluft en Jan Keijzer stonden samen met een andere slagersknecht, Jan Hein, voor de winkel vlakbij de hoek Nicolaasstraat/Hoogendijk. Cornelis Kluft sr. had uit voorzorg de luiken van de slagerij gesloten. Het was inmiddels even na vier uur ’s middags. “Plotseling zag ik vanaf de Hoogendijk (…) een groot aantal personen hard de Nicolaasstraat inlopen, waaruit ik begreep dat vanaf de Hoogendijk de mensen verjaagd werden”, vertelde Kluft later die dag. Het groepje deed uit voorzorg een paar stappen naar achteren, van de stoep naar de deuropening van de slagerij. Jan Hein: “Plotseling kwam vanaf de Hoogendijk een groot aantal mensen hard lopende langs ons heen, dat zich in alle richtingen verspreidde. Vermoedende dat er iets bijzonders ging gebeuren, ging ik met mijn patroon en Keijzer in de winkel staan.” Kluft sr.: “Nog maar juist binnen zijnde zag ik, terwijl de deur nog openstond, een auto van de Duitse Ordnungspolizei met grote snelheid op de Hoogendijk in de richting van de Damstraat rijden.”

Vanuit het winkelportiek konden ze de grijs geschilderde militaire vrachtwagen duidelijk zien. In de laadbak bevonden zich een stuk of twintig Duitse leden van de Ordepolitie. Kluft: “Vóór ik bedoelde auto zag, hoorde ik van dichtbij meerdere schoten lossen. (…) Degenen die zich het dichtst bij de cabine bevonden, stonden met het gelaat voorwaarts, terwijl de rest zich zittend of geknield met het gezicht in achterwaartse richting bevond. Allen hadden het geweer in aanslag. Toen deze wagen ongeveer ter hoogte reed van dr. Bax, Hoogendijk no. 16 alhier, zag ik dat een der daarop aanwezige militairen zijn geweer aan de schouder bracht, in onze richting aanlegde en een schot loste. Ik sprong onmiddellijk achter de stenen muur naast mijn winkelraam en mijn knecht en Keijzer sprongen achterwaarts in de winkel en vielen op de grond.”

Czaar Peter

Er werd zowel over de hoofden van demonstranten heen als gericht gevuurd. Na de oorlog vertelde een andere getuige: “Ik liep bij het Czaar Peter-standbeeld in Zaandam toen er een vrachtwagen met een ploeg moffen erop al schietend de Dam op kwam rijden. Ik hoor nog het geratel van de kogels op dat ijzeren bord boven de Hema. Als ik langs het standbeeld fiets, dan kijk ik altijd nog even naar de gerepareerde kogelinslagen.” De munitie sloeg gaten in gevels en belandde in woningen. Het bleef echter niet bij materiële schade.

Jan Hein: “Plotseling hoorde ik een schot, waarna ik mij achterover de winkel liet vallen. Ik hoorde iets langs mijn hoofd fluiten en meende, toen ik op de grond lag, dat ik gewond was. Het suisde steeds in mijn linkeroor. Keijzer, die links naast mij in de winkel had gestaan, viel gelijk met mij. Toen ik opstond, zag ik dat hij aan zijn kin bloedde. Van schrik heb ik mij hierover niet bekommerd, doch ik ben eerst in de woonkamer achter de winkel gegaan.”

Cornelis Kluft reageerde wel alert en verleende eerste hulp: “In verband met de hevigheid van de bloeding trachtte ik de wond dicht te drukken, waarna ik zag dat het bloed ook uit zijn mond kwam. Ik zei enige malen tegen hem dat hij dat bloed moest uitspuwen. Keijzer knikte slechts met zijn hoofd en heeft verder geen teken van leven meer gegeven.” De twintigjarige Jan stierf, liggend in een almaar groeiende bloedplas, binnen enkele minuten. Enkele door Jan Hein te hulp geroepen verpleegsters van het St. Janziekenhuis konden niets meer betekenen.

 Jan Keijzer rond 1940

De kogel had Keijzers gezicht geraakt en zijn lichaam aan de achterkant verlaten. In de woorden van de Zaandamse arts/lijkschouwer Willem Levend: “Er bestaat een inschotopening rechts aan de kin en een uitschotopening aan de rugzijde ter hoogte van de zesde halswervel. Dood ten gevolge van het bekomen letsel.”

Het fatale stukje metaal had ook de betimmering van een achterliggende koelkast doorboord, een gat geslagen in de betegeling aan de binnenkant van de koeling en een lat gespleten, om te eindigen in een stuk kalfsvlees. Jan Honingh peuterde de zwaar beschadigde geweerkogel nog dezelfde avond uit de kalfsbil en gaf het bewijsmateriaal mee aan een politieman. Later kreeg hij het door een agent achterovergedrukte voorwerp terug. Het zou nog 75 jaar door het gezin worden bewaard, om vervolgens te worden overhandigd aan een lid van de familie Keijzer.

De Zaandamse politie nam contact op met de burgemeester van Middelie, die op zijn beurt Keijzers’ ouders inlichtte. Om zeven uur ’s avonds identificeerden zijn haastig naar Zaandam gereisde moeder en een zwager het slachtoffer. Zijn lichaam mocht van Zaandam naar Middelie worden vervoerd en daar begraven, mits daar geen openlijk rouwbeklag aan werd gekoppeld. De Officier van Justitie gaf op 27 februari schriftelijk toestemming voor een begrafenis, waarna burgemeester Drost regelde dat Jan Keijzer naar zijn voormalige woonplaats werd vervoerd. Op 1 maart werd hij, gedragen door de buren en slechts begeleid door naaste familie, op de begraafplaats van Middelie ter aarde besteld. Andere aanwezigen waren niet welkom. Jan droeg het witte slagersjasje dat hij de dag van zijn dood ook aanhad.

In een Zaanse krant verschenen twee rouwadvertenties, van zowel ‘de Buren en de Zaandamsche Slagersvereeniging’ als van de familie Honingh. Opvallend is dat in beide berichten werd gesproken over ‘een noodlottig ongeval’, als betrof het een dodelijke aanrijding. Het omfloerste taalgebruik sloot aan bij hetgeen de familie in Middelie van overheidswege te horen kreeg.

Voor zijn moeder kwam de dood van Jan Keijzer zo hard aan dat ze in oktober 1941 zelf ook overleed, slechts 60 jaar oud. Haar echtgenoot, Jacob, stierf een jaar later vereenzaamd. Het was 25 december 1942, een dag voor de verjaardag van zijn zoon Dirk. Kerstmis zou in de familie Keijzer nooit meer een feestdag zijn.

(Met dank aan de heer D. Keijzer)

Op 25 februari 2017 verschijnt mijn boekje De Februaristaking in de Zaanstreek. Daarin is voor het eerst gedetailleerd beschreven hoe de Februaristaking in deze regio uitpakte. De publicatie bevat ook vier unieke, in 2016 gevonden stakingsfoto’s uit Zaandam. Tot dan toe waren er slechts twee, in Amsterdam gemaakte foto’s waarvan onomstotelijk vaststaat dat ze de Februaristaking weergeven.
De Februaristaking in de Zaanstreek (64 pagina’s, €12,50) is verkrijgbaar via elke boekhandel en bij Uitgeverij Noord-Holland.

 

Meer ‘Zaanse’ Stolpersteine dan gedacht

De Zaanstreek telt slechts twee Stolpersteine, messing gedenktekens waarop de tijdens de Tweede Wereldoorlog al dan niet omgekomen joden uit deze regio staan vermeld. Ze liggen in de stoep voor Westzijde 262, waar tot begin 1942 het echtpaar Marcus en Geertruida Polak woonde. Op 17 september van datzelfde jaar werden ze in Auschwitz vergast.

Deze twee struikelstenen zijn de enige Zaanse, een schamel aantal. In heel Europa heeft de Duitse kunstenaar Gunter Demnig, de bedenker van de Stolpersteine, inmiddels 57.000 van deze plaatjes (laten) neerleggen. Daarvan bevinden zich er minstens vierduizend in Nederland. Dat maakt het minieme aantal van één paar Zaanse plaatjes helemaal armoedig. Wat het nog pijnlijker maakt is dat op de steen voor oud-leraar Polak de sterfdatum verkeerd vermeld staat.

Het is niet zo dat er de afgelopen jaren niet is geprobeerd om meer Zaanse struikelstenen geplaatst te krijgen. Diverse particulieren -veelal familieleden van omgebrachte joden- waagden een poging, maar liepen vast op bureaucratische of andere hobbels. Een werkgroep (waarin ik ook zitting had) onderzocht in 2014/’15 uitvoerig of het mogelijk was alle vermoorde en tot zelfmoord gedreven Zaanse joden een Stolperstein te ‘geven’. Gunter Demnig kon echter niet garanderen dat het zou lukken om de ruim 170 benodigde stenen te produceren en te leveren. En de werkgroep wilde geen keuze maken wie er wel en wie niet zo’n monumentje zou worden toebedeeld.

Duitsland

In de Zaanstreek zijn dus slechts twee struikelstenen te vinden. Opvallend -en nauwelijks bekend- is echter dat buiten deze regio het drievoudige aan Stolpersteine bestaat met de namen van joden die hier woonden. Ze bevinden zich allemaal in Duitsland, het land dat ze veelal in de jaren dertig verlieten. Allen hoopten tevergeefs op een veilig onderkomen in de Zaanstreek.

Hieronder staan afbeeldingen van alle acht ‘Zaanse’ Stolpersteine. Tussen haakjes de plaats waar ze liggen en verder de namen van de slachtoffers en wat details over hun woonplaats. Wellicht dat er over een paar jaar vele foto’s aan toegevoegd kunnen worden. Gemaakt in het buitenland of toch ook -dat zou een prachtig eerbetoon zijn- in de Zaanstreek.

Marcus Marcus Marcus Polak 
Truus
(Zaandam)
Marcus (‘Max’) Louis Polak (Veendam, 16-7-1884/Auschwitz, 17-9-1942) en Geertruida (‘Truus’) Regina Polak-van Rhijn (Hoogeveen, 14-6-1897/Auschwitz, 17-9-1942) woonden sinds 1934 aan de Zaandamse Westzijde. Hij gaf tot aan zijn afgedwongen ontslag les op het Gemeentelijk (‘Zaanlands’) Lyceum. In mei 2009 plaatsten drie achternichten van Truus Polak samen met Gunter Demnig de beide struikelstenen voor het huis aan de Westzijde.

emma Emma Juchenheim. (Fotocollectie B. Zwart) Emma Juchenheim
(Vlotho)
De weduwe Emma Juchenheim-Steinberg (Vlotho an der Weser, 27-1-1855/Sobibor, 16-4-1943) vluchtte op 22 oktober 1935 uit haar Duitse geboorte- en woonplaats naar haar dochter en schoonzoon in Zaandam. Daar, bij Bernard en Selma Eisendrath, vond ze tot de dag dat de nazi’s Nederland binnenvielen een zekere mate van rust. Nog geen drie jaar later werd ze in Sobibor vergast.

Hans Hans Juchenheim Hans Juchenheim
(Vlotho)
Hans Juchenheim (Vlotho, 29-10-1928/Dachau, 2-6-1945) was een kleinzoon van Emma. Zijn ouders mochten Duitsland niet verlaten, Hans en zijn zus Lore in maart 1939 na veel soebatten wel. Via een omweg kreeg Hans onderdak bij zijn oom, tante en oma in de Botenmakersstraat 108. Toen hun ouders eind 1941 in het kader van de ‘werkverschaffing’ naar Polen gestuurd zouden worden, keerden Hans en Lore terug naar Duitsland. Hans maakte als enige van zijn familie de bevrijding mee, maar stierf als gevolg van vlektyfus op 2 juni 1945 alsnog in een nevenkamp van Dachau.

Albert Albert Levy (collectie Joods Monument) Albert Levy
(Langerwehe)
Albert Levy (Langerwehe, 5-11-1905/Dachau, 24-1-1945) woonde tot februari 1936 in Duitsland. Hij sloeg toen op de vlucht en belandde eind van dat jaar in Zaandam. Daar trad hij twee jaar later in het huwelijk met de eveneens joodse Jenny Weiss, eveneens een vluchtelinge. Jenny werd op 8 oktober 1944 vergast in Auschwitz, Albert stierf kort voor de bevrijding in Dachau.

Josef
(Langerwehe)
Josef Levy (Langerwehe, 14-12-1901 /Auschwitz, 30-9-1942) ontvluchtte net als zijn broer Albert Duitsland en kwam in 1937 naar Zaandam. De broers zetten op de Burcht een modezaak op en ze maakten damesceintuurs. Op 3 februari 1942 werd Josef als nummer 1 van een groep van 63 Zaandamse joden ingeschreven in Westerbork. Ruim zeven maanden later stierf hij in Auschwitz.

edith Edith Seligmann-Silberbach-Oostzaan Edith Seligmann
(Bad Salzuflen)
Edith Seligmann-Silberbach  (Schatmar, 21-3-1906/Auschwitz, 30-9-1942) kwam weliswaar in Duitsland ter wereld, maar werd al begin 1928 -dus ruim voor Hitlers machtsovername) ingeschreven in Nederland. Op 13 februari 1939 trouwde ze in haar nieuwe woonplaats Oostzaan met Heinz Seligmann. Drieënhalf jaar later vonden ze samen de dood in Auschwitz.

Hertha Hertha2 Hertha Speier, ongeveer 1920
(Fritzlar)
Hertha Poppert-Speier (Fritzlar, 11-11-1913/Frankrijk, 16-12-1991) is in dit rijtje de enige die de Shoa zou overleven. Ze was met haar man Erich Karl in 1932 uit Duitsland geëmigreerd en bouwde samen met hem in de Zaandamse Botenmakersstraat een goed lopende dameshoedenfabriek op. Erich stierf op 14 mei 1943 in de gaskamer van Sobibor, Hertha overleefde meerdere kampen.

 

Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek

De synagoge veranderde in een paardenstal. Op de Westzijde bewogen verzetsstrijders en nazi’s zich behoedzaam langs elkaar. De Krommenieërweg herbergde verrassend veel collaborateurs. In Oostzaan bloeide de zwarte slacht. Rond de Zaanbrug liquideerde de illegaliteit steeds meer vijanden naarmate de bevrijding dichterbij kwam. En zelfs toen de oorlog al vele maanden voorbij was, ging papierfabriek De Eendracht in Wormer gewoon door met het vernietigen van joods roofgoed.

Het is een bijna willekeurige greep uit de talloze Zaanse gebeurtenissen gedurende de bezettingstijd. Aan de hand van ruim 250 adressen toont Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek wat de jaren 1940-1945 betekenden voor de Zaanse inwoners. Het geeft een indringend en soms onthullend beeld van de uitersten waarmee ze vijf jaar lang te maken kregen. Deze door Erik Schaap gemaakte plattegrond van het ‘schuldig landschap’ in oorlogstijd is aangevuld met een uitgebreide inleiding en tientallen veelal nooit eerder gepubliceerde foto’s van bezetting en verzet, vervolging en bevrijding. De publicatie is vanaf heden verkrijgbaar in elke Nederlandse boekhandel en via onder meer Bol.com.

Uitgever: Brave New Books
Jaar van uitgave: 2016
Auteur: Erik Schaap
Aantal pagina’s: 174
Prijs: €17,95
ISBN: 9789402147292

Omslag 'Oorlogspad'