Berichten

Anton Stam: de vergeten verzetsstrijder

Tien mannen en vrouwen vormden in oktober 1941 de leiding van wat zou uitgroeien tot het belangrijkste verzetsblad, Vrij Nederland. In de daarop volgende maanden belandden ze bijna allemaal voor het vuurpeloton of in een cel. De overlevenden vertelden na de bevrijding hun oorlogsverhaal. Op die ene onbetrouwbaar geachte Zaandammer na, Anton Stam.
Portret van een kat met negen levens.

Nieuw: ‘Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945)’

 De Tweede Wereldoorlog was smerig en ongewis. De Zaankanters die zich keerden tegen de bezetter en zijn handlangers pionierden en probeerden, onwennig als ze waren met de spelregels van de nieuwe, nazistische orde. Dat leidde tot grootse daden, maar ook tot onzekerheden, fouten en soms bovenmenselijke spanningen.
Aan de hand van enkele tientallen Zaanse verzetsstrijders toont mijn nieuwe boek Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) zowel de veelzijdigheid van het ondergrondse werk als de zoektocht van de stoutmoedigen die tijdens de bezetting hun nek uitstaken.
Alle geportretteerden in deze publicatie namen hun verantwoordelijkheid toen het er op aankwam, soms met fatale gevolgen. Mededogen, altruïsme, (wan-)hoop, wraakgevoelens, opportunisme, levensovertuiging; er was een veelheid aan motieven om het gevecht aan te gaan. Maar wat en hoe ze dat ook deden, de uitvoerders keken niet weg. Ze kozen, daar waar de meerderheid van de bevolking zich -overigens om begrijpelijke redenen- afzijdig hield. Of die keuzes de juiste waren, viel vaak pas achteraf vast te stellen.
Strijd is een poging om de breedte te schetsen van het verzet in de regio, van de gewapende durfal tot de verzorger van onderduikers, van de ondergrondse regelneef tot de koerierster. Beoogd is om via hun wederwaardigheden zowel de diversiteit als de onvermijdelijke rommeligheid van de illegaliteit te tonen.
Strijd (140 pagina’s) kan worden gelezen als een ode aan de Zaankanters die immense risico’s opzochten in een tijd dat je ter vergroting van de overlevingskansen beter kon wegduiken. Door hun bijzondere daden voor het voetlicht te brengen, worden hopelijk ook de vele honderden andere Zaanse verzetsmensen geëerd die tot nu toe in de geschiedschrijving onzichtbaar zijn.

Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) is voor €17,50 verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en Bol.com.

Jopie Draaisma-van Doeland (1922-2018)

Op 22 maart 2018 overleed Johanna Stijntje (‘Jopie’) Draaisma-van Doeland (Koog aan de Zaan, 7-9-1922). Een paar jaar eerder interviewde ik haar, over haar illegale activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bescheiden als mevrouw Draaisma was, had ze daarover eerder vooral gezwegen. Haar overlijdensadvertentie stond in de krant op de dag dat -toeval bestaat- in het voormalige kamp Vught een expositie van start ging over verzetsvrouwen.

Jopie van Doeland moest flink aanpoten tijdens de oorlog. Niet alleen als ‘dienstje’ bij de familie Duyvis, van de gelijknamige machinefabriek, maar ook als hulp op het politiebureau in Koog aan de Zaan. Vader Klaas had daar de dagelijkse leiding en zijn dochter werd onder meer ingeschakeld om het bureau schoon te maken en de gevangenen eten en drinken te brengen. En dan was er ook nog het illegale werk. Zowel haar vader en haar verloofde Jan Draaisma – “Ik kende hem van de Parklaankerk’ – als zijzelf probeerden de nazi’s te dwarsbomen waar dat maar kon. “” Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander”” , zegt Jopie. “” Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven. Bij Eichholtz, die aan de Zaan woonde, lag bijvoorbeeld in het weekend een schuit met aardappelen. Op maandag moest die naar de Duitsers toe. Dat gaf ik meteen door aan mijn verloofde. En vervolgens is ’s nachts die schuit weggehaald. Een van de agenten werd door mijn vader niet helemaal vertrouwd. Die had avonddienst. En toen zei mijn vader tegen mij: ‘Ik zal hem bureaudienst geven.’ Opdat hij niet stomtoevallig op de Noorderbrug zou staan als ze daar met die aardappelen onderdoor boomden. En dat gaf ik dan ook weer door. Het is allemaal goed gegaan. Eichholtz keek raar op zijn neus.”

Het is één voorbeeld uit vele. Haar ondermijnende activiteiten startten dan ook al vroeg, met de bezorging van de illegale krant Trouw. “” Zo gauw als die blaadjes uitkwamen ben ik er mee begonnen. Dan kwam er iemand achterom bij ons thuis en kreeg ik een stapel Trouw. Ik had verschillende adresjes om ze heen te brengen, minstens zestien. Zo waren er bijvoorbeeld verschillende mensen in de Badhuisstraat die er eentje ontvingen. Het was de bedoeling dat ik er af en toe een kleinigheid voor kreeg. Aan wie ik dat geld gaf weet ik niet meer.” Ze ging door met rondbrengen tot aan de bevrijding, zonder in de problemen te komen. “Wel kreeg ik op een gegeven moment van degene die mij de krantjes bezorgde de vraag: ‘Wil je dáár ook heengaan? Want die is er nieuw komen wonen.’ En daar ben ik ingestonken. Achteraf is het goed gegaan, maar het had helemaal fout kunnen zijn. Ik kende die mensen helemaal niet. Dat ik dat gewoon aannam…”

 Jopie van Doeland rond 1950.

“Toen het bevolkingsregister van Koog gestolen werd, heb ik daar ook de hand in gehad. Zowel de bode op het gemeentehuis als mijn vader had een sleutel van het gemeentehuis. Ik heb Homburg – die zat ook in het verzet – die sleutel gegeven, maar wel gezegd: ‘Zorg dat-ie weer door de brievenbus wordt gegooid als jullie klaar zijn.’ Dus daar moest ik op vertrouwen. ’s Avonds of ’s nachts is het bevolkingsregister weggehaald. De volgende morgen kwam de gemeentesecretaris, mijnheer Beernink, op het gemeentehuis en toen was alles weg. Die was in alle staten.” De gemeentesecretaris begon onmiddellijk een zoektocht. “Eerst is hij natuurlijk naar de bode gegaan. Die wist nergens van en hij liep naar de schouw waar de sleutel altijd lag. En die lag er nog gewoon. En daarna kwam hij naar mijn vader. Die wilde de deur openen en zag opeens die sleutel op de mat liggen. Dus hij pakte de sleutel, deed open en zei vervolgens tegen mijnheer Beernink, die nog steeds in alle staten was: ‘Ik zal eens even kijken.’ En hij liep met die sleutel in zijn hand naar de plek waar die altijd lag. Waarna hij zei: ‘Ik heb hem hier.’ Ik ben tamelijk naïef geweest, het had mijn vader zijn kop kunnen kosten. Maar door die diefstal kon het verzet precies nakijken welke jongens er naar Duitsland hadden gemoeten. Als ze die sleutel niet hadden gehad, waren ze nergens geweest.”

Jopie van Doeland woonde in de oorlog nog bij haar ouders, pal naast het politiebureau in de Breestraat. Dat fungeerde indien noodzakelijk ook als schuilplaats. “Mijn verloofde Jan had bij ons een prachtig onderkomen. Als hij ’s avonds niet meer naar Haaldersbroek kon, lag hij boven het politiebureau op bed, met een sten onder zijn matras. Mijn vader was de hoogste op het bureau, daarom woonden we daar ook. Bij de Lindenboomschool had je een klein plantsoen met een heggetje. Jan hoorde Duitsers aankomen, dus die stapte over dat hegje. Maar hij wist niet dat daar een greppel met water achter was. Het was midden in de winter. Dus die kwam helemaal verkleumd bij ons. Toen hebben we hem stiekem naar boven gekregen en daar heeft hij zich gewassen. Maar je had helemaal geen warm water, alleen een klein fonteintje op de overloop. Toen zei hij tegen me: ‘Kom alsjeblieft even bij me liggen, zodat ik een beetje doorwarm.’ Dus ik, gewoon met mijn kleren aan, bij hem in bed. Komt opeens mijn moeder met veel lawaai die slaapkamer van Jan binnen! ‘Ben je nou helemaal….’ Ze was natuurlijk doodsbenauwd, die jongelui samen in één bed.”

“Jan heeft eens een foute neergeschoten, in de Oostzijde. Die vent stond daar in een steeg. Dat was echt een hele foute, die moest uit de weg geruimd worden. Toen is Jan teruggekomen bij ons en heeft hij op de divan gelegen. Hij was toen helemaal over de rooie. Agent Bleeker is er toen bij geweest en heeft hem echt even behandeld. Mijn zus en ik hebben hem daarna teruggebracht, zodat hij niet alleen langs de plek moest waar het was gebeurd.”

De mensen die in 1945 haar schoonouders zouden worden, hadden een joods jongetje in huis. “Een jongetje van een jaar of vijf. Die noemden we Hans. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het met Hansje afgelopen is. Hij kan er wel een half jaar geweest zijn voordat hij naar een ander adres ging. Ik vond het knap dat mijn schoonmoeder dat deed, die zorg voor dat jongetje. Ze was namelijk altijd ziekelijk.” Jopie kwam regelmatig bij haar schoonouders, onder meer om Jan te zien. “Hij had een tweepersoons kano en hij woonde op Haaldersbroek, dus dan gingen we nog wel eens het veld in, om elkaar een beetje te leren kennen. Want daar had hij er natuurlijk geen last van om opgepakt te worden.”

Ze kreeg met nog een joodse onderduiker te maken, heel even. “Die zat op de Bloemstraat, in een slaapkamer, maar ze moest daar weg. Ik moest haar eerst vertellen dat ze zich klaar moest maken voor vertrek. En daarna bracht ik haar ’s avonds naar het Zuideinde, bij Gosse Oosterbaan. Van daar zou ze weer verder gebracht worden. Een meisje valt natuurlijk niet zo op als begeleidster. Ik kwam altijd overal aan de deur, met een zendingsbusje of andere spullen. Het viel niet op.”

“Ik was niet bang in de oorlog. Ik denk dat het toch een Godsvertrouwen was; je vertrouwt op het goede en dan komt het wel voor elkaar. Ik was wat dat betreft altijd optimistisch. Ik heb er nooit slecht van geslapen, ben blijkbaar altijd heel makkelijk geweest. Die aard heb ik gelukkig. En na de oorlog hebben mijn man en ik het er nooit meer uitgebreid over gehad. Na die vijf jaar waren we zo langzamerhand wel aan iets anders toe.”

Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Hij kon echter niet altijd empathie opbrengen voor oorlogsgetroffenen. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in de Scholenstraat een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt en moest bovendien vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en tijdens de oorlog gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz
Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig aan de garagehouder vlak voor zijn vlucht naar Duitsland.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam

In het najaar van 1948 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de heropbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, inmiddels onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.

Oorlogsschaakspel met Zaanse tint in Rijksmuseum

Het Rijksmuseum maakte in het voorjaar van 2016 bekend een nieuw object op te nemen in de vaste collectie, een van papierresten gemaakt schaakspel uit 1945. Er loopt een rechtstreekse lijn van deze illegale gevangenisvlijt naar de Zaandamse verzetsstrijder Jaap Buijs.

Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek

De synagoge veranderde in een paardenstal. Op de Westzijde bewogen verzetsstrijders en nazi’s zich behoedzaam langs elkaar. De Krommenieërweg herbergde verrassend veel collaborateurs. In Oostzaan bloeide de zwarte slacht. Rond de Zaanbrug liquideerde de illegaliteit steeds meer vijanden naarmate de bevrijding dichterbij kwam. En zelfs toen de oorlog al vele maanden voorbij was, ging papierfabriek De Eendracht in Wormer gewoon door met het vernietigen van joods roofgoed.

Het is een bijna willekeurige greep uit de talloze Zaanse gebeurtenissen gedurende de bezettingstijd. Aan de hand van ruim 250 adressen toont Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek wat de jaren 1940-1945 betekenden voor de Zaanse inwoners. Het geeft een indringend en soms onthullend beeld van de uitersten waarmee ze vijf jaar lang te maken kregen. Deze door Erik Schaap gemaakte plattegrond van het ‘schuldig landschap’ in oorlogstijd is aangevuld met een uitgebreide inleiding en tientallen veelal nooit eerder gepubliceerde foto’s van bezetting en verzet, vervolging en bevrijding. De publicatie is vanaf heden verkrijgbaar in elke Nederlandse boekhandel en via onder meer Bol.com.

Uitgever: Brave New Books
Jaar van uitgave: 2016
Auteur: Erik Schaap
Aantal pagina’s: 174
Prijs: €17,95
ISBN: 9789402147292

Omslag 'Oorlogspad'

Extreem oorlogsgeweld in de Burgemeestersbuurt

Het zijn slechts twee straten in zuidelijk Zaandam, maar de Tweede Wereldoorlog drukte er een stevig stempel op. In de Burgemeester van de Stadtstraat en de Burgemeester Ter Laanstraat wisselden leven en dood, bezetting en verzet elkaar vrijwel dagelijks af.

De meeste huizen in dit deel van de Burgemeestersbuurt werden eind jaren ’30 opgeleverd. Het waren -en zijn- in een rustige omgeving gelegen, degelijke woningen met een tuintje. Zeker destijds golden ze als prima onderkomens voor gezinnen uit de middenklasse. Het is dan ook geen toeval dat een deel van de Zaandamse ambtenaren er tijdens de oorlog een plek kreeg aangeboden. NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, die in 1942 aantrad, maakte er werk van om het Zaandamse ambtenarenkorps in hoog tempo te nazificeren en zijn nieuw aangetreden partijgenoten een passend onderdak te bezorgen. De gloednieuwe Burgemeestersbuurt was daartoe prima geschikt. Maar met de rust was het voortaan wel gedaan.

Collaborateurs

Op de naoorlogse lijsten van de Politieke Opsporingsdienst staan acht in bovengenoemde straten wonende personen als collaboratieverdachte vermeld, vooral ambtenaren. De POD-lijsten maken echter geen aanspraak op volledigheid. Bovendien verhuisden er voor de bevrijding aanbrak nationaalsocialisten uit deze wijk naar andere adressen en haalden twee daar wonende ‘landverraders’ mei 1945 niet levend. Gesteld kan dan ook worden dat de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat nog wel wat meer deutschfreundliche personen herbergden dan het POD-overzicht vrijgeeft.

Het laatste blokje van de Burgemeester van de Stadtstraat was waarschijnlijk zelfs exclusief gereserveerd voor leden van de Zaandamse (water)politie. Op nummer 123 woonde de beruchte chef van de waterpolitie, Willem Nicolaas Ehlhardt. In de woorden van BS-commandant Johann van Marle ging het hier om ‘een NSB’er‘ en iemand die ‘zich verschrikkelijk uitsloofde om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.’ Onder leiding van Ehlhardt plunderde de waterpolitie naar hartelust mensen die in de winter van 1944-’45 op hongertocht waren geweest in noordelijk Noord-Holland.

Naast Ehlhardt, op nummer 125, huisde Jan de Man, een onderluitenant van de waterpolitie. Op nummer 131 woonde volgens het telefoonboek van 1943 een niet bij naam genoemde rivierbrigadier van de politie te water en op 133 agent K. Mast. Voor zover bekend was op deze laatste politieman niets aan te merken. Achter de deuren van de tussenliggende nummers 127 en 129 hebben hoogstwaarschijnlijk ook politiebeambten gewoond. Onduidelijk is wat tussen 1940 en 1945 hun politieke achtergrond was. Dat geldt niet voor de bewoners van de Van de Stadtstraat 23, 48 en 80. Zij werden door de Politieke Opsporingsdienst eveneens als ‘fout’ beoordeeld en in mei 1945 voorafgaand aan hun berechting opgesloten in de Zaandamse districtsgevangenis.

Politiekorps Zaandam, deels. Rond 1941 (collectie R.R. Pel)
De Zaandamse politie, 1941
(collectie R.R. Pel)

In de parallel lopende Burgemeester Ter Laanstraat woonden minimaal twee collaborateurs. Achter de voordeur van nummer 120 bevond zich een door burgemeester Van Ravenswaay aangestelde medewerker van de Zaandamse gaarkeuken. Hij verdween kort na de bevrijding in de POD-arrestantenwagen. En op nummer 27 woonde Franciscus Diedericus Willemse. Deze door de illegaliteit gehate politieman zakte op 5 februari 1945 dodelijk gewond in elkaar op de hoek van de Zuiddijk en de A.F. de Savornin Lohmanstraat, getroffen door vijf of zes kogels die enkele verzetsstrijders op hem hadden afgevuurd.

Willemse was niet de enige bewoner uit deze straat op wie in februari een vuurwapen werd gericht. De 25-ste overleed Joost Zeeman. Deze 18-jarige onderduiker, wonend in de Ter Laanstraat 110, werd door Landwachters neergeschoten toen hij een Ausweis-controle probeerde te ontlopen. Enkele dagen later stierf ook de eerder genoemde Willem Ehlhardt in een kogelregen. Het toeval wilde dat dat gebeurde in de Ter Laanstraat, ter hoogte van nummer 85. Een ooggetuige, de jeugdige Jaap Plugge, was getuige van het vervolg: “Mijn kameraadje Wim zat huilend op straat naast zijn stervende vader. Een vreselijk schouwspel. Nu nog voel ik hoe beroerd ik was bij dit aangezicht. lk ben snel naar huis gegaan en pas later hoorde ik dat Ehlhardt die avond in het ziekenhuis was overleden.”

Binnen vier weken tijd werden dus drie mannen uit de Burgemeesterbuurt vermoord, twee door het gewapend verzet en een door gewapende nationaalsocialisten.

Bob Pel

Het was niet allemaal kommer en kwel in de Burgemeesterbuurt. In de Ter Laanstraat 88 woonde een van de weinige leden van de waterpolitie die aan de ‘goede’ kant stonden. En op nummer 97 bevond zich het gezin Pel. Vader Robert Rudolf was wachtmeester bij de Zaandamse politie en een van de actiefste verzetsstrijders van de Zaanstreek. De verdeeldheid bij de politie in de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat tekende de schizofrene situatie van het plaatselijke korps in bezettingstijd. De Burgemeestersbuurt als geheel kon daarnaast model staan voor de uitersten die de jaren 1940-1945 beheersten.

R.R. Pel rond 1941 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel, 1941
(collectie R.R. Pel)

Jan de Man

Had Willem Ehlhardt de oorlog overleefd, dan was hem ongetwijfeld de gevangenis ten deel gevallen. Dat overkwam wel zijn buurman en opvolger als commandant bij de waterpolitie, Jan de Man. Die werd op 8 mei 1945 opgesloten in de districtsgevangenis aan de Stationsstraat. Hij zou er tot 25 augustus van dat jaar blijven, op beschuldiging van diefstal en NSB-lidmaatschap. De Man, in zijn verweer: “De enigste oorzaak van de op mij uitgebrachte beschuldiging is dat ik op het bureau der waterpolitie met 4 man samen zat die niet safe waren. Ik werd toen voor de schurkenstreken van dit viertal beschouwd als bliksemafleider, door mij te betichten van het lidmaatschap der NSB. Een collega van mij heeft de NSB-instanties onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldiging absoluut ongegrond was.”

De politieman was in 1944 ook al opgepakt en toen naar kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd er toen door de Duitsers van verdacht wapens te hebben gestolen en in zijn huis te hebben verborgen. De Man ontsnapte na acht maanden en dook tot aan de bevrijding onder bij buurvrouw Gerritje Oldenburg in de Van de Stadtstraat 106. Dat hij na de bevrijding opnieuw werd opgepakt, moet hij hebben ervaren als een uiterst wrange speling van het lot. Zijn geluk was dat hij ontlastende verklaringen kon overleggen over hulp aan onderduikers. Eén van hen, de Amsterdammer L.H. Cohen: “Hierbij verklaar ik dat de heer Starreveld en De Man mij als Israeliet te allen tijde hebben geholpen, en het mij bekend is dat ook andere Israelieten en onderduikers door hen geholpen zijn. Dat zij alles hebben gedaan om de NSB tegen te werken en te zorgen dat niet alles in Duitse handen viel. Ik ben er dan ook van overtuigd dat zij niet ten eigen bate hebben gewerkt en verzoek u de volle medewerking om deze kwestie zoo spoedig mogelijk uit de weg te helpen.” De getuigenissen pakten goed uit. Eind augustus 1945 keerde Jan de Man voor de tweede keer terug uit gevangenschap.

 

De Zaanse bejaarden in Hierden (?)

De Zaanstreek telt tientallen oorlogsmonumenten, variërend van standbeelden tot gedenkplaten. Maar ook buiten de regio zijn Zaanse herinneringen terug te vinden aan de jaren 1940-’45. Zoals in het Veluwedorp Hierden, waar op een plaquette Zaanse bejaarden worden gememoreerd die daar gedurende de bezettingstijd in een kasteel verbleven.

Aan de zijkant van het imposante Hierdense kasteel De Essenburgh hangt een plaquette waarop de bewoners worden genoemd die daar gedurende de oorlogstijd hun dagen en nachten sleten. Tussen ‘Duitse Wehrmacht’ en ‘Herman Göring Divisie’ staat daar de tekst ‘Bejaarden uit de Zaanstreek’. Maar hoe, waarom en wanneer belandden die senioren in dit statige slot?

Bernard Carp

Laten we eerst een blik werpen op Bernard Carp, die zich sinds 1938 de trotse eigenaar van De Essenburgh mocht noemen. Hij combineerde het beheer met het directielidmaatschap van het eeuwenoude likeur- en jeneverbedrijf Lucas Bols. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het beroemde drankenbedrijf pragmatisch, zo niet opportunistisch te werk. Enerzijds steunde de onderneming c.q. Carp -met name gedurende de tweede oorlogshelft- de illegaliteit. Anderzijds leverde het met grote gulheid flessen alcohol aan de vijand. Het leverde Lucas Bols miljoenen guldens omzet op.

In 1948 oordeelde het Amsterdamse Tribunaal dat Bols ‘veel meer aan de vijand [had] geleverd dan gelet op haar positie nodig was‘. Wie Carps naoorlogse strafrechtdossier doorneemt, ziet dat de drank inderdaad met duizenden liters tegelijk richting Weermacht ging. Het werd met name directeur Carp aangerekend.

Desondanks wist Bernard Carp na de bevrijding de persoonlijke schade beperkt te houden. Wetend dat hem een vervolging te wachten stond, lukte het hem om in 1946 een paspoort te bemachtigen en naar Zuid-Afrika te vluchten. Daar zette hij zijn werk voor de firma Bols voort. Hoe hij, als collaboratieverdachte, aan dat paspoort kwam was een raadsel. De voor de uitgifte verantwoordelijke ambtenaren wezen naar elkaar en de opsporingsdiensten konden, ondanks een stevig onderzoek, geen schuldige traceren.
Bernard Carp Bernard ‘Berend’ Carp

Terwijl Carp in Kaapstad zijn luxe leven voortzette, begon er in Nederland een proces tegen hem. Het leidde er toe dat hij wegens collaboratie bij verstek werd veroordeeld tot drie jaar celstraf, plus een boete van 50.000 gulden. Dat geld betaalde de kasteeleigenaar, in etappes. Uit Zuid-Afrika terugkeren om de rest van zijn straf te ondergaan deed hij echter niet.

In 1953, toen de Tweede Wereldoorlog wat naar de achtergrond zakte, vroeg en kreeg Carp zelfs gratie. De boete bleef gehandhaafd, maar koningin Juliana zette haar handtekening onder een Koninklijk Besluit dat hem vrijwaarde van verdere vervolging. Bernard Carp zou niet de geschiedenis ingaan als collaborateur-met-strafblad, maar als Olympisch zeiler en succesvol directeur. De royale leveringen aan het nationaalsocialistische regime verhinderden zelfs niet dat Lucas Bols in 1970 het predikaat ‘koninklijk’ verwierf, normaal gesproken een eerbetoon aan bedrijven met een smetteloos blazoen.

De Essenburgh

Terug naar Carps kasteel en de plaquette. In het uitgebreide strafdossier van de kasteelheer is helaas zo goed als niets te vinden over De Essenburgh. Veel verder dan de vermelding dat hij er de eigenaar van was gaat het niet. En dus valt uit de vele honderden justitiële papieren in zijn Nationaal Archief-dossier ook niet op te maken hoe het zat met de Zaanse bejaarden en andere oorlogslogés op het kapitale landgoed.

Essenburgh De Essenburgh

De Zaanse broers Dick en Joop Wals staken eind 2015 hun licht op bij een dochter van de vrouw die wellicht verantwoordelijk was voor de bejaardenverhuizing naar Hierden. Nel Bruidegom werkte tot 1942 als verpleegster in een Zaandams ziekenhuis. Om welke dat ging leert het Zaanse adresboek van 1941. ‘P.C. Bruidegom’ was gehuisvest in de Frans Halsstraat 29. Daar stond het Gemeenteziekenhuis. Nel Bruidegom werkte er aanvankelijk als leerling-verpleegster, maar kreeg op 22 april  1942 het ‘diploma A (Algemeene ziekenverpleging)’ overhandigd. Vier jaar eerder wist ze al het diploma ‘voor de verpleging van zenuwzieken en zwakzinnigen’ te behalen. Ze was dus een allround-verpleegster.

Vier maanden na haar diplomering in Zaandam tekende ze een arbeidsovereenkomst in het noodziekenhuis Waterland, dat in Velsen lag. Ze kreeg daar bovendien kost en inwoning en verliet dus de Zaanstreek. Lang bleef ze echter niet in Velsen, dat door de Duitsers werd ontruimd met het oog op een mogelijk geallieerde aanval op de kust. Via een ziekenhuis op de Grebbeberg kwam zuster Bruidegom uiteindelijk terecht in De Essenburgh, dat eveneens als noodverzorgingshuis fungeerde. Ze werd er aangenomen als onder-directrice en had dus promotie gemaakt.

Het werd desondanks een kort uitstapje: na haar verhuizing naar Hierden trouwde Nel Bruidegom met een plaatselijke weduwnaar, Jouk Hop. En gehuwde vrouwen konden een vaste baan als verpleegster of zelfs onder-directrice wel vergeten. Op 16 augustus 1943 ontving ze dan ook van J.F.F. Götz, de directeur van het Bureau Afvoer Burgerbevolking, een bedankje ‘voor uw aan de evacuatie bewezen diensten’.

Brief Ontslagbrief Nel Bruidegom

Wellicht is in de laatste zin van Bruidegoms ontslagbrief het verband te lezen tussen de ‘bejaarden uit de Zaanstreek’ en De Essenburgh. Zou het kunnen dat zij de ‘evacuatie’ van een groep Zaankanters op leeftijd naar Hierden had geregeld? Of is er op die ver na de oorlog aangebrachte plaquette een fout gemaakt, en betrof het in werkelijkheid senioren uit bijvoorbeeld het door de Duitsers ontruimde Velsen?

Het verlossende woord zal waarschijnlijk komen van Harderwijker Martijn Pijnenburg. Deze plaatselijke politicus annex geschiedvorser legt momenteel de laatste hand aan een boek over de geschiedenis van De Essenburgh. Hij laat op de vraag wat de Zaanse bejaarden daar in 1940-1945 deden alleen los dat ‘zij waren geëvacueerd’. “Kort in Hierden, later o.a. in Barneveld.”

Wellicht dat in zijn boek ook uitsluitsel komt over onderstaande personen, in 1943 gefotografeerd bij De Essenburgh. Het zouden joodse onderduikers zijn, die er enkele weken een schuilplek vonden.


(Collectie J. Bak)

We wachten het boek af. Wie in de tussentijd meer weet te vertellen over bijgaande raadselachtige plaquette of de mensen op de foto’s mag het melden: info@schaapschrijft.nl.

Hierden
De plaquette in Hierden (foto Carel van der Linde)

De joodse geschiedenis werd in Wormer vermalen

In de gemeente Wormer werden honderden tonnen joods erfgoed vernietigd. In opdracht van de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog, door de Nederlanders kort daarna. Gebedenboeken, Thorarollen, eeuwenoude heilige geschriften; dag na dag verdwenen de geroofde kostbaarheden in de stortkokers van papierfabriek Van Gelder.

Kort nadat in het najaar van 1942 de eerste grootschalige razzia’s op Amsterdamse joden plaatsvonden, zagen de inwoners van Wormer wekenlang volgeladen vrachtwagens het dorp inrijden. Elke werkdag kwamen ze langs. De inhoud van de door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bestond uit zakken en dozen vol boeken en documenten. Ze waren bestemd voor Van Gelder Zonen, de grootste werkgever van het dorp. De arbeiders daar hadden als taak om de aangevoerde lading tot pulp te vermalen, opdat er daarna nieuw papier van kon worden gemaakt.

Gelder
Van Gelder in de jaren ’30

De Van Gelder-werknemers hadden al snel door waarom de geleverde papiermassa met zoveel geheimzinnigheid en bewaking werd omgeven. Een voormalige sous-chef van het bedrijf: “Dat waren joodse boeken, massa’s en massa’s. Nooit heb ik geweten dat joodse mensen zo geletterd waren. Van alles was erbij. Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament met Hebreeuwse letters zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.”

Het vernietigen van wat hij noemde ‘hun geestelijke nalatenschap’ ging deze werknemer aan het hart. “Fantastische folianten waren daarbij. Van die geweldige boekdelen in leer gebonden, we konden ze nauwelijks dragen. Een lap leer, dat was iets waard in 1942. Met een zakmes waren die lappen leer er afgesneden. Die zijn zeker als schoenzolen geëindigd. Koperen, zilveren en gouden beslag en sloten waren er afgerukt. Van die grote rollen perkament om stokken gewikkeld. En ook veel kleinere rollen. ’t Was verschrikkelijk.”

Thorarollen

De folianten waren waarschijnlijk delen van de Talmoed, de grote perkamenten Thorarollen en de kleinere Estherrollen. Bovengenoemde naamloze arbeider schatte de hoeveelheid tijdens de oorlog vernietigde judaïca op zeven- à achthonderd ton, een immense papierstapel. “Ik had daar mede de verantwoordelijkheid voor die afdeling”, vertelde hij. “Je kon maar niet alles in die papiermolen smijten. Harde kaften, linnen, leer, doek, hout, steen, enz., dat moest er allemaal uitgesorteerd. Dat ging op de afvalhoop. Zo had ik de gelegenheid veel van dat spul in mijn handen te nemen. Prachtige familiealbums heb ik gezien. Van die imposante koppen met baarden. Hotsee, alles de molen in. Schnell! Schnell!”

Een andere getuige, de voormalige directeur van Van Gelder, herinnerde zich dat er onder meer een joodse huwelijksbaldakijn werd afgeleverd. “Die moest er natuurlijk uit. Van doek kunnen we geen papier maken.” Op de centrale verzamelplaats in Amsterdam werd blijkbaar niet al te nauwkeurig gekeken wat in Wormer tot pulp vermalen moest worden. Slechts een enkele keer kon er iets worden gered; de Duitse toezichthouders letten goed op dat alles werd vermalen. Maar bij de ‘mestvlet’, de afvalschuit waarop de restanten belandden die niet tussen de papierresten thuishoorden, viel nog wel eens iets achterover te drukken.

Gebedenboek

In 1969 somde een verslaggever van dagblad De Tijd op wat hij tijdens een rondgang door Wormer zoal tegenkwam, thuis bij de bewoners. “Een boekje Bloemen uit het Heilige Land, souvenir uit het voormalige Palestina, houten omslag. Het titelblad van een Hebreeuws gebedenboek uit 1722, een titelblad van een gebedenboek voor Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag, gedrukt bij Proops te Amsterdam. Het titelblad van een Hebreeuws Bijbelboek (Genesis). Die titelbladen waren met de harde kaften van de boeken gerukt. Een piepklein woordenboekje, Duits-Hebreeuws, zo groot als een lucifersdoosje. Het was bij het leggooien van zo’n zak wat opzij gerold en een van de arbeiders wist het weg te schoppen en haalde het later op. Een op zijde gedrukt krantje ter ere van de koperen bruiloft van Isaac N. Calisch en Gustava Calisch, van hun kinderen Hendrik Isaäc Calisch, Morits Calisch en Henriëtte Sara Calisch. Degeen die die in zijn bezit had, herinnerde zich ook nog gebedsriemen en ‘die buisjes, die joodse mensen aan hun deur hebben’ (mezoezot). Dan een poëziealbum, gebonden in hout met ijzerbeslag, op 20-5-1885 geschonken aan Thérèse Molling te Hannover, waarvan de laatste bladzijde dit opschrift draagt: ‘An meine liebe Grossmutter. Wer dich noch lieber hat als ich. Der schreibe sich hinter mich. Den 27. Dezember 1936, dein Enkelkind Margot’.”

Lehren

Zijn opzienbarendste vondst deed verslaggever M. van Tijn bij een voormalig chemicus van Van Gelder: acht brieven aan de Amsterdamse broers Hirsch (1784-1853) en Akiba (1795-1876) Lehren. Dat waren twee vrome, rijke joodse notabelen die veel charitatieve activiteiten ontplooiden. De acht brieven beslaan een periode van dertig jaar en gaan vooral over financiële aangelegenheden. Hoe de ex-chemicus ze in zijn bezit kreeg wist hij niet meer, maar dat ze tijdens de oorlog uit de Van Gelderfabriek werden gered stond hem nog wel voor de geest. Hij heeft ze, een kwart eeuw na de bevrijding, alsnog afgestaan aan de Bibliotheca Rosenthaliana in Amsterdam.

Akiba Lehren Hirsch Lehren Hirsch Lehren

Wormer
Een deel van de bij Van Gelder geredde brieven aan de Amsterdamse broers Lehren.

In het najaar van 1944 begon de bezetter met het leegroven van de Van Gelderfabriek. De inventaris, zo was de bedoeling, moest ten goede komen aan de Duitse oorlogsindustrie. Maar terwijl de nazi’s het bedrijf overdag ontmantelden, haalde het regionale verzet er ’s nachts machines weg, in een poging ze te behouden voor Nederland. Het versnipperen van oud papier kwam daarmee ten einde. Wat de Duitsers in dat laatste oorlogsjaar nog binnenbrachten aan joodse roofbuit werd daarom in een hal op het Van Gelderterrein opgeslagen.

Na de bevrijding

Toen de heringerichte fabriek in 1946 weer begon te draaien, werd besloten om de resterende joodse boeken en documenten als vanouds te vermalen. Papier was schaars in de naoorlogse jaren en die voorraad ongebruikt laten werd als verspilling beschouwd. En dus verdwenen er opnieuw tonnen aan al dan niet kostbare joodse eigendommen in de stortkokers. Volgens Klaas Kemp, die in 1944 bij het bedrijf kwam werken, begon de vernietiging van joodse boeken ‘pas goed’ in maart 1946, samen met het ingezamelde Duitse propagandamateriaal. Sommige werknemers van Van Gelder waren volgens Kemps collega Fokke Post ‘gek op die jodenbibliotheken. Dat was het grote werk. Het was er gezellig en ach, laten we eerlijk wezen, je vond wel eens wat’. Zowel de boeken zelf, soms in leer gebonden en met goud op snee, als de kostbaarheden die de voormalige eigenaars tijdens de oorlog in uithollingen hadden verstopt, waren geliefd.

‘Machine 10’ was de eerste die na de oorlog weer in gebruik werd genomen en tevens degene waar de joodse inboedels terechtkwamen. Fokke Post: “Dat ding maakte van prut papier.” Ook in die prut troffen de werknemers nog wel eens joodse kostbaarheden aan. Post: “De jongens die daar bij de verzamelplaats werkten, vonden het meeste en hadden een potje, waarvan ze elk jaar een dagje uitgingen.” Kemp, in 1983: “Je moest alles zien in verband met de schaarste. Het was een fijn stel mensen, zeker geen NSB’ers.” Zijn echtgenote: “De mensen gingen stelen, het gebrek dwong ze ertoe dingen te doen die ze normaal niet deden.”

Fokke Post, tot slot, over de roof van joods bezit bij Van Gelder: “Hier in Wormer is er nog gerust het een en ander van de joden te vinden. Het werd niet beschouwd als diefstal, ben je gek, het was een publiek geheim. In en vlak na de oorlog was er een grote saamhorigheid in het dorp.”

Voor dit artikel is onder meer gebruikgemaakt van dagblad De Tijd (3-5-1969), het Nieuw Israelietisch Weekblad (2-12-1983) en J. Pressers boek Ondergang.

Douwe Soepboer: vergeten verzetsgrootheid

In de verslaglegging over de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog komt de naam Douwe Soepboer regelmatig voor, maar alleen in relatie tot het opblazen van het Zaandamse Arbeidsbureau. Soepboers verzetsrol beperken tot die ene spektakeldaad doet hem echter ernstig tekort.

De succesvolle actie, in de nacht van 20 op 21 mei 1943, om het Zaandamse Arbeidsbureau te vernietigen – en daarmee de administratie die de Duitsers nodig hadden voor de Arbeitseinsatz -, is al vaker beschreven. Soepboer (1903) was onmisbaar bij deze sabotage. Minder bekend is dat dit bewakingshoofd van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen al vanaf mei 1940 illegale werkzaamheden ontplooide en een uiterst belangrijke schakel was binnen het Zaanse verzet.

Kort na de aanslag op het Arbeidsbureau kreeg de Sicherheitsdienst belangstelling voor Soepboer. Die dook daarop onder. Hij vond onder meer een schuilplaats bij de ouders van de latere premier Barend Biesheuvel, even buiten Zaandam.

In juli 1944 ging het echter alsnog mis. Toen Douwe Soepboer de 13de met medestrijder Wim Stolp ’s avonds Hoofddorp verliet om het distributiekantoor van Doesburg te beroven, reden ze een controlefuik van de Grüne Polizei binnen. Stolp gaf gas en passeerde zonder schade de controlepost, maar vloog even later wel uit de bocht en tegen een boom. Douwe Soepboer brak daarbij zijn been op drie plaatsen, had een ribfractuur en liep een hersenschudding op. Hij werd gevangen genomen door de Sicherheitsdienst. De Zaandammer had het geluk dat de directeur van de Artillerie-Inrichtingen, Frans Q. den Hollander, zijn werknemer uit Duitse handen wist te praten. Op 17 augustus 1944 was Soepboer weer op vrije voeten. De bij het auto-ongeluk opgelopen schade zou hij echter nooit meer te boven komen; hij bleef invalide. Wim Stolp werd in september 1944 geëxecuteerd in kamp Vught.

soepboer Douwe Soepboer in de jaren ’40

Douwe Soepboer, geboren in Leeuwarden en gestorven in Hoorn, schreef zijn oorlogsmemoires. Uit het hoofd, want zoals hijzelf meldde: “Ik heb er tijdens de bezetting geen dagboek op na gehouden.” Zijn goede geheugen maakte dat de genoteerde herinneringen desondanks een goed beeld geven van zijn verzetsrol.

Soepboers relaas is nooit eerder geopenbaard. Omdat het veel toevoegt aan de kennis over de Zaanse illegaliteit volgt het hieronder. Waar nodig heb ik taal- en naamfouten verbeterd en her en der wat geduid. Het zijn de enige aanpassingen. Wie meer weet van Douwe Soepboer, tussen 1940 en 1945 wonend in de Zaandamse Havenstraat 137, is welkom via info@schaapschrijft.nl

Herinneringen

“Ik denk dat het omstreeks 4 uur in de ochtend van 10 mei 1940 was, toen ik wakker werd door het rinkelen van de telefoon. Aan de andere zijde van de lijn meldde zich de controleur van de bewakingsdienst, die mij attent maakte op het geronk van vliegtuigen en daaraan als zijn mening toevoegde: ‘Ik denk dat we oorlog hebben, opzichter, want er is een luchtgevecht boven Schiphol.’

Ik was, na ongeveer 15 jaar bij gemeente- en rijkspolitie werkzaam te zijn geweest, toen als politie-opzichter en chef van de bewakingsdienst werkzaam bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen ‘De Hembrug’ te Zaandam en voelde mijn grote verantwoordelijkheid indien het vermoeden van Rijken juist bleek te zijn. Op het fabrieksterrein aangekomen wist ik al dat het inderdaad oorlog was, want onderweg had ik tegen de toen zo heldere hemel op elkaar schietende vliegtuigen waargenomen.

Via de radio hoorden we daarna al spoedig dat de Duitsers op verraderlijke wijze ons land waren binnengedrongen en daarbij op diverse plaatsen parachutisten neerlieten. Daar dezen speciaal strategische punten trachtten te bezetten, leek het mij wenselijk mij in verbinding te stellen met de Hoofdopzichter D[irk] Dral van de laboreerwerkplaatsen (springstofafdelingen). Deze was onderluitenant geweest in voormalig Ned. Indië en was voor het nemen van drastische maatregelen. Zowel allen die tot mijn bewakingspersoneel behoorden als een aantal door ons betrouwbaar geachte personen werden met vuurwapenen uitgerust. Voorts werden enige mitrailleurs in stelling gebracht en alle bosschages, welke door parachutisten als dekking konden worden gebruikt, gekapt en met de grond gelijkgemaakt. Achteraf zijn al deze maatregelen onnodig gebleken, daar geen parachutist zich heeft laten zien en eerst na de capitulatie een Duitse bezetting van de A.I. plaatsvond.

Geruchten

Gedurende de 4 oorlogsdagen gonsde het op de fabriek van geruchten, welke dikwijls op hun betrouwbaarheid moesten worden onderzocht. In overleg met de militaire instanties moesten alle personen waarvan bekend was dat zij lid waren van de NSB en konden behoren tot de 5de colonne worden aangehouden en overgebracht naar de Ripperda-kazerne te Haarlem. Hoe groot dit aantal was weet ik niet meer, maar vaststaat dat iedere inlichting over een bepaald persoon terdege moest worden nagegaan, daar niet zelden bleek dat zonder gegronde redenen beschuldigingen werden geuit.

Grote verslagenheid heerste er onder allen nadat bekend was gemaakt dat het Nederlandse leger had gecapituleerd. Meerderen met mij waren van mening dat de Duitsers ons, die verantwoordelijk waren voor de arrestatie van de NSB’ers, ter verantwoording zouden roepen en represailles tegen ons zouden nemen. In elk geval heb ik alle schriftelijke bescheiden en dossiers die ik onder me had in een oven van de ketelcentrale verbrand, waarbij ik ontdekte dat de heer Boon van de afdeling personeelszaken, die een chef van mij was en voor elke aanhouding van een NSB’er zijn fiat had gegeven, eveneens zijn aantekeningen stond te verbranden. Maar ook dit bleek later overbodig te zijn geweest.

Nadat enige dagen later de fabriek door de Duitsers was bezet bleek, tegen onze verwachting in, dat er zou worden doorgewerkt aan de vervaardiging van vuurwapenen en munitie. Dat e.e.a. tegen onze bondgenoten zou worden gebruikt leek ons vanzelfsprekend en ik meen dat velen van ons zich van toen af hebben voorgenomen de productie van alles wat met wapens en munitie te maken had zoveel mogelijk te saboteren. Maar daarbij diende men zeer voorzichtig te zijn. Immers, alle vijandig gezinde personen die door ons waren aangehouden, kwamen weer op de fabriek terug – al of niet met het gehate NSB-insigne getooid – en het spreekt vanzelf dat zij door ons als verraders werden gewantrouwd. Ten overvloede kwam daarbij nog dat er ongetwijfeld ook nog personen rondliepen die door ons niet als NSB’ers of vijandig gezinden geïdentificeerd waren, doch wel daartoe behoorden en dit maakte de kans op verraad aanzienlijk groter.

Als spoedig kwam de heer Dral mij opzoeken en deed me het voorstel om samen met de hulpopzichter Fleurbaaij het verzet aan de A.I. te organiseren en daaraan zo mogelijk leiding te geven. Daar ik mij met Dral in goed gezelschap wist (hij was een uitstekend militair en op het stuk van wapens en munitie zeer deskundig) en hij op zijn beurt voor de betrouwbaarheid van Fleurbaaij instond, ben ik op zijn voorstel ingegaan en heb daar nimmer spijt van gehad.

Op last van de bezetters moesten alle wapens en vuurwapens worden ingeleverd en deze kwamen op een centraal punt terecht, n.l. de Artillerie-Inrichtingen (hierna te noemen de A.I.). Een deel van de ingeleverde handvuurwapens werd opgeslagen in gebouw 100, hetwelk gelegen is naast de kazerne die voor het uitbreken van de oorlog huisvesting verleende aan onze militaire politie, doch nu door de bezetters in gebruik was genomen. Wij waren van mening dat het in de toekomst noodzakelijk kon zijn dat wij over een voorraad wapenen beschikten om t.z.t. behulpzaam te zijn bij het verwijderen van de bezetters. In verband daarmede besloten we om een aantal wapens uit eerdergenoemd gebouw 100 te halen en op diverse plaatsen buiten het fabrieksterrein op te slaan.

Zowel Dral als ik moesten voor de uitoefening van onze normale taak ook buiten de werktijden veel op de fabrieksterreinen zijn en voor de op het fabrieksterrein patrouillerende Duitse militairen was het niet vreemd ons op het terrein aan te treffen op tijden dat er in de diverse afdelingen van de fabriek niet gewerkt werd.

Gebouw 100

Op zekere dag – ik kan me herinneren dat het zondag was – hebben we ons toegang verschaft tot gebouw 100. Op zich was dit niet zo moeilijk, daar ik als chef van de bewakingsdienst in het bezit was van ‘moedersleutels’, teneinde in bijzondere omstandigheden mij toegang tot een bepaald gebouw te kunnen verschaffen. Het gevaar schuilde hierin dat deze opslagplaats slechts een tiental meters verwijderd was van de kazerne waarin de Grüne Polizei was ondergebracht. Eenmaal binnen ontdekten we dat alle wapens in dichtgespijkerde kisten waren verpakt en we hadden veel moeite met deze kisten zonder al te veel lawaai te openen. We hebben bij die gelegenheid plusminus 70 pistolen buitgemaakt en deze in twee emmers in veiligheid gebracht. Daar de Duitsers wel wisten dat wij geregeld voedsel voor onze konijnen op het fabrieksterrein verzamelden, bedekten we onze buit met gras en bladeren en toen we een patrouille ‘Grünen‘ ontmoetten, groette deze ons vriendelijk.

Later hebben we nog enige malen kans gezien om onze wapenvoorraad uit te breiden. Een van de plaatsen waar wij een voorraad wapens onderbrachten was de woning van de opzichter Borringa, die evenals Dral en ik woonachtig was in een dienstwoning (de Delftse rij) grenzende aan het fabrieksterrein aan de Havenstraat. Harrie, de zoon van Borringa, had hiertoe een gelegenheid gemaakt onder de vloer van hun woning en belastte zich met het onderhoud van de wapens. De Zaanse onderwijzer [Chris] Coté zorgde voor een opslagplaats in de school waaraan hij verbonden was.

Zoals bekend hebben deze wapens nimmer gediend voor het doel dat wij ons voor ogen hadden gesteld, n.l. het verdrijven van de bezetters. Echter heb ik dikwijls aan de vraag om één of meer pistolen kunnen voldoen ten behoeve van het verzet.

Loe de Jong

Alvorens verder te schrijven, wil ik er even de aandacht op vestigen dat ik tijdens de bezetting er geen dagboek op na heb gehouden i.v.m. het daaraan verbonden gevaar voor mijzelf en anderen. Toen ik na de bevrijding dan ook het verzoek ontving van de allen bekende Dr. L. de Jong om hem mijn dagboek ter inzage te doen toekomen, heb ik hem geantwoord dat ik geen dagboek had bijgehouden, doch slechts mijn herinneringen op papier had gesteld, die ik bereid was hem toe te zenden. Hierop heb ik geen antwoord ontvangen en blijkbaar bestond hiervoor geen belangstelling. Het is dus niet uitgesloten dat hetgeen ik nu verder vertel niet geheel in de juiste volgorde is.

Door een ingenieur van de A.I. ben ik al spoedig in contact gebracht met de heer [Titus W.] de Tourton Bruins, inspecteur der Registratie en Domeinen te Amsterdam. Meestal op dinsdagmiddag kwam ik bij hem op zijn bureau in de zgn. Droogbak te Amsterdam. Daar trof ik meestal een achttal oud-officieren aan en de toenmalige hoofd-stationschef de heer Jongsma. Zij vormden een verzetsgroep (of waren de leiders daarvan) en noemden zich ‘L.O.F.’, d.w.z. Legioen Oud Frontsoldaten. Uit de gevoerde gesprekken heb ik begrepen dat men over een geheime zendinstallatie beschikte en voortdurend contact had met Engeland.

Mijn taak was dat ik zoveel mogelijk gegevens doorgaf betreffende wapens- en munitietransporten vanaf de A.I. Indien een dergelijk transport per trein plaatsvond, zorgde ik dat de heer Jongsma kennis kreeg, die dan weer de uiteindelijke bestemming kon doorgeven. Hoelang mijn contact met deze groep heeft geduurd weet ik niet, maar naar ik meen niet zo lang.

Op zekere dag vernam ik dat de Tourton Bruins was gearresteerd door de S.D. en vanzelfsprekend heb ik mij in de Droogbak niet meer vertoond. Maar inmiddels zat ik niet zonder contacten. Blijkbaar doordat ik gedurende de oorlogsdagen met mijn terreinpolitie nogal wat arrestaties heb verricht, schijn ik veel vertrouwen te hebben gekregen van het fabriekspersoneel. Verzetslieden die kennis hebben aan iemand van de fabriek informeren dan bij deze of hij niet aan munitie of wapens kan komen en achterna blijkt dan dat ze mijn naam hebben genoemd als een mogelijkheid.

Een van de eersten die voor dat doel bij mij komt is een politieman uit Koog aan de Zaan. Het is Joop Keijzer en nadat over en weer vertrouwen tussen ons is ontstaan, kom ik erachter dat hij deel uitmaakt van de Stijkelgroep, die later is opgerold door de S.D. en waarvan – naar ik meen – acht personen hun vaderlandsliefde met de dood hebben moeten bekopen. Toen ik van de eerste arrestaties hoorde heb ik mij onmiddellijk naar de woning van Keijzer begeven om hem te waarschuwen. Hij bleek reeds op de hoogte te zijn van het gevaar dat hem bedreigde en ik sprak er mijn verwondering over uit dat hij nog niet was ondergedoken. Toen hij daarop zei niet te weten waar hij naartoe moest, heb ik hem naar de boerderij van de fam. Moerkerk gebracht in de Grote IJpolder, welk adres ik voor mijzelf had bestemd voor het geval ik zelf onder moest duiken. Hier bleek hij welkom te zijn. Later is hij met schotwonden toch gearresteerd en moest in het Wilhelminaziekenhuis te Amsterdam worden opgenomen. Leden van een verzetsgroep hebben hem echter weten te bevrijden en door hun onverschrokken optreden heeft hij het overleefd.

De aan de A.I. verbonden geweermaker Bertus [Lambertus] Martin bezocht mij op zekere dag en vertelde dat hij in opdracht kwam van zekere kapitein [J.W.D.] Meihuizen in Alkmaar, die graag eens met mij wilde praten. In een gesprek met deze, gearrangeerd door Martin, hoorde ik voor het eerst van het bestaan van de Landelijke Ordedienst (O.D.). Meihuizen stond rechtstreeks onder de commandant van Gewest II, de Overste [Johan G.] Wastenecker, en vroeg om mijn medewerking. Nadat ik deze had toegezegd kwam het verzoek om de levering van een aantal handvuurwapenen, i.c. pistolen en handgranaten.

Vele malen heeft Martin, die in Bergen woonde, waar zijn vader een smederij had, per motorrijwiel een vrachtje van deze wapenen na werktijd van mijn huis naar Bergen vervoerd, waar de steeds groeiende voorraad in een tuinhuisje werd opgeslagen. Alvorens ik e.e.a. aan Martin kon leveren, haalde ik de avond van tevoren deze spullen bij duisternis van de fabriek, waar Dral het voor mij had klaargelegd. Via mijn tuin, die dus aan het fabrieksterrein grensde, bracht ik ze dan in mijn woning, waar ze dan bleven totdat Martin ze ophaalde. Dat mijn vrouw daarbij veel angstige ogenblikken beleefde spreekt voor zichzelf. Vooral op die avond dat Martin het vrachtje niet, zoals afgesproken, kwam afhalen. Die avond had ik een afspraak met brigadier Van der Bunt van de Gemeentepolitie te Amsterdam. Deze had onder zijn collega’s ook enige die weer in contact stonden met verzetsstrijders en hem leverde ik enige malen pistoolpatronen, omdat de politiemannen zelf elk patroon moesten verantwoorden. Ik kon dus die avond niet thuisblijven en toen Martin niet kwam opdagen heb ik de voor hem bestemde handgranaten onder de matras van ons bed gelegd. Nadat ik in Amsterdam mijn patronen had afgeleverd – en daar het inmiddels middernacht was geworden -, verwachtte ik niet anders of mijn vrouw zou wel slapen. Maar dat was niet het geval en op mijn vraag waarom ze niet naar bed was gegaan, antwoordde ze: ‘Denk je dat ik op die gevaarlijke dingen ga slapen?’ (Ik had haar er n.l. niets van verteld.)

Arrestatie

Op zekere morgen verscheen Martin niet op zijn werk en een vriend van hem wist me te vertellen dat hij door de Duitsers gearresteerd was. Daar ik wilde weten om welke reden en of ik ook gevaar liep, heb ik die vriend i.o.m. zijn chef naar Bergen terug laten gaan, om te trachten meer aan de weet te komen. De volgende dag hoorde ik van hem (gevoegd met andere inlichtingen) ongeveer het volgende verhaal.

In de smederij van Martin kwamen enige Duitsers om daar hun vrachtwagen te repareren. Een van die Duitsers ontdeed zich daarbij van zijn koppelriem met pistool en hing die op in de smederij. In een onbewaakt ogenblik nam een broer van Bertus Martin die riem met pistool weg en bracht dit naar een tuinhuisje, waar ook van mij afkomstige handgranaten lagen opgeslagen. Toen de broer van Bertus in de smederij terugkwam was de vermissing al ontdekt en alarm geslagen. Bertus zijn broer werd verdachte en mede doordat er sneeuw lag en voetstappen in de sneeuw naar het tuinhuisje leidden viel er niets te ontkennen. In totaal werden 4 personen door de S.D. gearresteerd, t.w. Bertus Martin en zijn broer, een vriend van hen (een zekere Briefjes) en de voormalig sergeant-majoor De Kloe, die het contact onderhield tussen kapitein Meihuizen en mij.

Na dit alles aan de weet te zijn gekomen, vreesde ook ik te worden gearresteerd. Er was immers grote kans dat de moffen alles op alles zouden zetten om de herkomst van de handgranaten te ontdekken. Dat ze gruwelijke methoden gebruikten om iemand tot spreken te brengen was algemeen bekend. Als voorzorgsmaatregel sliep ik niet thuis. ’s Morgens belde ik dan Dral op en hoorde dan van hem dat alles veilig leek. Op de fabriek had ik een vertrouwde bewaker bij de portier ingedeeld en bij de komst van politie of recherche zou ik terstond worden gewaarschuwd. Dit was de eerste maal dat ik me genoodzaakt zag om onder te duiken, maar het zou niet de laatste maal zijn.

Na verloop kwam het proces, waarbij de broer van Bertus en diens vriend Briefjes ter dood werden veroordeeld en Bertus en De Kloe elk tot 15 jaar tuchthuisstraf. Laatstgenoemden zijn na de bevrijding thuisgekomen en ik hoorde toen van hen tegenover de S.D. steeds te hebben volgehouden dat de handgranaten afkomstig waren van een partij die na de capitulatie van het Nederlandse leger door soldaten daar waren achtergelaten. Dat ik Bertus Martin en De Kloe voor hun flinke houding in deze altijd dankbaar zal blijven spreekt vanzelf.

Knokploeg

Op verzoek van mijn commandant, Meihuizen, heb ik mij in verbinding gesteld met Paul Kramer, hoofd van een R.K. school te Wormer. Deze was plaatselijk commandant van de O.D. en bracht mij weer in contact met de illegale werkers Koen Rozendaal en Wim Stolp. Hun eerste verzoek gold de levering van enige pistolen met munitie, aan welk verzoek ik kon voldoen.

Met Koen heb ik veel contact gehad. Hij was commandant van de L.K.P. (Landelijke Knokploegen) te Broek in Waterland en vroeg mij meermalen advies in verband met een te ondernemen verzetsstunt. Hij was zeer moedig en een trouwe kameraad.

Ook werd ik in contact gebracht met kapitein [A.A.] Bontekoe, woonachtig in de Jocherstraat te Amsterdam. Deze behoorde tot de staf van de O.D. te Amsterdam en ook hier kwam weer de vraag aan de orde om levering van vuurwapens. Nadat ik mij in staat en bereid had getoond om aan dit verzoek te voldoen noemde hij me namen van vier personen die voor het vervoer vanaf de Hembrug naar Amsterdam zorg zouden dragen en dus een geregeld contact met mij zouden onderhouden. Deze personen waren [W.F.] Gonkel, [Frans A.F.F. van] Lokven (Marine-onderofficieren) die, als zij van plan waren mij te bezoeken zich aankondigden als ‘Van Gend en Loos’. Voorts Michels, eveneens een onderofficier van de Marine, die echter al spoedig door de S.D. is gearresteerd en ter dood gebracht. De vierde man was de heer Echthuizen uit de Floris Versterstraat te Amsterdam.

Vooral Gonkel en [Van] Lokven hebben mij veel bezocht om na het in ontvangst nemen van (meestal) handgranaten deze naar Amsterdam te vervoeren. Op zekere dag bezochten ze mij echter met een geheel ander doel en vertelden mij het volgende: Een zekere [Tj.] v.d. Ploeg, zij noemden hem luitenant v.d. Ploeg, die deel uitmaakte van de O.D.-staf te Amsterdam, was benaderd door de adjunct-onderofficier [O.O] Filipse uit Assen. Deze Filipse was een alleszins betrouwbaar verzetsstrijder en was in gezelschap van een persoon, zich noemende Johnny [de] Droog of Den Droog. Deze verklaarde tegenover v.d. Ploeg dat hij in Drenthe leider was van een grote verzetsorganisatie en o.a. de beschikking had over een zeer groot geldbedrag. Hij was nu met Filipse naar Amsterdam gekomen teneinde daar met de staf tot een bundeling te geraken en – indien dit lukte – het hiervoren bedoelde geld aan de hoofdstedelijke staf af te dragen.

Filipse, zoals later bleek ter goeder trouwe, bevestigde een en ander en [De] Droog beriep zich op een aan de A.I. werkzame opzichter Van Veen, bij wie naar hem kon worden geïnformeerd. Luitenant v.d. Ploeg was echter zeer voorzichtig en zei thans nog niet te kunnen besluiten. Afgesproken werd dat de heren op een afgesproken tijdstip elkaar weer zouden ontmoeten in een café aan de Hoogte Kadijk te Amsterdam.

Voordat v.d. Ploeg zich naar het afgesproken adres begaf zette hij diverse medewerkers – waaronder Gonkel en [Van] Lokven – uit, op verschillende punten rondom het café. Deze constateerden dat [De] Droog en Filipse op enige afstand uit een auto stapten en zich verder te voet naar de plaats van de afspraak begaven. Deze auto droeg als kenteken: G-56*** (de laatste drie cijfers kan ik mij niet meer herinneren). Inmiddels had v.d. Ploeg de beide heren beloofd dat hij in gezelschap van enige leden van de staf hen opnieuw zou ontmoeten, de volgende ochtend bij de Westelijke uitgang van het Centraal Station. Gonkel en [Van] Lokven hadden intussen bij een relatie van de politie geïnformeerd naar de herkomst van de auto en hoorden dat bedoeld kenteken was afgegeven aan het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen.

Hierbij zij opgemerkt dat alle auto’s met het provinciaal kenteken G (Noord-Holland) en in de cijferserie zesenvijftigduizend in gebruik waren bij het Rijk en de administratie daarvan berustte bij het hoofd van de garage van de A.I., de heer Stallinga. Toen dan ook Gonkel en [Van] Lokven mij verzochten een onderzoek in te stellen, heb ik mij naar Stallinga begeven die, na in de administratie te zijn gedoken, mij vertelde dat dit nummer was afgegeven aan de gevolmachtigde voor de reorganisatie van de Rijkspolitie aan de Raamweg te Den Haag. Derhalve het instituut dat van onze betrouwbare politie een foute politie moest maken.

Gewapend met de nodige argwaan heb ik daarna de door [De] Droog genoemde opzichter Van Veen opgezocht in de fabriek. Deze was aanvankelijk zeer terughoudend, maar ik slaagde erin hem wat meer spraakzaam te maken. Hij vertelde door [De] Droog enige tijd geleden te zijn benaderd, waarbij deze zich uitgaf voor een verzetsman die af en toe een schuiladres nodig had. Van Veen geloofde zijn verhaal en sindsdien kwam [De] Droog bij hem enige dagen en/of nachten doorbrengen. Droog sliep dan samen met een zoon van v. Veen op één kamer en deze zoon was zeer onder de indruk van [De] Droog, zowel door diens sterke verhalen als door de manier waarop hij goochelde met een zwaar kaliber pistool. Van Veen toonde mij daarop een foto van [De] Droog, die deze hem als bewijs van vriendschap had gegeven. Voorts toonde hij mij een metalen penning waarop het woord ‘groepsleider’ voorkwam en vertelde dat hij voor Droog een aantal van deze penningen had vervaardigd. Voor [De] Droog zelf had hij een soortgelijke penning vervaardigd, doch met het opschrift ‘Hoofdleider’.

Johnny de Droog Johnny de Droog

Uit vorenstaande trok ik de conclusie dat [De] Droog in elk geval moest worden gewantrouwd. Immers, het rijden in meergenoemde auto was verdacht, maar ook dat hij zich legitimeerde met een penning die hij zelf had laten vervaardigen. Nadat ik mijn bevindingen aan Gonkel en [Van] Lokven had medegedeeld besloten we dat zij v.d. Ploeg op de hoogte zouden brengen en hem zouden adviseren niet op het afgesproken tijdstip bij het station te zijn.

Gewapend met de foto van [De] Droog heb ik mij naar het hoofdbureau van politie te Amsterdam begeven, waar ik mij in verbinding heb gesteld met de mij bekende (goede) rechercheurs Faber en Osinga. Deze waren bereid om op het tijdstip dat de omschreven ontmoeting tussen [De] Droog en v.d. Ploeg met zijn vrienden zou plaatsvinden met mij bij het station aanwezig te zijn. Met behulp van de foto konden we dan [De] Droog herkennen, terwijl Faber en Osinga mogelijk personen in zijn gezelschap konden identificeren.

Koffiehuis

Toen wij op het afgesproken tijdstip bij het station kwamen, viel daar aanvankelijk niets bijzonders waar te nemen. Echter, veronderstelden we, dat in het koffiehuis tegenover het station wel eens enige personen aanwezig konden zijn die het op de arrestatie van v.d. Ploeg gemunt hadden. Toen wij als gewone wandelaars langs de ruiten van het koffiehuis liepen, ontdekte ik dat [De] Droog binnen zat in gezelschap van een aantal andere personen. ([De] Droog was gemakkelijk te herkennen aan zijn fors postuur en zijn volkomen kale schedel.)

Toen ik tegen Faber en Osinga van mijn herkenning vertelde, antwoordden zij: ‘De hele Euterpestraat zit binnen, met inspecteur [Antonie] Berends aan het hoofd.’ Volgens hen was laatstgenoemde een landverrader, die algemeen bekend stond als uiterst gevaarlijk. Naar ik mij meen te herinneren was deze Berends afkomstig uit Arnhem of Nijmegen. Voor ons stond het nu wel vast dat hier een stel bijeenzat met het oogmerk om v.d. Ploeg te arresteren en met hem de gehele staf uit Amsterdam op te rollen.

Wij begaven ons daarop naar de Schreierstoren, waar Gonkel en [Van] Lokven op ons wachtten. Na hen onze bevindingen te hebben medegedeeld, belden zij daarop het koffiehuis op en vroegen de heer Filipse aan de telefoon te roepen, teneinde deze te kunnen waarschuwen voor het feit dat hij zich in verkeerd gezelschap bevond. Na enige tijd kwam echter [De] Droog aan de telefoon die vertelde dat Filipse onwel was geworden en daarom niet was meegegaan. [De] Droog drong er vervolgens op aan dat in elk geval v.d. Ploeg naar hem toe zou komen, omdat hij ([De] Droog) in ieder geval aan v.d. Ploeg het geld af wou dragen. Daarna heeft Gonkel v.d. Ploeg onze bevindingen medegedeeld en is hij terstond ondergedoken.

Op mijn verzoek heeft politieagent [Jan] Thomassen uit Zaandam zich de volgende dag naar Assen begeven (de woonplaats van Filipse), teneinde de staf van de O.D. aldaar te waarschuwen. In Assen bleek men echter al te weten dat Filipse door de S.D. gearresteerd was, terwijl in Assen zelf ook reeds enige arrestaties hadden plaatsgevonden. In enige illegale bladen is kort daarna ernstig tegen Johnny [de] Droog gewaarschuwd.

Van Hall

Inmiddels bereikten mij herhaaldelijk verzoeken om de levering van vuurwapens en/of munitie. Kapitein Bontekoe leverde ik acht pistolen, die volgens hem bestemd waren voor een zekere Ir.(?) [B.] ten Bosch, die commandant zou zijn van een landelijke knokploeg (L.K.P.). Op verzoek van opzichter [Joris] Lamens van de A.I. nam ik contact op met de heer [George L.] Jambroes, die ik op zijn verzoek 2 pistolen leverde. Deze is het gelukt om naar Engeland te komen, doch is helaas het slachtoffer geworden van het ‘Englandspiel’.

Hoe ik in contact ben gekomen met Walraven van Hall weet ik niet meer. Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik hem had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.

Op zekere dag vertelde de heer Van Hall mij dat een en ander bestemd was voor een ingenieur van de N.S. Deze zou diezelfde avond met de trein te Zaandam arriveren, doch had geen tijd om zich naar de woning van Van Hall te begeven, doch moest met de eerste gelegenheid weer terug. Nadat Van Hall mij het signalement van de betrokkene had omschreven (hij had een Indisch uiterlijk), heb ik deze heer op die avond bij het station Zaandam zijn bestelling ter hand gesteld. Uit feiten achteraf vermoed ik dat het de heer [de] Vos tot Nederveen Cappel is geweest. Nadien heb ik nog enige malen een voorraadje aan Van Hall geleverd.”

Douwe Soepboer (april 1974) Douwe Soepboer (april 1974)