Berichten

Joods roofgoed: Bandoeng, Amsterdam, Wormer, Krommenie

Joods roofgoed dat bestemd was voor vernietiging bij de Wormer papierfabriek Van Gelder bleef behouden dankzij een arbeider uit Krommenie. Maar wie zijn de mensen op die bewaard gebleven foto’s uit de Tweede Wereldoorlog?

Nadat in 1942 in Amsterdam de eerste grootschalige razzia’s tegen joden hadden plaatsgevonden, zagen de inwoners van Wormer dag na dag volgeladen vrachtwagens het dorp binnenrijden. De door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bevatten honderden tonnen aan boeken en documenten. Het was roofgoed, afkomstig van weggevoerde joden. De enorme collectie literatuur, Thorarollen, antieke geschriften en fotoalbums werd bij Van Gelder Zonen tot pulp gemalen. Een voormalig sous-chef van de papierfabriek getuigde later: “Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.” De nazi’s deden – ook – in Wormer hun uiterste best om elke tastbare herinnering aan het jodendom te wissen. Maar ondanks de strenge bewaking ter plekke slaagden sommige Van Gelder-medewerkers er een enkele keer in om iets van de aangevoerde lading achterover te drukken.

Nadat ik in 2016 via het jaarboek van het Historisch Genootschap Wormer de aandacht vestigde op deze vrijwel onbekende massavernietiging van joodse bezittingen nam Elly Rozemeijer uit Krommenie contact op. Haar vader, Barend (‘Bab’) Daenen, werkte tijdens de oorlog bij Van Gelder. Op enig moment tussen 1942 en 1945 slaagde hij er in om een fotoalbum dat bestemd was om te worden vermalen veilig te stellen. Hij nam het album mee naar huis. Bij gebrek aan informatie over de oorspronkelijke eigenaar(s), ongetwijfeld van Amsterdams-joodse komaf, had het sindsdien een plek in de Krommenieër boekenkast bij de familie Daenen en daarna bij dochter Elly.

Bandoeng

Het album bevatte slechts negen foto’s. Te zien zijn een man met een baby (vader en kind?), diezelfde man op een motor, vier afbeeldingen van kleine kinderen, de Amsterdamse Westerkerk en een verder onbekend straattafereel, vermoedelijk eveneens in de hoofdstad. De laatste foto is atypisch: op de afdruk is een vrouw zichtbaar die poseert voor een traditioneel Indonesisch batakhuis. Op de achterkant van deze foto is met blauwe inkt een tekst geschreven: “Bandoeng Aug. ’38 Ik zit toch liever in mijn torenkamertje in de J.W. Brouwersstraat 21. Tabee Eussie.” De blijkbaar al voor de oorlog naar Nederlands-Indië vertrokken ‘Eussie’ – een typisch joodse koosnaam – had blijkbaar heimwee naar Amsterdam.

Een zoektocht door oude Amsterdamse woningkaarten leidde naar een lijst met vele tientallen vooroorlogse inwonenden van de Amsterdamse Jan Willem Brouwersstraat 21. De lengte van het namenoverzicht is niet verwonderlijk; op dat adres bevond zich namelijk Pension Hirsch. Naast de ‘gewone’ gasten daar herbergde Hirsch in de jaren ’30 Duitse vluchtelingen als de befaamde uitgevers Fritz Landshoff (Querido) en Walter Landauer (Allert de Lange) en de beroemde auteur Klaus Mann. Afgaand op een brief uit 1935 aan zijn moeder beviel het Mann prima bij Hirsch. Omdat het pension volgeboekt was, had hij helaas elders een kamer moeten zoeken. “Ik zit hier te bibberen van de kou, want waar ik nu verblijf zijn slechte kolen geleverd en de verwarming doet het niet. Helaas was er in het charmante Pension Hirsch opeens geen geschikte kamer meer voor mij, zodat ik moest verhuizen naar een klein hotel in de buurt”, klaagde hij.

In 1941 moesten zowel de veelal joodse pensionbewoners als de joodse eigenaar plaatsmaken voor een nieuwkomer. NSB-kopstuk en president van De Nederlandsche Bank Meinoud Rost van Tonningen nam zijn intrek in het grote, door hem geconfisqueerde pand. Toen waren zowel Klaus Mann als ‘Eussie’ overigens al jaren in het buitenland. De eerste vluchtte in 1938 verder naar de Verenigde Staten, de tweede vertrok datzelfde jaar naar Nederlands-Indië.

Rappaport

Op de woningkaart in het Stadsarchief Amsterdam is maar één bewoner van de Jan Willem Brouwersstraat 21 te vinden die naar Nederlands-Indië afreisde. Op 21 juni 1938 werd Siegfried Eduard Rappaport uitgeschreven als Amsterdammer. Kort daarna dook deze op 6 september 1914 in Semarang geboren opticien op in Bandoeng, het huidige Jakarta. Vanuit deze stad zou hij de foto met heimwee-opschrift naar Amsterdam sturen.

Verder onderzoek leert dat de joodse Rappaport door zijn vertrek uit Nederland ontsnapte aan de Holocaust, maar na de bezetting van Nederlands-Indië wel in Japanse gevangenschap belandde. Op dat moment werkte hij als sergeant bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Na enig speurwerk lukte het om een dochter van Siegfried Rappaport te vinden. Ze was na de oorlog met haar ouders naar de Verenigde Staten vertrokken en bevestigde dat het handschrift van ‘Eussie’ op de foto dat van haar vader was. “It made my heart warm”, schreef ze in reactie op de plotseling opgedoken vondst, 72 jaar na de bevrijding. Haar vader had het verblijf in verschillende Jappenkampen ternauwernood overleefd (‘close to death due to dysentery and credited his survival to a fellow prisoner’). Hij zou uiteindelijk in 2003 in Houston overlijden, 89 jaar oud.

Gabriella Rappaport meende verder haar tante Dorothy te herkennen op de foto met het batakhuis, maar wist helaas niet wie er afgebeeld zijn op de andere foto’s. Waren het vrienden van Siegfried Rappaport, of misschien zelfs familie? En hadden ze als joodse Amsterdammers de bevrijding meegemaakt of waren niet alleen hun bezittingen, maar ook zijzelf vernietigd?

Aanknopingspunten om de zoektocht naar de geportretteerden af te ronden waren er nauwelijks. Het nummerbord op de auto achter de motorrijder kon worden herleid tot de voormalige eigenaar, maar die leek niet in relatie te hebben gestaan tot de poserende man. Het identificeren van de afgebeelde personen was alleen nog mogelijk via inmiddels hoogbejaarden die hen herkenden. Inmiddels vonden de foto’s hun weg gevonden naar diverse (sociale) media. Wellicht konden op die manier de foto’s terugkeren bij de nabestaanden.

 

Enfin, om een lang verhaal naar een mooi einde te schrijven: na een oproep op Facebook meldde zich Yvonne van Wijk. Zij herkende opeeens haar oom Eli Gezang, met in de armen zijn zoon Hans. Die overleefde samen met zijn broer Rob en zijn ouders de jaren ’40- ’45 door onder te duiken en van adres naar adres te trekken. Daarna was het contact snel gelegd. Op 30 maart 2018 kwamen beide broers naar Krommenie. Daar ontvingen ze uit handen van Elly Rozemeijer de foto’s die hen toebehoorden, ruim driekwart eeuw na de oorlog. De cirkel was rond.

De naoorlogse teloorgang van de Zaanse synagoge

De gemeenteraad van Zaanstad besloot in 2010 unaniem dat het Inverdanproject ‘pas is afgerond als de synagoge in oude luister is hersteld’. Het duurde sindsdien ruim acht jaar voor een projectontwikkelaar het tot winkel verbouwde monument op de Gedempte Gracht kocht en zich bereid verklaarde het te restaureren. Uit teruggevonden documenten  wordt duidelijk hoe de overheid de gedecimeerde Joodse gemeenschap kort na de Tweede Wereldoorlog bejegende, met de teloorgang van het godshuis als resultaat.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge aan de Gedempte Gracht – daarvan resteerde alleen een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren als onderduiker of kampgevangene waren doorgekomen waren aanwezig, precies tien procent van de geloofsgemeenschap die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten ƒ 208,-, uitgaven ƒ 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken ledental proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de documentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

De synagoge rond 1900.

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ De dienstdoende redacteur stelde vast dat niet alleen de Duitsers schuldig waren aan de plundering van het religieuze gebouw. ‘Het is wel beschamend het te moeten constateren, dat waarschijnlijk de grootste vernielingen door plaatsgenoten werden bedreven.’

Jacob Drukker deelde die mening. ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers…’ Daarmee raakte hij aan een teer punt. De bezetter had het bedehuis weliswaar geconfisqueerd en ingeruimd als garage en paardenstal, maar zowel voor- als nadien was het gebouw leeggeroofd door anderen.

De onttakeling begon kort nadat Zaandam in januari 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ was gemaakt. Op 13 augustus van dat jaar informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de Duitse autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) tegen twee procent provisie van de hand te doen.

Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer ‘leeggehaald en naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop’, wist een agent. ‘De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Thoramantels (‘waarbij enige antieke’) die om de Thorarollen werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen behoorden zes Thorarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Geallieerde voertuigen voor de synagoge, 1945

Toen de overlevende Joden in juni 1946 voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar kwamen, begonnen ze dus weer op nul. Vanaf dat moment beheerste het gebrek aan financiën de ledenvergaderingen. Moeizaam verlopende geldinzamelingen maakten het pas in 1953 mogelijk om de synagoge officieel te heropenen, zij het wel in sterk afgeslankte vorm. Drukker: ‘We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De gerestaureerde synagoge was nauwelijks een kwartaal in gebruik toen het bestuur een nieuwe tegenslag moest incasseren, in de vorm van een stevige vordering. De afzender was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Deze door de Rijksoverheid ingestelde organisatie beheerde de vermogens van niet teruggekeerde Joden en van politieke delinquenten. Ten aanzien van de eersten moest worden voorkomen dat de verkeerde mensen zich hun bezittingen toe-eigenden. De tweede doelgroep mocht niet langer profiteren van hetgeen ze tussen 1940 en 1945 – al dan niet door roof – had vergaard. Inzet van het Rijk was om hen de gigantische economische oorlogsschade te laten vergoeden waarmee Nederland kampte. Daartoe werd een bureaucratische moloch opgetuigd. Ruim tweeduizend NBI-stafleden werkten in een chaotische situatie aan 160.000 dossiers.

Dat leidde onvermijdelijk tot fouten. De Algemene Rekenkamer maakte in een rapport gehakt van de organisatie en Justitieminister L.A. Donker moest in 1953 erkennen dat de NBI-administratie niet op orde was. In dat licht dient ook de rekening te worden bezien die anderhalve week voor de Dodenherdenking van datzelfde jaar bij de NIG in Zaandam op de mat viel. Het Beheersinstituut had even eerder een negen jaar oude, openstaande hypotheekschuld ontdekt. In haar streven om de wederopbouw te financieren eiste ze dat de Joodse gemeente die zou betalen.

Hypotheekschuld

De oorsprong van die factuur lag dus in de bezettingstijd. Naarmate het deporteren van de Joden vorderde, speelde bij de Duitsers steeds vaker de vraag door het hoofd wat ze aan moesten met de leegstaande synagogen. Voorstellen om ze te slopen, teneinde ‘alle herinneringen uit te wissen’, haalden het niet. In 1944 kreeg het door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart benoemde Commissariaat voor Niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) opdracht om de Joodse organisaties formeel te ontbinden en hun gebedsruimtes en andere eigendommen te beheren en te gelde te maken. In augustus van dat jaar, ontdekte het NBI in 1953, had het CNCV ‘uit eigen middelen een op de synagoge der Israëlitische Gemeente te Zaandam rustende hypothecaire schuld afgelost tot een bedrag van ƒ 4.872,91.’ Na aftrek van wat kasgeld dat de bezetter in Zaandam had gestolen bleef een te incasseren bedrag van ruim 4.500 gulden over. Omgerekend naar 2019 komt dat neer op bijna 17.000 euro.

De NIG had, bij gebrek aan archiefmateriaal, geen idee dat er een hypotheek rustte op de al in 1865 gebouwde en destijds afbetaalde synagoge. Bewijzen dat de claim onterecht was kon ze niet. Ze stelde zich daarom deemoedig op en beloofde alles te willen doen ‘om de schuld te delgen’. Er was echter een levensgroot probleem, schreef penningmeester Saul Smit. ‘De gemeente bestaat nog maar uit 6 gezinshoofden en wil daarom géén hypotheek op de joodse kerk nemen, opdat, wanneer nog meer gezinnen uit Zaandam verdwijnen, de overblijvenden voor een te zware last zouden komen te staan.’ Die paar huishoudens hadden hutje bij mutje gelegd, waardoor zij toch nog 3.350 gulden konden overmaken. Wilde de NBI daarmee genoegen nemen, vroeg Smit.

Het Amsterdamse NBI toonde begrip voor de Zaanse noden en bepleitte clementie bij het landelijk bureau. Gewezen werd op ‘de moeilijke financiële omstandigheden ten gevolge van de handelingen van de bezetter’ en de ‘zware offers die de Israëlitische Gemeente zich reeds heeft moeten getroosten om het, gedurende de bezetting zwaar gehavende, kerkgebouw weer in bruikbare staat te brengen’. Het antwoord was kil en onverbiddelijk. Dat de Joodse gelovigen van 1942 tot en met 1945 niets te vertellen hadden over de lasten en baten van hun bezit en de overgrote meerderheid in 1944 al was vermoord speelde geen rol. De landelijke NBI-directie achtte ‘geen termen aanwezig’ om op het voorstel in te gaan. ‘Wij kunnen niet inzien welke redelijke bezwaren er bestaan voor de Gemeente om het kerkgebouw thans wederom hypothecair te belasten.’

De synagoge in 1961, met een autodealer als onderverhuurder

Onbekend is hoe de Joodse gemeente aan de financiële eisen voldeed, maar ze kwam de toegebrachte klappen nooit meer te boven. Waar de NIG kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het geringe ledental maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor de vriendenprijs van 175.000 gulden aan Frieda Pais-Fruchter, de schoondochter van voormalig bestuurslid Jos Pais. Zij liet het pand ingrijpend verbouwen – alleen het middenstuk bleef intact – en verhuurde het aan een kunstcentrum met de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenares het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. In haar bezwaarschrift tegen dat besluit liet Pais-Fruchter weten ‘niet in een binding met de joodse gemeenschap te geloven’. Dat was tegen het zere been van de Joodse gemeente. Secretaris Joop Meijer: ‘De enige reden waarom we toen hebben verkocht was een centenkwestie. We konden herstelwerkzaamheden niet betalen. Daarom moesten we wel. We hadden het ook in elkaar kunnen laten storten. Huisvesting van De Zienagoog in het pand vonden we een zinvol doel, maar we hadden het veel liever zelf gehouden. Er zijn nog steeds veel mensen die van dat gebouw houden. (…) Het is een monument voor ons volk.’

De voormalige synagoge kwam vervolgens in handen van uitvaartorganisatie DELA . Die verhuurde de centrale ruimte aan een telefoonwinkel. Op 18 januari 2019 – 77 jaar en één dag nadat de Zaandamse joden gedwongen de stad moesten verlaten – werd wereldkundig gemaakt dat de Zaandamse projectontwikkelaar Wouter Lofström het door stadsarchitect Immink ontworpen gebouw voor ruim drie miljoen euro had gekocht. Hij liet weten de synagoge te willen restaureren. Daarmee is er eindelijk zicht op een waardige bestemming van het enige tastbare joodse erfgoed in het hart van Zaandam.

De synagoge in 2017

Anton Stam: de vergeten verzetsstrijder

Tien mannen en vrouwen vormden in oktober 1941 de leiding van wat zou uitgroeien tot het belangrijkste verzetsblad, Vrij Nederland. In de daarop volgende maanden belandden ze bijna allemaal voor het vuurpeloton of in een cel. De overlevenden vertelden na de bevrijding hun oorlogsverhaal. Op die ene onbetrouwbaar geachte Zaandammer na, Anton Stam.
Portret van een kat met negen levens.

Anton Stam, 1938

In de ochtend van 10 mei 1940 ontsnapte Antonie Hendrik Stam (1919) voor de eerste keer aan een vroege dood. De dienstplichtige radiotelegrafist/ boordschutter was gestationeerd op het Rotterdamse vliegveld Waalhaven toen Duitse bommenwerpers in een aanvalsgolf de luchthaven volledig verwoestten. Daarbij sneuvelden 51 Nederlandse militairen. Stam bleef ongedeerd. Na de capitulatie, vier dagen later, probeerde hij om via IJmuiden naar Groot-Brittannië te vluchten. Dat mislukte jammerlijk; zijn pogingen liepen uit op krijgsgevangenschap.

Zodra hij werd vrijgelaten, zocht Stam naar mogelijkheden om op een andere manier overzeese contacten te leggen. Met zijn eveneens uit Zaandam afkomstige vriendin Amy Duif vertrok hij eind 1940 naar Geldrop. Ze wilden daar bij familie een geheime zender installeren. Ook die poging faalde, naar verluidt omdat hun gastheer de risico’s onverantwoord vond.

Vrij Nederland

Eind februari 1941 begon de Sicherheitsdienst met het oprollen van Vrij Nederland. Dat was mogelijk na de vondst van vijf exemplaren van het blad in de jaszak van een medewerker. In de maanden die volgden verdwenen vrijwel alle schrijvers, drukkers en bezorgers, in totaal 65 mensen, in gevangenissen of werkkampen. Hoewel Stam al sinds het najaar van 1940 Vrij Nederland verspreidde en hij ook nummers had nagestencild, ontsprong hij de dans.

Het lukte de paar VN’ers die nog niet waren opgepakt met veel moeite om een maart- en aprilnummer samen te stellen. De voortgaande arrestaties sloegen echter met de week grotere gaten in het medewerkersbestand. Jan Kassies en Arie van Namen zouden op 9 mei de laatste hand leggen aan de editie van die maand, toen de laatste die avond zag hoe de SD Kassies uit diens woning haalde en afvoerde. De opgejaagde en wanhopige Van Namen – de Duitsers gijzelden zijn ouders, hopend dat hij zich dan zou aangeven – stond er vanaf dat moment vrijwel alleen voor.

Redding kwam in de persoon van journalist Edouard de Nève, die zich eerder vooral bezighield met spionage en pilotenhulp. Van Namen: ‘Hij had weer contact met een zekere heer Stam uit Zaandam. Met behulp van de heren De Nève en Stam hebben wij toen het volgende nummer uitgegeven in juni 1941.’ De Nève beschouwde Stam inderdaad als één van ‘mijn grote helpers’. ‘Bij het stencilen had ik veel hulp van een relatie uit Zaandam, A.H. Stam. Die organiseerde het.’ Onder Stams leiding konden in de Amsterdamse, deels ondergronds opererende uitgeverij Bottenburg de juni-, juli- en augustuseditie worden samengesteld. Het voortbestaan van Vrij Nederland was weer even verzekerd.

De driekoppige redactie trachtte via een leugen in de editie van 10 juni de gearresteerde VN-medewerkers los te krijgen: ‘Talrijke mannen en vrouwen zijn in hechtenis genomen die ervan verdacht werden op een of andere manier met ons in relatie te staan. Het feit is echter dat wij hun werk van verre, noch van dichtbij kennen.’ Ze stuurden tien exemplaren naar de Sicherheitsdienst. De actie bleek vergeefs; veel gevangenen hadden al bekentenissen afgelegd.

Vrij Nederland, juni 1941

Henk en Amy waren Zaandam inmiddels ontvlucht. Ze doken in Amsterdam onder op een door Van Namen gehuurde etage aan de Oudeschans 48. ‘Wij woonden in de achterkamers, terwijl u zo nu en dan de voorkamer in gebruik had’, herinnerde Stam Van Namen dertig jaar na de oorlog aan het halfjaar dat ze daar verbleven. ‘Waarschijnlijk hadden wij toen de schuilnamen van Amy en Anton van Bergen o.i.d. Mijn vrouw vertelt mij zojuist dat ze u eens de achterkamer heeft laten zien die toen afgeladen met Vrij Nederland-krantjes lag, terwijl ook nog een zendontvanger opgesteld stond.’

Toen De Nève op 29 september eveneens achter de tralies belandde, ging Stam naar eigen zeggen in zijn eentje voort. [Ik] ‘nam alles over, stelde VN samen van oude en nieuwe copie, niette het geval en zorgde voor de verspreiding.’

Van Randwijk

Henk Kooistra, een nog niet opgepakte VN-bezorger van het eerste uur, vroeg zijn Amsterdamse collega-onderwijzer Henk van Randwijk om het door de arrestaties ontstane gapende gat in de redactie te helpen vullen. Medio oktober 1941 vond er in Van Randwijks woning aan de Stadionkade een eerste, ‘constituerende vergadering’ plaats van de nieuwe VN-leiding. Stam was een van de tien aanwezigen. Tijdens het door het echtpaar Van Randwijk aangeboden etentje overheerste aanvankelijk de argwaan. Veel genodigden kenden elkaar nog niet en de bezetter had net de doodstraf afgekondigd op het verspreiden van antinazistische geschriften. Kooistra ontbrak. Hij was kort tevoren in Sperrgebiet aangehouden en zou, net als ruim honderd andere VN’ers, de bevrijding niet beleven. Ondanks deze tegenslag gingen het tiental ’s avonds hoopvol en eensgezind hun weegs. Ze hadden elkaar gevonden in het streven naar een verzetsblad ‘met inhoud’ waarin de ‘vormende waarde’ (dixit Van Randwijk) van het christendom was te vinden. De samenkomst bleek cruciaal voor de toekomst van Vrij Nederland. Het blad groeide, aldus de Sicherheitsdienst in december 1941, nadien uit tot het ‘weitververbreiteste und gefährlichste Hetzschrift’.

Zwitserland

Talloze angstdromen plaagden hoofdredacteur Henk van Randwijk. ‘De ene nacht word ik opgehangen, de volgende nacht word ik doodgeschoten’, vertelde hij zijn vrouw. Hij meende dat er binnen Vrij Nederland een verrader ronddwaalde. Begin maart 1942 arresteerde de SD Van Randwijk. Bij gebrek aan bewijs kwam hij na enkele weken vrij, maar het kwaad was geschied. Verdachtmakingen besmetten de organisatie. Eén daarvan luidde dat Anton Stam onbetrouwbaar was. Een belangrijke bron voor die zware beschuldiging was Zaandammer Martinus Arends. Die had sinds 1940 met Stam samengewerkt. ‘Dan tikte mijn dochter (Leny Arends) de stencils en werden de VN’s gefabriceerd. Eerst gebeurde dat op een kamer 3 hoog op de Weteringschans 103, waar A. Stam deze kamer gehuurd had. Daar werkten dan A. Stam, zijn verloofde en mijn dochter. Wanneer ze dan klaar waren, werden ze in Zaandam verspreid’, schreef Martinus Arends in 1946. De verkoopopbrengst overhandigde hij aan Stam. En daar ging het volgens hem mis. ‘In september 1941 vertrouwde ik Stam niet meer en vermoedde dat hij het grootste gedeelte ten eigen bate gebruikte.’ Arends verbrak de samenwerking en kreeg na een tijdje bezoek van ‘Oom Henk [van Randwijk] en Wim [Speelman] die met mij over Stam kwamen praten en toen ook maatregelen tegen hem genomen hebben.’

De inner circle van het aan alle kanten bedreigde blad ondernam inderdaad actie, ter voorkoming van erger. Er werd tijdens een ingelast beraad geopperd om Stam te liquideren, maar redactielid en rechtsgeleerde Gezina van der Molen verzette zich met hand en tand tegen die optie. Volgens haar was er geen onomstotelijk bewijs van Stams verraad. Van der Molen: ‘Wij hadden niet meer dan het vermoéden.’ Ze stelde voor om met de verdachte te gaan praten.

Aldus geschiedde, in bodega Keyzer naast het Amsterdamse Concertgebouw. Aan een belendend tafeltje volgden andere verzetsstrijders onopvallend de conversatie, klaar om indien nodig in te grijpen. Van der Molen vertelde Stam dat het vertrouwen in hem was opgezegd. Daarop stelde haar aangeslagen gesprekspartner voor te willen uitwijken naar Engeland. Dat leek Van der Molen een goed idee. Ze pakte een exemplaar van het Nieuwe Testament uit haar tas en overhandigde hem dat. Vervolgens namen de twee afscheid van elkaar.

In een drie weken na de bevrijding gezonden brief aan Vrij Nederland liet de diep geraakte Stam weten dat hij zich begin 1942 (‘aangezien ik toen meer op de achtergrond raakte door mijn geringe kennis van de journalistiek’) had willen bezighouden met het zenden van ondergrondse boodschappen naar Radio Oranje, maar rond die tijd ‘moest ik naar Zwitserland’. De reden van zijn gedwongen vertrek liet hij onbesproken. Enkele maanden later in 1942 hield hij zich tijdens een verhoor in Neuchatel wederom op de vlakte. Hij vertelde zich na de Nederlandse capitulatie ‘in het bijzonder [te hebben] beziggehouden met strijden tegen de bezettingsmacht, door de mensen op te roepen om in actie te komen tegen de Duitsers’. Toen hij vervolgens op bevel van de plaatselijke autoriteiten zijn levensloop opschreef, deed hij de voorgaande anderhalf jaar zelfs af als ‘een oninteressante periode die afgesloten werd met mijn vertrek op 12 april jl. naar Zwitserland’. Ook later zou hij niet publiekelijk terugkomen op zijn Vrij Nederland-werkzaamheden en de hem aangewreven, onterechte beschuldigingen.

Anton Stam, 1940

Antwerpen

Amy vertrok samen met de VN-prominenten Wim Speelman en Henk Hos naar een nieuwe schuilplaats, dit keer bij Antons zus in Zandvoort. Haar verloofde reisde richting de Alpen. Dat Stam daar wist te komen, mag een klein wonder heten. Vanuit het onderduikadres op de Oudeschans werd hij via de zogeheten Van Niftrik-lijn over de Belgische grens geleid. Met een collega-verzetsman reisde hij per tram naar de in het complot betrokken familie Van Dulken. Hun Antwerpse adres bleek echter te zijn verraden. Op 13 april wekte de Sicherheitsdienst de bewoners. Stam: ‘De heer des huizes werd met een overvalwagen afgevoerd en alleen een Duitse politiebeambte bleef achter ter bewaking van mevrouw, dienstmeisje, mijn reisgenoot naar Zwitserland en mij. Duidelijk was dat wij, voordat de overvalwagen terugkwam, iets moesten ondernemen. Met die ene, al wat oudere Duitser leek dat niet zo moeilijk en ik vroeg het dienstmeisje dan ook of ze niet een fles had of iets dergelijks, zodat we hem een tik in zijn nek konden geven. Het meisje verdween om wat te zoeken. Zeer tot ongenoegen van de Duitser ging het meisje een verdieping naar beneden, ondanks het bevel dat ze direct weer naar boven moest komen. Ik liep toen halverwege de trap, hard schreeuwend: “Du sollst zurückkommen”, dan de rest van de trap en de volgende, steeds met meer volume schreeuwend dat ze terug moest komen. De laatste trap heb ik toen maar sprongsgewijze genomen, daarna naar buiten gerend en op een juist voorbijrijdende tram gesprongen.’

Vader en zoon Van Dulken zouden hun gevangenschap niet overleven. Stam wist heelhuids een ander ondergronds adres te bereiken. ‘Uiteindelijk ben ik per trein door een koerierster naar de Zwitserse grens gebracht, daar door een koerier overgenomen en zonder verdere avonturen in Zwitserland afgeleverd.’ Hij belandde er achtereenvolgens in de gevangenis, een straf- en een werkkamp. ‘Later mochten wij de weekends in Lausanne doorbrengen en nog later mochten enigen, waaronder ik, voor ons vertrek naar Engeland voor het in orde maken van paspoorten, visa, e.d. op kosten van het consulaat in Genève wonen. Dat vertrek naar Engeland viel voor mij echter negatief uit, want nadat met veel moeite en geduld uit-, trans- en inreisvisa georganiseerd waren, passagegelden betaald waren, werd uitgerekend op de dag van ons vertrek ook Zuid-Frankrijk bezet, waardoor we onze semi-legale papieren niet meer konden gebruiken.’

Zwitserse notitie dat ‘Antoine Henri Stam’ in december 1942 Zwitserland heeft verlaten (collectie Bundesarchiv Bern)

Onbekend met de nieuwe geopolitieke situatie vertrok Stam met mede-Engelandvaarder Sjaak Brouwers richting Spanje, om begin december 1942 vlak voor de Frans-Spaanse grens te worden opgepakt. Door zich voor te doen als werkloze studenten op zoek naar een baan in Zuid-Amerika ontsnapte het duo aan een mogelijke doodstraf. Stam: ‘Ofschoon mij tijdens een van de vele verhoren gevraagd werd: “Wollen Sie noch weiter lügen?”, werd ons verhaal waarschijnlijk toch geslikt, want tegen Kerstmis werden wij in gezelschap van een Duitse officier in een normale trein naar Parijs gebracht, waar hij ons afleverde bij het bureau van de organisatie Todt.’

Brouwers en Stam wisten zich ook aan deze dwangarbeidersorganisatie te ontworstelen. In Parijs legden ze contacten voor een vluchtroute naar Zwitserland. Zelf gingen ze terug naar Nederland om deze escapeline verder uit te bouwen. Bekend is dat zowel Stam als Brouwers in de navolgende maanden meermalen met onderduikers en illegale documenten naar Zwitserland reisde. ‘Geld kreeg ik altijd via Stam’, aldus Brouwers. Een andere illegaal, Dirk Jan de Jong, verklaarde kort na de oorlog dat hij nauw samenwerkte met Stam, ‘die OD [Ordedienst]-contacten had en aan wie ik een pistool verschafte en voor wie ik illegale berichten meenam naar Zwitserland. Met hem samen vervoerde ik valse papieren en stempels.’ Stam bleef tot medio 1944 leidinggeven aan de ontsnappingslijn.

Groep 2000

Anton en Amy hadden zich in 1941 verloofd en zouden pas na de bevrijding trouwen, ware het niet dat een zwangerschap roet in het eten gooide. Op 12 januari 1944 huwde het stel alsnog in Amsterdam, 2,5 maand later beviel Amy van een dochter. De vernoeming naar haar moeder viel minder op dan de toevoeging, Margriet. De verwijzing naar het eveneens pasgeboren prinsesje was een extra ‘verzetje’ tussen alle andere ondergrondse werkzaamheden. Tot aan de bevrijding zou moeder Stam de kinderwagen gebruiken om niet alleen haar dochter, maar ook wapens en illegale lectuur te vervoeren. Daarnaast transporteerde ze joodse kinderen naar veilige adressen.

Kraambed, met Amy, Anton en moeder Stam (1944)

Antons verzet bestond onder meer uit het plaatsen en bedienen van een geheime zender in een woning op de Herengracht. In het Amsterdamse Oudeliedenhuis aan de Amstel (de tegenwoordige Hermitage) had de Ordedienst eveneens een zender geïnstalleerd. Onder leiding van chef-marconist Leendert Lauwerens zonden vier marconisten, onder wie Stam, vanaf september in ploegendienst honderden gecodeerde berichten het land in. Namens het eveneens illegale Marine Zendstation van Groep 2000 verstuurden ze tevens codetelegrammen naar het inmiddels bevrijde Eindhoven. Daaraan kwam een abrupt einde toen de Grüne Polizei medio december binnenviel. De medewerkers wisten ternauwernood via een achterdeur het pand te ontvluchten.

Drijber

Stam moest de hoofdstad verlaten. Formeel woonde hij nog steeds bij zijn ouders in de Zaandamse Kamphuijsstraat, in de praktijk zwierf hij van de ene schuilplaats naar het andere onderduikadres. Met zijn vriend Andries Buitenhoff ten Cate en Amy week hij op oudejaarsdag uit naar het Friese Lekkum en hervatte daar zijn zendactiviteiten. Hun verblijf in het hoge Noorden verliep niet naar tevredenheid. In een anoniem, intern briefje van de Binnenlandse Strijdkrachten werd geconcludeerd dat ‘deze zender gevallen’ was en hun BS-contactpersonen hen ‘in de steek gelaten’ hadden. ‘Zij zitten nu volkomen zonder geld en levensmiddelen, ook zonder papieren. (…) Zij hebben altijd gewerkt voor het H.K. [hoofdkwartier] in Amsterdam en het ontbrak hen daar aan niets.’ Stam was nog altijd geïrriteerd toen hij in juli 1945 deze conclusies onderschreef: ‘De algemene gang van zaken op G1 [zijn zendstation] was ergerlijk slap en nonchalant. Het duurde 4 weken voor wij bonkaarten hadden en andere PB’s [persoonsbewijzen] hebben wij helemaal nooit gehad. Wat het werken betreft werden wij aan alle kanten tegengewerkt; er was absoluut geen interesse voor.’ Ontevreden reisde hij op 2 februari verder naar een boerderij in een dorp nabij Assen. Zijn vriend, zijn echtgenote en een derde verzetsstrijder betrokken een adres in Leeuwarden.

Het verblijf in Drijber, zijn nieuwe standplaats, beviel Stam beter: ‘De verbinding met Brabant was zeer goed en behoorlijk veel berichten zijn dan ook verzonden en ontvangen.’ De voorspoed duurde slechts een week. Stam: ‘Hieraan kwam een einde doordat op een morgen de boerderij omsingeld was door Duitsers die mij d.m.v. een machinepistoolsalvo uit mijn schuilplaats, tevens zendstation, verdreven en gevangennamen.’ Op 9 februari kwam daardoor definitief een eind aan zijn zendactiviteiten.

De Duitse codespecialist Ernst May zou later verklaren dat Stams zender was uitgepeild. Dat was slechts de halve waarheid. De SD wist van de zender dankzij de arrestatie van de illegale marconist Jacob van den Hul, drie dagen eerder. Ze martelden deze Ordedienst-medewerker zo zwaar dat hij onder meer Stams verblijfplaats verraadde.

‘Heraus kommen’

Met de aanwijzingen van Van den Hul op zak was het een koud kunstje om Stams zender te peilen. In de ochtend van 9 februari sloot een groep van zestien SD’ers de omgeving van het kantoor annex de bedrijfswoning van de Vuil Afvoer Maatschappij – de door Stam genoemde ‘boerderij’ – in Drijber af. Helemaal onopvallend gebeurde dat niet. Gewaarschuwd door een medebewoonster rende Stam naar zijn schuilplaats, een kamer op de bovenverdieping. Hij wist nog net een noodsignaal uit te zenden en de antenne in te trekken, alvorens zich in een kast te verbergen. Sachbearbeiter Karl Klingbeil, na de oorlog: ‘Ik ging toen naar deze kast toe en klopte op de binnenwand van de kast en riep: “Heraus kommen, sonst wird geschossen.” Daarop meldde zich niemand. Vervolgens werd door mij aan een van mijn ondergeschikten bevel gegeven met zijn machinepistool enige waarschuwingsschoten op de wand af te geven, doch hoog, zodat een zich achter de kast bevindend persoon niet zou kunnen worden getroffen, omdat wij aan een dode marconist niets hadden. Na het eerste salvo gaf de marconist nog geen antwoord, waarop een tweede salvo werd afgevuurd, waarvan de kogels vlak langs hem heen gingen, waarna er één in het Duits schreeuwde: “Komm heraus, wir wissen wohl dass du da bist.” Er kwam hierop niemand achter de wand vandaan, zodat wij toen de rechterwand die enigszins hol klonk hebben ingedrukt. Wij zagen toen het zendapparaat staan dat nog op contact stond. Met één van mijn mannen ben ik in die schuilplaats gekropen en zag aldaar een man verdekt op de grond liggen. Op mijn vraag of hij in het bezit was van een wapen zei hij: “Neen.” Ik heb hem bevolen eruit te komen, wat hij toen deed.’

‘Anton, Anton’

Het was Stam, die met touwen werd vastgebonden, onmiddellijk duidelijk dat de Duitsers hem kenden. Een eveneens in het VAM-kantoor aanwezige beambte van de Funkmessstelle verwelkomde zijn gevangene met de woorden: “Guten Morgen Anton, wir werden einander wie Kriegsmänner begrüssen.” Tijdens een verhoor, later die dag in Beilen, kreeg Stam een schets voorgelegd waarop de geheime bergplaats van zijn zender was weergegeven. De tekening was gemaakt op aanwijzing van Jacob van den Hul. Toen Stam bleef volharden niets te weten over de betrokkenheid van andere verzetsstrijders, sprak de ondervragende officier hem belerend toe: ‘Anton, Anton, dat moet je niet doen, wij weten immers alles.’ Dat klopte. Stam: ‘Ik ben het verdere van de dag en de daarop volgende nacht aan een verhoor onderworpen geweest, waarbij mij bleek dat de Duitsers volledig bekend waren met de situatie van de zenders te Amsterdam, Uithuizermeden, Lekkum en Drijber.’

Tijdens latere verhoren wist Stam de Duitsers naar eigen zeggen wijs te maken de door hen begeerde codesleutel niet te kennen. ‘Inlichtingen over de organisatie in Leeuwarden heb ik wel gegeven, maar dusdanig verdraaid of verouderd dat ze waardeloos waren. Er is dan ook nooit iemand gearresteerd.’ Dat klopte, voor zover het zijn eigen bekentenissen betrof. Getuigenissen van andere gevangenen maakten echter dat er meer arrestaties volgden. Vier van hen werden op 8 maart 1945 gefusilleerd, als represaille voor de aanslag op SD-leider Hanns Albin Rauter.

Legitimatie Anton Stam als ex-politieke gevangene, 1945

Stam werd van Beilen overgebracht naar het Huis van Bewaring in Assen. Zijn bewakers daar maakten de fout hem op te sluiten in een ruimte met onderduikers en arbeidsweigeraars, in plaats van tussen de politieke gevangenen. ‘Na verloop van tijd werden ongeveer twintig mensen van de zaal op transport gesteld naar het concentratiekamp Wilhelmshaven. Door mee te schuiven en bij een willekeurige naam “ja” te roepen, lukte het mij me aan te sluiten bij dit transport, met de gedachte onderweg misschien te kunnen ontsnappen.’ Hij slaagde er echter niet in om uit de overvolle veewagen te springen, ‘en bij het eindpunt stonden dan ook twee SD-officieren te wachten die een kreet van opluchting slaakten toen ze me uit een van de wagens konden plukken.’ De vluchteling werd op 16 februari teruggevoerd naar Assen.

Klingbeil

Op 2 maart 1945 bracht Karl Klingbeil zijn arrestant naar een SD-kantoor in Zwolle. Daar volgden nieuwe verhoren. Het geluk was met Stam; waar veel SD’ers hun gevangenen afranselden in een poging om gegevens los te krijgen, moest Klingbeil daar weinig van hebben. Het bleef bij het afvuren van vragen en – in reactie – geven van ontwijkende antwoorden. De status quo werd uiteindelijk doorbroken met een Duits dwangvoorstel. Stam: ‘Hij [Klingbeil] deelde tijdens het laatste verhoor aan mij mede dat ik voor de keus werd gesteld om óf voor de Duitsers te werken óf te worden doodgeschoten. In dat voorstel zag ik een mogelijke kans om te ontsnappen en heb er toen in toegestemd om voor de Duitsers te gaan werken. Tijdens het onderhoud in Zwolle werd afgesproken dat ik de namen van code-officieren en de code per brief naar een Hauptsturmbannführer, wiens naam ik niet meer weet, zou zenden in Zwolle. Daarnaast is de afspraak gemaakt dat ik eens in de veertien dagen in De Groene Weide te Leeuwarden zou komen, waar ik dan een man zou ontmoeten die als een herkenning een doos onder zijn arm had.’

Nog eenmaal zetten de Duitsers hem in een auto. ‘Ik werd op een plek ergens buiten Beilen losgelaten, met de belofte contact te houden via de SD-Leeuwarden. Het weggetje lag ongeveer driehonderd meter van de straatweg en nog droom ik wel eens van dat bevroren terrein waar ik van die twee Duitsers wegliep, elk ogenblik een kogel in mijn rug verwachtend.’ De nazi’s hielden hun wapens dit keer echter op zak. Dankzij de met Klingbeil gemaakte afspraak wist Stam niet voor het eerst zijn leven te redden. Had hij volhard in zijn ontkenningen en uitvluchten, dan was hij ongetwijfeld eveneens gefusilleerd na de aanslag op Rauter, enkele dagen later.

Anton Stam hield zich niet aan de gemaakte afspraken. Hij overnachtte in Beilen en ging toen naar Leeuwarden, waar Amy en hun dochter verbleven. Twee uur voor Anton Stam haar weer in de armen kon sluiten, vernam Amy pas dat hij was opgepakt. Stam: ‘Ze wist dit doordat Dries [Buitenhoff ten Cate] weer naar Hoogeveen was gegaan en daar vernomen had dat ik gearresteerd was. Mijn vrouw had toen twee marconisten en een baby in huis, die gedurende de tijd dat ik weg was geen geld en geen eten hadden gehad. Werkelijk een zeer teleurstellende geschiedenis.’ Samen met Amy – die opnieuw zwanger was en in shock verkeerde door zijn arrestatie –, Buitenhoff ten Cate en drie anderen dook hij de rest van de oorlog onder op het Leeuwarder adres Steinstraat 11. ‘Tot aan de bevrijding zijn wij verder niet actief geweest, behalve het verzorgen van de onderduikers en het door mij ophalen van een pistool bij een boer die het niet langer in huis durfde hebben.’ Een paar weken later konden ze eindelijk hun bevrijders begroeten.

Even daarvoor had Anton Stam nog één ontmoeting met Karl Klingbeil. ‘Kort voor de bevrijding ben ik in Leeuwarden eens gaan kijken naar de stroom van vluchtende Duitsers. Toen ik er langs liep, werd ik door een Duitser aangehouden, die mij vroeg wat ik hier moest te spioneren. Ik antwoordde dat ik de SD’er Klingbeil uit Assen zocht. De Duitser antwoordde mij dat hij Klingbeil zou roepen en hij kwam even later met Klingbeil terug. Klingbeil vroeg mij waarom ze niets meer van me hadden gehoord. Ik vertelde hem dat er niets meer te melden was geweest, waarop hij mij het beste wenste en we uit elkaar gingen.’

Anton Stam was en bleef vrij. Hij zou, alvorens samen met zijn gezinsleden een woning te huren in Zandvoort, nog enkele maanden zijn intrek nemen in het ouderlijk huis te Zaandam. Klingbeil werd kort na de Duitse capitulatie gevangen genomen en voor de rechter gebracht. Hij werd eind 1948 buiten vervolging gesteld, omdat zijn misdrijven niet ernstig zouden zijn, hij het verzet had geholpen en al jaren in bewaring had gezeten.

Oorlogsuitkering

Pas in de jaren tachtig vertelde Anton Stam min of meer openlijk, in een voor de familie bestemd genealogisch boekje, beknopt over zijn oorlogservaringen. Hij had zich tot dan vooral gericht op zijn werk bij de KLM en zijn gezin. Bij gebrek aan getuigenissen kostte het hem zelfs moeite om een oorlogsuitkering te krijgen. Naarmate zijn vrouw en hij ouder werden, spookten de jaren 1940-’45 steeds vaker door hun hoofden. Hun dochter Amy: ‘Op het eind van zijn leven lag hij te malen in bed. Alles kwam terug. En mijn moeder voelde zich achtervolgd en vertrouwde niemand meer. Helemaal toen mijn vader overleden was. Ze verving alle deursloten en ik mocht er ook niet meer in. Ze meende dat haar kleindochter, schoonzoon en ik gevaarlijk waren en haar wilden vermoorden. Heel verdrietig.’ Het echtpaar vertrouwde elkaar wel tot het laatst. Amy: ‘Hun onderlinge band bleef erg sterk. Hij heeft altijd voor haar gezorgd en liet haar nooit in de steek.’

Anton Stam overleed op 9 januari 1998, zijn echtgenote elf maanden later.

Een sterk vermagerde Anton Stam, kort na de bevrijding

Gedicht

Op 12 september 1942 stuurde Anton Stam vanuit Zwitserland een gedicht naar zijn verloofde Amy Duif (die hij op de envelop aanduidde als mevrouw ‘Pigeon’).

Wacht op me, ik kom terug
wacht, wacht toch nog
wacht, wanneer je treurig bent
en als de regen langzaam valt
wacht op me, ik kom terug.

wacht op me, ik kom terug
de dood zal mij niet vinden kunnen
en als ze zeggen: hij heeft geluk gehad
zullen ze dan begrijpen
dat het alleen jouw wachten was dat me redde?
och wacht op me, ik kom terug.

Door BS-officier V. de Bie geschreven getuigschrift, 17-5-1945

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij de hulp van Sierk Plantinga en Amy Stam.

Nieuw: ‘Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945)’

 De Tweede Wereldoorlog was smerig en ongewis. De Zaankanters die zich keerden tegen de bezetter en zijn handlangers pionierden en probeerden, onwennig als ze waren met de spelregels van de nieuwe, nazistische orde. Dat leidde tot grootse daden, maar ook tot onzekerheden, fouten en soms bovenmenselijke spanningen.
Aan de hand van enkele tientallen Zaanse verzetsstrijders toont mijn nieuwe boek Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) zowel de veelzijdigheid van het ondergrondse werk als de zoektocht van de stoutmoedigen die tijdens de bezetting hun nek uitstaken.
Alle geportretteerden in deze publicatie namen hun verantwoordelijkheid toen het er op aankwam, soms met fatale gevolgen. Mededogen, altruïsme, (wan-)hoop, wraakgevoelens, opportunisme, levensovertuiging; er was een veelheid aan motieven om het gevecht aan te gaan. Maar wat en hoe ze dat ook deden, de uitvoerders keken niet weg. Ze kozen, daar waar de meerderheid van de bevolking zich -overigens om begrijpelijke redenen- afzijdig hield. Of die keuzes de juiste waren, viel vaak pas achteraf vast te stellen.
Strijd is een poging om de breedte te schetsen van het verzet in de regio, van de gewapende durfal tot de verzorger van onderduikers, van de ondergrondse regelneef tot de koerierster. Beoogd is om via hun wederwaardigheden zowel de diversiteit als de onvermijdelijke rommeligheid van de illegaliteit te tonen.
Strijd (140 pagina’s) kan worden gelezen als een ode aan de Zaankanters die immense risico’s opzochten in een tijd dat je ter vergroting van de overlevingskansen beter kon wegduiken. Door hun bijzondere daden voor het voetlicht te brengen, worden hopelijk ook de vele honderden andere Zaanse verzetsmensen geëerd die tot nu toe in de geschiedschrijving onzichtbaar zijn.

Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) is voor €17,50 verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en Bol.com.

Jopie Draaisma-van Doeland (1922-2018)

Op 22 maart 2018 overleed Johanna Stijntje (‘Jopie’) Draaisma-van Doeland (Koog aan de Zaan, 7-9-1922). Een paar jaar eerder interviewde ik haar, over haar illegale activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bescheiden als mevrouw Draaisma was, had ze daarover eerder vooral gezwegen. Haar overlijdensadvertentie stond in de krant op de dag dat -toeval bestaat- in het voormalige kamp Vught een expositie van start ging over verzetsvrouwen.

Jopie van Doeland moest flink aanpoten tijdens de oorlog. Niet alleen als ‘dienstje’ bij de familie Duyvis, van de gelijknamige machinefabriek, maar ook als hulp op het politiebureau in Koog aan de Zaan. Vader Klaas had daar de dagelijkse leiding en zijn dochter werd onder meer ingeschakeld om het bureau schoon te maken en de gevangenen eten en drinken te brengen. En dan was er ook nog het illegale werk. Zowel haar vader en haar verloofde Jan Draaisma – “Ik kende hem van de Parklaankerk’ – als zijzelf probeerden de nazi’s te dwarsbomen waar dat maar kon. “” Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander”” , zegt Jopie. “” Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven. Bij Eichholtz, die aan de Zaan woonde, lag bijvoorbeeld in het weekend een schuit met aardappelen. Op maandag moest die naar de Duitsers toe. Dat gaf ik meteen door aan mijn verloofde. En vervolgens is ’s nachts die schuit weggehaald. Een van de agenten werd door mijn vader niet helemaal vertrouwd. Die had avonddienst. En toen zei mijn vader tegen mij: ‘Ik zal hem bureaudienst geven.’ Opdat hij niet stomtoevallig op de Noorderbrug zou staan als ze daar met die aardappelen onderdoor boomden. En dat gaf ik dan ook weer door. Het is allemaal goed gegaan. Eichholtz keek raar op zijn neus.”

Het is één voorbeeld uit vele. Haar ondermijnende activiteiten startten dan ook al vroeg, met de bezorging van de illegale krant Trouw. “” Zo gauw als die blaadjes uitkwamen ben ik er mee begonnen. Dan kwam er iemand achterom bij ons thuis en kreeg ik een stapel Trouw. Ik had verschillende adresjes om ze heen te brengen, minstens zestien. Zo waren er bijvoorbeeld verschillende mensen in de Badhuisstraat die er eentje ontvingen. Het was de bedoeling dat ik er af en toe een kleinigheid voor kreeg. Aan wie ik dat geld gaf weet ik niet meer.” Ze ging door met rondbrengen tot aan de bevrijding, zonder in de problemen te komen. “Wel kreeg ik op een gegeven moment van degene die mij de krantjes bezorgde de vraag: ‘Wil je dáár ook heengaan? Want die is er nieuw komen wonen.’ En daar ben ik ingestonken. Achteraf is het goed gegaan, maar het had helemaal fout kunnen zijn. Ik kende die mensen helemaal niet. Dat ik dat gewoon aannam…”

 Jopie van Doeland rond 1950.

“Toen het bevolkingsregister van Koog gestolen werd, heb ik daar ook de hand in gehad. Zowel de bode op het gemeentehuis als mijn vader had een sleutel van het gemeentehuis. Ik heb Homburg – die zat ook in het verzet – die sleutel gegeven, maar wel gezegd: ‘Zorg dat-ie weer door de brievenbus wordt gegooid als jullie klaar zijn.’ Dus daar moest ik op vertrouwen. ’s Avonds of ’s nachts is het bevolkingsregister weggehaald. De volgende morgen kwam de gemeentesecretaris, mijnheer Beernink, op het gemeentehuis en toen was alles weg. Die was in alle staten.” De gemeentesecretaris begon onmiddellijk een zoektocht. “Eerst is hij natuurlijk naar de bode gegaan. Die wist nergens van en hij liep naar de schouw waar de sleutel altijd lag. En die lag er nog gewoon. En daarna kwam hij naar mijn vader. Die wilde de deur openen en zag opeens die sleutel op de mat liggen. Dus hij pakte de sleutel, deed open en zei vervolgens tegen mijnheer Beernink, die nog steeds in alle staten was: ‘Ik zal eens even kijken.’ En hij liep met die sleutel in zijn hand naar de plek waar die altijd lag. Waarna hij zei: ‘Ik heb hem hier.’ Ik ben tamelijk naïef geweest, het had mijn vader zijn kop kunnen kosten. Maar door die diefstal kon het verzet precies nakijken welke jongens er naar Duitsland hadden gemoeten. Als ze die sleutel niet hadden gehad, waren ze nergens geweest.”

Jopie van Doeland woonde in de oorlog nog bij haar ouders, pal naast het politiebureau in de Breestraat. Dat fungeerde indien noodzakelijk ook als schuilplaats. “Mijn verloofde Jan had bij ons een prachtig onderkomen. Als hij ’s avonds niet meer naar Haaldersbroek kon, lag hij boven het politiebureau op bed, met een sten onder zijn matras. Mijn vader was de hoogste op het bureau, daarom woonden we daar ook. Bij de Lindenboomschool had je een klein plantsoen met een heggetje. Jan hoorde Duitsers aankomen, dus die stapte over dat hegje. Maar hij wist niet dat daar een greppel met water achter was. Het was midden in de winter. Dus die kwam helemaal verkleumd bij ons. Toen hebben we hem stiekem naar boven gekregen en daar heeft hij zich gewassen. Maar je had helemaal geen warm water, alleen een klein fonteintje op de overloop. Toen zei hij tegen me: ‘Kom alsjeblieft even bij me liggen, zodat ik een beetje doorwarm.’ Dus ik, gewoon met mijn kleren aan, bij hem in bed. Komt opeens mijn moeder met veel lawaai die slaapkamer van Jan binnen! ‘Ben je nou helemaal….’ Ze was natuurlijk doodsbenauwd, die jongelui samen in één bed.”

“Jan heeft eens een foute neergeschoten, in de Oostzijde. Die vent stond daar in een steeg. Dat was echt een hele foute, die moest uit de weg geruimd worden. Toen is Jan teruggekomen bij ons en heeft hij op de divan gelegen. Hij was toen helemaal over de rooie. Agent Bleeker is er toen bij geweest en heeft hem echt even behandeld. Mijn zus en ik hebben hem daarna teruggebracht, zodat hij niet alleen langs de plek moest waar het was gebeurd.”

De mensen die in 1945 haar schoonouders zouden worden, hadden een joods jongetje in huis. “Een jongetje van een jaar of vijf. Die noemden we Hans. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het met Hansje afgelopen is. Hij kan er wel een half jaar geweest zijn voordat hij naar een ander adres ging. Ik vond het knap dat mijn schoonmoeder dat deed, die zorg voor dat jongetje. Ze was namelijk altijd ziekelijk.” Jopie kwam regelmatig bij haar schoonouders, onder meer om Jan te zien. “Hij had een tweepersoons kano en hij woonde op Haaldersbroek, dus dan gingen we nog wel eens het veld in, om elkaar een beetje te leren kennen. Want daar had hij er natuurlijk geen last van om opgepakt te worden.”

Ze kreeg met nog een joodse onderduiker te maken, heel even. “Die zat op de Bloemstraat, in een slaapkamer, maar ze moest daar weg. Ik moest haar eerst vertellen dat ze zich klaar moest maken voor vertrek. En daarna bracht ik haar ’s avonds naar het Zuideinde, bij Gosse Oosterbaan. Van daar zou ze weer verder gebracht worden. Een meisje valt natuurlijk niet zo op als begeleidster. Ik kwam altijd overal aan de deur, met een zendingsbusje of andere spullen. Het viel niet op.”

“Ik was niet bang in de oorlog. Ik denk dat het toch een Godsvertrouwen was; je vertrouwt op het goede en dan komt het wel voor elkaar. Ik was wat dat betreft altijd optimistisch. Ik heb er nooit slecht van geslapen, ben blijkbaar altijd heel makkelijk geweest. Die aard heb ik gelukkig. En na de oorlog hebben mijn man en ik het er nooit meer uitgebreid over gehad. Na die vijf jaar waren we zo langzamerhand wel aan iets anders toe.”

Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Hij kon echter niet altijd empathie opbrengen voor oorlogsgetroffenen. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in de Scholenstraat een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt en moest bovendien vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en tijdens de oorlog gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz
Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig vlak voor zijn vlucht naar Duitsland aan de garagehouder.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam.

In het najaar van 1948 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de heropbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, inmiddels onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.

Oorlogsschaakspel met Zaanse tint in Rijksmuseum

Het Rijksmuseum maakte in het voorjaar van 2016 bekend een nieuw object op te nemen in de vaste collectie, een van papierresten gemaakt schaakspel uit 1945. Er loopt een rechtstreekse lijn van deze illegale gevangenisvlijt naar de Zaandamse verzetsstrijder Jaap Buijs.

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs) Jaap Buijs

Het Rijksmuseum ontving het onooglijke schaakspel zeventig jaar na de bevrijding  uit de nalatenschap van een andere verzetsstrijder, Arie van Namen. Deze mede-oprichter van het illegale blad Vrij Nederland zat vanaf 12 januari 1945 in een cel, een lot dat hij deelde met de elders op de Weteringschans opgesloten Zaandamse houthandelaar. Beide mannen waren die ochtend door de sneeuw naar de Zuider Amstellaan 44 gereisd. Daar arriveerden rond tienen nog drie andere verzetsstrijders uit de leiding van de in oprichting zijnde Stichting 1940-1944. In die organisatienaam klonk optimisme door; nog dat jaar – was althans de verwachting – zou de bevrijding van Nederland een feit zijn. Ook de bewoner van het huis was aanwezig, de 26-jarige rechtenstudent Johan van Lom. Wat de anderen niet wisten, was dat hij hun vergadering had verraden aan de Sicherheitsdienst. In ruil zouden de Duitsers zijn maîtresse Tjodina Tijmstra vrijlaten, een opgepakte bezorgster van het illegale Parool.

Toen tegen half elf de SD binnenviel in het huis aan de Zuider Amstellaan werden onder anderen Buijs en Van Namen opgepakt en vervolgens geboeid naar de gevangenis aan de Weteringschans vervoerd. “Ik werd opgesloten in cel 18A1, een zeer donkere en ellendige cel”, beschreef Jaap Buijs later zijn ervaringen. De gevangenen kregen eenzame opsluiting. Af en toe werden ze tevoorschijn gehaald voor een stevige ondervraging. Van Namen: “Ik heb elke dag bij de verhoren in gedachten geleefd dat we er allemaal aan zouden gaan. Bij de verhoren zeiden ze: als je het niet zegt, dan gebeurt het om half zes, hoor! Ze werden naast je uit de cellen gehaald. Het was een verschrikkelijke tijd.” De mannen wisten niet dat hun verrader een deal had gesloten: hij had zijn ‘kameraden’ aangegeven op voorwaarde dat ze niet geëxecuteerd werden. Daaraan zouden de Duitsers zich houden; na de bevrijding konden de grondleggers van wat inmiddels Stichting 1940-1945 heette de gevangenis verlaten.

Celnr

Voor het zover kwam moest Jaap Buijs door een hel. Hij had niet alleen te maken met zware verhoren, ijzige kou en belabberd eten, maar moest op 12 februari 1945 ook afscheid nemen van zijn beste vriend, de in een naastgelegen cel opgesloten Walraven van Hall. Deze Zaandamse bankier werd later die dag met zeven anderen gefusilleerd in Haarlem. “Een der ellendigste dagen van mijn leven”, noteerde Buijs. “Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.”

Jaap Buijs begon in te storten en te hallucineren. Zijn geestelijke redding kwam toen hij op 3 maart werd overgeplaatst ‘naar cel 7A1, waar ik tot mijn vreugde aantrof A.H. v. Namen, een jonge advocaat met wie ik had samengewerkt om de “Stichting” voor te bereiden’. Eindelijk werd Buijs voorzien van waswater, schoon ondergoed en zelfs een Rode-Kruispakket. Er gloorde weer wat hoop.

In Buijs’ dagboekaantekeningen komt bij de datering ’13/3-16/3′ voor het eerst een schaakspel ter sprake. “We hebben spelletjes gemaakt van WC-papier. Dominé- [domino], dam- en schaakspel. De tijd gaat daardoor veel vlugger om.” Beide mannen speculeerden over de aanleiding voor hun arrestatie, maar kwamen daar aanvankelijk niet achter. Bijna dagelijks werden er gevangenen afgevoerd om te worden geëxecuteerd. Tegelijkertijd leefden Buijs en Namen ‘in een roes van steeds beter wordende berichten’. De bevrijding naderde, en daarmee hun kans om de bevrijding te halen. Buijs, media maart: “Steeds betere oorlogsberichten. Ik heb echter weer vele inzinkingen. Ik begin steeds meer te tobben hoe mijn eigen gezin en dat van Wallie [van Hall] het maken.”

Op tweede Paasdag, 2 april, schreef Buijs opnieuw over het schaakspel. “‘s Middags werd Arie weer betrapt toen hij door ’t raam sprak. Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf ‘twee dagen inhouding van voedsel’. Even daarna kwam de commandant van de gevangenis binnen. Wij dachten dat nu de straffen zouden komen, maar dit viel nu eens mee. Buiten de cel stond n.l. op een kaartje dat wij 2 dagen geen voedsel mochten hebben en nu zei hij: ‘Heren, dit gaat natuurlijk niet door, hè’, en schrapte dit door en vervolgde: ‘Voor de rest kan ik de heren zeggen blij te zijn een Beier te wezen en geen Holl. Pruis. Dag heren.’ – en de cel ging weer dicht.”

Arie van Namen Arie van Namen

Omdat Arie van Namen – in tegenstelling tot Jaap Buijs, die daar niets van begreep – voedselpakketten ontving, hadden de twee gevangenen de mogelijkheid om van het pakpapier een nieuw schaakspel te maken. Op 22 april werden de mannen echter uit elkaar gehaald; Jaap Buijs werd overgeplaatst naar het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen. “’s Avonds om 9 uur ging mijn celdeur open en moest ik er uit komen. Ik vroeg aan die kerel, een Hol. wachtmeester, wat er gaande was, daar hij zo’n haast maakte dat ik geeneens behoorlijk afscheid van v. Namen kon nemen. Ik moest al mijn spullen meenemen en die vent stond maar te schreeuwen: ‘Vlug, vlug, opschieten’.”

Het schaakspel bleef achter in cel 7A1, bij Arie van Namen. Toen die twee weken later werd vrijgelaten – de bevrijding was inmiddels een feit -, nam hij de met potlood tot schaakspel omgevormde 32 stukjes grauwgrijs papier mee naar huis. Ze zwierven vervolgens zeventig jaar in een oude envelop door Amsterdam en omgeving alvorens het Rijksmuseum besloot er een speciale plek voor in te ruimen. De schaakstukken zijn voortaan te vinden op de afdeling negentiende en twintigste eeuw, in het zaaltje over de Tweede Wereldoorlog.

In diezelfde ruimte is, als contrast, een schaakspel te vinden dat in 1941 vermoedelijk door SS-leider Heinrich Himmler is geschonken aan NSB-topman Anton Mussert. Het komt hoogstwaarschijnlijk uit het NSB-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan. Het bord is van coromandelhout, de geglazuurde stukken van terracotta klei. Het protserige spel verheerlijkt de veroveringsdrang van nazi-Duitsland gedurende de Tweede Wereldoorlog. De schaakstukken bestaan uit wapentuig, infanteristen en oorlogsvliegtuigen. De tekst in de bordrand verwijst naar landen die in 1939 en 1940 door het Derde Rijk werden aangevallen: “1939 SCHACH-MATT POLEN . DENEMARK . NORWEGEN . HOLLAND . BELGIEN . FRANKREICH . ENGLAND U.S.W.” Het vormt in alles een contrast met de nabije stukjes gescheurd papier van Jaap Buijs en Arie van Namen die tezamen eveneens een schaakspel moeten voorstellen.

Schaakbord
Het Mussert-schaakspel in het Rijksmuseum

(Verder lezen over het schaakspel van Van Namen en Buijs? Vrij Nederland wijdde er in het nummer van 30 april 2016 een lang artikel aan. Daarin staan overigens een foutje. Zo zaten Arie van Namen en Jaap Buijs aan de Weteringschans niet ‘in aangrenzende cellen’, maar bij elkaar in één ruimte. Dat maakt het ook een stuk waarschijnlijker dat Van Namen het schaakspel niet alleen gefabriceerd hefet, maar samen met Buijs. Ook werd Van Namen niet ‘als allerlaatste gevangene op 6 mei 1945 om tien uur ’s avonds vrijgelaten’. Misschien wel uit het Amsterdamse cellencomplex, maar Jaap Buijs mocht bijvoorbeeld pas op 7 mei het Scheveningse Oranjehotel verlaten. Diens laatste dagboekaantekeningen: “Moge God mij de kracht geven mij weer op te richten en te helpen ons land weer omhoog te brengen.” Jaap Buijs zou echter na de oorlog zwaar getraumatiseerd blijven, vooral door de voortijdige dood van zijn vriend Walraven van Hall. Hij overleed op 10 november 1960, 72 jaar oud. Het hele oorlogsverhaal van deze te onbekende verzetsman is hier te lezen.)

Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek

De synagoge veranderde in een paardenstal. Op de Westzijde bewogen verzetsstrijders en nazi’s zich behoedzaam langs elkaar. De Krommenieërweg herbergde verrassend veel collaborateurs. In Oostzaan bloeide de zwarte slacht. Rond de Zaanbrug liquideerde de illegaliteit steeds meer vijanden naarmate de bevrijding dichterbij kwam. En zelfs toen de oorlog al vele maanden voorbij was, ging papierfabriek De Eendracht in Wormer gewoon door met het vernietigen van joods roofgoed.

Het is een bijna willekeurige greep uit de talloze Zaanse gebeurtenissen gedurende de bezettingstijd. Aan de hand van ruim 250 adressen toont Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek wat de jaren 1940-1945 betekenden voor de Zaanse inwoners. Het geeft een indringend en soms onthullend beeld van de uitersten waarmee ze vijf jaar lang te maken kregen. Deze door Erik Schaap gemaakte plattegrond van het ‘schuldig landschap’ in oorlogstijd is aangevuld met een uitgebreide inleiding en tientallen veelal nooit eerder gepubliceerde foto’s van bezetting en verzet, vervolging en bevrijding. De publicatie is vanaf heden verkrijgbaar in elke Nederlandse boekhandel en via onder meer Bol.com.

Uitgever: Brave New Books
Jaar van uitgave: 2016
Auteur: Erik Schaap
Aantal pagina’s: 174
Prijs: €17,95
ISBN: 9789402147292

Omslag 'Oorlogspad'

Extreem oorlogsgeweld in de Burgemeestersbuurt

Het zijn slechts twee straten in zuidelijk Zaandam, maar de Tweede Wereldoorlog drukte er een stevig stempel op. In de Burgemeester van de Stadtstraat en de Burgemeester Ter Laanstraat wisselden leven en dood, bezetting en verzet elkaar vrijwel dagelijks af.

De meeste huizen in dit deel van de Burgemeestersbuurt werden eind jaren ’30 opgeleverd. Het waren -en zijn- in een rustige omgeving gelegen, degelijke woningen met een tuintje. Zeker destijds golden ze als prima onderkomens voor gezinnen uit de middenklasse. Het is dan ook geen toeval dat een deel van de Zaandamse ambtenaren er tijdens de oorlog een plek kreeg aangeboden. NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, die in 1942 aantrad, maakte er werk van om het Zaandamse ambtenarenkorps in hoog tempo te nazificeren en zijn nieuw aangetreden partijgenoten een passend onderdak te bezorgen. De gloednieuwe Burgemeestersbuurt was daartoe prima geschikt. Maar met de rust was het voortaan wel gedaan.

Collaborateurs

Op de naoorlogse lijsten van de Politieke Opsporingsdienst staan acht in bovengenoemde straten wonende personen als collaboratieverdachte vermeld, vooral ambtenaren. De POD-lijsten maken echter geen aanspraak op volledigheid. Bovendien verhuisden er voor de bevrijding aanbrak nationaalsocialisten uit deze wijk naar andere adressen en haalden twee daar wonende ‘landverraders’ mei 1945 niet levend. Gesteld kan dan ook worden dat de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat nog wel wat meer deutschfreundliche personen herbergden dan het POD-overzicht vrijgeeft.

Het laatste blokje van de Burgemeester van de Stadtstraat was waarschijnlijk zelfs exclusief gereserveerd voor leden van de Zaandamse (water)politie. Op nummer 123 woonde de beruchte chef van de waterpolitie, Willem Nicolaas Ehlhardt. In de woorden van BS-commandant Johann van Marle ging het hier om ‘een NSB’er‘ en iemand die ‘zich verschrikkelijk uitsloofde om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.’ Onder leiding van Ehlhardt plunderde de waterpolitie naar hartelust mensen die in de winter van 1944-’45 op hongertocht waren geweest in noordelijk Noord-Holland.

Naast Ehlhardt, op nummer 125, huisde Jan de Man, een onderluitenant van de waterpolitie. Op nummer 131 woonde volgens het telefoonboek van 1943 een niet bij naam genoemde rivierbrigadier van de politie te water en op 133 agent K. Mast. Voor zover bekend was op deze laatste politieman niets aan te merken. Achter de deuren van de tussenliggende nummers 127 en 129 hebben hoogstwaarschijnlijk ook politiebeambten gewoond. Onduidelijk is wat tussen 1940 en 1945 hun politieke achtergrond was. Dat geldt niet voor de bewoners van de Van de Stadtstraat 23, 48 en 80. Zij werden door de Politieke Opsporingsdienst eveneens als ‘fout’ beoordeeld en in mei 1945 voorafgaand aan hun berechting opgesloten in de Zaandamse districtsgevangenis.

Politiekorps Zaandam, deels. Rond 1941 (collectie R.R. Pel)
De Zaandamse politie, 1941
(collectie R.R. Pel)

In de parallel lopende Burgemeester Ter Laanstraat woonden minimaal twee collaborateurs. Achter de voordeur van nummer 120 bevond zich een door burgemeester Van Ravenswaay aangestelde medewerker van de Zaandamse gaarkeuken. Hij verdween kort na de bevrijding in de POD-arrestantenwagen. En op nummer 27 woonde Franciscus Diedericus Willemse. Deze door de illegaliteit gehate politieman zakte op 5 februari 1945 dodelijk gewond in elkaar op de hoek van de Zuiddijk en de A.F. de Savornin Lohmanstraat, getroffen door vijf of zes kogels die enkele verzetsstrijders op hem hadden afgevuurd.

Willemse was niet de enige bewoner uit deze straat op wie in februari een vuurwapen werd gericht. De 25-ste overleed Joost Zeeman. Deze 18-jarige onderduiker, wonend in de Ter Laanstraat 110, werd door Landwachters neergeschoten toen hij een Ausweis-controle probeerde te ontlopen. Enkele dagen later stierf ook de eerder genoemde Willem Ehlhardt in een kogelregen. Het toeval wilde dat dat gebeurde in de Ter Laanstraat, ter hoogte van nummer 85. Een ooggetuige, de jeugdige Jaap Plugge, was getuige van het vervolg: “Mijn kameraadje Wim zat huilend op straat naast zijn stervende vader. Een vreselijk schouwspel. Nu nog voel ik hoe beroerd ik was bij dit aangezicht. lk ben snel naar huis gegaan en pas later hoorde ik dat Ehlhardt die avond in het ziekenhuis was overleden.”

Binnen vier weken tijd werden dus drie mannen uit de Burgemeesterbuurt vermoord, twee door het gewapend verzet en een door gewapende nationaalsocialisten.

Bob Pel

Het was niet allemaal kommer en kwel in de Burgemeesterbuurt. In de Ter Laanstraat 88 woonde een van de weinige leden van de waterpolitie die aan de ‘goede’ kant stonden. En op nummer 97 bevond zich het gezin Pel. Vader Robert Rudolf was wachtmeester bij de Zaandamse politie en een van de actiefste verzetsstrijders van de Zaanstreek. De verdeeldheid bij de politie in de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat tekende de schizofrene situatie van het plaatselijke korps in bezettingstijd. De Burgemeestersbuurt als geheel kon daarnaast model staan voor de uitersten die de jaren 1940-1945 beheersten.

R.R. Pel rond 1941 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel, 1941
(collectie R.R. Pel)

Jan de Man

Had Willem Ehlhardt de oorlog overleefd, dan was hem ongetwijfeld de gevangenis ten deel gevallen. Dat overkwam wel zijn buurman en opvolger als commandant bij de waterpolitie, Jan de Man. Die werd op 8 mei 1945 opgesloten in de districtsgevangenis aan de Stationsstraat. Hij zou er tot 25 augustus van dat jaar blijven, op beschuldiging van diefstal en NSB-lidmaatschap. De Man, in zijn verweer: “De enigste oorzaak van de op mij uitgebrachte beschuldiging is dat ik op het bureau der waterpolitie met 4 man samen zat die niet safe waren. Ik werd toen voor de schurkenstreken van dit viertal beschouwd als bliksemafleider, door mij te betichten van het lidmaatschap der NSB. Een collega van mij heeft de NSB-instanties onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldiging absoluut ongegrond was.”

De politieman was in 1944 ook al opgepakt en toen naar kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd er toen door de Duitsers van verdacht wapens te hebben gestolen en in zijn huis te hebben verborgen. De Man ontsnapte na acht maanden en dook tot aan de bevrijding onder bij buurvrouw Gerritje Oldenburg in de Van de Stadtstraat 106. Dat hij na de bevrijding opnieuw werd opgepakt, moet hij hebben ervaren als een uiterst wrange speling van het lot. Zijn geluk was dat hij ontlastende verklaringen kon overleggen over hulp aan onderduikers. Eén van hen, de Amsterdammer L.H. Cohen: “Hierbij verklaar ik dat de heer Starreveld en De Man mij als Israeliet te allen tijde hebben geholpen, en het mij bekend is dat ook andere Israelieten en onderduikers door hen geholpen zijn. Dat zij alles hebben gedaan om de NSB tegen te werken en te zorgen dat niet alles in Duitse handen viel. Ik ben er dan ook van overtuigd dat zij niet ten eigen bate hebben gewerkt en verzoek u de volle medewerking om deze kwestie zoo spoedig mogelijk uit de weg te helpen.” De getuigenissen pakten goed uit. Eind augustus 1945 keerde Jan de Man voor de tweede keer terug uit gevangenschap.

 

De Zaanse bejaarden in Hierden (?)

De Zaanstreek telt tientallen oorlogsmonumenten, variërend van standbeelden tot gedenkplaten. Maar ook buiten de regio zijn Zaanse herinneringen terug te vinden aan de jaren 1940-’45. Zoals in het Veluwedorp Hierden, waar op een plaquette Zaanse bejaarden worden gememoreerd die daar gedurende de bezettingstijd in een kasteel verbleven.

Aan de zijkant van het imposante Hierdense kasteel De Essenburgh hangt een plaquette waarop de bewoners worden genoemd die daar gedurende de oorlogstijd hun dagen en nachten sleten. Tussen ‘Duitse Wehrmacht’ en ‘Herman Göring Divisie’ staat daar de tekst ‘Bejaarden uit de Zaanstreek’. Maar hoe, waarom en wanneer belandden die senioren in dit statige slot?

Bernard Carp

Laten we eerst een blik werpen op Bernard Carp, die zich sinds 1938 de trotse eigenaar van De Essenburgh mocht noemen. Hij combineerde het beheer met het directielidmaatschap van het eeuwenoude likeur- en jeneverbedrijf Lucas Bols. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het beroemde drankenbedrijf pragmatisch, zo niet opportunistisch te werk. Enerzijds steunde de onderneming c.q. Carp -met name gedurende de tweede oorlogshelft- de illegaliteit. Anderzijds leverde het met grote gulheid flessen alcohol aan de vijand. Het leverde Lucas Bols miljoenen guldens omzet op.

In 1948 oordeelde het Amsterdamse Tribunaal dat Bols ‘veel meer aan de vijand [had] geleverd dan gelet op haar positie nodig was‘. Wie Carps naoorlogse strafrechtdossier doorneemt, ziet dat de drank inderdaad met duizenden liters tegelijk richting Weermacht ging. Het werd met name directeur Carp aangerekend.

Desondanks wist Bernard Carp na de bevrijding de persoonlijke schade beperkt te houden. Wetend dat hem een vervolging te wachten stond, lukte het hem om in 1946 een paspoort te bemachtigen en naar Zuid-Afrika te vluchten. Daar zette hij zijn werk voor de firma Bols voort. Hoe hij, als collaboratieverdachte, aan dat paspoort kwam was een raadsel. De voor de uitgifte verantwoordelijke ambtenaren wezen naar elkaar en de opsporingsdiensten konden, ondanks een stevig onderzoek, geen schuldige traceren.
Bernard Carp Bernard ‘Berend’ Carp

Terwijl Carp in Kaapstad zijn luxe leven voortzette, begon er in Nederland een proces tegen hem. Het leidde er toe dat hij wegens collaboratie bij verstek werd veroordeeld tot drie jaar celstraf, plus een boete van 50.000 gulden. Dat geld betaalde de kasteeleigenaar, in etappes. Uit Zuid-Afrika terugkeren om de rest van zijn straf te ondergaan deed hij echter niet.

In 1953, toen de Tweede Wereldoorlog wat naar de achtergrond zakte, vroeg en kreeg Carp zelfs gratie. De boete bleef gehandhaafd, maar koningin Juliana zette haar handtekening onder een Koninklijk Besluit dat hem vrijwaarde van verdere vervolging. Bernard Carp zou niet de geschiedenis ingaan als collaborateur-met-strafblad, maar als Olympisch zeiler en succesvol directeur. De royale leveringen aan het nationaalsocialistische regime verhinderden zelfs niet dat Lucas Bols in 1970 het predikaat ‘koninklijk’ verwierf, normaal gesproken een eerbetoon aan bedrijven met een smetteloos blazoen.

De Essenburgh

Terug naar Carps kasteel en de plaquette. In het uitgebreide strafdossier van de kasteelheer is helaas zo goed als niets te vinden over De Essenburgh. Veel verder dan de vermelding dat hij er de eigenaar van was gaat het niet. En dus valt uit de vele honderden justitiële papieren in zijn Nationaal Archief-dossier ook niet op te maken hoe het zat met de Zaanse bejaarden en andere oorlogslogés op het kapitale landgoed.

Essenburgh De Essenburgh

De Zaanse broers Dick en Joop Wals staken eind 2015 hun licht op bij een dochter van de vrouw die wellicht verantwoordelijk was voor de bejaardenverhuizing naar Hierden. Nel Bruidegom werkte tot 1942 als verpleegster in een Zaandams ziekenhuis. Om welke dat ging leert het Zaanse adresboek van 1941. ‘P.C. Bruidegom’ was gehuisvest in de Frans Halsstraat 29. Daar stond het Gemeenteziekenhuis. Nel Bruidegom werkte er aanvankelijk als leerling-verpleegster, maar kreeg op 22 april  1942 het ‘diploma A (Algemeene ziekenverpleging)’ overhandigd. Vier jaar eerder wist ze al het diploma ‘voor de verpleging van zenuwzieken en zwakzinnigen’ te behalen. Ze was dus een allround-verpleegster.

Vier maanden na haar diplomering in Zaandam tekende ze een arbeidsovereenkomst in het noodziekenhuis Waterland, dat in Velsen lag. Ze kreeg daar bovendien kost en inwoning en verliet dus de Zaanstreek. Lang bleef ze echter niet in Velsen, dat door de Duitsers werd ontruimd met het oog op een mogelijk geallieerde aanval op de kust. Via een ziekenhuis op de Grebbeberg kwam zuster Bruidegom uiteindelijk terecht in De Essenburgh, dat eveneens als noodverzorgingshuis fungeerde. Ze werd er aangenomen als onder-directrice en had dus promotie gemaakt.

Het werd desondanks een kort uitstapje: na haar verhuizing naar Hierden trouwde Nel Bruidegom met een plaatselijke weduwnaar, Jouk Hop. En gehuwde vrouwen konden een vaste baan als verpleegster of zelfs onder-directrice wel vergeten. Op 16 augustus 1943 ontving ze dan ook van J.F.F. Götz, de directeur van het Bureau Afvoer Burgerbevolking, een bedankje ‘voor uw aan de evacuatie bewezen diensten’.

Brief Ontslagbrief Nel Bruidegom

Wellicht is in de laatste zin van Bruidegoms ontslagbrief het verband te lezen tussen de ‘bejaarden uit de Zaanstreek’ en De Essenburgh. Zou het kunnen dat zij de ‘evacuatie’ van een groep Zaankanters op leeftijd naar Hierden had geregeld? Of is er op die ver na de oorlog aangebrachte plaquette een fout gemaakt, en betrof het in werkelijkheid senioren uit bijvoorbeeld het door de Duitsers ontruimde Velsen?

Het verlossende woord zal waarschijnlijk komen van Harderwijker Martijn Pijnenburg. Deze plaatselijke politicus annex geschiedvorser legt momenteel de laatste hand aan een boek over de geschiedenis van De Essenburgh. Hij laat op de vraag wat de Zaanse bejaarden daar in 1940-1945 deden alleen los dat ‘zij waren geëvacueerd’. “Kort in Hierden, later o.a. in Barneveld.”

Wellicht dat in zijn boek ook uitsluitsel komt over onderstaande personen, in 1943 gefotografeerd bij De Essenburgh. Het zouden joodse onderduikers zijn, die er enkele weken een schuilplek vonden.


(Collectie J. Bak)

We wachten het boek af. Wie in de tussentijd meer weet te vertellen over bijgaande raadselachtige plaquette of de mensen op de foto’s mag het melden: info@schaapschrijft.nl.

Hierden
De plaquette in Hierden (foto Carel van der Linde)