Berichten

Gé Franken, de vergeten burgemeester

Tussen het einde van de Duitse bezetting en 1974, het geboortejaar van Zaanstad, had de gemeente Zaandam vijf burgemeesters. Hun namen zijn nog altijd zichtbaar in de openbare ruimte. Op één na. Van Gé Franken – die toch ruim zeven jaar eerste burger was en ook nog eens kon bogen op een imposant oorlogsverleden – is merkwaardig genoeg geen spoor terug te vinden.

In september 1994 overleed Gerrit Johan Daniel Franken op 74-jarige leeftijd. Hij was na Wim Thomassen de langstzittende naoorlogse burgemeester van Zaandam, van 1958 tot 1966. Thomassen kreeg een haven naar zich vernoemd. Diens voorganger Joris in ’t Veld een park. Een brug en een literair fonds herinneren aan Reint Laan. Zelfs Isaac Baart, slechts anderhalf jaar burgemeester van Zaandam, werd vernoemd. Hij kreeg een zijtak van het Noordzeekanaal op zijn naam.

Franken leidde het college van B&W in een periode waarin de stad een stevige groeispurt doormaakte. Tijdens zijn bestuursperiode ontstonden de bouwplannen voor het Hoornse- en Peldersveld. Het Julianaziekenhuis ging open en het Zaanlands Lyceum kreeg een nieuw gebouw. Franken speelde verder een belangrijke rol bij de totstandkoming van de Coentunnel, die in het jaar van zijn afscheid als burgemeester gereedkwam. Tot een publiek eerbetoon leidde zijn dadendrang echter niet.

Tweede Wereldoorlog

Dat de toen nog maar 38-jarige Franken in 1958 burgemeester kon worden mag overigens een klein wonder heten. Alertheid en geluk maakten dat hij heelhuids door de Tweede Wereldoorlog kwam. Hij keerde zich al in 1940 tegen de Duitsers. Op 31 augustus was de enkele maanden eerder naar Engeland gevluchte koningin Wilhelmina jarig. Zijn latere echtgenote, Mieke Preusterink, herinnert zich 79 jaar later nog Frankens eerste, voor een breed publiek zichtbare, ‘verzetje’: ‘Toen stond er een grote foto in de krant van een klein zeilbootje met een enorme rood-wit-blauwe vlag erop. Dat was Gé, op de IJssel. Die dacht, ik ga even laten zien hoe ik er over denk.’

Franken woonde in Deventer, de stad waar hij was geboren en getogen. Hij was kort voor de oorlog als volontair begonnen in het gemeentehuis van het enkele kilometers verderop gelegen dorp Gorssel. De bezetting stuitte hem tegen de borst. Maar net als zijn collega’s overzag hij aanvankelijk niet waartoe de sluipenderwijs ingevoerde Duitse maatregelen leidden. ‘Op de secretarie was bijvoorbeeld een juffrouw die fanatiek uitzocht wie Joden waren en wie niet. Dit wekte wel wrevel op bij de ambtenaren, maar je deed er niets aan.’ Franken plaatste net als vrijwel alle ambtenaren in het eerste oorlogsjaar zijn handtekening onder een verklaring waarin de bezetter loyaliteit eiste. ‘Weer zo’n vodje van de Duitsers, was de redenering… Maar toch, het geweten ging spreken. Ook mij zat het niet lekker en ik heb het getekende papiertje ’s avonds maar uit de post gevist. De bijbehorende verklaring van het gemeentebestuur, dat allen hadden getekend, ging wel de deur uit. Een weinig principieel geknoei in de marge mijnerzijds, maar ik vond het toentertijd al heel wat!’

Zijn houding veranderde drastisch in maart 1942, toen de nieuwe autoriteiten de gemeenten verplichtten om de persoonsbewijzen van Joodse inwoners aan te passen. Franken: ‘Toen de “J” van Jood gestempeld moest worden, was het over met de lacherij. Dit was een vijandige daad. Daarvoor lachten we erom, die stomme dingen: radio’s inleveren, koper. Je kon leuk saboteren, bijvoorbeeld het ruitertje “jood” van persoonskaarten aftrekken. Nu ontstond er een splitsing tussen wie iets wilde ondernemen en degenen, die nog aan hun ambtelijke inborst vasthielden. De sfeer op de secretarie werd slecht.’

Levende doden

Gaandeweg begon Gé Franken steeds meer te rommelen in de bevolkingsadministratie en te zoeken naar mensen die hem konden helpen bij het vervalsen van documenten. Bewust ‘verloren’ persoonsbewijzen kregen, na wat aanpassingen, nieuwe eigenaars. ‘En in de administratie werden doden op papier weer tot leven gewekt. Pasgeboren kinderen die na een paar dagen, zo’n 20 of 30 jaar terug, waren overleden, werden opnieuw in de bevolkingsregisters opgenomen en een legaal blanco persoonsbewijs was de oogst.’

Franken beperkte zijn ondermijnende activiteiten niet tot Gorssel, maar instrueerde ook collega’s in omliggende gemeenten hoe ze ambtelijk konden ‘knoeien’ met identiteits- en distributiepapieren. Hij kreeg het er zo druk mee dat hij in april 1943 besloot om fulltime verzetsman te worden. Twee maanden later legde hij contact met een netwerk dat de geschiedenis zou ingaan als de TD-groep. Die letters stonden voor Tweede Distributiestamkaart, een document dat nodig was om aan bonnen te komen voor onder meer voedsel en textiel. Om zo’n stamkaart te bemachtigen moest men zich persoonlijk met een identiteitsbewijs op het gemeentehuis melden. Voor onderduikers was dat natuurlijk onmogelijk. Het geweld- en geruisloze verzet van de TD-groep, die tienduizenden vervalste documenten in omloop bracht, doorkruiste de nationaalsocialistische tactiek. De Duitsers hadden er dan ook veel voor over om ‘terroristen’ als Gé Franken – hij zat al snel in de landelijke TD-leiding – uit te schakelen. Op 17 juni 1944 lukte dat bijna.

Arrestaties

Als resultaat van een eerdere arrestatie kon de Sicherheitsdienst die dag de vrijwel voltallige Twentse leiding van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) oprollen. Johnny de Droog, een verrader in Duitse dienst, wist in Almelo een vergadering van deze illegale groep te infiltreren en te laten oppakken. Tijdens die bijeenkomst had LO-medewerker Jan Buiter de naam Korenaar genoemd. Dat was een pseudoniem van Jan Kalff, de naar Gelderland uitgeweken LO-rayonleider en voormalige burgemeester van Krommenie. Kalff was in 1941 zijn baan en – tijdelijk – zijn vrijheid kwijtgeraakt, omdat de Duitsers hem verdachten van verzetsactiviteiten. Na uit de gevangenis te zijn ontslagen had de uit Krommenie verbannen oud-burgemeester zijn ondergrondse werk voortgezet in de Achterhoek en omgeving.


Gé Franken, waarschijnlijk kort na de oorlog. 

Jan Buiter werd in de gevangenis mishandeld. Om de kwellingen te stoppen maakte hij zijn ondervragers wijs die avond een afspraak met Korenaar te hebben. Daarop werd hij naar het treinstation van Deventer gebracht, de zogenaamde ontmoetingsplaats. Met De Droog aan zijn zijde en enkele toezichthouders in burgeroutfit op bescheiden afstand moest Buiter over het perron heen en weer lopen. Kalff alias Korenaar verscheen uiteraard niet. Maar tot Buiters schrik doemde onverwacht wel een andere bekende uit de illegale wereld op. Argeloos etaleerde die zijn blijdschap over deze toevalstreffer. Hij zei dat er onrust leefde, omdat Buiter een afspraak in Almelo niet was nagekomen. Wim Carmiggelt – eveneens verzetsstrijder – en Gé Franken waren al gebeld met de vraag of er iets aan de hand was, vervolgde de onwetende. Hoe meer Buiter acteerde dat hij geen Gé of Wim kende, hoe begeriger De Droog werd. Waar was Carmiggelt nu eigenlijk, vroeg hij op zijn onschuldigst aan de zegsman. Nog altijd nietsvermoedend antwoordde die dat deze Twentse voorman van het studentenverzet een optreden bijwoonde in de Deventer schouwburg.

De Droog haastte zich daarop met zijn handlangers naar het stadscentrum. Terwijl hij met zijn gevangene in een auto de wacht hield voor de schouwburgingang liepen de anderen naar binnen. Tijdens de concertpauze konden ze hun slag slaan. Carmiggelt, die met zijn vrienden Gé Franken en Mieke Preusterink in de foyer stond, hoorde opeens zijn naam roepen. Hij draaide zich om en werd door enkele mannen in leren jassen beetgepakt. Franken en Preusterink schatten het onheil op de juiste waarde. Ze trokken zich zo onopvallend mogelijk terug, slalomden langs de andere bezoekers en ontsnapten via het toneel en een achteruitgang aan de belagers.

Wim Carmiggelt werd bij Buiter in de auto geduwd. ‘Die ken je zeker niet, hè’, vroeg De Droog sarcastisch. Buiter: ‘Ik antwoordde dat ik hem inderdaad nog nooit had gezien, waardoor Wim wist hoe de zaken er voorstonden.’ Aanvankelijk kon zijn ondervrager niet zoveel aanvangen met de economiestudent. Er lag nauwelijks bewijslast en het object van zijn belangstelling zweeg vooral. De situatie veranderde toen een ‘gedraaide’ verzetsstrijder bij de Sicherheitsdienst verslag deed van een geheime bijeenkomst. ‘Indien men zou weten wat Wim allemaal met Gé had gedaan als illegaal werker zou er wat voor hem opzitten’, had hij daar gehoord. Daarmee was Carmiggelts lot bezegeld. Hij stierf op 4 januari 1945 in een Duits kamp.

Wapendroppings

Gé Franken ontsnapte in het laatste oorlogsjaar nog twee keer aan arrestatie. Na de afkondiging van de spoorwegstaking, in september 1944, werd hij verbindingsofficier van het gewest Overijssel voor de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij nam deel aan sabotageacties en coördineerde droppings van wapens en persoonsbewijzen. Dat ging één keer bijna mis, toen de Duitsers op de hoogte bleken van zo’n dropping. Ze pakten enkele verzetsstrijders op en speurden naar meer. Preusterink: ‘Gé zat onder de bosjes in een sloot, met nog iemand. Twee dagen lang, tot er een boer langskwam. Die ging staan plassen en zei: “Psst. Kom er maar uit.” Hij had een boerenkar met stro. “Ga maar onder het stro liggen, dan breng ik je weg.”‘ Franken wist ongezien langs zijn jagers te komen.

De oorlog noopte tot waakzaamheid. Toen Mieke en Gé een studentenfeestje bezochten, roken ze onraad, zonder dat verder te kunnen beredeneren. Ze vertrokken voortijdig en fietsten naar hun onderduikadres. Nog diezelfde avond was er een inval. Daarbij werden diverse studenten opgepakt.

Ook Mieke hield zich bezig met ondergronds werk. ‘Het begon er mee dat ik illegale bladen rondbracht. Ik geloof dat Gé zei – die ik kende van de zeilerij –: “Goh, wij zoeken iemand die Het Parool rond wil brengen”, of zo. Zo ben ik begonnen.’ Later kwamen daar onder meer bonkaarten en andere documenten bij. Als koerierster fietste ze vele honderden kilometers om verboden goederen weg te brengen. Dat liep bijna fataal af, toen de Sicherheitsdienst haar op 7 december 1944 opwachtte op het onderduikadres van een even eerder gearresteerde verzetsman, bij wie ze eten en documenten zou bezorgen. Gé Franken: ‘Zij dankt haar leven aan de tassen die de TD-groep speciaal voor de koeriersters had laten maken. Het waren tassen met nagenoeg onzichtbare vakken. In de SD-gevangenis, waar ze zes weken zat opgesloten, is ze verschillende keren verhoord zonder dat het de SD iets opleverde. Toen ze haar uiteindelijk vrijlieten, kreeg ze haar tas terug. De levensmiddelen waren eruit, maar de papieren zaten nog in het geheime vak.’

Louter ijdelheid

Jan Kalff keerde na de bevrijding terug naar Krommenie en werd weer burgemeester. Gé Franken volgde hem dertien jaar later naar de regio en werd burgemeester in Zaandam. In de tussentijd had hij onder meer gewerkt voor de staf van prins Bernhard, in Den Haag geopereerd als hulpverleningscommandant op het ministerie van Binnenlandse Zaken en het bureau Bescherming Bevolking geleid. Over zijn verleden als verzetsman liet hij al die jaren weinig los, indachtig de belofte die de TD-groepsleden elkaar hadden gedaan om geen bekendheid aan hun werk te geven. Ze hadden gedaan wat ze meenden te moeten doen, er over napraten was onnodig en louter ijdelheid.

Wellicht is door die terughoudendheid Gé Franken een beetje vergeten als burgemeester. In de woorden van zijn echtgenote: ‘Hij was iemand die altijd graag de mensen om hem heen, zoals de wethouders, voorop stelde en de eer gunde. Hij was daar zelf nooit op uit. Hij wilde ook nooit op foto’s.’ Wat misschien ook een rol speelde is dat hij in 1966 de politieke arena verruilde voor het bedrijfsleven, een stap die niet iedereen in de rode Zaanstreek kon waarderen. Het gevolg is wel dat alle naoorlogse burgemeesters van Zaandam werden vernoemd via een park, haven of brug. Met uitzondering van Gé Franken. In 2020 is het een eeuw geleden dat hij werd geboren. Dat biedt een mooie gelegenheid om hem alsnog te eren. Zowel voor zijn burgemeesterschap als vanwege zijn uitzonderlijke verzetsdaden.


Mieke en Gé Franken, kort na de bevrijding.

De naargeestige kampherinneringen van Gerrit Bakker

Bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bevindt zich een oorlogsverhaal van Zaandammer Gerardus (‘Gerrit’) Bakker. Deze communistische verzetsman werd op 23 november 1943 (hij noemt zelf abusievelijk een andere datum) als gevolg van verraad door de Sicherheitspolizei in de Albert Hahnstraat van zijn bed gelicht. Na te zijn veroordeeld is deze timmerman afgevoerd naar Duitsland. Daar zat hij onder steeds gruwelijker omstandigheden vast tot de bevrijding. Decennialang zweeg hij over zijn ervaringen, tot hij in 1978 een artikel las van de joodse kampoverlevende Gerhard Durlacher. Bakkers uitvoerige verhaal is hieronder integraal te lezen.

Gerrit Bakker (met bloemen) in Zaandam na zijn terugkeer uit het kamp.

De heer G. L. Durlacher, socioloog, heeft als Joods jongetje Auschwitz overleefd. In de Volkskrant van vrijdag 22 mei 1978 dringt hij erop aan, dat ieder nazislachtoffer zijn verhaal moet vertellen, voor het te laat is. Het betoog van Durlacher is heel redelijk, maar de bescherming die in de naoorlogse periode werd opgebouwd wordt zeer ongaarne prijs gegeven. Wat mijzelf betreft, bestond die bescherming uit het vermijden van gesprekken over het onderwerp, alsmede lectuur. Het is de heer Durlacher gelukt mij aan het denken te zetten en de tegenzin te overwinnen. De doorslag gaf het artikel in de Volkskrant d.d. 30-12-1987, over Duitse jongeren die het stilzwijgen willen verbreken. Die moeten goed gedocumenteerd zijn, want vele ouders behoren alsnog ter verantwoording geroepen te worden.

Mijn naam is Gerardus Bakker, geboren 14 mei 1918. Arrestatie op 21 september 1943, drie maanden Weteringschans (donkere cel), na verhoren door naar concentratiekamp Amersfoort. Vanaf januari verbleef ik in dit kamp en op 10 oktober ging ik op transport, op weg naar Duitsland. De directe aanleiding tot het ontruimen van het kamp Amersfoort was de slag om Arnhem, een dramatische gebeurtenis, die leidde tot diepe teleurstelling en wanhoop. De luchtlandingsoperatie, die de slag om Arnhem inleidde, was in Amersfoort goed waarneembaar. Van de gevangenen werd de grootste terughoudendheid gevergd in een situatie, die noopte tot dansen en zingen, kortom tot opperste vreugde. De bekende kampbeul Kotälla liep rond met een getrokken revolver en brulde: “Wir sind nicht zum Ende.” Er was echter geen gevangene te vinden die niet van een spoedige bevrijding overtuigd was. De mislukking van deze veldslag kwam hard aan en was voor verreweg de meesten van ons fataal.

Het transport van Amersfoort naar Neuengamme duurde drie dagen. Een zeer lange trein vervoerde Puttenaren, Jodenhelpers en politieke gevangenen. En zo kwamen wij in een andere wereld terecht: concentratiekamp Neuengamme. Zeer slecht voedsel: twee stinkende veenpiepers, ’s morgens bloesemthee en afgeschraapte boterhammen, ’s avonds een boterham en soms een stukje worst, dat ons prompt werd afgestolen. Ter toelichting: in ieder concentratiekamp was de leiding opgebouwd uit politieke gevangenen of uit boeven en misdadigers. Wij hadden al gauw achterhaald dat de leiding in dit kamp was samengesteld uit misdadigers, zodat er geen mogelijkheid bestond om invloed uit te oefenen op de dagelijkse gang van zaken. Het geheim van de boterhammen die van margarine waren ontdaan, was spoedig achterhaald. Daar zat de dief in een afgeschoten deel van de barak de boterhammen af te schrapen en weer op elkaar te drukken. Verder lag er een grote vetbol, getuigenis van diefstal van het leven. Toen wij dit schandaal ontdekten, werd er waarschuwend naar ons gekeken; zij wisten dat het doen van aangifte zelfmoord betekende. Het verblijf in Neuengamme zou ongeveer zes weken moeten duren. In die periode moesten wij ons beschikbaar houden voor het verrichten van arbeid.

Intussen moesten de gevangenen, waarvoor geen werk voorhanden was, zich ‘zu fünfen’ opstellen voor de barak. Hoewel verkleumd tot op de botten en dodelijk vermoeid, was er geen sprake van dat afgeweken mocht worden van de appelstand, die dan ook regelmatig werd gecontroleerd. Voor de barak was een galg opgesteld. Deze had vier zitplaatsen en regelmatig wisselden wij, met de aangename verplichting te waarschuwen als er een S.S.- treiteraar in aantocht was. Het appelvoorschrift werd door ons overtreden door te trappelen en elkaar te bekloppen. Deze overtreding werd als een noodzaak gevoeld, onverschillig welke nationaliteit; we stonden te sidderen in de Hamburgse mist. Voor Hollanders had dit klimaat nog enige bekendheid, maar een stelletje Russen probeerde ons duidelijk te maken dat in hun woonomgeving -in de buurt van Stalingrad- het bij twintig graden vorst een prettig klimaat was in vergelijking met de kille mistnevel waarin wij vertoefden.

Voetlappen

Na een drietal weken werden ons lapjes overhandigd: een stuk linnen met het kampnummer, een zwarte lap met het woord ‘Torsperre’ en een rode driehoek. Onder leiding van een ‘Vorarbeiter’ begaf ik mij naar de Bekleidungskammer met de volgende instructie: als ik eerder klaar was moest ik wachten tot de voorman terug is. Mijn bezoek aan de Bekleidungskammer betekende een van de weinige prettige herinneringen. Een waardige oude heer, Duitser, stond mij te woord. Hij vertelde dat hij al tien jaar als gevangene in Neuengamme had doorgebracht en dat weinigen van de eerste lichting nog in leven waren. Hij adviseerde mij het lapje ‘Torsperre’ niet te laten bevestigen en dat gold ook voor de rode driehoek. Slechts het kampnummer moest worden opgenaaid. Ter verklaring werd gezegd; er is geen boekhouding en dus geen controle op de naleving van het aanbrengen van deze ‘versierselen’. Ik kreeg voorts de kostbare tip: doe de rommel die je draagt bij de voddenhopen en zoek een stel warme kleding. Dit lukte; ik vond een gewatteerd jack, dito broek en zelfs een paar behoorlijke sokken. “Leg die sokken maar weer terug en zoek een paar hele voetlappen bij elkaar.” Hij maakte mij duidelijk dat een gevangene werd geacht voetlappen te dragen en dat iedere afwijking van deze regel tot grote moeilijkheden zou kunnen leiden. Dankbaar gestemd nam ik afscheid van deze chef kleding.

Toen de kledingproblemen waren opgelost, moesten wij ons melden voor de laatste handeling, die ons geschikt maakte om buiten de poort te werken. Het ging om de verstrekking van schoeisel. Dat zou over enkele dagen gebeuren; intussen namen wij de vrijheid om wat in het kamp rond te neuzen. Een dergelijke verkenningstocht bracht ons in aanraking met de bekende vooroorlogse parlementariër Louis de Visser, die ons direct aanklampte. Hij hoorde ons Nederlands praten en zei, kennelijk verheugd: “Hollanders?” Hij onderscheidde zich van zijn omgeving door zijn correcte kleding, zijn ‘heerachtig’ voorkomen. Er ontstond een levendig gesprek, dat aanvankelijk bestond uit gretige vragen over de militaire toestand en de uithongering van Holland, waarvan hij gehoord had. Nadat hij bijgepraat was, gaf de Visser een uiteenzetting van de zwakten, waardoor het Nazi-rijk spoedig ten onder zou gaan. Hij besloot zijn uiteenzetting met verschillende waarschuwingen. De eerste was: je niet laten opnemen in de ziekenbarak (medische experimenten). De tweede: zorg ervoor geen aandacht te trekken, bedenk wel dat het overleven nog een flinke inspanning vergt. Wij gingen met een prettig gevoel naar het laatste appel en dachten nog aan ons gesprek met Louis Visser.

Kipkarren

De volgende dag werden wij uitgekozen voor het verrichten van arbeid binnen het kamp, maar buiten de barakken. Ter verklaring: ‘wij’ betrof een vijftal lotgenoten, die uit vriendschap besloten zoveel mogelijk bij elkaar te blijven, ook als er werk verricht moest worden. In dit geval ging het om vier personen die, twee aan twee, aangewezen werden voor het duwen van kipkarren. Een gemakkelijke taak die achteraf, zoals bleek, niet zonder gevaar was. Wij maakten gebruik van het glooiende terrein door op de kipkarren te springen. De ijzeren randen van deze afschuwelijk roestige ijzeren bakken boden hiertoe een goede mogelijkheid. Een onnozel voorval, maar diep in het geheugen gegrift: opgeschrikt door een dierlijk gebrul keken wij in de richting vanwaar het geluid kwam en daar zagen wij in de wachttoren een paars aanlopende dansende man, de rechterhand tot vuist gebald en in de linkerhand een geweer. Wij waren wat lacherig door het gesprek dat wij de vorige dag met Louis de Visser hadden gevoerd en beseften pas later dat het meerijden met de kipkar als ongepast en onbehoorlijk werd gezien. Wij herstelden de orde en liepen met een sukkeldrafje achter de karren aan. Het gescheld hoorden wij nog lange tijd en we waren blij toen we uit het gezicht verdwenen waren. Achteraf geloof ik dat wij de mof diep gegriefd hadden door te lachen, terwijl zij al moordend het kamp tot een oord van verschrikking hadden gemaakt (gebrek aan eerbied voor het beulswerk).

De volgende dag was het zondag. Deze dag hadden wij met enige verwachting tegemoet gezien. Hetzelfde regiem echter: om vijf uur buiten de barak en toen het lichter werd kregen wij de opdracht om de galg op de binnenplaats op te stellen. En daar kwamen de eerste tekenen dat het een bijzondere dag was. Het kamporkest kwam aanmarcheren en speelde de deun ‘Alter Kameraden’. Dit werd tot in het oneindige herhaald met als pauzes de executies van drie terdoodveroordeelden. De gevangenen werden verplicht om zo dicht mogelijk bij het schavot te gaan staan; om dit te bereiken liepen SS’ers rond met knuppels in de aanslag.

Vrijwel iedere nacht werd de nachtrust door luchtalarm onderbroken. De opdracht was om binnen drie minuten de slaapbarak te verlaten en je naar de schuilkelder in het hoofdgebouw te begeven. Om de SS-knuppelaars te ontwijken, werd de uiterste snelheid betracht, maar tot voldoening van de knuppelaars waren er altijd minder snelle gevangenen, die de slagen moesten incasseren. Een extra moeilijkheid om aan de SS-norm te voldoen was de overbezetting van de slaapplaatsen; twee houten bedden naast elkaar. Om het tekort aan slaapplaatsen op te heffen moesten drie gevangenen het met twee ledikanten (66 cm.) doen. Dat betekende dat het hoofd van de middelste slaper tussen de voeten van de buitensten lag, terwijl de twee buitenste slapers de voeten van de middelste tussen zich moesten dulden. Deze regeling leidde tot veel ongenoegen, maar gelukkig was er ook veel hulpvaardigheid en werd het probleem ‘slapen’ opgelost door een strikte wisseling van plaats. Voor een randslaper was het heel moeilijk om voldoende rust te putten uit de steeds onderbroken slaap.

Dralle-fabriek

In de vierde week van ons verblijf in Neuengamme werd een belangrijke verandering doorgevoerd. Wij werden tewerkgesteld in Hamburg en moesten ’s morgens om vijf uur aantreden. Er werden groepen van honderd geformeerd, die in marstempo naar het station werden gebracht. Wij moesten wachten op de snelle trein, die spoedig werd voorgereden. Er was voldoening over het feit dat wij in een personentrein werden vervoerd en niet, zoals gewoonlijk, in een goederenwagon. De nog heersende duisternis had echter verborgen gehouden dat de trein die ons moest vervoeren glasloze compartimenten had. Dit hinderlijke gemis werd een kwelling toen de trein op snelheid kwam. Als vanzelfsprekend doken wij op de vloer en formeerden wij een trosachtig geheel om de aanslag op onze lichaamswarmte het hoofd te bieden. In Hamburg aangekomen, werden wij verdeeld in groepen van tien of twintig gevangenen. Ik kwam in de laadbak van een auto terecht en had zodoende uitzicht op de verwoestende uitwerking van de bombardementen. Aan weerszijden van de straten bergen puin en spookachtige restanten van schoorstenen. De werkzaamheden bestonden uit het reinigen van een olietank en deze werden met een blikje uitgevoerd, uiterst primitief. Dagelijks werden wij zo aan het werk gezet aan steeds verschillende werkobjecten, waaronder de spoorbaan opvullen met kiezel, het ruimen van fabriekshallen, enzovoorts.

Globaal gezien betekende deze taakvervulling een verbetering voor ons. Wij waren niet meer vrij voor de scheldende voormannen en zelfs kregen wij een enkele keer wat soep aangereikt. Maar het hoogtepunt was een fantastische gebeurtenis, waarvan nu het verslag: het werkobject was de Dralle-fabriek. Wij werden opgewacht door een zelfbewuste heer, die de begeleider van ons tiental gedecideerd wegstuurde. Toen dit gebeurd was, drukte de heer Dralle ons de hand. Na deze wat ceremoniële ontvangst – handdruk, vragen naar de woonplaats en vaderland – werden wij met een meedogende blik bezien. Kortom, een menselijke benadering en een die onze gedachten liet gaan in de richting van, zo dachten wij, ‘misschien wordt er iets gedaan aan de knagende honger’, onze vaste metgezel. En daar kwam het verpakte aanbod gebruik te maken van de tussen de glasscherven verspreide conserven: “Deze vloer moet glansschoon en als jullie tijdens deze werkzaamheden iets eetbaars tegenkomen, dan mag dat genuttigd worden.”

Al gauw bleek dat er een grotere hoeveelheid voedsel verspreid lag dan ooit door ons zou kunnen worden geconsumeerd. Onze gastheer pinkte meermalen een traan weg en knikte vriendelijk en verzekerde ons dat wij de volgende dag mochten terugkomen. Daar kwam natuurlijk niets van, maar als ik in gedachten dit beeld terugroep, word ik nog steeds getroffen door het feit dat er een vriendelijk, beschaafd mens was in het land van barbaren, die het ‘niet wisten’ en zich beriepen op angst en gevaar en uit lafhartigheid ons van enige hulpverlening onthielden. De voormannen, die aansprakelijk waren voor een terugtocht zonder verliezen, stikten haast van jalouzie toen zij van ons Luilekkerland hoorden. Ondanks ons zoenoffer, door aanbieding van enige blikjes, bleven zij kwaad en ik denk dat wij de volgende dag de nadelige gevolgen van hun ontstemming aan de weet kwamen.

Himmelfahrt-commando

Wij werden namelijk ingedeeld bij het zogenaamde ‘Himmelfahrt-commando’. De werkzaamheden bestonden uit het kruien van zand. Dit werd op dekschuiten geladen en moest over een smalle ‘straal’ naar de kant gereden worden, de linkerkant van de Elbe. Vooral voor personen die zich nooit met het voortbewegen van een kruiwagen hadden bemoeid, was de kans op overleving gering, in aanmerking genomen dat op slachtoffers die met een kruiwagen omkiepten niet werd gelet. Toen alles in orde was gebracht en het transport kon beginnen, werd onze aandacht getrokken door een grauwe nevel, die steeds dichterbij kwam. En daar werd het brommen van bommenwerpers gehoord. Rondom ons vielen scherven van het afweergeschut. Wij werden in de duikers en rioolbuizen gedirigeerd en wachtten met spanning op de steeds naderende vliegtuigen. Die spanning week pas toen een bommenwerper zich vrij maakte en zichtbaar zijn bommenlast ging strooien. Om de tweehonderd meter werd een bom afgeworpen. Daar werd het sleepbootje geraakt en toen berekende mijn vriend Schultz, voormalig piloot, dat de volgende bom op de duiker zou vallen … Fout gerekend: honderd meter verder!

Wij zagen toen pas dat wij een gunstige dekking hadden gekregen door het feit dat de duiker op een zandberg was geplaatst. Toen wij de schade konden overzien, werd vastgesteld dat wij, precies tussen twee kraters in, opgelucht adem konden halen. Het sleepbootje had een voltreffer gekregen en de dekschuiten waren tot zinken gebracht, hetgeen voor die dag het einde van de werkzaamheden betekende. Van tien uur ’s morgens tot vier uur in de middag was de stad Hamburg in een grauwnevel gehuld. De normale terugweg naar het kamp was afgesneden, het spoorwegstation was buiten gebruik als gevolg van een voltreffer. Zo werden wij naar de ingang van een schuilkelder geleid, maar moesten vertrekken omdat een aantal hysterische vrouwen ons te lijf wilden gaan, omdat zij ons aansprakelijk stelden voor de bombardementen en alles wat er verkeerd ging. Wij werden naar een loods gebracht en moesten drie tot vier uur wachten op vervoer. Die nacht nog tweemaal luchtalarm en de volgende dag waren wij geradbraakt.

Een voorval tijdens het verblijf in de schuilkelder: ‘Aber immer schnell’ had mij naar de overkant van de schuilkelder gebracht, dus tegen de buitenmuur. Mijn aandacht werd getrokken door een tweetal goedgeklede heren. Op de vraag van de een waartoe die (zojuist aangebrachte) motor diende, antwoordde de ander: “Dass ist für Gass!” Er was weinig fantasie voor nodig om te bedenken wat er zou gebeuren als de functie van de schuilkelder zou worden uitgebreid als de tijd daarvoor gekomen was. Als extra probleem kwam het over ons: de bedden waren beslapen door andere gevangenen; Polen, Esten en Letten. Eerst vechten voor de rechtmatige slaapplaats, tenslotte berusten. Een plaatsje op de vloer werd tenslotte gevonden, maar de volgende dag waren wij doodmoe. Als verrassing was er belangrijk nieuws: de volgende dag op transport, deze dag benutten voor vervanging of aanvulling van kleding en schoeisel. Verplicht werd de acceptatie van schoeisel; linnen met spijkers op een dikke zool bevestigd. Bij de uitreiking werd gewaarschuwd: de schoenen zijn een eenmalige verstrekking! Dit was een wrang grapje, er was geen sprake van dat dit schoeisel langer dan een maand bruikbaar zou zijn. Gezien onze ervaringen, vooral van de laatste dag, waren wij opgelucht dat wij op transport zouden gaan. Twee dagen later werden wij in het kamp Meppen geplaatst. Voor velen was dit de laatste reis.

Meppen

Houten barakken, stenen ondergrond, vochtig. Wat dekens verspreid over de oppervlakte. Verder wat balen stro. Wij werden, als eersten aangekomen aangewezen het tekort zo goed mogelijk te verdelen. Toen het kamp vol was, werden allen opgeroepen op de binnenplaats te komen voor het ontvangen van instructies. De kampcommandant kwam deze zelf brengen in de vorm van een korte toespraak. Werkzaamheden zouden bestaan uit het maken van verdedigingswerken. Dat betekende bomen rooien en vervolgens transporteren, graszoden steken en vervoeren, loopgraven spitten en bunkers bouwen. Het aantal gevangenen uit allerlei nationaliteiten, maar Russen en Hollanders overheersten. Naar schatting waren er achthonderd Russen, achthonderdvijftig landgenoten en verder wat Noren, Esten, enkele Spanjaarden enzovoorts. Als dreigement werd bekend gemaakt dat er geen zieken zouden zijn. Medische behandeling kon uitsluitend na de werkdag worden verleend. De zondag werd afgeschaft en tenslotte werd een goede behandeling toegezegd als er een goede arbeidsprestatie zou worden geleverd. Aldus werden wij bij de verdediging van het ‘onoverwinnelijke’ leger ingelijfd onder omstandigheden die bitter genoemd kunnen worden en met geringe kans op overleving. Wij werden ’s morgens om half vijf gewekt en moesten kwart voor vijf de barak verlaten. We werden naar buiten gedreven en daar gesommeerd in rijen van vijf te staan in groepen van honderd man. Elke gevangene moest zich voorzien van een stuk gereedschap, dat meegedragen moest worden. De afstand tussen het kamp en de arbeidsplaats was ongeveer drie tot vijf kilometer. Aanvankelijk werden tien tot vijftien colonnes ingeschakeld, maar dit werd snel minder. Na ongeveer zes weken kwam er een aanvullend transport, vaak slachtoffers van razzia’s en andere vormen van terreur.

Naarmate het jaar vorderde werd het moeilijker. Na het morgenappel blijven liggen was een riskante zaak. Meestal werd spoedig de SS ingeschakeld, hetgeen het einde betekende. Kameraadschap of hulpvaardigheid kon geen uitkomst bieden. De enige mogelijkheid, de patiënt snel naar de ziekenbarak te brengen, was levensgevaarlijk, omdat deze barak op gezette tijden leeggeranseld werd. Overigens werd het woord ‘ziekenbarak’ ten onrechte gebruikt; het betrof een lekkend bouwsel met als absoluut enige luxe een grote, hoge kachel, die met twijgjes en ander sprokkelhout aan de praat werd gehouden. Eerder was gedreigd dat deze mogelijkheid er niet was, maar er ontstonden problemen met het plaatsen van geamputeerden. Overigens kreeg ik een verhaal toegefluisterd dat de SS voor afvoer zorgde als het aantal te groot werd.

Zoals opgemerkt gedroegen de SS’ers zich als duivels. Zij hadden geen standplaats in Meppen, maar kwamen geregeld controles uitvoeren en de vrees voor hun optreden blijkt uit het volgende: een achttienjarige, die het als student uit een beschermde omgeving zeer moeilijk had, pakte in een wilde reactie een houweel met een ijzeren handvat. Ik had hem geleerd dat in geen geval te doen, maar het gebeurde als reactie op de waarschuwing: “SS’ers”. De gevolgen waren verschrikkelijk: drie vingers werden volkomen ontveld, de botten waren zichtbaar en dat lokte een hevig geschreeuw uit. Met afgrijzen zag ik het gebeuren, zonder mogelijkheid tot ingrijpen. De jongeman hebben wij nimmermeer gezien.

Stokslagen 

Als zeker teken van volledige uitputting werden in toenemende mate achterblijvers gemeld. Zij kregen een plaatsje in de verwarmde barak in afwachting van de ‘selectiemethoden’ van de SS. Een ander voorval zou later veel betekenis voor mij krijgen. Ik zag een kleine man wanhopige pogingen doen de schop, die hij naar de arbeidsplaats moest dragen, op zijn schouders te brengen of een andere bevredigende manier te bedenken om het transport van de schop te verzorgen. Dit voorval gebeurde bij het opstellen van de colonne. Ik vroeg of ik zou kunnen helpen en toonde hem hoe hij het toch betrekkelijke licht stuk gereedschap moest dragen. De persoon stelde zich voor als professor aan de universiteit van Utrecht. Vervolgens toonde hij zijn voeten, die abnormaal klein waren. Inmiddels was het tijd om te beslissen, de colonne zette zich in beweging. Ik pakte de schop van de professor en legde die naast de andere op mijn schouder. Onderweg dacht ik aan het feit dat de uiterst dankbare prof maar heel weinig kansen had. Hij zou voor iedere taak een onvoldoende krijgen en er was geen plaats waar hij niet het slachtoffer zou worden van de bewakingstroep of de SS’ers.

Onze positie werd een dag later aanmerkelijk slechter. De bewakingstroepen waren vervangen door matrozen. Een narrige bootsman verdeelde zijn manschappen over het terrein. Hoofdtaak was: graszoden steken, vervoeren en stapelen. Al spoedig vond hij dat het te langzaam ging en werd de taak verdubbeld. Stelt u zich voor: motregen, drassige bospaden, kletsnatte graszoden (twee tegelijk dragen), het sukkeldrafje moest omgezet worden in een echte draf. Voor mij viel een drager, hij kwam niet meer overeind. Ik behoorde bij de twee dragers die het slachtoffer aan de kant moesten brengen. De bootsman onderschepte mijn blik van intense haat en liet mij aan de kant komen. Ik had mij inmiddels hersteld en schold alleen op mijzelf. De bootsman vroeg wat ik voor een persoon was en ik antwoordde, zoals dit van mij verwacht werd met de muts in de hand, dat ik een Hollander was. Achteloos zei hij tegen een vazal: “Vijf stokslagen.” Af en toe vindt er een wonder plaats; die stokslagen zouden het einde kunnen betekenen van mijn poging tot overleven, maar toen ik naar de man keek die het vonnis moest voltrekken, kreeg ik hoop. Op gepaste wijze schreeuwde ik na elke klap; er was echter niets om over te klagen en gedekt door mijn geschreeuw werd het vonnis pijnloos voltrokken.

Die avond werd ik benaderd door Bram Daalder en Nico van Dam. Bram, student, en Nico (curieus geval), een Joodse jongen. Bespreking over het voorstel van Bram: vluchten. Motivering: we worden met de dag zwakker en kunnen nu nog een behoorlijk eind lopen. Ook het gekozen tijdstip was van belang. Weldra was het Kerstmis, hetgeen betekende dat de bewakingstroepen door jongeren zouden worden vervangen. Toen wij het eens waren en besloten te vluchten werd een gedetailleerd plan gemaakt, aldus: Bram zou eerst, Nico na een kwartier als tweede en ik zou de affaire afsluiten. Voor elk van ons gold: indien het kwartier is verstreken wordt de vluchtpoging door nummer twee, respectievelijk nummer drie voortgezet. Bram haalde het, het passeren van een blinde muur was het meest riskante deel. Bram was uit het gezichtsveld, na een kwartier ging Nico op stap en die werd gesignaleerd, verraden door een Duits sprekend misbaksel. Een week later werd Bram als gevangene naar de vluchtplaats geleid. Een verschrikkelijk moment toen Bram, geketend en bewaakt door een stel honden, door een SS’er werd voortgedreven naar de plaats waar de vluchtpoging een aanvang nam.

Ardennenoffensief

Gezien de roofbouw die op ons werd gepleegd en de mate van uitputting waarin wij verkeerden, werd verlangend uitgekeken naar al datgene wat onze bevrijding naderbij kon brengen. Een naargeestige gebeurtenis was ook de berichtgeving over het Ardennenoffensief van 16-12-1944. Wij probeerden elkaar moed in te spreken, maar werden getroffen door de vrolijke bewakers, die spraken over ‘Neue Waffen’. Intussen kwam Kerstmis in het zicht, waarover wij veel hoorden; extra voedsel, rustdag, enzovoorts. Berichten over de juiste toestand aan de fronten deed het moreel weer goed en onze aandacht richtte zich nu op de vrije dag met Kerstmis. De informatie hierover sijpelde door via enkele ‘Vorarbeiter’. Maar tenslotte kregen wij de juiste berichten: Tweede Kerstdag wordt Feiertag, dus rustdag en dan ‘gibt es was zum Essen’. Dat een rustdag zo intens werd verlangd en in rangorde gelijk stond met wat extra eten kwam door de intense vermoeidheid. De Tweede Kerstdag begon minder prettig dan was gehoopt. Tot onze teleurstelling werden wij op de gewone tijd gewekt en stonden wij om vijf uur buiten in de natte sneeuw. Maar het werd toch anders: na het appel, om half zes, werden wij in de barak toegelaten en luidde het commando: “Opstellen in rijen van vijf, geordend naar nationaliteit.” Dit was nog nooit gebeurd en betekende voor ons een hoopgevende ontwikkeling, we dachten weer aan rusten in de barak en uitdeling van etenswaar, een tot dusver goed bewaard geheim. De dag was gevorderd tot ongeveer tien uur in de morgen en we hadden afdoende kunnen vaststellen dat er ongeveer veertienhonderd landgenoten, plusminus duizend Russen en enkele tientallen gevangenen van verschillende nationaliteiten, waaronder Letten en Polen, aanwezig waren. Wij geloofden niet meer in een feest en kregen de indruk dat men ons vergeten was en besloten iets te ondernemen dat herinnerde aan ons bestaan. Iedere groep zou een lied zingen, zo mogelijk het volkslied. Dit voorbehoud werd gemaakt omdat het zingen van de ‘Internationale’ als een provocatie kon worden opgevat. De Nederlanders begonnen, en wel met het Wilhelmus. Dat lied streek alle niet-Hollanders tegen de haren: te traag en geen goede melodie. De Russen zouden wel even laten horen hoe het moest en hieven een ritmisch volkslied aan, dat zeer goed klonk. Maar toen kwam een onderbreking die tot afgelasting leidde: de Russen begonnen te huilen, wel zo erbarmelijk dat de Hollanders de zaak over wilden nemen met ‘De blanke top der duinen’. Zij kwamen nauwelijks verder dan de inzet van de voorste zangers, die schaamtevol ook huilend naar achteren liepen om zich te verstoppen tussen andere landgenoten, dit in navolging van de Russen, die krampachtige pogingen deden hun emoties te bedwingen. Allen dachten aan thuis, aan familie en de geringe kans te overleven, gezien de grote sterfte als gevolg van het slechte eten en de uitputtende arbeid. Om ongeveer twaalf uur werden wij naar de barakken gezonden en zo hadden wij die morgen zes tot zeven uur staande doorgebracht. Om een uur werd de soep verstrekt, die nog slechter was dan gewoonlijk.

Om twee uur werden wij naar de appelplaats geleid en daar was zowaar iets feestelijks te zien. Een podium, versierd met een nazivlag, was in het midden van het terrein opgericht. Een microfooninstallatie werd beproefd, maar, tot ons genoegen, zonder resultaat. Inmiddels was het drie uur geworden en de commandant begon zijn feestrede. Er was bijna niets van te verstaan, maar ik ving op dat hij het goed met ons meende. Daarna kwam een brullende idioot, die het geluid van een ‘Stuka’, een soort jachtbommenwerper, imiteerde. Om vijf uur, het werd al donker, zette zich een stoet in beweging. Halverwege het veld was een soort marktkraam opgericht en waarachtig, daar werd iets verstrekt; daar werd iets uitgereikt door dames. De commandant stond lachend terzijde, zweepje in de handen, afwisselend tikkend in de linkerhand en op zijn keurig gepoetste laarzen. Met inachtname van het juiste ritueel (ontroerend: ‘Danke schön’) nam ik het pakje in ontvangst en spoedde mij naar de barak. Een smalende stem van een landgenoot bracht mij tot de werkelijkheid: ‘pruimtabak’. Een soort gesausde tabak met een wikkel en de naam van de fabrikant hadden mij tot het einde misleid. Toen ik het stukje tabak in mijn hand had voelde ik een woede die mijn keel snoerde en mijn maag een gierende pijn bezorgde. Ik schraapte wat stro bijeen om zoveel mogelijk nachtrust te genieten. Ik overwoog dat deze dag veel zwaarder was dan een gewone werkdag en besefte dat wij op een kwaadaardige en sadistische manier behandeld waren.

Flegmoon

Halverwege januari van het jaar 1945 werd opnieuw een aantal gevangenen in het kamp Meppen geplaatst. Met de voedselvoorziening ging het steeds slechter. Ongeveer zeven weken was er geen zout. Dit bracht verschillende gevangenen ertoe klontjes kunstmest te eten. Ze kregen een gezwollen gelaat en overleden spoedig. Een voortdurend ongemak bleef het ontbreken van schoeisel, zoals gezegd linnen schoeisel, gespijkerd op een houten zool. Als het linnen scheurde waren er drie mogelijkheden: repareren door middel van een touw, pakken van een overledene, afpakken van een muzelman. Ik had gekozen voor het eerste, met gebruik van een stuk ijzerdraad. Omstreeks eind januari stelde ik vast dat het mis was met mijn rechterbeen. Een schram van ongeveer zeven centimeter, vurig, licht pijnlijk: ‘flegmoon’, de gevreesde aandoening met meestal dodelijk gevolg voor ons, gevangenen. Ik had meermalen gezien hoe zinken teilen, gevuld met geamputeerde ledematen vanuit de ziekenbarak werden gedragen. Gefluisterd werd, dat de SS voor de rest zorg droeg. Aldus kwam ik tot de slotsom dat de Utrechtse professor mij zou kunnen helpen, als er nog hulp mogelijk was. Die hulp kwam snel, diezelfde avond werd ik door een Utrechtse chirurg geholpen. Een kerf met een dun mesje, een dure pleister en tenslotte een stuk papierverband met het consigne: minstens drie weken Just en goed eten (dat laatste was een grapje en het eerste, daar moest ik zelf voor zorgen).

Ik besloot de volgende dag geen beroep te doen op de controlerende SS-ers, dat was iedere morgen een woeste knuppelpartij ten koste van achterblijvers. Ik was me er echter wet van bewust dat ik mij als zieke moest melden, omdat langer lopen levensgevaar inhield. Zodoende stapte ik uit het gelid naar de Vorarbeiter die mij doorstuurde naar een wagen waarin wat stro lag, dat als ligplaats kon dienen. Eenmaal kwam er een SS’er langs, doch ik werd ontzien: puur geluk, twee arme stumpers werden naar hun arbeidsplaats geslagen. Mijn terugreis ging per brancard en ik kreeg een plaatsje in een barak voor zieken. Daar heb ik ongeveer een week kunnen rusten. Met spanning werd de wond aan mijn rechterbeen van dag tot dag bekeken en tot mijn opluchting leek het goed te gaan, althans, de rode plek breidde zich niet uit.

Verder had ik het geluk, dat drieëntwintig maart ‘Monty’ de Rijn overstak, hetgeen tot gevolg had, dat het Neuengamme-complex ontruimd moest worden. Opnieuw veel geluk: evacuatie van het kamp Meppen op dertig maart 1945. Alles wat lopen kon moest zich opstellen in rijen van vijf en in marstempo voorwaarts. Weinigen overleefden de barre tocht, met als aanvankelijk doel: Neuengamme. Ik werd in een vrachtauto geladen en in een gesloten wagon gedreven. Alles wees erop dat grote haast werd betracht. Onze wagon werd volgestouwd met ongeveer vijfendertig zieken. Vlak voordat wij zouden vertrekken, het was inmiddels donker geworden, werd nog een groepje mensen ingeladen die wegens gebrek aan ruimte boven op ons werd gejaagd, en uit de gemene taal die tegen deze mensen werd gebruikt kon ik opmaken dat het Joden waren. Deze arme mensen voelden zich indringers en riepen allerlei verontschuldigingen om toch vooral duidelijk te maken dat hun aanwezigheid en de daardoor ontstane overlast niet uit vrije wil gebeurde. Ik sprak mijn ‘bovenligger’ aan en maakte hem duidelijk dat hij welkom was, dat ik behoorde bij een Krankentransport en dat hij alleen dringend werd verzocht mijn rechterbeen vrij te houden. De arme man was opgetogen toen hij als mens werd behandeld en vertelde even later zijn levensloop, waarvan ik onthield dat hij in zijn goede dagen college liep bij Sigmund Freud en was afgestudeerd als handlijnkundige. Drie dagen duurde deze wat lastige treinreis. Toen wij stopten en meenden op de plaats van bestemming te zijn, werden eerst de Joodse mensen uitgeladen. Tot mijn spijt kon ik mijn Joodse medereiziger niet meer bij daglicht spreken.

Landmijn

In het boek Het Koninkrijk der Nederlanden van dr. L. de Jong wordt gesproken van ‘Abtausch’-Joden. Vermoedelijk reisde ik gedurende deze drie dagen met een groepje van deze mensen. Als ik het goed heb onthouden was het voorlopige einddoel Bremen-Farge. Wij werden in een grote loods gestopt en in de keuken zou voor eten worden gezorgd. Dat was er de afgelopen dagen bij in geschoten. Het was echter bijzonder onrustig in de omgeving; Engelse vliegers bombardeerden en beschoten de omtrek. Daar komt de grote klap, dachten wij. Er werd namelijk een landmijn afgeworpen, met als gevolg dat onze barak scheef kwam te staan. Al het glas werd versplinterd, koken of andere verstrekking van voedsel was er niet meer bij. Ik ging op verkenning uit en stelde vast dat er chaos heerste en dat ontvluchten mogelijk zou zijn. Bovendien had ik de indruk dat wij met de Wehrmacht-soldaten een grotere kans tot overleven hadden. Het beviel ons in het kamp beter, nu wij uit handen van de SS waren gebleven. Wij waren echter te zwak en waren ook vogelvrij voor SS’ers en ander tuig dat ons aan ons voorkomen onmiddellijk zou herkennen.

Ik wandelde een andere barak binnen en kwam in aanraking met de treurige resten van een transport uit Ladelund. Vrijwel allen hadden gezwollen ledematen en kermden koortsachtig. Zij lagen in houten kooien en waren niet afgedekt door een deken of andere voorziening. Plotseling trof mij een kreet, mijn naam werd geroepen. Ik probeerde in het halfdonker te onderscheiden door wie. Er werd huilend geroepen: “Je kent me toch wel, ik ben Henk de Vries! Help mij alsjeblieft, want ik ga hier dood!” Gesprek gevoerd en vastgesteld dat Henk een monsterachtig gezwollen rechterbeen had en dat hij niet te helpen was. Zonder amputatie zou het niet gaan en amputeren betekende een snelle dood. Ik begaf mij naar het midden van de barak, waar een arts een treurige taak op zich had genomen. Ik kende hem, wij begroetten elkaar en ik bemerkte dat de dokter over zijn toeren was. Ik vertelde hem over de zieke uit Zaandam en kreeg ten antwoord dat ik de patiënt maar brengen moest. “Het been moet eraf, hij is de derde.” “Heb je geen verdovend middel, amputatie is toch zinloos.” Hij was het met mij eens, maar alles was hier zinloos en hij tastte in zijn zak, vond een buisje met drie aspirines, gaf mij er een en bepaalde zich tot de volgende patiënt, mij toevoegend: “Kom mij direct maar helpen, geen van allen is nog in staat om te staan.” De aspirine als een kostbaarheid naar Henk gebracht, die met half gesloten ogen achterover lag. Ik tilde zijn hoofd op en diende hem de aspirine met een slok water toe. Ik nam afscheid van hem en had de indruk, dat hij overleden was.

Inmiddels werd ‘verzamelen’ geblazen en werden wij weer opgesteld in rijen van vijf. Zo werden wij een zeer lange trein ingeloodst, uitsluitend goederenwagons, waarin ongeveer dertig mensen per wagon plaats moesten nemen. Toen dat achter de rug was en de wachten (zo genoemd omdat de bewaking in handen was gesteld van oude Wehrmacht-soldaten) de trein haastig hadden afgesloten, gingen zij in de onderdijk liggen. De Engelse vliegers hadden onze trein als doelwit gekozen en mitrailleerden ons onderkomen in de lengterichting. Nauwelijks had ik mijn buurman gewaarschuwd dat hij moest gaan staan om de trefkans te verkleinen of hij werd geraakt en overleed spoedig hierna. Zijn buurman werd ook getroffen, maar die was door vallend hout geraakt. De trein werd nog enkele malen gemitrailleerd en toen het rustig werd, kwamen de bewakers terug en werd de trein in beweging gebracht.

Stervensbegeleiding

In de trein bevonden zich gevangenen van uiteenlopende nationaliteit, opvallend veel Hollanders, waaronder veel Puttenaren. Stervensbegeleiding werd door een oudere man gegeven. Hij zag er stevig uit, maar moest een dag later toch de strijd opgeven. Hij zat plotseling naakt in de wagon zijn hemd te ontluizen. Wat hij deed was zinloos. Op de vloer van de wagon had zich een luizentapijt gevormd. De strijd ertegen was gestreden, tot de totale situatie was verbeterd door verstrekking van andere kleding en behuizing! Na een moeilijke nacht overleed deze markante figuur, die zich had opgeworpen tot steun voor zijn dorpsgenoten. Na twee dagen werd gestopt voor het delven van een massagraf. Voor het dragen van de overledenen had ik mij gemeld. De bewakingstroepen hadden zich uit de wagons teruggetrokken toen zij bemerkten dat de luizen niet werden afgeschrikt door uniformen. Ik wendde mij tot een van de oudjes en verzocht om voedsel en drinken. De bewaker beloofde dat dit de volgende dag zou komen. Inderdaad werd de vierde dag wat eten en drinken verstrekt. Twee sneden brood en wat drinken uit een conservenblik. Wij bleven staan om de lijken af te voeren. De laatste drie wagons werden gebruikt voor vervoer van de overledenen. Verder werd een verandering doorgevoerd met het doel ruimte te scheppen, zodat een aantal wagons kon worden afgekoppeld. Ook de lijkwagens bleven achter, waarschijnlijk ter afhandeling in het crematorium van Neuengamme. De bezetting van onze wagon bestond uit twaalf personen, en die werden naar een wagon gebracht waar tien Hollanders zich dankbaar toonden, omdat wij landgenoten waren die bescherming moesten bieden tegen het viertal roofzuchtige Grieken. Zij hadden water en brood van de jongens gestolen. Op mijn vraag waarom zij zich niet verdedigden, kreeg ik te horen dat de Grieken de beschikking hadden over een wapen, namelijk een stok. Die hadden zij de dag tevoren gebruikt om hun beroving uit te voeren. Ik zorgde voor een hergroepering en plaatsing tegenover de Grieken. Die nacht wist ik de stok te stelen, een gevaarlijk karwei, want van onze landgenoten waren er zeker zes stervende.

In de loop van de dag werd mij een nieuwe taak toebedeeld. Als er zich een overlijden aankondigde, werd een beroep op mij gedaan de stervende te ondersteunen door het hoofd op de knieën te nemen. Dan kwam de waarnemende geestelijke het verlangde ritueel uitspreken. Als ik die taak vervulde, vroeg ik een ander op ons wapen, de stok, te letten. Van de landgenoten waren nog vier in leven, de lijken lagen in het midden van de wagon gestapeld. En de dag begon met hallucinerend geprevel en gescheld van Wouter, een eenentwintig jarige jongen waarvan ik aanvankelijk dacht dat hij het wel halen zou. Hij lag te brabbelen en toen de wagondeur open ging en de bewaker verscheen, ging hij als het ware tot een offensief over. In zijn beste school-Duits zei hij: “Ik zie allemaal watermolens, heer bewaker, wilt u dat water bij mij brengen.” In allerlei variaties, met een sarcasme dat zelfs doel trof. Zoals bekend is dorst lijden erger dan honger verdragen. Ik heb u verteld dat halverwege de reis voedsel en drinken werden verstrekt, daarna niets meer en deze jongens waren slachtoffer van beroving, hetgeen nu zwaar moest wegen. Het was dan ook het laatste, toen twee van de sterksten, onder wie de hulpgeestelijke, hun urine gingen drinken, hoewel ik het sterk afraadde. Overigens beschikten zij niet meer over hun geestelijke vermogens, hetgeen bleek uit een schuldig, schaapachtig gelach.

Maar nu de bewaker, ‘Herr Posste’ genoemd; die ging gebukt onder het snerpende geweeklaag van Wouter en ging er op uit zodra de trein stilstond om water te vinden. Hij kwam inderdaad terug met een conservenblik, gevuld met moeraswater. Het blik werd aan mij overhandigd en ik zorgde voor distributie. Mijn gezag werd aanvaard, er ontstond geen ruzie, alleen de Grieken waren niet tevreden, maar gelukkig kregen zij ook een blikje water van de behulpzame bewaker. Toen het geroep om water was overgegaan in een dof gebrabbel constateerde ik dat er nog drie stervende waren. De laatste stierf in het schemerdonker. Ik hoorde iemand sluipen, maar na wat geschuifel was het stil geworden. Ik ging slapen tussen de overledenen, want ik verwachtte niets goeds van de Grieken.

Wandluizen

De zevende dag: er waren nog drie Grieken, eigenlijk vier, maar de vierde lag ook op sterven. Toen de nacht inviel was het moeilijk te constateren wie nog in leven was en wie niet. De volgende morgen werden de deuren opengetrokken. Haastig verkende ik de situatie in de wagon, waaruit bleek dat een Griekse jongen van een jaar of achttien, die zich uit angst heel stil had gehouden, en ik de enige overlevenden waren. Daar naderde een soldaat met een arm vol broden. Hij overhandigde mij een brood en keek mij vragend aan toen in de door mij verlaten wagon geen leven te bespeuren was. Als ervaren ‘Häftling’ voerde ik onmiddellijk een scene op met het doel een tweede brood te bemachtigen (“Die Andere sind darüber”, babbelde ik en wees nadrukkelijk in de verte). Mijn begerigheid naar het tweede brood won het. De bewaker reikte mij aarzelend een tweede brood uit. Inmiddels kwamen zorgzame handen mij in een kipkar leggen. Oorzaak van die zorgzaamheid was het feit dat ik mij onder vrienden, lotgenoten bevond. De bewaking was verdwenen en er heerste anarchie in het kamp. Via een Frans krijgsgevangenenkamp, Pools dito kamp, kwam ik in een houten barakkenkamp dat door landgenoten werd gebruikt. Iemand was juist bezig een overzicht te geven van de stand van zaken. Zojuist was een laatste voedseltransport verloren gegaan door aanvallen van roofbendes. “Iedere hoop op voedsel kunnen wij vergeten, totdat het kamp zal worden bevrijd.” Op de vraag, waarom dan niet de poort uitgaan, antwoordde de spreker dat uitbreken onmogelijk was in verband met de slechte conditie van vrijwel alle gevangenen en het feit, dat er nog restanten van het Duitse leger zullen verhinderen dat wij buiten de poort komen in verband met vlektyfus.

Na zijn betoog gaf ik de spreker een brood ter verdeling en vroeg een slaapplaatsje om bij te komen van de treinreis van elf dagen. Na consumptie van het brood viel ik in slaap, een toestand die ongeveer zes uur duurde. Ik werd zeer onaangenaam wakker en kwam spoedig achter de oorzaak. Luistapijt op de vloer was een bekend verschijnsel, maar ik had nog niet (of sporadisch) kennisgemaakt met de afschuwelijke hardlopers en bloeddieven, wandluizen genaamd. Deze actieve diertjes zorgden voor bulten over het gehele lichaam; zij lieten zich trefzeker van de plafonds vallen. Het werd een bloederig gevecht, dat ik natuurlijk verloor. Geen nacht heb ik daarna in de barak doorgebracht; ik prefereerde een tafel en trotseerde de koude, want er was geen beddengoed, geen deken of wat dan ook. Dr. L. de Jong heeft in zijn boek Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, tweede deel blz. 106, onthuld dat verstrekking van beddengoed of wat dan ook overbodig werd geacht, aangezien een SS-brigade was opgedragen over te gaan tot volledige vernietiging van de gevangenen. Deze plannen zijn niet uitgevoerd omdat er angst bestond voor besmetting (vlektyfus?).

Omstreeks elf april kwamen wij in Sandbostel aan. Wij hadden rondgereden tussen Neuengamme en Bergen-Belsen gedurende acht dagen en zijn dus elf dagen in goederenwagons rondgereden. Na een dag rusten liep ik het kamp wat rond, zoals geadviseerd en in gezelschap van Nico. Eerst een geweersalvo, daarna het geluid van een mitrailleur en daarna een zwak, klagelijk ‘hoera’ dat zich over het hele kamp verspreidde. Ik ging voor de laatste keer op mijn buitentafel slapen en sloot mij de volgende dag aan bij mijn lotgenoten, die werden bespoten met een wit poeder dat uit een brandslang kwam. Dat was DDT, dat wij natuurlijk niet kenden. Het was het begin van een uitgebreide doeltreffende ontluizingsactie. De lotgenoten werden weggevoerd in auto’s, zoveel mogelijk gedragen op brancards. Ik kon nog getuige zijn van het feit dat boze Engelse militairen, die een aantal Duitsers voor zich uitdreven, met driftige gebaren wezen op de stervenden in de barakken, de stapels lijken, het totaalbeeld van de verwording.

Die middag werd ik afgevoerd naar het hospitaal. Hieraan vooraf een dankwoord aan kapitein Van Praag: een landgenoot in Engelse dienst. Hij was zeer verbaasd dat hij Nederlands hoorde praten, verzamelde een negental landgenoten en richtte een feestmaal aan: witbrood en jam. Hij heeft zich die middag met ons bemoeid en deed de belofte dat hij ons zou opzoeken in het hospitaal en, zodra dit kon, de terugkeer te bevorderen. Helaas, twee dagen na de eerste kennismaking overleed de kapitein aan vlektyfus. Omstreeks half mei werden wij geëvacueerd; een droevige ervaring was, dat twee lotgenoten inmiddels geestelijk gestoord (krankzinnig) bleken te zijn.

De feestelijke terugkeer van Gerrit Bakker en zijn partijgenoot Gerard Maas in Zaandam, mei 1945.

De naoorlogse teloorgang van de Zaanse synagoge

De gemeenteraad van Zaanstad besloot in 2010 unaniem dat het Inverdanproject ‘pas is afgerond als de synagoge in oude luister is hersteld’. Het duurde sindsdien ruim acht jaar voor een projectontwikkelaar het tot winkel verbouwde monument op de Gedempte Gracht kocht en zich bereid verklaarde het te restaureren. Uit teruggevonden documenten  wordt duidelijk hoe de overheid de gedecimeerde Joodse gemeenschap kort na de Tweede Wereldoorlog bejegende, met de teloorgang van het godshuis als resultaat.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge aan de Gedempte Gracht – daarvan resteerde alleen een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren als onderduiker of kampgevangene waren doorgekomen waren aanwezig, precies tien procent van de geloofsgemeenschap die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten ƒ 208,-, uitgaven ƒ 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken ledental proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de documentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

De synagoge rond 1900.

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ De dienstdoende redacteur stelde vast dat niet alleen de Duitsers schuldig waren aan de plundering van het religieuze gebouw. ‘Het is wel beschamend het te moeten constateren, dat waarschijnlijk de grootste vernielingen door plaatsgenoten werden bedreven.’

Jacob Drukker deelde die mening. ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers…’ Daarmee raakte hij aan een teer punt. De bezetter had het bedehuis weliswaar geconfisqueerd en ingeruimd als garage en paardenstal, maar zowel voor- als nadien was het gebouw leeggeroofd door anderen.

De onttakeling begon kort nadat Zaandam in januari 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ was gemaakt. Op 13 augustus van dat jaar informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de Duitse autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) tegen twee procent provisie van de hand te doen.

Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer ‘leeggehaald en naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop’, wist een agent. ‘De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Thoramantels (‘waarbij enige antieke’) die om de Thorarollen werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen behoorden zes Thorarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Geallieerde voertuigen voor de synagoge, 1945

Toen de overlevende Joden in juni 1946 voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar kwamen, begonnen ze dus weer op nul. Vanaf dat moment beheerste het gebrek aan financiën de ledenvergaderingen. Moeizaam verlopende geldinzamelingen maakten het pas in 1953 mogelijk om de synagoge officieel te heropenen, zij het wel in sterk afgeslankte vorm. Drukker: ‘We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De gerestaureerde synagoge was nauwelijks een kwartaal in gebruik toen het bestuur een nieuwe tegenslag moest incasseren, in de vorm van een stevige vordering. De afzender was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Deze door de Rijksoverheid ingestelde organisatie beheerde de vermogens van niet teruggekeerde Joden en van politieke delinquenten. Ten aanzien van de eersten moest worden voorkomen dat de verkeerde mensen zich hun bezittingen toe-eigenden. De tweede doelgroep mocht niet langer profiteren van hetgeen ze tussen 1940 en 1945 – al dan niet door roof – had vergaard. Inzet van het Rijk was om hen de gigantische economische oorlogsschade te laten vergoeden waarmee Nederland kampte. Daartoe werd een bureaucratische moloch opgetuigd. Ruim tweeduizend NBI-stafleden werkten in een chaotische situatie aan 160.000 dossiers.

Dat leidde onvermijdelijk tot fouten. De Algemene Rekenkamer maakte in een rapport gehakt van de organisatie en Justitieminister L.A. Donker moest in 1953 erkennen dat de NBI-administratie niet op orde was. In dat licht dient ook de rekening te worden bezien die anderhalve week voor de Dodenherdenking van datzelfde jaar bij de NIG in Zaandam op de mat viel. Het Beheersinstituut had even eerder een negen jaar oude, openstaande hypotheekschuld ontdekt. In haar streven om de wederopbouw te financieren eiste ze dat de Joodse gemeente die zou betalen.

Hypotheekschuld

De oorsprong van die factuur lag dus in de bezettingstijd. Naarmate het deporteren van de Joden vorderde, speelde bij de Duitsers steeds vaker de vraag door het hoofd wat ze aan moesten met de leegstaande synagogen. Voorstellen om ze te slopen, teneinde ‘alle herinneringen uit te wissen’, haalden het niet. In 1944 kreeg het door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart benoemde Commissariaat voor Niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) opdracht om de Joodse organisaties formeel te ontbinden en hun gebedsruimtes en andere eigendommen te beheren en te gelde te maken. In augustus van dat jaar, ontdekte het NBI in 1953, had het CNCV ‘uit eigen middelen een op de synagoge der Israëlitische Gemeente te Zaandam rustende hypothecaire schuld afgelost tot een bedrag van ƒ 4.872,91.’ Na aftrek van wat kasgeld dat de bezetter in Zaandam had gestolen bleef een te incasseren bedrag van ruim 4.500 gulden over. Omgerekend naar 2019 komt dat neer op bijna 17.000 euro.

De NIG had, bij gebrek aan archiefmateriaal, geen idee dat er een hypotheek rustte op de al in 1865 gebouwde en destijds afbetaalde synagoge. Bewijzen dat de claim onterecht was kon ze niet. Ze stelde zich daarom deemoedig op en beloofde alles te willen doen ‘om de schuld te delgen’. Er was echter een levensgroot probleem, schreef penningmeester Saul Smit. ‘De gemeente bestaat nog maar uit 6 gezinshoofden en wil daarom géén hypotheek op de joodse kerk nemen, opdat, wanneer nog meer gezinnen uit Zaandam verdwijnen, de overblijvenden voor een te zware last zouden komen te staan.’ Die paar huishoudens hadden hutje bij mutje gelegd, waardoor zij toch nog 3.350 gulden konden overmaken. Wilde de NBI daarmee genoegen nemen, vroeg Smit.

Het Amsterdamse NBI toonde begrip voor de Zaanse noden en bepleitte clementie bij het landelijk bureau. Gewezen werd op ‘de moeilijke financiële omstandigheden ten gevolge van de handelingen van de bezetter’ en de ‘zware offers die de Israëlitische Gemeente zich reeds heeft moeten getroosten om het, gedurende de bezetting zwaar gehavende, kerkgebouw weer in bruikbare staat te brengen’. Het antwoord was kil en onverbiddelijk. Dat de Joodse gelovigen van 1942 tot en met 1945 niets te vertellen hadden over de lasten en baten van hun bezit en de overgrote meerderheid in 1944 al was vermoord speelde geen rol. De landelijke NBI-directie achtte ‘geen termen aanwezig’ om op het voorstel in te gaan. ‘Wij kunnen niet inzien welke redelijke bezwaren er bestaan voor de Gemeente om het kerkgebouw thans wederom hypothecair te belasten.’

De synagoge in 1961, met een autodealer als onderverhuurder

Onbekend is hoe de Joodse gemeente aan de financiële eisen voldeed, maar ze kwam de toegebrachte klappen nooit meer te boven. Waar de NIG kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het geringe ledental maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor de vriendenprijs van 175.000 gulden aan Frieda Pais-Fruchter, de schoondochter van voormalig bestuurslid Jos Pais. Zij liet het pand ingrijpend verbouwen – alleen het middenstuk bleef intact – en verhuurde het aan een kunstcentrum met de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenares het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. In haar bezwaarschrift tegen dat besluit liet Pais-Fruchter weten ‘niet in een binding met de joodse gemeenschap te geloven’. Dat was tegen het zere been van de Joodse gemeente. Secretaris Joop Meijer: ‘De enige reden waarom we toen hebben verkocht was een centenkwestie. We konden herstelwerkzaamheden niet betalen. Daarom moesten we wel. We hadden het ook in elkaar kunnen laten storten. Huisvesting van De Zienagoog in het pand vonden we een zinvol doel, maar we hadden het veel liever zelf gehouden. Er zijn nog steeds veel mensen die van dat gebouw houden. (…) Het is een monument voor ons volk.’

De voormalige synagoge kwam vervolgens in handen van uitvaartorganisatie DELA . Die verhuurde de centrale ruimte aan een telefoonwinkel. Op 18 januari 2019 – 77 jaar en één dag nadat de Zaandamse joden gedwongen de stad moesten verlaten – werd wereldkundig gemaakt dat de Zaandamse projectontwikkelaar Wouter Lofström het door stadsarchitect Immink ontworpen gebouw voor ruim drie miljoen euro had gekocht. Hij liet weten de synagoge te willen restaureren. Daarmee is er eindelijk zicht op een waardige bestemming van het enige tastbare joodse erfgoed in het hart van Zaandam.

De synagoge in 2017

Synagoge 1865-1942-2017

In 2017 werd er een nieuwe gevelsteen geplaatst in wat resteerde van de Zaandamse synagoge. Het inspireerde Willem Munters om een toepasselijk gedicht te schrijven.

zaandam

1865
de wind fluistert de gevelsteen
vreemde tekens in

het heiligdom, Eeuwige,
dat uw handen hebben neergezet

huis van samenkomst vanaf het begin
75 jaar lang fluistert de wind met de steen

1942
dan is de wind naar oosterstorm gezwollen
neemt woedend  kolkend aanstoot aan de steen
het huis van samenkomst
wordt leeggezogen door ijskoude haat
kranten zonder kop spreken van zuivering

de oostenwind kent geen eeuwige woorden
hakt in blinde woede in de steen
verbreekt het woord  hakt in leven
huis van samenkomst  huis van tranen
nodeloos ontheiligd en vernield

2017
nu na honderdvijftig jaar
weer huis van samenkomst
huis voor de toekomst
zal het zo zijn

zo zal het zijn

Unieke foto’s van de Februaristaking

In de zomer van 2016 nam de tachtigjarige Gerard Wijdenes contact op. Of ik geïnteresseerd was in een fotoalbum van zijn ouders, wat boeken over de jaren ’40-’45 in de Zaanstreek en een pak oude oorlogskranten. Dat was ik natuurlijk. Ik bladerde het fotoboek door en stuitte op vier foto’s die blijkens het bijschrift op 25 februari 1941 waren gemaakt in Zaandam. ‘Wauw,’ zei ik. Want hoewel de Februaristaking een unieke gebeurtenis was tijdens de Tweede Wereldoorlog (want de enige keer in heel Europa dat de bevolking opstond tegen de jodenvervolging), dook er pas een jaar eerder voor de eerste keer een foto op waarvan onomstotelijk vaststond dat het de Februaristaking betrof. En plotseling had ik er vier tegelijk in mijn handen.

De in 2015 geopenbaarde opname was gemaakt door een journalist van het socialistische dagblad Het Volk. Decennialang had het kiekje onopgemerkt in het provinciaal archief in Leeuwarden gelegen. Op de foto is te zien was hoe burgers zich verzamelen rond een – niet zichtbare – spreker op het Amsterdamse Raamplein.

Het album met de Zaanse foto’s had jarenlang op de zolder gelegen van Gerard Wijdenes’ zusje Marion. ‘Toen ze bezig was met een grote schoonmaak wilde ze het album op de schroothoop gooien’, vertelt Gerard.’ “Doe maar niet”, zei ik. “Ik kijk wel of ik er een bestemming voor vind.” Die vond hij dus. In het najaar arriveerde opeens per post een doos met daarin het fotoalbum. Het bevatte beelden van de bombardementen in Rotterdam die tijdens de oorlog wijd werden verspreid, kiekjes van de koninklijke familie, vergeelde krantenknipsels en bonnenboekjes. Prachtig materiaal, maar niet uniek. Maar halverwege het boek wachtte me de grote verrassing.

Dirk Wijdenes en zijn vrouw Elisabeth woonden sinds oktober 1935 in hartje Zaandam, aan wat toen de Hoogendijk 10 was. Ze hadden uitzicht op het standbeeld van Czaar Peter. Nu is het een pleintje met veel horeca, destijds waren er een postkantoor, bioscoop, kleine middenstanders en een café gevestigd. Het woonhuis is nog steeds een opvallend pand, genaamd ‘Het Wapen van Friesland’. Tegenwoordig is ook hier horeca gevestigd, maar in die jaren zat er de firma Keg, een comestibleswinkel. Er werden koffie, thee, wijn, zeep en kaarsen verkocht. Dirk was er de bedrijfsleider en woonde dus in een groot appartement boven de zaak. Op een van foto’s in het album is hij te zien in een keurig pak mét plusfour, gepoetste schoenen en een strikje. Hij staat trots tussen zijn personeelsleden op de dag dat er Zweeds wittebrood wordt uitgedeeld. Blijkens het bijschrift is de foto genomen op 8 maart 1945.

Op dinsdag 25 februari 1941, ergens laat op de middag, pakte Dirk of Elisabeth een fototoestel en richtte de lens naar buiten. Rond het beeld van Czaar Peter was sprake een kleine volksoploop. Het waren stakers, die – gretig naar nieuws – richting het centrum waren getrokken. De onrust was overgeslagen uit Amsterdam. En om uit te leggen hoe dat zo kwam, moeten we een paar weken terug in de tijd.

Op zondag 9 februari viel de Weerafdeling van de NSB het Amsterdamse café en variététheater Alcazar binnen, omdat de eigenaars hadden geweigerd het bordje ‘Joden niet gewenst’ op te hangen. Later die dag vernielden door Duitsers gesteunde NSB’ers de ruiten van woningen die toebehoorden aan joden in de buurt van het Waterlooplein. De spanningen liepen op, en het kwam – niet voor de eerste keer – tot gevechten tussen joodse bewoners die hun eigendommen wilden verdedigen en NSB’ers die door de straten schuimden. Daarbij werd – het verhaal is bekend – de WA-man Hendrik Koot doodgeslagen. Het vormde de opmaat tot de eerste grote razzia in Amsterdam, waarbij 427 willekeurige joodse mannen van straat werden geplukt als represaille. De foto’s van de arrestanten op het Jonas Daniël Meijer plein zijn wereldberoemd geworden. Vrijwel alle gevangenen zouden worden vermoord in Mauthausen.

Rood bolwerk

Ook in de Zaanstreek was het onrustig in die dagen. Bij het partijkantoor van de NSB waren eerder al de ruiten ingegooid en ook bij NSB-gezinde families gingen er regelmatig keien door de voorruit. Zaandam en omgeving was van oudsher een rood bolwerk, en de contacten tussen de leden van de Communistische Partij in Amsterdam en Zaandam waren dan ook hecht. Men hield elkaar nauwkeurig op de hoogte. Toen de joodse arrestanten in een colonne van tien gesloten vrachtwagens vanuit Amsterdam naar een tijdelijk kamp in Schoorl werden vervoerd, passeerden ze via de Provincialeweg ook de Zaanstreek. Dat was niet onopgemerkt gebleven, verklaarden getuigen na de oorlog.

Op 21 februari verscheen in het Zaanse advertentieblad De 7000 het bericht dat alle inwoners van joodse afkomst zich – tegen betaling – moesten laten registreren. Dat vergrootte onder de Zaankanters de toch al aanwezige verontwaardiging over de handelswijze van de bezetter. Het kwam tot een eerste openlijke confrontatie toen de WA op een stampvolle zondagavond binnenviel bij het Koogse café De Waakzaamheid, waar bezoekers en masse op de dansvloer stonden. De boel werd kort en klein geslagen, aanwezigen mishandeld. De aanleiding is altijd onduidelijk gebleven: vonden de WA’ers dat de burgerij moest rouwen over de dood van hun kameraad Koot?

Op diezelfde zondag besloten kopstukken van de CPN in Amsterdam om daar een staking te organiseren uit protest tegen de razzia. ‘Protesteert tegen de afschuwelijke Jodenvervolgingen!!!!!’ was te lezen op een pamflet. De staking die begon op dinsdag 25 februari leidde er in Amsterdam toe dat tienduizenden het werk neerlegden en het openbaar vervoer stil kwam te liggen. De staking sloeg, aangewakkerd door de CPN, ook over naar omliggende gemeenten. In de Zaanstreek legden die eerste dag ruim drieduizend arbeiders het werk neer bij onder meer Duyvis, de Zaanlandsche Scheepsbouw Maatschappij en zetmeel- en voedingsmiddelenconcern Honig. Veel stakers trokken – zonder vlaggen of demonstratie, werkonderbrekingen waren streng verboden – naar het centrum van Zaandam, en dat is wat het echtpaar Wijdenes vanuit het raam op de eerste verdieping vastlegde. Dat ze foto’s maakten is op zich niet zo raar. In die eerste oorlogsjaren waren er nog volop fotorolletjes te koop en fotograferen was op dat moment nog niet verboden.


Op de foto die op de albumpagina rechtsboven is geplakt, is te zien hoe de bevolking zich verzamelde voor een winkelpui schuin tegenover Keg. ‘Opplakken van bepalingen. Werden door de mensen afgerukt’, luidt het bijschrift bij de foto. De ‘bepalingen’ waarop werd gedoeld, waren waarschijnlijk mededelingen van de Duitse autoriteiten waarin ze zich verantwoordden voor de razzia’s in Amsterdam, en waarin de joodse bevolking alle schuld in de schoenen werd geschoven. De foto’s moeten om een uur of vier in de middag zijn gemaakt, dat zie je aan de lange schaduwen op deze heldere winterdag. Het is een tijdstip waarop normaal de arbeiders in de fabrieken zouden zijn. De beelden komen overeen met politierapporten van die dag. Na een tip van een bezorgde burger waren agenten ter plaatse poolshoogte gaan nemen. Ze meldden dat ze enkele tientallen mensen aantroffen bij het honderd meter van Keg gelegen hotel-restaurant ‘Het Wapen van Zaandam’ (tegenwoordig is er een wokrestaurant gevestigd).

Die samenscholing bij Het Wapen van Zaandam is op de drie andere foto’s uit het album in de verte aan de rechterhand te zien. Nadere bestudering van de eerste van die foto’s wijst uit dat er aan het einde van de straat een open Duitse legertruck met achterin soldaten staat.


De drie foto’s zijn kort na elkaar genomen; klik, rolletje transporten, klik, transporteren, klik. Dat weten we omdat links op de stoep een Duitse soldaat is te zien die er op de tweede foto ook staat als de truck in de richting van de Dam rijdt en halverwege de straat is. En er is nog een aanwijzing dat er weinig tijd zat tussen de foto’s: op alle drie de beelden staat een man in een donkere korte winterjas en met een hoed op. Op de eerste hangt hij tegen een muur te roken, op de tweede staat hij daar nog steeds en op de derde foto steekt hij, sigaret in de hand, de straat over, als de vrachtauto is gepasseerd. Op het derde beeld, rijdt de truck onderlangs de winkel van Keg. De helmen van de soldaten zijn duidelijk te zien. Het bijschrijft luidt: ‘Mensen vluchten.’ Dat klopte, want de straat was inmiddels vrijwel leeg. De fotograaf deed een stap naar binnen toen de vrachtwagen naderde. Niet verwonderlijk, want fotograferen van militaire objecten was, hoewel op dat moment nog niet verboden, wel riskant.

Die 25ste februari bleek achteraf de aanloop naar de grote stakingsdag. Op woensdag de 26ste werd er gestaakt in Amsterdam, Utrecht, Hilversum, Weesp en andere omliggende plaatsen. Ook de hele Zaanstreek ging plat. NSB’ers werden belaagd. Eentje werd zelfs in de Vaart gegooid en mocht er pas weer uit nadat hij het Wilhelmus had gezongen. Stakers sloegen andere NSB’ers in elkaar, een huis werd leeggeroofd, andere bekogeld. Een NSB-bruidspaar dat toevallig die dag in het huwelijk trad, vlakbij de Dam in het toenmalige stadhuis, werd bekogeld met stenen. De Zaandamse politie moest er aan te pas komen om de menigte op afstand te houden. De Duitse autoriteiten kwamen later die dag echt in actie. Op de Dam werd met scherp geschoten, slagersknecht Jan Keijzer verloor hierbij na een gericht schot het leven.

Boete

Uiteindelijk, en dat is weinigen bekend, duurde de Februaristaking het langst in de Zaanstreek, langer dan in Amsterdam. De laatste werkweigeraars gingen pas op 1 maart weer aan de slag. De Duitse autoriteiten legden Zaandam een boete op van een half miljoen gulden. Die moest worden opgebracht door de rijkste inwoners. Burgemeester Joris In ’t Veld werd met pensioen gestuurd en vervangen door de fel-antisemitische Cornelis van Ravenswaay, die uiterst actief opereerde bij de jodenvervolging. Bioscopen gingen dicht, er kwam een strenger uitgaansverbod dan elders en veel stakers kregen een korting op hun salaris.

Dirk Wijdenes was volgens zijn zoon Gerard tijdens de oorlogsjaren die volgden actief in het verzet. Hij bewaarde wapens en had onderduikers op zolder. Niet lang na de bevrijding kreeg Dirk een hersenbloeding en raakte hij verlamd. Het gezin moest het huis boven de winkel verlaten. Dirk overleed in 1970, zijn vrouw Elisabeth in 2008.

Het fotoalbum lag daarna al die tijd in een doos op een zolder.

(Dit is een bewerking van een met Harm Ede Botje geschreven artikel dat in februari 2017 in Vrij Nederland stond.)

De dood van een slagersknecht

Het neerslaan van de Februaristaking kostte in de Zaanstreek één persoon het leven. Op 26 februari 1941 werd slagersknecht Jan Keijzer dodelijk getroffen door een Duitse kogel.

Jan Keijzer (Middelie, 26-7-1920) groeide op in zijn geboortedorp, maar ging kort voor de bezetting van Nederland in de leer bij de Zaandamse slager Jan Honingh. Die had zijn winkel en woning aan de Hoogendijk 50. Kort tevoren was een eerdere knecht vertrokken en Honingh kon wel een nieuwe hulp gebruiken. Keijzer nam zijn intrek bij het echtpaar Honingh en hun kinderen, vastbesloten om het slagersvak onder de knie te krijgen.


Hoogendijk 50 (het witte pand) na de oorlog

Op 26 februari 1941 was Jan niet aan het werk. Net als vrijwel alle andere Zaanse ondernemingen hield slagerij Honingh die woensdag de deuren gesloten. Een etmaal eerder had de tegen jodendeportaties en Duits machtsmisbruik gerichte Februaristaking de Zaanstreek bereikt. Waar op dinsdag de werkonderbreking nog beperkt bleef tot enkele duizenden arbeiders, leek het de 26ste wel alsof iedereen zich bij de revolte aansloot. Dicht opeengepakt liepen de mensen door de Westzijde en over de Dam. Sommigen vergeleken het tafereel later met de viering van Derde Pinksterdag, het jaarlijkse Zaanse feest dat herinnerde aan het verdrijven van de Spaanse bezetter, vier eeuwen eerder. Gezinnen wandelden ’s middags in hun zondagse kleding langs de gesloten etalages in het stadshart. De sfeer was vrolijk en strijdbaar, alsof de Duitse bezetting zijn laatste uren inging.

In de namiddag ging Jan Keijzer naar een collega-slagerij, die van Kluft. Het was slechts enkele tientallen meters lopen van Hoogendijk 50 naar de om de hoek gelegen Nicolaasstraat 7. Pieter Honingh: “M’n vader had nog tegen hem gezegd dat hij maar beter niet de straat op kon gaan, omdat het er zo’n rommeltje was. ‘Ga maar uitbenen’, had hij hem gezegd. Maar ja, Jan ging toch kijken. (…) Op een gegeven moment waarschuwde mijn moeder dat er koffie was, maar Jan kwam niet. Hij was zonder wat te zeggen toch de deur uitgegaan. (…) Hij kende de mensen van Kluft, dus daar ging hij heen.”

http://images.memorix.nl/zaa/thumb/250x250/b00e7fee-62be-420d-b4b0-2ebee3c825cb.jpg Slagerij Kluft na de oorlog

Te beleven viel er inderdaad genoeg. Vanuit slagerij Kluft had je een goed zicht op de Dam, het drukste stukje Zaandam. Er werd daar geestdriftig gepraat en gespeculeerd. Even verderop joegen mensen NSB’ers op. De angstige nationaalsocialisten zochten een veilig heenkomen. In het verlengde van de Nicolaasstraat sneuvelden ramen bij ‘deutschfreundlichen’. De Zaandamse politie deed weinig om de opwinding in goede banen te leiden. De meeste agenten konden zich wel vinden in de vrijheidsgedachten achter de staking. Het wachten was op ingrijpen door de Duitsers.

Ordnungspolizei

Vader en zoon Kluft en Jan Keijzer stonden samen met een andere slagersknecht, Jan Hein, voor de winkel vlakbij de hoek Nicolaasstraat/Hoogendijk. Cornelis Kluft sr. had uit voorzorg de luiken van de slagerij gesloten. Het was inmiddels even na vier uur ’s middags. “Plotseling zag ik vanaf de Hoogendijk (…) een groot aantal personen hard de Nicolaasstraat inlopen, waaruit ik begreep dat vanaf de Hoogendijk de mensen verjaagd werden”, vertelde Kluft later die dag. Het groepje deed uit voorzorg een paar stappen naar achteren, van de stoep naar de deuropening van de slagerij. Jan Hein: “Plotseling kwam vanaf de Hoogendijk een groot aantal mensen hard lopende langs ons heen, dat zich in alle richtingen verspreidde. Vermoedende dat er iets bijzonders ging gebeuren, ging ik met mijn patroon en Keijzer in de winkel staan.” Kluft sr.: “Nog maar juist binnen zijnde zag ik, terwijl de deur nog openstond, een auto van de Duitse Ordnungspolizei met grote snelheid op de Hoogendijk in de richting van de Damstraat rijden.”

Vanuit het winkelportiek konden ze de grijs geschilderde militaire vrachtwagen duidelijk zien. In de laadbak bevonden zich een stuk of twintig Duitse leden van de Ordepolitie. Kluft: “Vóór ik bedoelde auto zag, hoorde ik van dichtbij meerdere schoten lossen. (…) Degenen die zich het dichtst bij de cabine bevonden, stonden met het gelaat voorwaarts, terwijl de rest zich zittend of geknield met het gezicht in achterwaartse richting bevond. Allen hadden het geweer in aanslag. Toen deze wagen ongeveer ter hoogte reed van dr. Bax, Hoogendijk no. 16 alhier, zag ik dat een der daarop aanwezige militairen zijn geweer aan de schouder bracht, in onze richting aanlegde en een schot loste. Ik sprong onmiddellijk achter de stenen muur naast mijn winkelraam en mijn knecht en Keijzer sprongen achterwaarts in de winkel en vielen op de grond.”

Czaar Peter

Er werd zowel over de hoofden van demonstranten heen als gericht gevuurd. Na de oorlog vertelde een andere getuige: “Ik liep bij het Czaar Peter-standbeeld in Zaandam toen er een vrachtwagen met een ploeg moffen erop al schietend de Dam op kwam rijden. Ik hoor nog het geratel van de kogels op dat ijzeren bord boven de Hema. Als ik langs het standbeeld fiets, dan kijk ik altijd nog even naar de gerepareerde kogelinslagen.” De munitie sloeg gaten in gevels en belandde in woningen. Het bleef echter niet bij materiële schade.

Jan Hein: “Plotseling hoorde ik een schot, waarna ik mij achterover de winkel liet vallen. Ik hoorde iets langs mijn hoofd fluiten en meende, toen ik op de grond lag, dat ik gewond was. Het suisde steeds in mijn linkeroor. Keijzer, die links naast mij in de winkel had gestaan, viel gelijk met mij. Toen ik opstond, zag ik dat hij aan zijn kin bloedde. Van schrik heb ik mij hierover niet bekommerd, doch ik ben eerst in de woonkamer achter de winkel gegaan.”

Cornelis Kluft reageerde wel alert en verleende eerste hulp: “In verband met de hevigheid van de bloeding trachtte ik de wond dicht te drukken, waarna ik zag dat het bloed ook uit zijn mond kwam. Ik zei enige malen tegen hem dat hij dat bloed moest uitspuwen. Keijzer knikte slechts met zijn hoofd en heeft verder geen teken van leven meer gegeven.” De twintigjarige Jan stierf, liggend in een almaar groeiende bloedplas, binnen enkele minuten. Enkele door Jan Hein te hulp geroepen verpleegsters van het St. Janziekenhuis konden niets meer betekenen.

 Jan Keijzer rond 1940

De kogel had Keijzers gezicht geraakt en zijn lichaam aan de achterkant verlaten. In de woorden van de Zaandamse arts/lijkschouwer Willem Levend: “Er bestaat een inschotopening rechts aan de kin en een uitschotopening aan de rugzijde ter hoogte van de zesde halswervel. Dood ten gevolge van het bekomen letsel.”

Het fatale stukje metaal had ook de betimmering van een achterliggende koelkast doorboord, een gat geslagen in de betegeling aan de binnenkant van de koeling en een lat gespleten, om te eindigen in een stuk kalfsvlees. Jan Honingh peuterde de zwaar beschadigde geweerkogel nog dezelfde avond uit de kalfsbil en gaf het bewijsmateriaal mee aan een politieman. Later kreeg hij het door een agent achterovergedrukte voorwerp terug. Het zou nog 75 jaar door het gezin worden bewaard, om vervolgens te worden overhandigd aan een lid van de familie Keijzer.

De Zaandamse politie nam contact op met de burgemeester van Middelie, die op zijn beurt Keijzers’ ouders inlichtte. Om zeven uur ’s avonds identificeerden zijn haastig naar Zaandam gereisde moeder en een zwager het slachtoffer. Zijn lichaam mocht van Zaandam naar Middelie worden vervoerd en daar begraven, mits daar geen openlijk rouwbeklag aan werd gekoppeld. De Officier van Justitie gaf op 27 februari schriftelijk toestemming voor een begrafenis, waarna burgemeester Drost regelde dat Jan Keijzer naar zijn voormalige woonplaats werd vervoerd. Op 1 maart werd hij, gedragen door de buren en slechts begeleid door naaste familie, op de begraafplaats van Middelie ter aarde besteld. Andere aanwezigen waren niet welkom. Jan droeg het witte slagersjasje dat hij de dag van zijn dood ook aanhad.

In een Zaanse krant verschenen twee rouwadvertenties, van zowel ‘de Buren en de Zaandamsche Slagersvereeniging’ als van de familie Honingh. Opvallend is dat in beide berichten werd gesproken over ‘een noodlottig ongeval’, als betrof het een dodelijke aanrijding. Het omfloerste taalgebruik sloot aan bij hetgeen de familie in Middelie van overheidswege te horen kreeg.

Voor zijn moeder kwam de dood van Jan Keijzer zo hard aan dat ze in oktober 1941 zelf ook overleed, slechts 60 jaar oud. Haar echtgenoot, Jacob, stierf een jaar later vereenzaamd. Het was 25 december 1942, een dag voor de verjaardag van zijn zoon Dirk. Kerstmis zou in de familie Keijzer nooit meer een feestdag zijn.

(Met dank aan de heer D. Keijzer)

Op 25 februari 2017 verschijnt mijn boekje De Februaristaking in de Zaanstreek. Daarin is voor het eerst gedetailleerd beschreven hoe de Februaristaking in deze regio uitpakte. De publicatie bevat ook vier unieke, in 2016 gevonden stakingsfoto’s uit Zaandam. Tot dan toe waren er slechts twee, in Amsterdam gemaakte foto’s waarvan onomstotelijk vaststaat dat ze de Februaristaking weergeven.
De Februaristaking in de Zaanstreek (64 pagina’s, €12,50) is verkrijgbaar via elke boekhandel en bij Uitgeverij Noord-Holland.

 

De dubbelrol van Dries Riphagen

Een van de grootste Nederlandse oorlogsmisdadigers was, tot zijn levensverhaal werd verfilmd, tevens een van de onbekendste. De Amsterdammer Bernardus Andreas (‘Dries’) Riphagen (7-9-1909) ontwikkelde zich tot een door antisemitisme en geldhonger gedreven souteneur, die de dood van minstens tweehonderd mensen op zijn geweten had. Een van zijn slachtoffers was de Zaandammer Jan van Lienen.
Het verhaal van een moord die de film niet haalde.

riphagen-film

De jonge Dries Riphagen is al in de jaren dertig lid van de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP), een buitengewoon antisemistische partij die Nederland wil omvormen tot een Duitse provincie. Hij combineert zijn nazi-ideaal met zijn werk als pooier, gokker en zwarthandelaar. Zijn rol in de onderwereld groeit in de vooroorlogse jaren in rap tempo en is op een gegeven moment zo groot dat Riphagen bekendheid krijgt als ‘Al Capone’. De bezetting van Nederland komt voor hem als geroepen. Door als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst te gaan werken, weet hij zijn inkomen verder te vergroten. Hij drukt geld, sieraden en andere kostbaarheden achterover bij invallen in joodse huizen. De oorspronkelijke eigenaars worden vervolgens door hem en zijn kameraden overgedragen aan de nazi’s. Met tal van onderwereldfiguren exploiteert hij verder clandestiene gokhuizen en houdt hij er een zwarte handel in deviezen, diamanten en goud op na.

Het gaat Riphagen voor de wind. Het judenrein maken van Nederland en zijn criminele aktiviteiten leveren hem een dik belegde boterham op. Door zijn contacten met hooggeplaatste nazi’s houdt hij zichzelf, bevriende zwarthandelaren en andere misdadigers uit de wind. Dat blijkt bijvoorbeeld begin 1944. Het Devisenschutzkommando (DSK) maakt jacht op zwarthandelaren, maar vist regelmatig achter het net. Wanneer er in januari 1944 een anonieme brief op het DSK-kantoor arriveert waarin de dagelijkse routine in het clandestiene Amsterdamse gokparadijs Rijswijk wordt beschreven, aangevuld met een namenlijst van de dertig belangrijkste zwarthandelaren in dat café, schakelt de DSK Riphagen in. Hij krijgt opdracht vast te stellen wat het beste tijdstip is voor een razzia. Opnieuw bewijst Al Capone een dubbele agenda te hanteren. Hij prikt als ideale datum voor de inval maandag 14 februari en haalt even voor de razzia plaatsvindt vier criminele maatjes weg uit café Rijswijk: Gerrit Verbeek, diens medewerker Folkert van den Berg, ‘Manke Toon’ Kuijper en Harry Rond. Verbeek heeft dubbel geluk. De Zaandammer Jan van Lienen, zijn grootste concurrent als bookmaker, wordt wel gearresteerd. Verbeek en Van Lienen kennen elkaar al vele jaren, zijn zelfs bevriend geweest. Maar toen Van Lienen eind jaren dertig in navolging van Verbeek bookmaker werd bij de Belgische paardenraces kwam het eind van de kameraadschap snel in zicht.

riphagen

Bookmaker
Na zijn aanhouding wordt Van Lienen naar het DSK-kantoor aan de Keizersgracht gebracht. De aan Riphagen schatplichtige Toon Kuijper en Harry Rond worden vervolgens bij hem in de cel geplaatst. Ze zijn zogenaamd eveneens gearresteerd, maar in werkelijkheid is het hun taak uit te vissen of er bij Van Lienen nog iets te halen valt. De bookmaker vertrouwt de twee en na hun vraag of ze iets voor hem kunnen doen, geeft Van Lienen het duo een briefje met instructies voor zijn vrouw Elisabeth. Maar zodra Kuijper en Rond uit hun cel ‘mogen’, spelen ze de boodschap door aan Riphagen.

‘Al Capone’ onderneemt meteen actie. Hij reist naar Zaandam, naar de bovenwoning van het echtpaar Van Lienen aan de Westzijde 77a (al dan niet toevallig ook het huis waar de nazigezinde politiecommissaris Willem Ragut woont, tot aan het moment dat hij -op 21 juni 1944- op enkele tientallen meters van zijn huis door de verzetsstrijders Hannie Schaft en Jan Bonekamp wordt doodgeschoten). Na de oorlog zal Bets van Lienen in een proces-verbaal verklaren dat haar man de veertiende februari om 11.30 uur ‘voor zaken’ de woning heeft verlaten, maar daar niet terugkeert. Dezelfde dag belt Dries Riphagen bij haar aan. Het is inmiddels 20.00 uur. Hij presenteert zich als een vriend van Jan van Lienen. Bets: “Hij zeide: ‘Ik ben André en kan ik u even spreken, want uw man is gearresteerd.’ Hij gaf mij een briefje waarop met potlood geschreven stond: ‘Bets, ik ben gearresteerd. Doe alles de deur uit. Revolver ligt in dressoir bij het lichtje, doe radiotoestellen de deur uit; alles de deur uit. Laat Koos [een compagnon, E.S.] helpen.'”

Bets pakt het in de brief genoemde wapen uit het kastje en overhandigt het aan Riphagen. “Hij zeide: ‘Die gooi ik aanstonds in de Zaan.’ Ik vertrouwde deze André volkomen in verband met het briefje. ‘En nu de radiotoestellen’, zeide hij. Wij braken de grond bij mij open en haalden daar de twee radiotoestellen uit.” Dat is het teken voor twee Duitsers in uniform om de woning binnen te stappen. “Zij dreigden ons met een revolver, en André fouilleerde Koos.” De inval is daarmee nog niet ten einde. Het huis wordt doorzocht, de brandkast geleegd en Bets van Lienen moet ook nog de plek aanwijzen waar haar echtgenoot zijn spaargeld heeft verborgen. “Het was in de straat naast ons huis verstopt. Zover ik mij herinner was dit een bedrag van ongeveer vijfduizend gulden.”

Gross-Rosen
Bets en Koos worden vervolgens afgevoerd naar het DSK-bureau in de hoofdstad. Zij wordt elf weken opgesloten in achtereenvolgens de gevangenis aan de Amstelveenseweg en het strafkamp in Vught, hij wordt drie maanden vastgezet in de Amersfoortse gevangenis. “Ik heb geen nadelige gevolgen van die gevangenschap ondervonden. Maar wel zijn van mij zeven gouden tientjes, een vijftig-dollarbiljet en een radiotoestel in beslag genomen, en wel door Riphagen”, vertelt Koos na de bevrijding. Voor Bets en Jan van Lienen is het leed groter. Bets merkt na haar vrijlating dat haar huis is geplunderd en vervolgens gevorderd door een NSB’er. Erger nog is dat haar man niet terugkomt uit gevangenschap. Jan van Lienen wordt in september 1944 gedeporteerd naar Duitsland en belandt via verschillende concentratiekampen in het Poolse Gross-Rosen. Daar bezwijkt hij aan longontsteking en uitputting.

Pas eind jaren tachtig maakt de Nederlandse Justitie serieus jacht op Riphagen. Die is echter al in 1946 met hulp van het Bureau Nationale Veiligheid uitgeweken naar achtereenvolgens Spanje en Argentinië, waar hij nauwe banden weet aan te knopen met dictator Juan Perón. Vanuit Argentinië reist Riphagen vrolijk de wereld rond. In 1973 overlijdt hij in Zwitserland, in een kliniek te Montreux, ongestraft en onontdekt. De zoektocht van Justitie is minimaal vijftien jaar te laat begonnen.

Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Hij kon echter niet altijd empathie opbrengen voor oorlogsgetroffenen. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in de Scholenstraat een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt en moest bovendien vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en tijdens de oorlog gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz
Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig vlak voor zijn vlucht naar Duitsland aan de garagehouder.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam.

In het najaar van 1948 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de heropbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, inmiddels onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.

Extreem oorlogsgeweld in de Burgemeestersbuurt

Het zijn slechts twee straten in zuidelijk Zaandam, maar de Tweede Wereldoorlog drukte er een stevig stempel op. In de Burgemeester van de Stadtstraat en de Burgemeester Ter Laanstraat wisselden leven en dood, bezetting en verzet elkaar vrijwel dagelijks af.

De meeste huizen in dit deel van de Burgemeestersbuurt werden eind jaren ’30 opgeleverd. Het waren -en zijn- in een rustige omgeving gelegen, degelijke woningen met een tuintje. Zeker destijds golden ze als prima onderkomens voor gezinnen uit de middenklasse. Het is dan ook geen toeval dat een deel van de Zaandamse ambtenaren er tijdens de oorlog een plek kreeg aangeboden. NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, die in 1942 aantrad, maakte er werk van om het Zaandamse ambtenarenkorps in hoog tempo te nazificeren en zijn nieuw aangetreden partijgenoten een passend onderdak te bezorgen. De gloednieuwe Burgemeestersbuurt was daartoe prima geschikt. Maar met de rust was het voortaan wel gedaan.

Collaborateurs

Op de naoorlogse lijsten van de Politieke Opsporingsdienst staan acht in bovengenoemde straten wonende personen als collaboratieverdachte vermeld, vooral ambtenaren. De POD-lijsten maken echter geen aanspraak op volledigheid. Bovendien verhuisden er voor de bevrijding aanbrak nationaalsocialisten uit deze wijk naar andere adressen en haalden twee daar wonende ‘landverraders’ mei 1945 niet levend. Gesteld kan dan ook worden dat de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat nog wel wat meer deutschfreundliche personen herbergden dan het POD-overzicht vrijgeeft.

Het laatste blokje van de Burgemeester van de Stadtstraat was waarschijnlijk zelfs exclusief gereserveerd voor leden van de Zaandamse (water)politie. Op nummer 123 woonde de beruchte chef van de waterpolitie, Willem Nicolaas Ehlhardt. In de woorden van BS-commandant Johann van Marle ging het hier om ‘een NSB’er‘ en iemand die ‘zich verschrikkelijk uitsloofde om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.’ Onder leiding van Ehlhardt plunderde de waterpolitie naar hartelust mensen die in de winter van 1944-’45 op hongertocht waren geweest in noordelijk Noord-Holland.

Naast Ehlhardt, op nummer 125, huisde Jan de Man, een onderluitenant van de waterpolitie. Op nummer 131 woonde volgens het telefoonboek van 1943 een niet bij naam genoemde rivierbrigadier van de politie te water en op 133 agent K. Mast. Voor zover bekend was op deze laatste politieman niets aan te merken. Achter de deuren van de tussenliggende nummers 127 en 129 hebben hoogstwaarschijnlijk ook politiebeambten gewoond. Onduidelijk is wat tussen 1940 en 1945 hun politieke achtergrond was. Dat geldt niet voor de bewoners van de Van de Stadtstraat 23, 48 en 80. Zij werden door de Politieke Opsporingsdienst eveneens als ‘fout’ beoordeeld en in mei 1945 voorafgaand aan hun berechting opgesloten in de Zaandamse districtsgevangenis.

Politiekorps Zaandam, deels. Rond 1941 (collectie R.R. Pel)
De Zaandamse politie, 1941
(collectie R.R. Pel)

In de parallel lopende Burgemeester Ter Laanstraat woonden minimaal twee collaborateurs. Achter de voordeur van nummer 120 bevond zich een door burgemeester Van Ravenswaay aangestelde medewerker van de Zaandamse gaarkeuken. Hij verdween kort na de bevrijding in de POD-arrestantenwagen. En op nummer 27 woonde Franciscus Diedericus Willemse. Deze door de illegaliteit gehate politieman zakte op 5 februari 1945 dodelijk gewond in elkaar op de hoek van de Zuiddijk en de A.F. de Savornin Lohmanstraat, getroffen door vijf of zes kogels die enkele verzetsstrijders op hem hadden afgevuurd.

Willemse was niet de enige bewoner uit deze straat op wie in februari een vuurwapen werd gericht. De 25-ste overleed Joost Zeeman. Deze 18-jarige onderduiker, wonend in de Ter Laanstraat 110, werd door Landwachters neergeschoten toen hij een Ausweis-controle probeerde te ontlopen. Enkele dagen later stierf ook de eerder genoemde Willem Ehlhardt in een kogelregen. Het toeval wilde dat dat gebeurde in de Ter Laanstraat, ter hoogte van nummer 85. Een ooggetuige, de jeugdige Jaap Plugge, was getuige van het vervolg: “Mijn kameraadje Wim zat huilend op straat naast zijn stervende vader. Een vreselijk schouwspel. Nu nog voel ik hoe beroerd ik was bij dit aangezicht. lk ben snel naar huis gegaan en pas later hoorde ik dat Ehlhardt die avond in het ziekenhuis was overleden.”

Binnen vier weken tijd werden dus drie mannen uit de Burgemeesterbuurt vermoord, twee door het gewapend verzet en een door gewapende nationaalsocialisten.

Bob Pel

Het was niet allemaal kommer en kwel in de Burgemeesterbuurt. In de Ter Laanstraat 88 woonde een van de weinige leden van de waterpolitie die aan de ‘goede’ kant stonden. En op nummer 97 bevond zich het gezin Pel. Vader Robert Rudolf was wachtmeester bij de Zaandamse politie en een van de actiefste verzetsstrijders van de Zaanstreek. De verdeeldheid bij de politie in de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat tekende de schizofrene situatie van het plaatselijke korps in bezettingstijd. De Burgemeestersbuurt als geheel kon daarnaast model staan voor de uitersten die de jaren 1940-1945 beheersten.

R.R. Pel rond 1941 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel, 1941
(collectie R.R. Pel)

Jan de Man

Had Willem Ehlhardt de oorlog overleefd, dan was hem ongetwijfeld de gevangenis ten deel gevallen. Dat overkwam wel zijn buurman en opvolger als commandant bij de waterpolitie, Jan de Man. Die werd op 8 mei 1945 opgesloten in de districtsgevangenis aan de Stationsstraat. Hij zou er tot 25 augustus van dat jaar blijven, op beschuldiging van diefstal en NSB-lidmaatschap. De Man, in zijn verweer: “De enigste oorzaak van de op mij uitgebrachte beschuldiging is dat ik op het bureau der waterpolitie met 4 man samen zat die niet safe waren. Ik werd toen voor de schurkenstreken van dit viertal beschouwd als bliksemafleider, door mij te betichten van het lidmaatschap der NSB. Een collega van mij heeft de NSB-instanties onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldiging absoluut ongegrond was.”

De politieman was in 1944 ook al opgepakt en toen naar kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd er toen door de Duitsers van verdacht wapens te hebben gestolen en in zijn huis te hebben verborgen. De Man ontsnapte na acht maanden en dook tot aan de bevrijding onder bij buurvrouw Gerritje Oldenburg in de Van de Stadtstraat 106. Dat hij na de bevrijding opnieuw werd opgepakt, moet hij hebben ervaren als een uiterst wrange speling van het lot. Zijn geluk was dat hij ontlastende verklaringen kon overleggen over hulp aan onderduikers. Eén van hen, de Amsterdammer L.H. Cohen: “Hierbij verklaar ik dat de heer Starreveld en De Man mij als Israeliet te allen tijde hebben geholpen, en het mij bekend is dat ook andere Israelieten en onderduikers door hen geholpen zijn. Dat zij alles hebben gedaan om de NSB tegen te werken en te zorgen dat niet alles in Duitse handen viel. Ik ben er dan ook van overtuigd dat zij niet ten eigen bate hebben gewerkt en verzoek u de volle medewerking om deze kwestie zoo spoedig mogelijk uit de weg te helpen.” De getuigenissen pakten goed uit. Eind augustus 1945 keerde Jan de Man voor de tweede keer terug uit gevangenschap.

 

Douwe Soepboer: vergeten verzetsgrootheid

In de verslaglegging over de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog komt de naam Douwe Soepboer regelmatig voor, maar alleen in relatie tot het opblazen van het Zaandamse Arbeidsbureau. Soepboers verzetsrol beperken tot die ene spektakeldaad doet hem echter ernstig tekort.

De succesvolle actie, in de nacht van 20 op 21 mei 1943, om het Zaandamse Arbeidsbureau te vernietigen – en daarmee de administratie die de Duitsers nodig hadden voor de Arbeitseinsatz -, is al vaker beschreven. Soepboer (1903) was onmisbaar bij deze sabotage. Minder bekend is dat dit bewakingshoofd van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen al vanaf mei 1940 illegale werkzaamheden ontplooide en een uiterst belangrijke schakel was binnen het Zaanse verzet.

Kort na de aanslag op het Arbeidsbureau kreeg de Sicherheitsdienst belangstelling voor Soepboer. Die dook daarop onder. Hij vond onder meer een schuilplaats bij de ouders van de latere premier Barend Biesheuvel, even buiten Zaandam.

In juli 1944 ging het echter alsnog mis. Toen Douwe Soepboer de 13de met medestrijder Wim Stolp ’s avonds Hoofddorp verliet om het distributiekantoor van Doesburg te beroven, reden ze een controlefuik van de Grüne Polizei binnen. Stolp gaf gas en passeerde zonder schade de controlepost, maar vloog even later wel uit de bocht en tegen een boom. Douwe Soepboer brak daarbij zijn been op drie plaatsen, had een ribfractuur en liep een hersenschudding op. Hij werd gevangen genomen door de Sicherheitsdienst. De Zaandammer had het geluk dat de directeur van de Artillerie-Inrichtingen, Frans Q. den Hollander, zijn werknemer uit Duitse handen wist te praten. Op 17 augustus 1944 was Soepboer weer op vrije voeten. De bij het auto-ongeluk opgelopen schade zou hij echter nooit meer te boven komen; hij bleef invalide. Wim Stolp werd in september 1944 geëxecuteerd in kamp Vught.

soepboer Douwe Soepboer in de jaren ’40

Douwe Soepboer, geboren in Leeuwarden en gestorven in Hoorn, schreef zijn oorlogsmemoires. Uit het hoofd, want zoals hijzelf meldde: “Ik heb er tijdens de bezetting geen dagboek op na gehouden.” Zijn goede geheugen maakte dat de genoteerde herinneringen desondanks een goed beeld geven van zijn verzetsrol.

Soepboers relaas is nooit eerder geopenbaard. Omdat het veel toevoegt aan de kennis over de Zaanse illegaliteit volgt het hieronder. Waar nodig heb ik taal- en naamfouten verbeterd en her en der wat geduid. Het zijn de enige aanpassingen. Wie meer weet van Douwe Soepboer, tussen 1940 en 1945 wonend in de Zaandamse Havenstraat 136, is welkom via info@schaapschrijft.nl

Herinneringen

“Ik denk dat het omstreeks 4 uur in de ochtend van 10 mei 1940 was, toen ik wakker werd door het rinkelen van de telefoon. Aan de andere zijde van de lijn meldde zich de controleur van de bewakingsdienst, die mij attent maakte op het geronk van vliegtuigen en daaraan als zijn mening toevoegde: ‘Ik denk dat we oorlog hebben, opzichter, want er is een luchtgevecht boven Schiphol.’

Ik was, na ongeveer 15 jaar bij gemeente- en rijkspolitie werkzaam te zijn geweest, toen als politie-opzichter en chef van de bewakingsdienst werkzaam bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen ‘De Hembrug’ te Zaandam en voelde mijn grote verantwoordelijkheid indien het vermoeden van Rijken juist bleek te zijn. Op het fabrieksterrein aangekomen wist ik al dat het inderdaad oorlog was, want onderweg had ik tegen de toen zo heldere hemel op elkaar schietende vliegtuigen waargenomen.

Via de radio hoorden we daarna al spoedig dat de Duitsers op verraderlijke wijze ons land waren binnengedrongen en daarbij op diverse plaatsen parachutisten neerlieten. Daar dezen speciaal strategische punten trachtten te bezetten, leek het mij wenselijk mij in verbinding te stellen met de Hoofdopzichter D[irk] Dral van de laboreerwerkplaatsen (springstofafdelingen). Deze was onderluitenant geweest in voormalig Ned. Indië en was voor het nemen van drastische maatregelen. Zowel allen die tot mijn bewakingspersoneel behoorden als een aantal door ons betrouwbaar geachte personen werden met vuurwapenen uitgerust. Voorts werden enige mitrailleurs in stelling gebracht en alle bosschages, welke door parachutisten als dekking konden worden gebruikt, gekapt en met de grond gelijkgemaakt. Achteraf zijn al deze maatregelen onnodig gebleken, daar geen parachutist zich heeft laten zien en eerst na de capitulatie een Duitse bezetting van de A.I. plaatsvond.

Geruchten

Gedurende de 4 oorlogsdagen gonsde het op de fabriek van geruchten, welke dikwijls op hun betrouwbaarheid moesten worden onderzocht. In overleg met de militaire instanties moesten alle personen waarvan bekend was dat zij lid waren van de NSB en konden behoren tot de 5de colonne worden aangehouden en overgebracht naar de Ripperda-kazerne te Haarlem. Hoe groot dit aantal was weet ik niet meer, maar vaststaat dat iedere inlichting over een bepaald persoon terdege moest worden nagegaan, daar niet zelden bleek dat zonder gegronde redenen beschuldigingen werden geuit.

Grote verslagenheid heerste er onder allen nadat bekend was gemaakt dat het Nederlandse leger had gecapituleerd. Meerderen met mij waren van mening dat de Duitsers ons, die verantwoordelijk waren voor de arrestatie van de NSB’ers, ter verantwoording zouden roepen en represailles tegen ons zouden nemen. In elk geval heb ik alle schriftelijke bescheiden en dossiers die ik onder me had in een oven van de ketelcentrale verbrand, waarbij ik ontdekte dat de heer Boon van de afdeling personeelszaken, die een chef van mij was en voor elke aanhouding van een NSB’er zijn fiat had gegeven, eveneens zijn aantekeningen stond te verbranden. Maar ook dit bleek later overbodig te zijn geweest.

Nadat enige dagen later de fabriek door de Duitsers was bezet bleek, tegen onze verwachting in, dat er zou worden doorgewerkt aan de vervaardiging van vuurwapenen en munitie. Dat e.e.a. tegen onze bondgenoten zou worden gebruikt leek ons vanzelfsprekend en ik meen dat velen van ons zich van toen af hebben voorgenomen de productie van alles wat met wapens en munitie te maken had zoveel mogelijk te saboteren. Maar daarbij diende men zeer voorzichtig te zijn. Immers, alle vijandig gezinde personen die door ons waren aangehouden, kwamen weer op de fabriek terug – al of niet met het gehate NSB-insigne getooid – en het spreekt vanzelf dat zij door ons als verraders werden gewantrouwd. Ten overvloede kwam daarbij nog dat er ongetwijfeld ook nog personen rondliepen die door ons niet als NSB’ers of vijandig gezinden geïdentificeerd waren, doch wel daartoe behoorden en dit maakte de kans op verraad aanzienlijk groter.

Als spoedig kwam de heer Dral mij opzoeken en deed me het voorstel om samen met de hulpopzichter Fleurbaaij het verzet aan de A.I. te organiseren en daaraan zo mogelijk leiding te geven. Daar ik mij met Dral in goed gezelschap wist (hij was een uitstekend militair en op het stuk van wapens en munitie zeer deskundig) en hij op zijn beurt voor de betrouwbaarheid van Fleurbaaij instond, ben ik op zijn voorstel ingegaan en heb daar nimmer spijt van gehad.

Op last van de bezetters moesten alle wapens en vuurwapens worden ingeleverd en deze kwamen op een centraal punt terecht, n.l. de Artillerie-Inrichtingen (hierna te noemen de A.I.). Een deel van de ingeleverde handvuurwapens werd opgeslagen in gebouw 100, hetwelk gelegen is naast de kazerne die voor het uitbreken van de oorlog huisvesting verleende aan onze militaire politie, doch nu door de bezetters in gebruik was genomen. Wij waren van mening dat het in de toekomst noodzakelijk kon zijn dat wij over een voorraad wapenen beschikten om t.z.t. behulpzaam te zijn bij het verwijderen van de bezetters. In verband daarmede besloten we om een aantal wapens uit eerdergenoemd gebouw 100 te halen en op diverse plaatsen buiten het fabrieksterrein op te slaan.

Zowel Dral als ik moesten voor de uitoefening van onze normale taak ook buiten de werktijden veel op de fabrieksterreinen zijn en voor de op het fabrieksterrein patrouillerende Duitse militairen was het niet vreemd ons op het terrein aan te treffen op tijden dat er in de diverse afdelingen van de fabriek niet gewerkt werd.

Gebouw 100

Op zekere dag – ik kan me herinneren dat het zondag was – hebben we ons toegang verschaft tot gebouw 100. Op zich was dit niet zo moeilijk, daar ik als chef van de bewakingsdienst in het bezit was van ‘moedersleutels’, teneinde in bijzondere omstandigheden mij toegang tot een bepaald gebouw te kunnen verschaffen. Het gevaar schuilde hierin dat deze opslagplaats slechts een tiental meters verwijderd was van de kazerne waarin de Grüne Polizei was ondergebracht. Eenmaal binnen ontdekten we dat alle wapens in dichtgespijkerde kisten waren verpakt en we hadden veel moeite met deze kisten zonder al te veel lawaai te openen. We hebben bij die gelegenheid plusminus 70 pistolen buitgemaakt en deze in twee emmers in veiligheid gebracht. Daar de Duitsers wel wisten dat wij geregeld voedsel voor onze konijnen op het fabrieksterrein verzamelden, bedekten we onze buit met gras en bladeren en toen we een patrouille ‘Grünen‘ ontmoetten, groette deze ons vriendelijk.

Later hebben we nog enige malen kans gezien om onze wapenvoorraad uit te breiden. Een van de plaatsen waar wij een voorraad wapens onderbrachten was de woning van de opzichter Borringa, die evenals Dral en ik woonachtig was in een dienstwoning (de Delftse rij) grenzende aan het fabrieksterrein aan de Havenstraat. Harrie, de zoon van Borringa, had hiertoe een gelegenheid gemaakt onder de vloer van hun woning en belastte zich met het onderhoud van de wapens. De Zaanse onderwijzer [Chris] Coté zorgde voor een opslagplaats in de school waaraan hij verbonden was.

Zoals bekend hebben deze wapens nimmer gediend voor het doel dat wij ons voor ogen hadden gesteld, n.l. het verdrijven van de bezetters. Echter heb ik dikwijls aan de vraag om één of meer pistolen kunnen voldoen ten behoeve van het verzet.

Loe de Jong

Alvorens verder te schrijven, wil ik er even de aandacht op vestigen dat ik tijdens de bezetting er geen dagboek op na heb gehouden i.v.m. het daaraan verbonden gevaar voor mijzelf en anderen. Toen ik na de bevrijding dan ook het verzoek ontving van de allen bekende Dr. L. de Jong om hem mijn dagboek ter inzage te doen toekomen, heb ik hem geantwoord dat ik geen dagboek had bijgehouden, doch slechts mijn herinneringen op papier had gesteld, die ik bereid was hem toe te zenden. Hierop heb ik geen antwoord ontvangen en blijkbaar bestond hiervoor geen belangstelling. Het is dus niet uitgesloten dat hetgeen ik nu verder vertel niet geheel in de juiste volgorde is.

Door een ingenieur van de A.I. ben ik al spoedig in contact gebracht met de heer [Titus W.] de Tourton Bruins, inspecteur der Registratie en Domeinen te Amsterdam. Meestal op dinsdagmiddag kwam ik bij hem op zijn bureau in de zgn. Droogbak te Amsterdam. Daar trof ik meestal een achttal oud-officieren aan en de toenmalige hoofd-stationschef de heer Jongsma. Zij vormden een verzetsgroep (of waren de leiders daarvan) en noemden zich ‘L.O.F.’, d.w.z. Legioen Oud Frontsoldaten. Uit de gevoerde gesprekken heb ik begrepen dat men over een geheime zendinstallatie beschikte en voortdurend contact had met Engeland.

Mijn taak was dat ik zoveel mogelijk gegevens doorgaf betreffende wapens- en munitietransporten vanaf de A.I. Indien een dergelijk transport per trein plaatsvond, zorgde ik dat de heer Jongsma kennis kreeg, die dan weer de uiteindelijke bestemming kon doorgeven. Hoelang mijn contact met deze groep heeft geduurd weet ik niet, maar naar ik meen niet zo lang.

Op zekere dag vernam ik dat de Tourton Bruins was gearresteerd door de S.D. en vanzelfsprekend heb ik mij in de Droogbak niet meer vertoond. Maar inmiddels zat ik niet zonder contacten. Blijkbaar doordat ik gedurende de oorlogsdagen met mijn terreinpolitie nogal wat arrestaties heb verricht, schijn ik veel vertrouwen te hebben gekregen van het fabriekspersoneel. Verzetslieden die kennis hebben aan iemand van de fabriek informeren dan bij deze of hij niet aan munitie of wapens kan komen en achterna blijkt dan dat ze mijn naam hebben genoemd als een mogelijkheid.

Een van de eersten die voor dat doel bij mij komt is een politieman uit Koog aan de Zaan. Het is Joop Keijzer en nadat over en weer vertrouwen tussen ons is ontstaan, kom ik erachter dat hij deel uitmaakt van de Stijkelgroep, die later is opgerold door de S.D. en waarvan – naar ik meen – acht personen hun vaderlandsliefde met de dood hebben moeten bekopen. Toen ik van de eerste arrestaties hoorde heb ik mij onmiddellijk naar de woning van Keijzer begeven om hem te waarschuwen. Hij bleek reeds op de hoogte te zijn van het gevaar dat hem bedreigde en ik sprak er mijn verwondering over uit dat hij nog niet was ondergedoken. Toen hij daarop zei niet te weten waar hij naartoe moest, heb ik hem naar de boerderij van de fam. Moerkerk gebracht in de Grote IJpolder, welk adres ik voor mijzelf had bestemd voor het geval ik zelf onder moest duiken. Hier bleek hij welkom te zijn. Later is hij met schotwonden toch gearresteerd en moest in het Wilhelminaziekenhuis te Amsterdam worden opgenomen. Leden van een verzetsgroep hebben hem echter weten te bevrijden en door hun onverschrokken optreden heeft hij het overleefd.

De aan de A.I. verbonden geweermaker Bertus [Lambertus] Martin bezocht mij op zekere dag en vertelde dat hij in opdracht kwam van zekere kapitein [J.W.D.] Meihuizen in Alkmaar, die graag eens met mij wilde praten. In een gesprek met deze, gearrangeerd door Martin, hoorde ik voor het eerst van het bestaan van de Landelijke Ordedienst (O.D.). Meihuizen stond rechtstreeks onder de commandant van Gewest II, de Overste [Johan G.] Wastenecker, en vroeg om mijn medewerking. Nadat ik deze had toegezegd kwam het verzoek om de levering van een aantal handvuurwapenen, i.c. pistolen en handgranaten.

Vele malen heeft Martin, die in Bergen woonde, waar zijn vader een smederij had, per motorrijwiel een vrachtje van deze wapenen na werktijd van mijn huis naar Bergen vervoerd, waar de steeds groeiende voorraad in een tuinhuisje werd opgeslagen. Alvorens ik e.e.a. aan Martin kon leveren, haalde ik de avond van tevoren deze spullen bij duisternis van de fabriek, waar Dral het voor mij had klaargelegd. Via mijn tuin, die dus aan het fabrieksterrein grensde, bracht ik ze dan in mijn woning, waar ze dan bleven totdat Martin ze ophaalde. Dat mijn vrouw daarbij veel angstige ogenblikken beleefde spreekt voor zichzelf. Vooral op die avond dat Martin het vrachtje niet, zoals afgesproken, kwam afhalen. Die avond had ik een afspraak met brigadier Van der Bunt van de Gemeentepolitie te Amsterdam. Deze had onder zijn collega’s ook enige die weer in contact stonden met verzetsstrijders en hem leverde ik enige malen pistoolpatronen, omdat de politiemannen zelf elk patroon moesten verantwoorden. Ik kon dus die avond niet thuisblijven en toen Martin niet kwam opdagen heb ik de voor hem bestemde handgranaten onder de matras van ons bed gelegd. Nadat ik in Amsterdam mijn patronen had afgeleverd – en daar het inmiddels middernacht was geworden -, verwachtte ik niet anders of mijn vrouw zou wel slapen. Maar dat was niet het geval en op mijn vraag waarom ze niet naar bed was gegaan, antwoordde ze: ‘Denk je dat ik op die gevaarlijke dingen ga slapen?’ (Ik had haar er n.l. niets van verteld.)

Arrestatie

Op zekere morgen verscheen Martin niet op zijn werk en een vriend van hem wist me te vertellen dat hij door de Duitsers gearresteerd was. Daar ik wilde weten om welke reden en of ik ook gevaar liep, heb ik die vriend i.o.m. zijn chef naar Bergen terug laten gaan, om te trachten meer aan de weet te komen. De volgende dag hoorde ik van hem (gevoegd met andere inlichtingen) ongeveer het volgende verhaal.

In de smederij van Martin kwamen enige Duitsers om daar hun vrachtwagen te repareren. Een van die Duitsers ontdeed zich daarbij van zijn koppelriem met pistool en hing die op in de smederij. In een onbewaakt ogenblik nam een broer van Bertus Martin die riem met pistool weg en bracht dit naar een tuinhuisje, waar ook van mij afkomstige handgranaten lagen opgeslagen. Toen de broer van Bertus in de smederij terugkwam was de vermissing al ontdekt en alarm geslagen. Bertus zijn broer werd verdachte en mede doordat er sneeuw lag en voetstappen in de sneeuw naar het tuinhuisje leidden viel er niets te ontkennen. In totaal werden 4 personen door de S.D. gearresteerd, t.w. Bertus Martin en zijn broer, een vriend van hen (een zekere Briefjes) en de voormalig sergeant-majoor De Kloe, die het contact onderhield tussen kapitein Meihuizen en mij.

Na dit alles aan de weet te zijn gekomen, vreesde ook ik te worden gearresteerd. Er was immers grote kans dat de moffen alles op alles zouden zetten om de herkomst van de handgranaten te ontdekken. Dat ze gruwelijke methoden gebruikten om iemand tot spreken te brengen was algemeen bekend. Als voorzorgsmaatregel sliep ik niet thuis. ’s Morgens belde ik dan Dral op en hoorde dan van hem dat alles veilig leek. Op de fabriek had ik een vertrouwde bewaker bij de portier ingedeeld en bij de komst van politie of recherche zou ik terstond worden gewaarschuwd. Dit was de eerste maal dat ik me genoodzaakt zag om onder te duiken, maar het zou niet de laatste maal zijn.

Na verloop kwam het proces, waarbij de broer van Bertus en diens vriend Briefjes ter dood werden veroordeeld en Bertus en De Kloe elk tot 15 jaar tuchthuisstraf. Laatstgenoemden zijn na de bevrijding thuisgekomen en ik hoorde toen van hen tegenover de S.D. steeds te hebben volgehouden dat de handgranaten afkomstig waren van een partij die na de capitulatie van het Nederlandse leger door soldaten daar waren achtergelaten. Dat ik Bertus Martin en De Kloe voor hun flinke houding in deze altijd dankbaar zal blijven spreekt vanzelf.

Knokploeg

Op verzoek van mijn commandant, Meihuizen, heb ik mij in verbinding gesteld met Paul Kramer, hoofd van een R.K. school te Wormer. Deze was plaatselijk commandant van de O.D. en bracht mij weer in contact met de illegale werkers Koen Rozendaal en Wim Stolp. Hun eerste verzoek gold de levering van enige pistolen met munitie, aan welk verzoek ik kon voldoen.

Met Koen heb ik veel contact gehad. Hij was commandant van de L.K.P. (Landelijke Knokploegen) te Broek in Waterland en vroeg mij meermalen advies in verband met een te ondernemen verzetsstunt. Hij was zeer moedig en een trouwe kameraad.

Ook werd ik in contact gebracht met kapitein [A.A.] Bontekoe, woonachtig in de Jocherstraat te Amsterdam. Deze behoorde tot de staf van de O.D. te Amsterdam en ook hier kwam weer de vraag aan de orde om levering van vuurwapens. Nadat ik mij in staat en bereid had getoond om aan dit verzoek te voldoen noemde hij me namen van vier personen die voor het vervoer vanaf de Hembrug naar Amsterdam zorg zouden dragen en dus een geregeld contact met mij zouden onderhouden. Deze personen waren [W.F.] Gonkel, [Frans A.F.F. van] Lokven (Marine-onderofficieren) die, als zij van plan waren mij te bezoeken zich aankondigden als ‘Van Gend en Loos’. Voorts Michels, eveneens een onderofficier van de Marine, die echter al spoedig door de S.D. is gearresteerd en ter dood gebracht. De vierde man was de heer Echthuizen uit de Floris Versterstraat te Amsterdam.

Vooral Gonkel en [Van] Lokven hebben mij veel bezocht om na het in ontvangst nemen van (meestal) handgranaten deze naar Amsterdam te vervoeren. Op zekere dag bezochten ze mij echter met een geheel ander doel en vertelden mij het volgende: Een zekere [Tj.] v.d. Ploeg, zij noemden hem luitenant v.d. Ploeg, die deel uitmaakte van de O.D.-staf te Amsterdam, was benaderd door de adjunct-onderofficier [O.O] Filipse uit Assen. Deze Filipse was een alleszins betrouwbaar verzetsstrijder en was in gezelschap van een persoon, zich noemende Johnny [de] Droog of Den Droog. Deze verklaarde tegenover v.d. Ploeg dat hij in Drenthe leider was van een grote verzetsorganisatie en o.a. de beschikking had over een zeer groot geldbedrag. Hij was nu met Filipse naar Amsterdam gekomen teneinde daar met de staf tot een bundeling te geraken en – indien dit lukte – het hiervoren bedoelde geld aan de hoofdstedelijke staf af te dragen.

Filipse, zoals later bleek ter goeder trouwe, bevestigde een en ander en [De] Droog beriep zich op een aan de A.I. werkzame opzichter Van Veen, bij wie naar hem kon worden geïnformeerd. Luitenant v.d. Ploeg was echter zeer voorzichtig en zei thans nog niet te kunnen besluiten. Afgesproken werd dat de heren op een afgesproken tijdstip elkaar weer zouden ontmoeten in een café aan de Hoogte Kadijk te Amsterdam.

Voordat v.d. Ploeg zich naar het afgesproken adres begaf zette hij diverse medewerkers – waaronder Gonkel en [Van] Lokven – uit, op verschillende punten rondom het café. Deze constateerden dat [De] Droog en Filipse op enige afstand uit een auto stapten en zich verder te voet naar de plaats van de afspraak begaven. Deze auto droeg als kenteken: G-56*** (de laatste drie cijfers kan ik mij niet meer herinneren). Inmiddels had v.d. Ploeg de beide heren beloofd dat hij in gezelschap van enige leden van de staf hen opnieuw zou ontmoeten, de volgende ochtend bij de Westelijke uitgang van het Centraal Station. Gonkel en [Van] Lokven hadden intussen bij een relatie van de politie geïnformeerd naar de herkomst van de auto en hoorden dat bedoeld kenteken was afgegeven aan het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen.

Hierbij zij opgemerkt dat alle auto’s met het provinciaal kenteken G (Noord-Holland) en in de cijferserie zesenvijftigduizend in gebruik waren bij het Rijk en de administratie daarvan berustte bij het hoofd van de garage van de A.I., de heer Stallinga. Toen dan ook Gonkel en [Van] Lokven mij verzochten een onderzoek in te stellen, heb ik mij naar Stallinga begeven die, na in de administratie te zijn gedoken, mij vertelde dat dit nummer was afgegeven aan de gevolmachtigde voor de reorganisatie van de Rijkspolitie aan de Raamweg te Den Haag. Derhalve het instituut dat van onze betrouwbare politie een foute politie moest maken.

Gewapend met de nodige argwaan heb ik daarna de door [De] Droog genoemde opzichter Van Veen opgezocht in de fabriek. Deze was aanvankelijk zeer terughoudend, maar ik slaagde erin hem wat meer spraakzaam te maken. Hij vertelde door [De] Droog enige tijd geleden te zijn benaderd, waarbij deze zich uitgaf voor een verzetsman die af en toe een schuiladres nodig had. Van Veen geloofde zijn verhaal en sindsdien kwam [De] Droog bij hem enige dagen en/of nachten doorbrengen. Droog sliep dan samen met een zoon van v. Veen op één kamer en deze zoon was zeer onder de indruk van [De] Droog, zowel door diens sterke verhalen als door de manier waarop hij goochelde met een zwaar kaliber pistool. Van Veen toonde mij daarop een foto van [De] Droog, die deze hem als bewijs van vriendschap had gegeven. Voorts toonde hij mij een metalen penning waarop het woord ‘groepsleider’ voorkwam en vertelde dat hij voor Droog een aantal van deze penningen had vervaardigd. Voor [De] Droog zelf had hij een soortgelijke penning vervaardigd, doch met het opschrift ‘Hoofdleider’.

Johnny de Droog Johnny de Droog

Uit vorenstaande trok ik de conclusie dat [De] Droog in elk geval moest worden gewantrouwd. Immers, het rijden in meergenoemde auto was verdacht, maar ook dat hij zich legitimeerde met een penning die hij zelf had laten vervaardigen. Nadat ik mijn bevindingen aan Gonkel en [Van] Lokven had medegedeeld besloten we dat zij v.d. Ploeg op de hoogte zouden brengen en hem zouden adviseren niet op het afgesproken tijdstip bij het station te zijn.

Gewapend met de foto van [De] Droog heb ik mij naar het hoofdbureau van politie te Amsterdam begeven, waar ik mij in verbinding heb gesteld met de mij bekende (goede) rechercheurs Faber en Osinga. Deze waren bereid om op het tijdstip dat de omschreven ontmoeting tussen [De] Droog en v.d. Ploeg met zijn vrienden zou plaatsvinden met mij bij het station aanwezig te zijn. Met behulp van de foto konden we dan [De] Droog herkennen, terwijl Faber en Osinga mogelijk personen in zijn gezelschap konden identificeren.

Koffiehuis

Toen wij op het afgesproken tijdstip bij het station kwamen, viel daar aanvankelijk niets bijzonders waar te nemen. Echter, veronderstelden we, dat in het koffiehuis tegenover het station wel eens enige personen aanwezig konden zijn die het op de arrestatie van v.d. Ploeg gemunt hadden. Toen wij als gewone wandelaars langs de ruiten van het koffiehuis liepen, ontdekte ik dat [De] Droog binnen zat in gezelschap van een aantal andere personen. ([De] Droog was gemakkelijk te herkennen aan zijn fors postuur en zijn volkomen kale schedel.)

Toen ik tegen Faber en Osinga van mijn herkenning vertelde, antwoordden zij: ‘De hele Euterpestraat zit binnen, met inspecteur [Antonie] Berends aan het hoofd.’ Volgens hen was laatstgenoemde een landverrader, die algemeen bekend stond als uiterst gevaarlijk. Naar ik mij meen te herinneren was deze Berends afkomstig uit Arnhem of Nijmegen. Voor ons stond het nu wel vast dat hier een stel bijeenzat met het oogmerk om v.d. Ploeg te arresteren en met hem de gehele staf uit Amsterdam op te rollen.

Wij begaven ons daarop naar de Schreierstoren, waar Gonkel en [Van] Lokven op ons wachtten. Na hen onze bevindingen te hebben medegedeeld, belden zij daarop het koffiehuis op en vroegen de heer Filipse aan de telefoon te roepen, teneinde deze te kunnen waarschuwen voor het feit dat hij zich in verkeerd gezelschap bevond. Na enige tijd kwam echter [De] Droog aan de telefoon die vertelde dat Filipse onwel was geworden en daarom niet was meegegaan. [De] Droog drong er vervolgens op aan dat in elk geval v.d. Ploeg naar hem toe zou komen, omdat hij ([De] Droog) in ieder geval aan v.d. Ploeg het geld af wou dragen. Daarna heeft Gonkel v.d. Ploeg onze bevindingen medegedeeld en is hij terstond ondergedoken.

Op mijn verzoek heeft politieagent [Jan] Thomassen uit Zaandam zich de volgende dag naar Assen begeven (de woonplaats van Filipse), teneinde de staf van de O.D. aldaar te waarschuwen. In Assen bleek men echter al te weten dat Filipse door de S.D. gearresteerd was, terwijl in Assen zelf ook reeds enige arrestaties hadden plaatsgevonden. In enige illegale bladen is kort daarna ernstig tegen Johnny [de] Droog gewaarschuwd.

Van Hall

Inmiddels bereikten mij herhaaldelijk verzoeken om de levering van vuurwapens en/of munitie. Kapitein Bontekoe leverde ik acht pistolen, die volgens hem bestemd waren voor een zekere Ir.(?) [B.] ten Bosch, die commandant zou zijn van een landelijke knokploeg (L.K.P.). Op verzoek van opzichter [Joris] Lamens van de A.I. nam ik contact op met de heer [George L.] Jambroes, die ik op zijn verzoek 2 pistolen leverde. Deze is het gelukt om naar Engeland te komen, doch is helaas het slachtoffer geworden van het ‘Englandspiel’.

Hoe ik in contact ben gekomen met Walraven van Hall weet ik niet meer. Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik hem had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.

Op zekere dag vertelde de heer Van Hall mij dat een en ander bestemd was voor een ingenieur van de N.S. Deze zou diezelfde avond met de trein te Zaandam arriveren, doch had geen tijd om zich naar de woning van Van Hall te begeven, doch moest met de eerste gelegenheid weer terug. Nadat Van Hall mij het signalement van de betrokkene had omschreven (hij had een Indisch uiterlijk), heb ik deze heer op die avond bij het station Zaandam zijn bestelling ter hand gesteld. Uit feiten achteraf vermoed ik dat het de heer [de] Vos tot Nederveen Cappel is geweest. Nadien heb ik nog enige malen een voorraadje aan Van Hall geleverd.”

Douwe Soepboer (april 1974) Douwe Soepboer (april 1974)