Berichten

Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Hij kon echter niet altijd empathie opbrengen voor oorlogsgetroffenen. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in de Scholenstraat een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt en moest bovendien vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en tijdens de oorlog gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz
Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig aan de garagehouder vlak voor zijn vlucht naar Duitsland.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam

In het najaar van 1948 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de heropbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, inmiddels onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.

Oorlogsschaakspel met Zaanse tint in Rijksmuseum

Het Rijksmuseum maakte in het voorjaar van 2016 bekend een nieuw object op te nemen in de vaste collectie, een van papierresten gemaakt schaakspel uit 1945. Er loopt een rechtstreekse lijn van deze illegale gevangenisvlijt naar de Zaandamse verzetsstrijder Jaap Buijs.

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs) Jaap Buijs

Het Rijksmuseum ontving het onooglijke schaakspel zeventig jaar na de bevrijding  uit de nalatenschap van een andere verzetsstrijder, Arie van Namen. Deze mede-oprichter van het illegale blad Vrij Nederland zat vanaf 12 januari 1945 in een cel, een lot dat hij deelde met de elders op de Weteringschans opgesloten Zaandamse houthandelaar. Beide mannen waren die ochtend door de sneeuw naar de Zuider Amstellaan 44 gereisd. Daar arriveerden rond tienen nog drie andere verzetsstrijders uit de leiding van de in oprichting zijnde Stichting 1940-1944. In die organisatienaam klonk optimisme door; nog dat jaar – was althans de verwachting – zou de bevrijding van Nederland een feit zijn. Ook de bewoner van het huis was aanwezig, de 26-jarige rechtenstudent Johan van Lom. Wat de anderen niet wisten, was dat hij hun vergadering had verraden aan de Sicherheitsdienst. In ruil zouden de Duitsers zijn maîtresse Tjodina Tijmstra vrijlaten, een opgepakte bezorgster van het illegale Parool.

Toen tegen half elf de SD binnenviel in het huis aan de Zuider Amstellaan werden onder anderen Buijs en Van Namen opgepakt en vervolgens geboeid naar de gevangenis aan de Weteringschans vervoerd. “Ik werd opgesloten in cel 18A1, een zeer donkere en ellendige cel”, beschreef Jaap Buijs later zijn ervaringen. De gevangenen kregen eenzame opsluiting. Af en toe werden ze tevoorschijn gehaald voor een stevige ondervraging. Van Namen: “Ik heb elke dag bij de verhoren in gedachten geleefd dat we er allemaal aan zouden gaan. Bij de verhoren zeiden ze: als je het niet zegt, dan gebeurt het om half zes, hoor! Ze werden naast je uit de cellen gehaald. Het was een verschrikkelijke tijd.” De mannen wisten niet dat hun verrader een deal had gesloten: hij had zijn ‘kameraden’ aangegeven op voorwaarde dat ze niet geëxecuteerd werden. Daaraan zouden de Duitsers zich houden; na de bevrijding konden de grondleggers van wat inmiddels Stichting 1940-1945 heette de gevangenis verlaten.

Celnr

Voor het zover kwam moest Jaap Buijs door een hel. Hij had niet alleen te maken met zware verhoren, ijzige kou en belabberd eten, maar moest op 12 februari 1945 ook afscheid nemen van zijn beste vriend, de in een naastgelegen cel opgesloten Walraven van Hall. Deze Zaandamse bankier werd later die dag met zeven anderen gefusilleerd in Haarlem. “Een der ellendigste dagen van mijn leven”, noteerde Buijs. “Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.”

Jaap Buijs begon in te storten en te hallucineren. Zijn geestelijke redding kwam toen hij op 3 maart werd overgeplaatst ‘naar cel 7A1, waar ik tot mijn vreugde aantrof A.H. v. Namen, een jonge advocaat met wie ik had samengewerkt om de “Stichting” voor te bereiden’. Eindelijk werd Buijs voorzien van waswater, schoon ondergoed en zelfs een Rode-Kruispakket. Er gloorde weer wat hoop.

In Buijs’ dagboekaantekeningen komt bij de datering ’13/3-16/3′ voor het eerst een schaakspel ter sprake. “We hebben spelletjes gemaakt van WC-papier. Dominé- [domino], dam- en schaakspel. De tijd gaat daardoor veel vlugger om.” Beide mannen speculeerden over de aanleiding voor hun arrestatie, maar kwamen daar aanvankelijk niet achter. Bijna dagelijks werden er gevangenen afgevoerd om te worden geëxecuteerd. Tegelijkertijd leefden Buijs en Namen ‘in een roes van steeds beter wordende berichten’. De bevrijding naderde, en daarmee hun kans om de bevrijding te halen. Buijs, media maart: “Steeds betere oorlogsberichten. Ik heb echter weer vele inzinkingen. Ik begin steeds meer te tobben hoe mijn eigen gezin en dat van Wallie [van Hall] het maken.”

Op tweede Paasdag, 2 april, schreef Buijs opnieuw over het schaakspel. “‘s Middags werd Arie weer betrapt toen hij door ’t raam sprak. Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf ‘twee dagen inhouding van voedsel’. Even daarna kwam de commandant van de gevangenis binnen. Wij dachten dat nu de straffen zouden komen, maar dit viel nu eens mee. Buiten de cel stond n.l. op een kaartje dat wij 2 dagen geen voedsel mochten hebben en nu zei hij: ‘Heren, dit gaat natuurlijk niet door, hè’, en schrapte dit door en vervolgde: ‘Voor de rest kan ik de heren zeggen blij te zijn een Beier te wezen en geen Holl. Pruis. Dag heren.’ – en de cel ging weer dicht.”

Arie van Namen Arie van Namen

Omdat Arie van Namen – in tegenstelling tot Jaap Buijs, die daar niets van begreep – voedselpakketten ontving, hadden de twee gevangenen de mogelijkheid om van het pakpapier een nieuw schaakspel te maken. Op 22 april werden de mannen echter uit elkaar gehaald; Jaap Buijs werd overgeplaatst naar het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen. “’s Avonds om 9 uur ging mijn celdeur open en moest ik er uit komen. Ik vroeg aan die kerel, een Hol. wachtmeester, wat er gaande was, daar hij zo’n haast maakte dat ik geeneens behoorlijk afscheid van v. Namen kon nemen. Ik moest al mijn spullen meenemen en die vent stond maar te schreeuwen: ‘Vlug, vlug, opschieten’.”

Het schaakspel bleef achter in cel 7A1, bij Arie van Namen. Toen die twee weken later werd vrijgelaten – de bevrijding was inmiddels een feit -, nam hij de met potlood tot schaakspel omgevormde 32 stukjes grauwgrijs papier mee naar huis. Ze zwierven vervolgens zeventig jaar in een oude envelop door Amsterdam en omgeving alvorens het Rijksmuseum besloot er een speciale plek voor in te ruimen. De schaakstukken zijn voortaan te vinden op de afdeling negentiende en twintigste eeuw, in het zaaltje over de Tweede Wereldoorlog.

In diezelfde ruimte is, als contrast, een schaakspel te vinden dat in 1941 vermoedelijk door SS-leider Heinrich Himmler is geschonken aan NSB-topman Anton Mussert. Het komt hoogstwaarschijnlijk uit het NSB-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan. Het bord is van coromandelhout, de geglazuurde stukken van terracotta klei. Het protserige spel verheerlijkt de veroveringsdrang van nazi-Duitsland gedurende de Tweede Wereldoorlog. De schaakstukken bestaan uit wapentuig, infanteristen en oorlogsvliegtuigen. De tekst in de bordrand verwijst naar landen die in 1939 en 1940 door het Derde Rijk werden aangevallen: “1939 SCHACH-MATT POLEN . DENEMARK . NORWEGEN . HOLLAND . BELGIEN . FRANKREICH . ENGLAND U.S.W.” Het vormt in alles een contrast met de nabije stukjes gescheurd papier van Jaap Buijs en Arie van Namen die tezamen eveneens een schaakspel moeten voorstellen.

Schaakbord
Het Mussert-schaakspel in het Rijksmuseum

(Verder lezen over het schaakspel van Van Namen en Buijs? Vrij Nederland wijdde er in het nummer van 30 april 2016 een lang artikel aan. Daarin staan overigens een foutje. Zo zaten Arie van Namen en Jaap Buijs aan de Weteringschans niet ‘in aangrenzende cellen’, maar bij elkaar in één ruimte. Dat maakt het ook een stuk waarschijnlijker dat Van Namen het schaakspel niet alleen gefabriceerd hefet, maar samen met Buijs. Ook werd Van Namen niet ‘als allerlaatste gevangene op 6 mei 1945 om tien uur ’s avonds vrijgelaten’. Misschien wel uit het Amsterdamse cellencomplex, maar Jaap Buijs mocht bijvoorbeeld pas op 7 mei het Scheveningse Oranjehotel verlaten. Diens laatste dagboekaantekeningen: “Moge God mij de kracht geven mij weer op te richten en te helpen ons land weer omhoog te brengen.” Jaap Buijs zou echter na de oorlog zwaar getraumatiseerd blijven, vooral door de voortijdige dood van zijn vriend Walraven van Hall. Hij overleed op 10 november 1960, 72 jaar oud. Het hele oorlogsverhaal van deze te onbekende verzetsman is hier te lezen.)

Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek

De synagoge veranderde in een paardenstal. Op de Westzijde bewogen verzetsstrijders en nazi’s zich behoedzaam langs elkaar. De Krommenieërweg herbergde verrassend veel collaborateurs. In Oostzaan bloeide de zwarte slacht. Rond de Zaanbrug liquideerde de illegaliteit steeds meer vijanden naarmate de bevrijding dichterbij kwam. En zelfs toen de oorlog al vele maanden voorbij was, ging papierfabriek De Eendracht in Wormer gewoon door met het vernietigen van joods roofgoed.

Het is een bijna willekeurige greep uit de talloze Zaanse gebeurtenissen gedurende de bezettingstijd. Aan de hand van ruim 250 adressen toont Oorlogspad. Adresboek van de bezette Zaanstreek wat de jaren 1940-1945 betekenden voor de Zaanse inwoners. Het geeft een indringend en soms onthullend beeld van de uitersten waarmee ze vijf jaar lang te maken kregen. Deze door Erik Schaap gemaakte plattegrond van het ‘schuldig landschap’ in oorlogstijd is aangevuld met een uitgebreide inleiding en tientallen veelal nooit eerder gepubliceerde foto’s van bezetting en verzet, vervolging en bevrijding. De publicatie is vanaf heden verkrijgbaar in elke Nederlandse boekhandel en via onder meer Bol.com.

Uitgever: Brave New Books
Jaar van uitgave: 2016
Auteur: Erik Schaap
Aantal pagina’s: 174
Prijs: €17,95
ISBN: 9789402147292

Omslag 'Oorlogspad'

Extreem oorlogsgeweld in de Burgemeestersbuurt

Het zijn slechts twee straten in zuidelijk Zaandam, maar de Tweede Wereldoorlog drukte er een stevig stempel op. In de Burgemeester van de Stadtstraat en de Burgemeester Ter Laanstraat wisselden leven en dood, bezetting en verzet elkaar vrijwel dagelijks af.

De meeste huizen in dit deel van de Burgemeestersbuurt werden eind jaren ’30 opgeleverd. Het waren -en zijn- in een rustige omgeving gelegen, degelijke woningen met een tuintje. Zeker destijds golden ze als prima onderkomens voor gezinnen uit de middenklasse. Het is dan ook geen toeval dat een deel van de Zaandamse ambtenaren er tijdens de oorlog een plek kreeg aangeboden. NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, die in 1942 aantrad, maakte er werk van om het Zaandamse ambtenarenkorps in hoog tempo te nazificeren en zijn nieuw aangetreden partijgenoten een passend onderdak te bezorgen. De gloednieuwe Burgemeestersbuurt was daartoe prima geschikt. Maar met de rust was het voortaan wel gedaan.

Collaborateurs

Op de naoorlogse lijsten van de Politieke Opsporingsdienst staan acht in bovengenoemde straten wonende personen als collaboratieverdachte vermeld, vooral ambtenaren. De POD-lijsten maken echter geen aanspraak op volledigheid. Bovendien verhuisden er voor de bevrijding aanbrak nationaalsocialisten uit deze wijk naar andere adressen en haalden twee daar wonende ‘landverraders’ mei 1945 niet levend. Gesteld kan dan ook worden dat de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat nog wel wat meer deutschfreundliche personen herbergden dan het POD-overzicht vrijgeeft.

Het laatste blokje van de Burgemeester van de Stadtstraat was waarschijnlijk zelfs exclusief gereserveerd voor leden van de Zaandamse (water)politie. Op nummer 123 woonde de beruchte chef van de waterpolitie, Willem Nicolaas Ehlhardt. In de woorden van BS-commandant Johann van Marle ging het hier om ‘een NSB’er‘ en iemand die ‘zich verschrikkelijk uitsloofde om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.’ Onder leiding van Ehlhardt plunderde de waterpolitie naar hartelust mensen die in de winter van 1944-’45 op hongertocht waren geweest in noordelijk Noord-Holland.

Naast Ehlhardt, op nummer 125, huisde Jan de Man, een onderluitenant van de waterpolitie. Op nummer 131 woonde volgens het telefoonboek van 1943 een niet bij naam genoemde rivierbrigadier van de politie te water en op 133 agent K. Mast. Voor zover bekend was op deze laatste politieman niets aan te merken. Achter de deuren van de tussenliggende nummers 127 en 129 hebben hoogstwaarschijnlijk ook politiebeambten gewoond. Onduidelijk is wat tussen 1940 en 1945 hun politieke achtergrond was. Dat geldt niet voor de bewoners van de Van de Stadtstraat 23, 48 en 80. Zij werden door de Politieke Opsporingsdienst eveneens als ‘fout’ beoordeeld en in mei 1945 voorafgaand aan hun berechting opgesloten in de Zaandamse districtsgevangenis.

Politiekorps Zaandam, deels. Rond 1941 (collectie R.R. Pel)
De Zaandamse politie, 1941
(collectie R.R. Pel)

In de parallel lopende Burgemeester Ter Laanstraat woonden minimaal twee collaborateurs. Achter de voordeur van nummer 120 bevond zich een door burgemeester Van Ravenswaay aangestelde medewerker van de Zaandamse gaarkeuken. Hij verdween kort na de bevrijding in de POD-arrestantenwagen. En op nummer 27 woonde Franciscus Diedericus Willemse. Deze door de illegaliteit gehate politieman zakte op 5 februari 1945 dodelijk gewond in elkaar op de hoek van de Zuiddijk en de A.F. de Savornin Lohmanstraat, getroffen door vijf of zes kogels die enkele verzetsstrijders op hem hadden afgevuurd.

Willemse was niet de enige bewoner uit deze straat op wie in februari een vuurwapen werd gericht. De 25-ste overleed Joost Zeeman. Deze 18-jarige onderduiker, wonend in de Ter Laanstraat 110, werd door Landwachters neergeschoten toen hij een Ausweis-controle probeerde te ontlopen. Enkele dagen later stierf ook de eerder genoemde Willem Ehlhardt in een kogelregen. Het toeval wilde dat dat gebeurde in de Ter Laanstraat, ter hoogte van nummer 85. Een ooggetuige, de jeugdige Jaap Plugge, was getuige van het vervolg: “Mijn kameraadje Wim zat huilend op straat naast zijn stervende vader. Een vreselijk schouwspel. Nu nog voel ik hoe beroerd ik was bij dit aangezicht. lk ben snel naar huis gegaan en pas later hoorde ik dat Ehlhardt die avond in het ziekenhuis was overleden.”

Binnen vier weken tijd werden dus drie mannen uit de Burgemeesterbuurt vermoord, twee door het gewapend verzet en een door gewapende nationaalsocialisten.

Bob Pel

Het was niet allemaal kommer en kwel in de Burgemeesterbuurt. In de Ter Laanstraat 88 woonde een van de weinige leden van de waterpolitie die aan de ‘goede’ kant stonden. En op nummer 97 bevond zich het gezin Pel. Vader Robert Rudolf was wachtmeester bij de Zaandamse politie en een van de actiefste verzetsstrijders van de Zaanstreek. De verdeeldheid bij de politie in de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat tekende de schizofrene situatie van het plaatselijke korps in bezettingstijd. De Burgemeestersbuurt als geheel kon daarnaast model staan voor de uitersten die de jaren 1940-1945 beheersten.

R.R. Pel rond 1941 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel, 1941
(collectie R.R. Pel)

Jan de Man

Had Willem Ehlhardt de oorlog overleefd, dan was hem ongetwijfeld de gevangenis ten deel gevallen. Dat overkwam wel zijn buurman en opvolger als commandant bij de waterpolitie, Jan de Man. Die werd op 8 mei 1945 opgesloten in de districtsgevangenis aan de Stationsstraat. Hij zou er tot 25 augustus van dat jaar blijven, op beschuldiging van diefstal en NSB-lidmaatschap. De Man, in zijn verweer: “De enigste oorzaak van de op mij uitgebrachte beschuldiging is dat ik op het bureau der waterpolitie met 4 man samen zat die niet safe waren. Ik werd toen voor de schurkenstreken van dit viertal beschouwd als bliksemafleider, door mij te betichten van het lidmaatschap der NSB. Een collega van mij heeft de NSB-instanties onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldiging absoluut ongegrond was.”

De politieman was in 1944 ook al opgepakt en toen naar kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd er toen door de Duitsers van verdacht wapens te hebben gestolen en in zijn huis te hebben verborgen. De Man ontsnapte na acht maanden en dook tot aan de bevrijding onder bij buurvrouw Gerritje Oldenburg in de Van de Stadtstraat 106. Dat hij na de bevrijding opnieuw werd opgepakt, moet hij hebben ervaren als een uiterst wrange speling van het lot. Zijn geluk was dat hij ontlastende verklaringen kon overleggen over hulp aan onderduikers. Eén van hen, de Amsterdammer L.H. Cohen: “Hierbij verklaar ik dat de heer Starreveld en De Man mij als Israeliet te allen tijde hebben geholpen, en het mij bekend is dat ook andere Israelieten en onderduikers door hen geholpen zijn. Dat zij alles hebben gedaan om de NSB tegen te werken en te zorgen dat niet alles in Duitse handen viel. Ik ben er dan ook van overtuigd dat zij niet ten eigen bate hebben gewerkt en verzoek u de volle medewerking om deze kwestie zoo spoedig mogelijk uit de weg te helpen.” De getuigenissen pakten goed uit. Eind augustus 1945 keerde Jan de Man voor de tweede keer terug uit gevangenschap.

 

De Zaanse bejaarden in Hierden (?)

De Zaanstreek telt tientallen oorlogsmonumenten, variërend van standbeelden tot gedenkplaten. Maar ook buiten de regio zijn Zaanse herinneringen terug te vinden aan de jaren 1940-’45. Zoals in het Veluwedorp Hierden, waar op een plaquette Zaanse bejaarden worden gememoreerd die daar gedurende de bezettingstijd in een kasteel verbleven.

Aan de zijkant van het imposante Hierdense kasteel De Essenburgh hangt een plaquette waarop de bewoners worden genoemd die daar gedurende de oorlogstijd hun dagen en nachten sleten. Tussen ‘Duitse Wehrmacht’ en ‘Herman Göring Divisie’ staat daar de tekst ‘Bejaarden uit de Zaanstreek’. Maar hoe, waarom en wanneer belandden die senioren in dit statige slot?

Bernard Carp

Laten we eerst een blik werpen op Bernard Carp, die zich sinds 1938 de trotse eigenaar van De Essenburgh mocht noemen. Hij combineerde het beheer met het directielidmaatschap van het eeuwenoude likeur- en jeneverbedrijf Lucas Bols. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het beroemde drankenbedrijf pragmatisch, zo niet opportunistisch te werk. Enerzijds steunde de onderneming c.q. Carp -met name gedurende de tweede oorlogshelft- de illegaliteit. Anderzijds leverde het met grote gulheid flessen alcohol aan de vijand. Het leverde Lucas Bols miljoenen guldens omzet op.

In 1948 oordeelde het Amsterdamse Tribunaal dat Bols ‘veel meer aan de vijand [had] geleverd dan gelet op haar positie nodig was‘. Wie Carps naoorlogse strafrechtdossier doorneemt, ziet dat de drank inderdaad met duizenden liters tegelijk richting Weermacht ging. Het werd met name directeur Carp aangerekend.

Desondanks wist Bernard Carp na de bevrijding de persoonlijke schade beperkt te houden. Wetend dat hem een vervolging te wachten stond, lukte het hem om in 1946 een paspoort te bemachtigen en naar Zuid-Afrika te vluchten. Daar zette hij zijn werk voor de firma Bols voort. Hoe hij, als collaboratieverdachte, aan dat paspoort kwam was een raadsel. De voor de uitgifte verantwoordelijke ambtenaren wezen naar elkaar en de opsporingsdiensten konden, ondanks een stevig onderzoek, geen schuldige traceren.
Bernard Carp Bernard ‘Berend’ Carp

Terwijl Carp in Kaapstad zijn luxe leven voortzette, begon er in Nederland een proces tegen hem. Het leidde er toe dat hij wegens collaboratie bij verstek werd veroordeeld tot drie jaar celstraf, plus een boete van 50.000 gulden. Dat geld betaalde de kasteeleigenaar, in etappes. Uit Zuid-Afrika terugkeren om de rest van zijn straf te ondergaan deed hij echter niet.

In 1953, toen de Tweede Wereldoorlog wat naar de achtergrond zakte, vroeg en kreeg Carp zelfs gratie. De boete bleef gehandhaafd, maar koningin Juliana zette haar handtekening onder een Koninklijk Besluit dat hem vrijwaarde van verdere vervolging. Bernard Carp zou niet de geschiedenis ingaan als collaborateur-met-strafblad, maar als Olympisch zeiler en succesvol directeur. De royale leveringen aan het nationaalsocialistische regime verhinderden zelfs niet dat Lucas Bols in 1970 het predikaat ‘koninklijk’ verwierf, normaal gesproken een eerbetoon aan bedrijven met een smetteloos blazoen.

De Essenburgh

Terug naar Carps kasteel en de plaquette. In het uitgebreide strafdossier van de kasteelheer is helaas zo goed als niets te vinden over De Essenburgh. Veel verder dan de vermelding dat hij er de eigenaar van was gaat het niet. En dus valt uit de vele honderden justitiële papieren in zijn Nationaal Archief-dossier ook niet op te maken hoe het zat met de Zaanse bejaarden en andere oorlogslogés op het kapitale landgoed.

Essenburgh De Essenburgh

De Zaanse broers Dick en Joop Wals staken eind 2015 hun licht op bij een dochter van de vrouw die wellicht verantwoordelijk was voor de bejaardenverhuizing naar Hierden. Nel Bruidegom werkte tot 1942 als verpleegster in een Zaandams ziekenhuis. Om welke dat ging leert het Zaanse adresboek van 1941. ‘P.C. Bruidegom’ was gehuisvest in de Frans Halsstraat 29. Daar stond het Gemeenteziekenhuis. Nel Bruidegom werkte er aanvankelijk als leerling-verpleegster, maar kreeg op 22 april  1942 het ‘diploma A (Algemeene ziekenverpleging)’ overhandigd. Vier jaar eerder wist ze al het diploma ‘voor de verpleging van zenuwzieken en zwakzinnigen’ te behalen. Ze was dus een allround-verpleegster.

Vier maanden na haar diplomering in Zaandam tekende ze een arbeidsovereenkomst in het noodziekenhuis Waterland, dat in Velsen lag. Ze kreeg daar bovendien kost en inwoning en verliet dus de Zaanstreek. Lang bleef ze echter niet in Velsen, dat door de Duitsers werd ontruimd met het oog op een mogelijk geallieerde aanval op de kust. Via een ziekenhuis op de Grebbeberg kwam zuster Bruidegom uiteindelijk terecht in De Essenburgh, dat eveneens als noodverzorgingshuis fungeerde. Ze werd er aangenomen als onder-directrice en had dus promotie gemaakt.

Het werd desondanks een kort uitstapje: na haar verhuizing naar Hierden trouwde Nel Bruidegom met een plaatselijke weduwnaar, Jouk Hop. En gehuwde vrouwen konden een vaste baan als verpleegster of zelfs onder-directrice wel vergeten. Op 16 augustus 1943 ontving ze dan ook van J.F.F. Götz, de directeur van het Bureau Afvoer Burgerbevolking, een bedankje ‘voor uw aan de evacuatie bewezen diensten’.

Brief Ontslagbrief Nel Bruidegom

Wellicht is in de laatste zin van Bruidegoms ontslagbrief het verband te lezen tussen de ‘bejaarden uit de Zaanstreek’ en De Essenburgh. Zou het kunnen dat zij de ‘evacuatie’ van een groep Zaankanters op leeftijd naar Hierden had geregeld? Of is er op die ver na de oorlog aangebrachte plaquette een fout gemaakt, en betrof het in werkelijkheid senioren uit bijvoorbeeld het door de Duitsers ontruimde Velsen?

Het verlossende woord zal waarschijnlijk komen van Harderwijker Martijn Pijnenburg. Deze plaatselijke politicus annex geschiedvorser legt momenteel de laatste hand aan een boek over de geschiedenis van De Essenburgh. Hij laat op vraag wat de Zaanse bejaarden daar in 1940-1945 deden alleen los dat ‘zij waren geëvacueerd’. “Kort in Hierden, later o.a. in Barneveld.”

We wachten het boek af. Wie in de tussentijd meer weet te vertellen over bijgaande raadselachtige plaquette mag het melden: info@schaapschrijft.nl.

Hierden
De plaquette in Hierden (foto Carel van der Linde)

De joodse geschiedenis werd in Wormer vermalen

In de gemeente Wormer werden honderden tonnen joods erfgoed vernietigd. In opdracht van de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog, door de Nederlanders kort daarna. Gebedenboeken, Thorarollen, eeuwenoude heilige geschriften; dag na dag verdwenen de geroofde kostbaarheden in de stortkokers van papierfabriek Van Gelder.

Kort nadat in het najaar van 1942 de eerste grootschalige razzia’s op Amsterdamse joden plaatsvonden, zagen de inwoners van Wormer wekenlang volgeladen vrachtwagens het dorp inrijden. Elke werkdag kwamen ze langs. De inhoud van de door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bestond uit zakken en dozen vol boeken en documenten. Ze waren bestemd voor Van Gelder Zonen, de grootste werkgever van het dorp. De arbeiders daar hadden als taak om de aangevoerde lading tot pulp te vermalen, opdat er daarna nieuw papier van kon worden gemaakt.

Gelder
Van Gelder in de jaren ’30

De Van Gelder-werknemers hadden al snel door waarom de geleverde papiermassa met zoveel geheimzinnigheid en bewaking werd omgeven. Een voormalige sous-chef van het bedrijf: “Dat waren joodse boeken, massa’s en massa’s. Nooit heb ik geweten dat joodse mensen zo geletterd waren. Van alles was erbij. Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament met Hebreeuwse letters zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.”

Het vernietigen van wat hij noemde ‘hun geestelijke nalatenschap’ ging deze werknemer aan het hart. “Fantastische folianten waren daarbij. Van die geweldige boekdelen in leer gebonden, we konden ze nauwelijks dragen. Een lap leer, dat was iets waard in 1942. Met een zakmes waren die lappen leer er afgesneden. Die zijn zeker als schoenzolen geëindigd. Koperen, zilveren en gouden beslag en sloten waren er afgerukt. Van die grote rollen perkament om stokken gewikkeld. En ook veel kleinere rollen. ’t Was verschrikkelijk.”

Thorarollen

De folianten waren waarschijnlijk delen van de Talmoed, de grote perkamenten Thorarollen en de kleinere Estherrollen. Bovengenoemde naamloze arbeider schatte de hoeveelheid tijdens de oorlog vernietigde judaïca op zeven- à achthonderd ton, een immense papierstapel. “Ik had daar mede de verantwoordelijkheid voor die afdeling”, vertelde hij. “Je kon maar niet alles in die papiermolen smijten. Harde kaften, linnen, leer, doek, hout, steen, enz., dat moest er allemaal uitgesorteerd. Dat ging op de afvalhoop. Zo had ik de gelegenheid veel van dat spul in mijn handen te nemen. Prachtige familiealbums heb ik gezien. Van die imposante koppen met baarden. Hotsee, alles de molen in. Schnell! Schnell!”

Een andere getuige, de voormalige directeur van Van Gelder, herinnerde zich dat er onder meer een joodse huwelijksbaldakijn werd afgeleverd. “Die moest er natuurlijk uit. Van doek kunnen we geen papier maken.” Op de centrale verzamelplaats in Amsterdam werd blijkbaar niet al te nauwkeurig gekeken wat in Wormer tot pulp vermalen moest worden. Slechts een enkele keer kon er iets worden gered; de Duitse toezichthouders letten goed op dat alles werd vermalen. Maar bij de ‘mestvlet’, de afvalschuit waarop de restanten belandden die niet tussen de papierresten thuishoorden, viel nog wel eens iets achterover te drukken.

Gebedenboek

In 1969 somde een verslaggever van dagblad De Tijd op wat hij tijdens een rondgang door Wormer zoal tegenkwam, thuis bij de bewoners. “Een boekje Bloemen uit het Heilige Land, souvenir uit het voormalige Palestina, houten omslag. Het titelblad van een Hebreeuws gebedenboek uit 1722, een titelblad van een gebedenboek voor Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag, gedrukt bij Proops te Amsterdam. Het titelblad van een Hebreeuws Bijbelboek (Genesis). Die titelbladen waren met de harde kaften van de boeken gerukt. Een piepklein woordenboekje, Duits-Hebreeuws, zo groot als een lucifersdoosje. Het was bij het leggooien van zo’n zak wat opzij gerold en een van de arbeiders wist het weg te schoppen en haalde het later op. Een op zijde gedrukt krantje ter ere van de koperen bruiloft van Isaac N. Calisch en Gustava Calisch, van hun kinderen Hendrik Isaäc Calisch, Morits Calisch en Henriëtte Sara Calisch. Degeen die die in zijn bezit had, herinnerde zich ook nog gebedsriemen en ‘die buisjes, die joodse mensen aan hun deur hebben’ (mezoezot). Dan een poëziealbum, gebonden in hout met ijzerbeslag, op 20-5-1885 geschonken aan Thérèse Molling te Hannover, waarvan de laatste bladzijde dit opschrift draagt: ‘An meine liebe Grossmutter. Wer dich noch lieber hat als ich. Der schreibe sich hinter mich. Den 27. Dezember 1936, dein Enkelkind Margot’.”

Lehren

Zijn opzienbarendste vondst deed verslaggever M. van Tijn bij een voormalig chemicus van Van Gelder: acht brieven aan de Amsterdamse broers Hirsch (1784-1853) en Akiba (1795-1876) Lehren. Dat waren twee vrome, rijke joodse notabelen die veel charitatieve activiteiten ontplooiden. De acht brieven beslaan een periode van dertig jaar en gaan vooral over financiële aangelegenheden. Hoe de ex-chemicus ze in zijn bezit kreeg wist hij niet meer, maar dat ze tijdens de oorlog uit de Van Gelderfabriek werden gered stond hem nog wel voor de geest. Hij heeft ze, een kwart eeuw na de bevrijding, alsnog afgestaan aan de Bibliotheca Rosenthaliana in Amsterdam.

Akiba Lehren Hirsch Lehren Hirsch Lehren

Wormer
Een deel van de bij Van Gelder geredde brieven aan de Amsterdamse broers Lehren.

In het najaar van 1944 begon de bezetter met het leegroven van de Van Gelderfabriek. De inventaris, zo was de bedoeling, moest ten goede komen aan de Duitse oorlogsindustrie. Maar terwijl de nazi’s het bedrijf overdag ontmantelden, haalde het regionale verzet er ’s nachts machines weg, in een poging ze te behouden voor Nederland. Het versnipperen van oud papier kwam daarmee ten einde. Wat de Duitsers in dat laatste oorlogsjaar nog binnenbrachten aan joodse roofbuit werd daarom in een hal op het Van Gelderterrein opgeslagen.

Na de bevrijding

Toen de heringerichte fabriek in 1946 weer begon te draaien, werd besloten om de resterende joodse boeken en documenten als vanouds te vermalen. Papier was schaars in de naoorlogse jaren en die voorraad ongebruikt laten werd als verspilling beschouwd. En dus verdwenen er opnieuw tonnen aan al dan niet kostbare joodse eigendommen in de stortkokers. Volgens Klaas Kemp, die in 1944 bij het bedrijf kwam werken, begon de vernietiging van joodse boeken ‘pas goed’ in maart 1946, samen met het ingezamelde Duitse propagandamateriaal. Sommige werknemers van Van Gelder waren volgens Kemps collega Fokke Post ‘gek op die jodenbibliotheken. Dat was het grote werk. Het was er gezellig en ach, laten we eerlijk wezen, je vond wel eens wat’. Zowel de boeken zelf, soms in leer gebonden en met goud op snee, als de kostbaarheden die de voormalige eigenaars tijdens de oorlog in uithollingen hadden verstopt, waren geliefd.

‘Machine 10’ was de eerste die na de oorlog weer in gebruik werd genomen en tevens degene waar de joodse inboedels terechtkwamen. Fokke Post: “Dat ding maakte van prut papier.” Ook in die prut troffen de werknemers nog wel eens joodse kostbaarheden aan. Post: “De jongens die daar bij de verzamelplaats werkten, vonden het meeste en hadden een potje, waarvan ze elk jaar een dagje uitgingen.” Kemp, in 1983: “Je moest alles zien in verband met de schaarste. Het was een fijn stel mensen, zeker geen NSB’ers.” Zijn echtgenote: “De mensen gingen stelen, het gebrek dwong ze ertoe dingen te doen die ze normaal niet deden.”

Fokke Post, tot slot, over de roof van joods bezit bij Van Gelder: “Hier in Wormer is er nog gerust het een en ander van de joden te vinden. Het werd niet beschouwd als diefstal, ben je gek, het was een publiek geheim. In en vlak na de oorlog was er een grote saamhorigheid in het dorp.”

Voor dit artikel is onder meer gebruikgemaakt van dagblad De Tijd (3-5-1969), het Nieuw Israelietisch Weekblad (2-12-1983) en J. Pressers boek Ondergang.

Douwe Soepboer: vergeten verzetsgrootheid

In de verslaglegging over de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog komt de naam Douwe Soepboer regelmatig voor, maar alleen in relatie tot het opblazen van het Zaandamse Arbeidsbureau. Soepboers verzetsrol beperken tot die ene spektakeldaad doet hem echter ernstig tekort.

De succesvolle actie, in de nacht van 20 op 21 mei 1943, om het Zaandamse Arbeidsbureau te vernietigen – en daarmee de administratie die de Duitsers nodig hadden voor de Arbeitseinsatz -, is al vaker beschreven. Soepboer (1903) was onmisbaar bij deze sabotage. Minder bekend is dat dit bewakingshoofd van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen al vanaf mei 1940 illegale werkzaamheden ontplooide en een uiterst belangrijke schakel was binnen het Zaanse verzet.

Kort na de aanslag op het Arbeidsbureau kreeg de Sicherheitsdienst belangstelling voor Soepboer. Die dook daarop onder. Hij vond onder meer een schuilplaats bij de ouders van de latere premier Barend Biesheuvel, even buiten Zaandam.

In juli 1944 ging het echter alsnog mis. Toen Douwe Soepboer de 13de met medestrijder Wim Stolp ’s avonds Hoofddorp verliet om het distributiekantoor van Doesburg te beroven, reden ze een controlefuik van de Grüne Polizei binnen. Stolp gaf gas en passeerde zonder schade de controlepost, maar vloog even later wel uit de bocht en tegen een boom. Douwe Soepboer brak daarbij zijn been op drie plaatsen, had een ribfractuur en liep een hersenschudding op. Hij werd gevangen genomen door de Sicherheitsdienst. De Zaandammer had het geluk dat de directeur van de Artillerie-Inrichtingen, Frans Q. den Hollander, zijn werknemer uit Duitse handen wist te praten. Op 17 augustus 1944 was Soepboer weer op vrije voeten. De bij het auto-ongeluk opgelopen schade zou hij echter nooit meer te boven komen; hij bleef invalide. Wim Stolp werd in september 1944 geëxecuteerd in kamp Vught.

soepboer Douwe Soepboer in de jaren ’40

Douwe Soepboer, geboren in Leeuwarden en gestorven in Hoorn, schreef zijn oorlogsmemoires. Uit het hoofd, want zoals hijzelf meldde: “Ik heb er tijdens de bezetting geen dagboek op na gehouden.” Zijn goede geheugen maakte dat de genoteerde herinneringen desondanks een goed beeld geven van zijn verzetsrol.

Soepboers relaas is nooit eerder geopenbaard. Omdat het veel toevoegt aan de kennis over de Zaanse illegaliteit volgt het hieronder. Waar nodig heb ik taal- en naamfouten verbeterd en her en der wat geduid. Het zijn de enige aanpassingen. Wie meer weet van Douwe Soepboer, tussen 1940 en 1945 wonend in de Zaandamse Havenstraat 137, is welkom via info@schaapschrijft.nl

Herinneringen

“Ik denk dat het omstreeks 4 uur in de ochtend van 10 mei 1940 was, toen ik wakker werd door het rinkelen van de telefoon. Aan de andere zijde van de lijn meldde zich de controleur van de bewakingsdienst, die mij attent maakte op het geronk van vliegtuigen en daaraan als zijn mening toevoegde: ‘Ik denk dat we oorlog hebben, opzichter, want er is een luchtgevecht boven Schiphol.’

Ik was, na ongeveer 15 jaar bij gemeente- en rijkspolitie werkzaam te zijn geweest, toen als politie-opzichter en chef van de bewakingsdienst werkzaam bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen ‘De Hembrug’ te Zaandam en voelde mijn grote verantwoordelijkheid indien het vermoeden van Rijken juist bleek te zijn. Op het fabrieksterrein aangekomen wist ik al dat het inderdaad oorlog was, want onderweg had ik tegen de toen zo heldere hemel op elkaar schietende vliegtuigen waargenomen.

Via de radio hoorden we daarna al spoedig dat de Duitsers op verraderlijke wijze ons land waren binnengedrongen en daarbij op diverse plaatsen parachutisten neerlieten. Daar dezen speciaal strategische punten trachtten te bezetten, leek het mij wenselijk mij in verbinding te stellen met de Hoofdopzichter D[irk] Dral van de laboreerwerkplaatsen (springstofafdelingen). Deze was onderluitenant geweest in voormalig Ned. Indië en was voor het nemen van drastische maatregelen. Zowel allen die tot mijn bewakingspersoneel behoorden als een aantal door ons betrouwbaar geachte personen werden met vuurwapenen uitgerust. Voorts werden enige mitrailleurs in stelling gebracht en alle bosschages, welke door parachutisten als dekking konden worden gebruikt, gekapt en met de grond gelijkgemaakt. Achteraf zijn al deze maatregelen onnodig gebleken, daar geen parachutist zich heeft laten zien en eerst na de capitulatie een Duitse bezetting van de A.I. plaatsvond.

Geruchten

Gedurende de 4 oorlogsdagen gonsde het op de fabriek van geruchten, welke dikwijls op hun betrouwbaarheid moesten worden onderzocht. In overleg met de militaire instanties moesten alle personen waarvan bekend was dat zij lid waren van de NSB en konden behoren tot de 5de colonne worden aangehouden en overgebracht naar de Ripperda-kazerne te Haarlem. Hoe groot dit aantal was weet ik niet meer, maar vaststaat dat iedere inlichting over een bepaald persoon terdege moest worden nagegaan, daar niet zelden bleek dat zonder gegronde redenen beschuldigingen werden geuit.

Grote verslagenheid heerste er onder allen nadat bekend was gemaakt dat het Nederlandse leger had gecapituleerd. Meerderen met mij waren van mening dat de Duitsers ons, die verantwoordelijk waren voor de arrestatie van de NSB’ers, ter verantwoording zouden roepen en represailles tegen ons zouden nemen. In elk geval heb ik alle schriftelijke bescheiden en dossiers die ik onder me had in een oven van de ketelcentrale verbrand, waarbij ik ontdekte dat de heer Boon van de afdeling personeelszaken, die een chef van mij was en voor elke aanhouding van een NSB’er zijn fiat had gegeven, eveneens zijn aantekeningen stond te verbranden. Maar ook dit bleek later overbodig te zijn geweest.

Nadat enige dagen later de fabriek door de Duitsers was bezet bleek, tegen onze verwachting in, dat er zou worden doorgewerkt aan de vervaardiging van vuurwapenen en munitie. Dat e.e.a. tegen onze bondgenoten zou worden gebruikt leek ons vanzelfsprekend en ik meen dat velen van ons zich van toen af hebben voorgenomen de productie van alles wat met wapens en munitie te maken had zoveel mogelijk te saboteren. Maar daarbij diende men zeer voorzichtig te zijn. Immers, alle vijandig gezinde personen die door ons waren aangehouden, kwamen weer op de fabriek terug – al of niet met het gehate NSB-insigne getooid – en het spreekt vanzelf dat zij door ons als verraders werden gewantrouwd. Ten overvloede kwam daarbij nog dat er ongetwijfeld ook nog personen rondliepen die door ons niet als NSB’ers of vijandig gezinden geïdentificeerd waren, doch wel daartoe behoorden en dit maakte de kans op verraad aanzienlijk groter.

Als spoedig kwam de heer Dral mij opzoeken en deed me het voorstel om samen met de hulpopzichter Fleurbaaij het verzet aan de A.I. te organiseren en daaraan zo mogelijk leiding te geven. Daar ik mij met Dral in goed gezelschap wist (hij was een uitstekend militair en op het stuk van wapens en munitie zeer deskundig) en hij op zijn beurt voor de betrouwbaarheid van Fleurbaaij instond, ben ik op zijn voorstel ingegaan en heb daar nimmer spijt van gehad.

Op last van de bezetters moesten alle wapens en vuurwapens worden ingeleverd en deze kwamen op een centraal punt terecht, n.l. de Artillerie-Inrichtingen (hierna te noemen de A.I.). Een deel van de ingeleverde handvuurwapens werd opgeslagen in gebouw 100, hetwelk gelegen is naast de kazerne die voor het uitbreken van de oorlog huisvesting verleende aan onze militaire politie, doch nu door de bezetters in gebruik was genomen. Wij waren van mening dat het in de toekomst noodzakelijk kon zijn dat wij over een voorraad wapenen beschikten om t.z.t. behulpzaam te zijn bij het verwijderen van de bezetters. In verband daarmede besloten we om een aantal wapens uit eerdergenoemd gebouw 100 te halen en op diverse plaatsen buiten het fabrieksterrein op te slaan.

Zowel Dral als ik moesten voor de uitoefening van onze normale taak ook buiten de werktijden veel op de fabrieksterreinen zijn en voor de op het fabrieksterrein patrouillerende Duitse militairen was het niet vreemd ons op het terrein aan te treffen op tijden dat er in de diverse afdelingen van de fabriek niet gewerkt werd.

Gebouw 100

Op zekere dag – ik kan me herinneren dat het zondag was – hebben we ons toegang verschaft tot gebouw 100. Op zich was dit niet zo moeilijk, daar ik als chef van de bewakingsdienst in het bezit was van ‘moedersleutels’, teneinde in bijzondere omstandigheden mij toegang tot een bepaald gebouw te kunnen verschaffen. Het gevaar schuilde hierin dat deze opslagplaats slechts een tiental meters verwijderd was van de kazerne waarin de Grüne Polizei was ondergebracht. Eenmaal binnen ontdekten we dat alle wapens in dichtgespijkerde kisten waren verpakt en we hadden veel moeite met deze kisten zonder al te veel lawaai te openen. We hebben bij die gelegenheid plusminus 70 pistolen buitgemaakt en deze in twee emmers in veiligheid gebracht. Daar de Duitsers wel wisten dat wij geregeld voedsel voor onze konijnen op het fabrieksterrein verzamelden, bedekten we onze buit met gras en bladeren en toen we een patrouille ‘Grünen‘ ontmoetten, groette deze ons vriendelijk.

Later hebben we nog enige malen kans gezien om onze wapenvoorraad uit te breiden. Een van de plaatsen waar wij een voorraad wapens onderbrachten was de woning van de opzichter Borringa, die evenals Dral en ik woonachtig was in een dienstwoning (de Delftse rij) grenzende aan het fabrieksterrein aan de Havenstraat. Harrie, de zoon van Borringa, had hiertoe een gelegenheid gemaakt onder de vloer van hun woning en belastte zich met het onderhoud van de wapens. De Zaanse onderwijzer [Chris] Coté zorgde voor een opslagplaats in de school waaraan hij verbonden was.

Zoals bekend hebben deze wapens nimmer gediend voor het doel dat wij ons voor ogen hadden gesteld, n.l. het verdrijven van de bezetters. Echter heb ik dikwijls aan de vraag om één of meer pistolen kunnen voldoen ten behoeve van het verzet.

Loe de Jong

Alvorens verder te schrijven, wil ik er even de aandacht op vestigen dat ik tijdens de bezetting er geen dagboek op na heb gehouden i.v.m. het daaraan verbonden gevaar voor mijzelf en anderen. Toen ik na de bevrijding dan ook het verzoek ontving van de allen bekende Dr. L. de Jong om hem mijn dagboek ter inzage te doen toekomen, heb ik hem geantwoord dat ik geen dagboek had bijgehouden, doch slechts mijn herinneringen op papier had gesteld, die ik bereid was hem toe te zenden. Hierop heb ik geen antwoord ontvangen en blijkbaar bestond hiervoor geen belangstelling. Het is dus niet uitgesloten dat hetgeen ik nu verder vertel niet geheel in de juiste volgorde is.

Door een ingenieur van de A.I. ben ik al spoedig in contact gebracht met de heer [Titus W.] de Tourton Bruins, inspecteur der Registratie en Domeinen te Amsterdam. Meestal op dinsdagmiddag kwam ik bij hem op zijn bureau in de zgn. Droogbak te Amsterdam. Daar trof ik meestal een achttal oud-officieren aan en de toenmalige hoofd-stationschef de heer Jongsma. Zij vormden een verzetsgroep (of waren de leiders daarvan) en noemden zich ‘L.O.F.’, d.w.z. Legioen Oud Frontsoldaten. Uit de gevoerde gesprekken heb ik begrepen dat men over een geheime zendinstallatie beschikte en voortdurend contact had met Engeland.

Mijn taak was dat ik zoveel mogelijk gegevens doorgaf betreffende wapens- en munitietransporten vanaf de A.I. Indien een dergelijk transport per trein plaatsvond, zorgde ik dat de heer Jongsma kennis kreeg, die dan weer de uiteindelijke bestemming kon doorgeven. Hoelang mijn contact met deze groep heeft geduurd weet ik niet, maar naar ik meen niet zo lang.

Op zekere dag vernam ik dat de Tourton Bruins was gearresteerd door de S.D. en vanzelfsprekend heb ik mij in de Droogbak niet meer vertoond. Maar inmiddels zat ik niet zonder contacten. Blijkbaar doordat ik gedurende de oorlogsdagen met mijn terreinpolitie nogal wat arrestaties heb verricht, schijn ik veel vertrouwen te hebben gekregen van het fabriekspersoneel. Verzetslieden die kennis hebben aan iemand van de fabriek informeren dan bij deze of hij niet aan munitie of wapens kan komen en achterna blijkt dan dat ze mijn naam hebben genoemd als een mogelijkheid.

Een van de eersten die voor dat doel bij mij komt is een politieman uit Koog aan de Zaan. Het is Joop Keijzer en nadat over en weer vertrouwen tussen ons is ontstaan, kom ik erachter dat hij deel uitmaakt van de Stijkelgroep, die later is opgerold door de S.D. en waarvan – naar ik meen – acht personen hun vaderlandsliefde met de dood hebben moeten bekopen. Toen ik van de eerste arrestaties hoorde heb ik mij onmiddellijk naar de woning van Keijzer begeven om hem te waarschuwen. Hij bleek reeds op de hoogte te zijn van het gevaar dat hem bedreigde en ik sprak er mijn verwondering over uit dat hij nog niet was ondergedoken. Toen hij daarop zei niet te weten waar hij naartoe moest, heb ik hem naar de boerderij van de fam. Moerkerk gebracht in de Grote IJpolder, welk adres ik voor mijzelf had bestemd voor het geval ik zelf onder moest duiken. Hier bleek hij welkom te zijn. Later is hij met schotwonden toch gearresteerd en moest in het Wilhelminaziekenhuis te Amsterdam worden opgenomen. Leden van een verzetsgroep hebben hem echter weten te bevrijden en door hun onverschrokken optreden heeft hij het overleefd.

De aan de A.I. verbonden geweermaker Bertus [Lambertus] Martin bezocht mij op zekere dag en vertelde dat hij in opdracht kwam van zekere kapitein [J.W.D.] Meihuizen in Alkmaar, die graag eens met mij wilde praten. In een gesprek met deze, gearrangeerd door Martin, hoorde ik voor het eerst van het bestaan van de Landelijke Ordedienst (O.D.). Meihuizen stond rechtstreeks onder de commandant van Gewest II, de Overste [Johan G.] Wastenecker, en vroeg om mijn medewerking. Nadat ik deze had toegezegd kwam het verzoek om de levering van een aantal handvuurwapenen, i.c. pistolen en handgranaten.

Vele malen heeft Martin, die in Bergen woonde, waar zijn vader een smederij had, per motorrijwiel een vrachtje van deze wapenen na werktijd van mijn huis naar Bergen vervoerd, waar de steeds groeiende voorraad in een tuinhuisje werd opgeslagen. Alvorens ik e.e.a. aan Martin kon leveren, haalde ik de avond van tevoren deze spullen bij duisternis van de fabriek, waar Dral het voor mij had klaargelegd. Via mijn tuin, die dus aan het fabrieksterrein grensde, bracht ik ze dan in mijn woning, waar ze dan bleven totdat Martin ze ophaalde. Dat mijn vrouw daarbij veel angstige ogenblikken beleefde spreekt voor zichzelf. Vooral op die avond dat Martin het vrachtje niet, zoals afgesproken, kwam afhalen. Die avond had ik een afspraak met brigadier Van der Bunt van de Gemeentepolitie te Amsterdam. Deze had onder zijn collega’s ook enige die weer in contact stonden met verzetsstrijders en hem leverde ik enige malen pistoolpatronen, omdat de politiemannen zelf elk patroon moesten verantwoorden. Ik kon dus die avond niet thuisblijven en toen Martin niet kwam opdagen heb ik de voor hem bestemde handgranaten onder de matras van ons bed gelegd. Nadat ik in Amsterdam mijn patronen had afgeleverd – en daar het inmiddels middernacht was geworden -, verwachtte ik niet anders of mijn vrouw zou wel slapen. Maar dat was niet het geval en op mijn vraag waarom ze niet naar bed was gegaan, antwoordde ze: ‘Denk je dat ik op die gevaarlijke dingen ga slapen?’ (Ik had haar er n.l. niets van verteld.)

Arrestatie

Op zekere morgen verscheen Martin niet op zijn werk en een vriend van hem wist me te vertellen dat hij door de Duitsers gearresteerd was. Daar ik wilde weten om welke reden en of ik ook gevaar liep, heb ik die vriend i.o.m. zijn chef naar Bergen terug laten gaan, om te trachten meer aan de weet te komen. De volgende dag hoorde ik van hem (gevoegd met andere inlichtingen) ongeveer het volgende verhaal.

In de smederij van Martin kwamen enige Duitsers om daar hun vrachtwagen te repareren. Een van die Duitsers ontdeed zich daarbij van zijn koppelriem met pistool en hing die op in de smederij. In een onbewaakt ogenblik nam een broer van Bertus Martin die riem met pistool weg en bracht dit naar een tuinhuisje, waar ook van mij afkomstige handgranaten lagen opgeslagen. Toen de broer van Bertus in de smederij terugkwam was de vermissing al ontdekt en alarm geslagen. Bertus zijn broer werd verdachte en mede doordat er sneeuw lag en voetstappen in de sneeuw naar het tuinhuisje leidden viel er niets te ontkennen. In totaal werden 4 personen door de S.D. gearresteerd, t.w. Bertus Martin en zijn broer, een vriend van hen (een zekere Briefjes) en de voormalig sergeant-majoor De Kloe, die het contact onderhield tussen kapitein Meihuizen en mij.

Na dit alles aan de weet te zijn gekomen, vreesde ook ik te worden gearresteerd. Er was immers grote kans dat de moffen alles op alles zouden zetten om de herkomst van de handgranaten te ontdekken. Dat ze gruwelijke methoden gebruikten om iemand tot spreken te brengen was algemeen bekend. Als voorzorgsmaatregel sliep ik niet thuis. ’s Morgens belde ik dan Dral op en hoorde dan van hem dat alles veilig leek. Op de fabriek had ik een vertrouwde bewaker bij de portier ingedeeld en bij de komst van politie of recherche zou ik terstond worden gewaarschuwd. Dit was de eerste maal dat ik me genoodzaakt zag om onder te duiken, maar het zou niet de laatste maal zijn.

Na verloop kwam het proces, waarbij de broer van Bertus en diens vriend Briefjes ter dood werden veroordeeld en Bertus en De Kloe elk tot 15 jaar tuchthuisstraf. Laatstgenoemden zijn na de bevrijding thuisgekomen en ik hoorde toen van hen tegenover de S.D. steeds te hebben volgehouden dat de handgranaten afkomstig waren van een partij die na de capitulatie van het Nederlandse leger door soldaten daar waren achtergelaten. Dat ik Bertus Martin en De Kloe voor hun flinke houding in deze altijd dankbaar zal blijven spreekt vanzelf.

Knokploeg

Op verzoek van mijn commandant, Meihuizen, heb ik mij in verbinding gesteld met Paul Kramer, hoofd van een R.K. school te Wormer. Deze was plaatselijk commandant van de O.D. en bracht mij weer in contact met de illegale werkers Koen Rozendaal en Wim Stolp. Hun eerste verzoek gold de levering van enige pistolen met munitie, aan welk verzoek ik kon voldoen.

Met Koen heb ik veel contact gehad. Hij was commandant van de L.K.P. (Landelijke Knokploegen) te Broek in Waterland en vroeg mij meermalen advies in verband met een te ondernemen verzetsstunt. Hij was zeer moedig en een trouwe kameraad.

Ook werd ik in contact gebracht met kapitein [A.A.] Bontekoe, woonachtig in de Jocherstraat te Amsterdam. Deze behoorde tot de staf van de O.D. te Amsterdam en ook hier kwam weer de vraag aan de orde om levering van vuurwapens. Nadat ik mij in staat en bereid had getoond om aan dit verzoek te voldoen noemde hij me namen van vier personen die voor het vervoer vanaf de Hembrug naar Amsterdam zorg zouden dragen en dus een geregeld contact met mij zouden onderhouden. Deze personen waren [W.F.] Gonkel, [Frans A.F.F. van] Lokven (Marine-onderofficieren) die, als zij van plan waren mij te bezoeken zich aankondigden als ‘Van Gend en Loos’. Voorts Michels, eveneens een onderofficier van de Marine, die echter al spoedig door de S.D. is gearresteerd en ter dood gebracht. De vierde man was de heer Echthuizen uit de Floris Versterstraat te Amsterdam.

Vooral Gonkel en [Van] Lokven hebben mij veel bezocht om na het in ontvangst nemen van (meestal) handgranaten deze naar Amsterdam te vervoeren. Op zekere dag bezochten ze mij echter met een geheel ander doel en vertelden mij het volgende: Een zekere [Tj.] v.d. Ploeg, zij noemden hem luitenant v.d. Ploeg, die deel uitmaakte van de O.D.-staf te Amsterdam, was benaderd door de adjunct-onderofficier [O.O] Filipse uit Assen. Deze Filipse was een alleszins betrouwbaar verzetsstrijder en was in gezelschap van een persoon, zich noemende Johnny [de] Droog of Den Droog. Deze verklaarde tegenover v.d. Ploeg dat hij in Drenthe leider was van een grote verzetsorganisatie en o.a. de beschikking had over een zeer groot geldbedrag. Hij was nu met Filipse naar Amsterdam gekomen teneinde daar met de staf tot een bundeling te geraken en – indien dit lukte – het hiervoren bedoelde geld aan de hoofdstedelijke staf af te dragen.

Filipse, zoals later bleek ter goeder trouwe, bevestigde een en ander en [De] Droog beriep zich op een aan de A.I. werkzame opzichter Van Veen, bij wie naar hem kon worden geïnformeerd. Luitenant v.d. Ploeg was echter zeer voorzichtig en zei thans nog niet te kunnen besluiten. Afgesproken werd dat de heren op een afgesproken tijdstip elkaar weer zouden ontmoeten in een café aan de Hoogte Kadijk te Amsterdam.

Voordat v.d. Ploeg zich naar het afgesproken adres begaf zette hij diverse medewerkers – waaronder Gonkel en [Van] Lokven – uit, op verschillende punten rondom het café. Deze constateerden dat [De] Droog en Filipse op enige afstand uit een auto stapten en zich verder te voet naar de plaats van de afspraak begaven. Deze auto droeg als kenteken: G-56*** (de laatste drie cijfers kan ik mij niet meer herinneren). Inmiddels had v.d. Ploeg de beide heren beloofd dat hij in gezelschap van enige leden van de staf hen opnieuw zou ontmoeten, de volgende ochtend bij de Westelijke uitgang van het Centraal Station. Gonkel en [Van] Lokven hadden intussen bij een relatie van de politie geïnformeerd naar de herkomst van de auto en hoorden dat bedoeld kenteken was afgegeven aan het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen.

Hierbij zij opgemerkt dat alle auto’s met het provinciaal kenteken G (Noord-Holland) en in de cijferserie zesenvijftigduizend in gebruik waren bij het Rijk en de administratie daarvan berustte bij het hoofd van de garage van de A.I., de heer Stallinga. Toen dan ook Gonkel en [Van] Lokven mij verzochten een onderzoek in te stellen, heb ik mij naar Stallinga begeven die, na in de administratie te zijn gedoken, mij vertelde dat dit nummer was afgegeven aan de gevolmachtigde voor de reorganisatie van de Rijkspolitie aan de Raamweg te Den Haag. Derhalve het instituut dat van onze betrouwbare politie een foute politie moest maken.

Gewapend met de nodige argwaan heb ik daarna de door [De] Droog genoemde opzichter Van Veen opgezocht in de fabriek. Deze was aanvankelijk zeer terughoudend, maar ik slaagde erin hem wat meer spraakzaam te maken. Hij vertelde door [De] Droog enige tijd geleden te zijn benaderd, waarbij deze zich uitgaf voor een verzetsman die af en toe een schuiladres nodig had. Van Veen geloofde zijn verhaal en sindsdien kwam [De] Droog bij hem enige dagen en/of nachten doorbrengen. Droog sliep dan samen met een zoon van v. Veen op één kamer en deze zoon was zeer onder de indruk van [De] Droog, zowel door diens sterke verhalen als door de manier waarop hij goochelde met een zwaar kaliber pistool. Van Veen toonde mij daarop een foto van [De] Droog, die deze hem als bewijs van vriendschap had gegeven. Voorts toonde hij mij een metalen penning waarop het woord ‘groepsleider’ voorkwam en vertelde dat hij voor Droog een aantal van deze penningen had vervaardigd. Voor [De] Droog zelf had hij een soortgelijke penning vervaardigd, doch met het opschrift ‘Hoofdleider’.

Johnny de Droog Johnny de Droog

Uit vorenstaande trok ik de conclusie dat [De] Droog in elk geval moest worden gewantrouwd. Immers, het rijden in meergenoemde auto was verdacht, maar ook dat hij zich legitimeerde met een penning die hij zelf had laten vervaardigen. Nadat ik mijn bevindingen aan Gonkel en [Van] Lokven had medegedeeld besloten we dat zij v.d. Ploeg op de hoogte zouden brengen en hem zouden adviseren niet op het afgesproken tijdstip bij het station te zijn.

Gewapend met de foto van [De] Droog heb ik mij naar het hoofdbureau van politie te Amsterdam begeven, waar ik mij in verbinding heb gesteld met de mij bekende (goede) rechercheurs Faber en Osinga. Deze waren bereid om op het tijdstip dat de omschreven ontmoeting tussen [De] Droog en v.d. Ploeg met zijn vrienden zou plaatsvinden met mij bij het station aanwezig te zijn. Met behulp van de foto konden we dan [De] Droog herkennen, terwijl Faber en Osinga mogelijk personen in zijn gezelschap konden identificeren.

Koffiehuis

Toen wij op het afgesproken tijdstip bij het station kwamen, viel daar aanvankelijk niets bijzonders waar te nemen. Echter, veronderstelden we, dat in het koffiehuis tegenover het station wel eens enige personen aanwezig konden zijn die het op de arrestatie van v.d. Ploeg gemunt hadden. Toen wij als gewone wandelaars langs de ruiten van het koffiehuis liepen, ontdekte ik dat [De] Droog binnen zat in gezelschap van een aantal andere personen. ([De] Droog was gemakkelijk te herkennen aan zijn fors postuur en zijn volkomen kale schedel.)

Toen ik tegen Faber en Osinga van mijn herkenning vertelde, antwoordden zij: ‘De hele Euterpestraat zit binnen, met inspecteur [Antonie] Berends aan het hoofd.’ Volgens hen was laatstgenoemde een landverrader, die algemeen bekend stond als uiterst gevaarlijk. Naar ik mij meen te herinneren was deze Berends afkomstig uit Arnhem of Nijmegen. Voor ons stond het nu wel vast dat hier een stel bijeenzat met het oogmerk om v.d. Ploeg te arresteren en met hem de gehele staf uit Amsterdam op te rollen.

Wij begaven ons daarop naar de Schreierstoren, waar Gonkel en [Van] Lokven op ons wachtten. Na hen onze bevindingen te hebben medegedeeld, belden zij daarop het koffiehuis op en vroegen de heer Filipse aan de telefoon te roepen, teneinde deze te kunnen waarschuwen voor het feit dat hij zich in verkeerd gezelschap bevond. Na enige tijd kwam echter [De] Droog aan de telefoon die vertelde dat Filipse onwel was geworden en daarom niet was meegegaan. [De] Droog drong er vervolgens op aan dat in elk geval v.d. Ploeg naar hem toe zou komen, omdat hij ([De] Droog) in ieder geval aan v.d. Ploeg het geld af wou dragen. Daarna heeft Gonkel v.d. Ploeg onze bevindingen medegedeeld en is hij terstond ondergedoken.

Op mijn verzoek heeft politieagent [Jan] Thomassen uit Zaandam zich de volgende dag naar Assen begeven (de woonplaats van Filipse), teneinde de staf van de O.D. aldaar te waarschuwen. In Assen bleek men echter al te weten dat Filipse door de S.D. gearresteerd was, terwijl in Assen zelf ook reeds enige arrestaties hadden plaatsgevonden. In enige illegale bladen is kort daarna ernstig tegen Johnny [de] Droog gewaarschuwd.

Van Hall

Inmiddels bereikten mij herhaaldelijk verzoeken om de levering van vuurwapens en/of munitie. Kapitein Bontekoe leverde ik acht pistolen, die volgens hem bestemd waren voor een zekere Ir.(?) [B.] ten Bosch, die commandant zou zijn van een landelijke knokploeg (L.K.P.). Op verzoek van opzichter [Joris] Lamens van de A.I. nam ik contact op met de heer [George L.] Jambroes, die ik op zijn verzoek 2 pistolen leverde. Deze is het gelukt om naar Engeland te komen, doch is helaas het slachtoffer geworden van het ‘Englandspiel’.

Hoe ik in contact ben gekomen met Walraven van Hall weet ik niet meer. Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik hem had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.

Op zekere dag vertelde de heer Van Hall mij dat een en ander bestemd was voor een ingenieur van de N.S. Deze zou diezelfde avond met de trein te Zaandam arriveren, doch had geen tijd om zich naar de woning van Van Hall te begeven, doch moest met de eerste gelegenheid weer terug. Nadat Van Hall mij het signalement van de betrokkene had omschreven (hij had een Indisch uiterlijk), heb ik deze heer op die avond bij het station Zaandam zijn bestelling ter hand gesteld. Uit feiten achteraf vermoed ik dat het de heer [de] Vos tot Nederveen Cappel is geweest. Nadien heb ik nog enige malen een voorraadje aan Van Hall geleverd.”

Douwe Soepboer (april 1974) Douwe Soepboer (april 1974)

Waar is Lambeeks Hitlerfilm?

Zijn politieke keuze kan worden beschouwd als een domme vergissing. Het niet nee durven zeggen toen er werd aangedrongen op een NSB-lidmaatschap had vervolgens ingrijpende consequenties voor de Zaandamse fotohandelaar Willem Jan Lambeek en zijn gezin.

Eigenlijk was Lambeek het constante aandringen van zijn kennis H. van Rijn, die even verderop een slagerij had, een beetje zat. En toen een andere middenstands-NSB’er, Jan Hooft, hem ook al stimuleerde om lid te worden van Musserts club had hij  zich toch maar aangemeld. Hij nam voor de volledigheid een abonnement op het NSB-blad Volk en Vaderland, las het nationaal-socialistische blad De Daad en gaf aan de Winterhulp, de nazistische armoedebestrijding.

Maar om nou te zeggen dat hij een aanhanger was van Hitler, nee. Volgens zijn vrouw leek hij zich zelfs een beetje te schamen voor het lidmaatschap dat hij begin 1941 was aangegaan. Hij hing de partijvlag nooit uit en NSB-propagandamateriaal kreeg geen plek op de ramen van ‘Foto-, Kino- en Projecthandel Lambeek’ aan de Gedempte Gracht 52. Op geen enkele wijze liep hij te koop met zijn partijkeuze. Bovendien was hij ook nog lid van de Nederlandsche Unie, de politieke organisatie die bepaald niet op goede voet stond met de NSB. Desondanks daalde Lambeeks omzet gestaag. De rode Zaankanters kozen liever een andere zaak voor hun pasfoto’s en vakantiekiekjes.

Het duurde evengoed nog tot 6 oktober 1943 alvorens Willem Jan Lambeek NSB-kringleider Zuidervliet per gepeperde brief liet weten dat hij het op een aantal vlakken niet eens was met de club. Bovendien had hij steeds onmin met zijn echtgenote over de partij. Hij zegde daarom zijn lidmaatschap per direct op.

Hoezeer hij genoeg had van het nazistisch gedachtegoed blijkt uit een datzelfde jaar gemaakt filmpje. Het was volgens Lambeek ‘voor eigen gebruik en ter vertoning op mijn 12,5-jarig huwelijksfeest’. Het betrof volgens hem ‘een film waarin Hitler door Chamberlain werd vermoord’. Anthonie Lak, een rechercheur van de Politieke Opsporingsdienst zou het stukje huisvlijt begin 1946 bekijken -Lambeek zat toen nog in de gevangenis- en beschreef de inhoud iets uitgebreider. Het was volgens Lak ‘een film waarop [sic] een scene voorkwam, voorstellende een komisch beeld waarin een man voorkwam, voorstellende Hitler, die door een anderen man, voorstellende Chamberlain [de vooroorlogse Britse premier], met een parapluie werd neergeslagen. Eerstbedoelde knielde (dus Hitler) en kreeg daarna enige klappen op zijn hoofd’. De rechercheur voegde aan het proces-verbaal toe ‘dat hij in bezettingstijd meerdere malen Engelse films van Lambeek heeft gezien en gehuurd, zulks terwijl verhuren hiervan destijds nadrukkelijk was verboden en strafbaar gesteld’.

Lambeek was op meer vlakken subversief bezig. Hij hielp mensen aan schuilplaatsen en nam zelf maandenlang een onderduiker in huis ‘die gevaar liep bij razzia’s’. “De R.K. onderduikersvereeniging met Kapelaan Groot en Kruidenberg aan ’t hoofd heeft hij geholpen aan middelen voor gezellige avonden’, verklaarde een hem goedgezinde dominee na de oorlog. Ook maakte hij stiekem 72 illegale foto’s, onder meer van anti-nazistische propaganda. En hij stelde foto’s van het koningshuis beschikbaar aan het plaatselijk verzet. Met de verkoopopbrengst werden onderduikers geholpen.

Al zijn inzet voor het vaderland ten spijt werd Willem Jan Lambeek op 8 mei 1945 gearresteerd en meer dan een jaar lang opgesloten in kamp Schoorl. Zijn fotozaak kwam in handen van het communistische dagblad De Waarheid, hoewel zijn vrouw en kinderen niets te verwijten viel. Er is een brief van de Commissie van Bijstand en Advies de dato 29 maart 1947 aan het Nederlands Beheer Instituut bewaard gebleven waarin op niet mis te verstane wijze wrevel wordt uitgesproken over deze ‘huurder’. “Het beheer over bovenaangehaald bedrijf werd op 14 September 1945 aan onze commissie opgedragen”, schreef de CBA-voorzitter. Om sarcastisch te vervolgen: “Bij het aanvaarden van dit beheer kwamen wij tot de ontdekking dat het betreffende perceel door het toenmalig Militair ‘Gezag’ in gebruik was afgestaan aan het instituut ‘de Waarheid’ te Zaandam. Een behoorlijke regeling ten aanzien van dit in gebruik afstaan was niet getroffen en het mocht ons ook niet gelukken ‘de Waarheid’ aan het verstand te brengen dat het in de Zaanstreek niet gebruikelijk is een perceel in gebruik te nemen, te metamorfoseeren en daarin een bedrijf uit te oefenen enz., zonder hier tegenover iets te stellen dat meestentijds wordt aangeduid met den naam huurbetaling. De echtgenoote van den gedetineerde Lambeek met haar kinderen had, zij het dan met geen groote bewondering voor de uitoefening van dit soort ‘gezag’ van de Zaandam bewakende militairen, haar woning verlaten en voorzag in het onderhoud van haar gezin door het opsoupeeren van spaargeld. Opgemerkt dient te worden dat de echtgenoote van Lambeek volkomen capabel is om de zaken te regelen en dus onder ons beheer als bedrijfsleidster het gehele bedrijf met succes had kunnen voortzetten.’

De misstap van Willem Jan Lambeek trof dus via een omweg ook zijn gezin. Pas in 1947 werd hij veroordeeld: hij kreeg een boete van 3.500 gulden en had te maken met onder toezichtstelling door de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten. Door het bijna twee jaar durende voorarrest en het gedurende langere tijd moeten afstaan van zijn winkel aan De Waarheid pakte de straf buitenproportioneel zwaar uit.

Het duurde nog geruime tijd voor De Waarheid ‘na langdurige en moeilijke onderhandelingen’ huur ging betalen. En nog langer voor mevrouw Lambeek de foto- en filmwerkzaamheden kon hervatten. In de decennia daarna bloeide de zaak weer op. Op Gedempte Gracht 52 zit nu nog altijd een fotozaak. Die kan worden beschouwd als de opvolger van de firma Lambeek.

Resteert de vraag wat er is gebeurd met dat spottende ‘Hitler-filmpje’ (dat zeer bijzonder is; mij is in ieder niet iets vergelijkbaars, gemaakt in bezet gebied, bekend). En wat met dat album vol illegale foto’s (ik ken er één à twee van)? Zouden ze nog in de familie zijn? En zo ja, is het dan mogelijk dat het Gemeentearchief Zaanstad wat kopieën krijgt of koopt? Dat zou van enorme waarde zijn voor de geschiedschrijving van de Zaanstreek.

Lambeek
Advertentie van Lambeek in het Zaans Volksblad (20 juni 1941)

  

Hoe bruin was Bruynzeel?

Over de houtleveranties van de firma Bruynzeel aan kamp Westerbork, op een tijdstip dat de jodendeportaties in volle gang waren, berichtte ik al eens. De Zaandamse productie voor dit Durchgangslager, van waar tienduizenden mensen werden doorgezonden naar Auschwitz en Sobibor, was tot dan een goed bewaard geheim. Al even verborgen waren tot op heden de andere ‘bruine’ handelingen die de firma Bruynzeel voor haar rekening nam. Die betroffen met name vele leveranties aan de Duitse Weermacht.

In Zaandam ligt al een aantal jaren de Cornelis Bruijnzeelweg. Het is een eerbetoon aan de grondlegger van de deuren-, keuken- en vloerenfabriek. Cornelis sr. (1875-1956) bouwde het bedrijf in Zaandam uit tot een succesvolle marktleider op houtgebied. Zo werd de door Piet Zwart ontworpen Bruynzeelkeuken een internationale bestseller en kwamen rond 1940 vier van elke vijf deuren in Nederland uit de Bruynzeelfabriek. Ook binnen Europa was Bruynzeel de grootste deurenproducent.

In 1936 droeg Cornelis sr. de directie over aan zijn zoons Cornelis jr. (1900-1980) en Willem (1901-1978). De eerste was al sinds 1920 directeur van de deurendivisie, de tweede beheerde onder meer de schaverij en vloerenfabriek. Hun vader bleef overigens nauw betrokken bij het bedrijf; hij werd commissaris.

Bruynzeelweg

Encyclopedie

Over de oorlogshandelingen van Bruynzeel zijn nauwelijks gegevens beschikbaar. Boeken over de geschiedenis van het bedrijf zijn zeldzaam. Toepasselijke websites bevatten slechts weinig gegevens aangaande Bruynzeel gedurende de periode 1940-1945. Het bedrijf schetst op de eigen website een beeld waaruit moet blijken dat de Zaanse onderneming vooral bezettingsslachtoffer was (“Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en vallen de activiteiten van het bedrijf stil. Om toch te kunnen overleven wordt de fabriek gebruikt om houten speelgoed, banden en klompen te maken.”) Verwijzend naar het boek Vijftig jaar Bruynzeel, 1897-1947 herhaalt de auteur van het Jaarboek Monumentenzorg deze zienswijze (“In 1940 legde de Tweede Wereldoorlog de bouwnijverheid vrijwel lam, waardoor Bruynzeel’s Deurenfabriek een moeilijke periode doormaakte en op andere producten overschakelde.“) Er lijkt zelfs sprake van verzet tegen de heersende nationaalsocialisten: “Door vooruitziende blik van Bruynzeel was een grote voorraad triplex aangelegd en besloten tot de productie van houten zeilboten (Valken) en speelgoed; dit had ook tot doel om personeel uit de oorlogsindustrie te houden.” De Encyclopedie van de Zaanstreek wijdt eveneens ontlastende zinnen aan deze periode: “Om te voorkomen (zonder opdrachten van de Duitse Wehrmacht te accepteren) dat werknemers en machines naar Duitsland zouden worden afgevoerd, werden naast meubelen (ledikanten, kasten, stoelen en schrijfbureaus) 10.000 hooikisten en 110.000 houten rijwielbanden vervaardigd, en in het laatste oorlogsjaar werd houten speelgoed (haven- en dierenattributen, legpuzzels) gemaakt en werden klompen verzoold.”

De werkelijkheid, zoals vastgelegd in naoorlogse strafdossiers, is een stuk genuanceerder.

Justitieel onderzoek

Tijdens de bezetting van Nederland brak er al snel een nieuwe bloeiperiode aan voor Bruynzeel. Op 1 mei 1940 had Bruynzeel 249 werknemers. Halverwege 1943 was dat aantal opgelopen tot 527, ondanks een opvoering van het aantal wekelijkse arbeidsuren van 40 naar 52. Er was dus blijkbaar genoeg werk te verrichten. En zelfs in maart 1945, toen het tekort aan grondstoffen enorm was, stonden er bij Bruynzeel nog 404 arbeiders op de loonlijst.

Toen er in 1947 justitieel onderzoek werd gedaan naar mogelijk strafbare handelingen gedurende de oorlogstijd werden er veel Bruynzeelwerknemers opgeroepen voor een getuigenverhoor. Uit hun verhalen rijst een redelijk eenduidig beeld op: met name in de jaren 1940-1942 aasde Bruynzeel op werkzaamheden voor de nationaalsocialisten. Zo verklaarde vertegenwoordiger Joannes Haan: “Omtrent de inslag van de firma Bruynzeel kan ik u zeggen dat deze gedurende de jaren 1940-1941 wel zuiver commercieel was en de verkoop nog wel op het hoogste plan stond. Hierdoor is wel -en vooral in 1940 en 1941- over het hoofd gezien dat er ook Bruynzeelartikelen geleverd zijn ten behoeve van de Duitse Weermacht. Aan ons, vertegenwoordigers, is van de zijde van de directie nimmer schriftelijke of mondelinge instructie gegeven om deze Weermachtsorders te ontwijken.” Zijn collega Gerard Markslag sloot zich daar bij aan: “Van alle orders die dienden voor de Duitse Weermacht waarvan mij de bestemming bekend was, was het aan de directie van de Bruynzeelfabrieken bekend waarvoor zij waren bestemd. (…) De inslag van de Bruynzeelfabrieken was voor de oorlog zuiver commercieel en dat is ook gedurende 1940 en 1941 een blijvend devies gebleven.” Aannemer Harm Fokkens, die in 1941 en 1942 voor Duitse instanties werkte, haalde bij Bruynzeel zijn deuren en schaverijprodukten voor de te bouwen Weermachtbarakken op vliegveld Loosdrecht. Volgens Fokkens moet zijn leverancier op de hoogte zijn geweest van de bestemming.

Een andere aannemer, Bernard Bruil, bouwde eveneens barakken voor de Weermacht. “Op een zeker moment wendde zich de vertegenwoordiger van Bruynzeel’s Vloerenfabriek tot onze firma, met het verzoek of er in bedoelde barakken geen zogenoemde riftvloeren konden worden gelegd. Daar dit ons echter niet was opgedragen, gingen wij op dit verzoek niet in, om reden dat riftvloeren duurder zijn dan vloeren van vurenhout. De vertegenwoordigers van de vloerenfabriek hebben zich hierop tot de betreffende Bauleitung gewend en met deze besprekingen daaromtrent gevoerd, met het resultaat dat de opdracht van de Bauleitung aan onze firma in die zin werd veranderd dat wij in de betreffende barakken riftvloeren moesten plaatsen.” Dat gebeurde begin 1941. Bruil: “Ik wil nog opmerken dat de vertegenwoordigers van de Bruynzeelfabrieken, zowel van de vloerenfabriek als van de deurenfabriek en schaverij, er over het algemeen op uit waren om te leveren, ook al was het hun bekend dat de uit te voeren werken bestemd waren ten behoeve van de Duitse Weermacht. Deze bereidheid tot leveren heeft geduurd tot einde 1944.”

Soldatenheim

De Bruynzeelverkopen bleven niet beperkt tot het inrichten van barakken. In de archiefstukken zijn leveranties terug te vinden van duizenden vierkante meters aan parketvloeren voor onder meer het Soldatenheim en Huis ter Heide in Soesterberg , beiden in beheer bij de Weermacht. Gerard Markslag: “Er is mij van de zijde van de firma Bruynzeel nimmer een aanmaning gegeven tot het opzoeken van orders ten behoeve van de Duitse Weermacht, echter heeft de firma Bruynzeel mij ook nimmer er op gewezen dat ik het accepteren van orders ten behoeve van de Duitse Weermacht diende te ontwijken.”

Onder meer de militaire vliegvelden in Teuge, Loosdrecht en Deelen, alsmede de kampen Laren en Wezep werden voorzien van Zaandams hout. Bruynzeelvertegenwoordiger Everardus van Sante noemde in 1947 nog wat afnemers op: “Op aansporing van de hoofdvertegenwoordiger Van Pelt, die optrad namens de directie, is door mij gepoogd de orders voor het vliegveld Schiphol af te sluiten. Ik kan verklaren dat dit in geen geval op mijn eigen initiatief is gebeurd. Het gevolg is geweest dat ik orders voor parketvloeren heb afgesloten ten behoeve van dagverblijven en recreatiezalen voor Duitse officieren voor het vliegveld Schiphol, vlieghaven Schellingwoude en een Duits Heim voor officieren te Harderwijk. Het totaal aantal vierkante meters vloeren voor deze objecten schat ik op ongeveer 2.500. Deze leveringen zijn geheel vrijwillig tot stand gekomen en van enige dwang van Duitse zijde is mij niets bekend.”

Titia Bruijnzeel-Verkade

In 1947 werden de in Zaandam woonachtige adjunct-directeuren Cornelis Jan Giessen en Aart Schipper onderworpen aan een onderzoek. Ook de gebroeders Bruijnzeel stonden onder verdenking. Het Bijzonder Gerechtshof wilde weten of ze zich beroepsmatig schuldig hadden gemaakt aan collaboratie. Cornelis Bruijnzeel sr. bleef buiten beschouwing. Zowel hij als zijn zoon Willem stonden overigens niet bekend als aanhangers van het Duizendjarig Rijk. De rechercheurs Brunekreef en Van Noort schreven al op 25 mei 1945 in een rapport: “De oude heer B. is niet pro-Duits, maar was wel anti-Engels, doch van mening dat een zakenman zich niet met politiek moest bemoeien.” Willem was volgens hen ‘altijd volkomen anti-Duits en pro-Nederlands.’ Dat lag anders voor Cornelis jr. “De heer C. Bruynzeel was enigszins pro-Duits en niet opgewassen tegen de exotische neigingen van zijn echtgenote”, aldus de twee politiemannen.

Die echtgenote heette Titia Bruijnzeel-Verkade (Zaandam, 1898). Ze was een dochter van Ericus Gerhardus Verkade, een telg uit de beroemde koek- en chocolademakersfamilie. In september 1940 werd Titia lid van het Nationaal Front. Deze fascistische politieke organisatie stond onder leiding van Arnold Meijer. De partij was antisemitischer dan de NSB, maar meer gecharmeerd van Mussolini dan van Hitler. Toen Meijer als onderdeel van zijn organisatie in april 1941 een Nationaal Vrouwenfront stichtte, benoemde hij Titia Bruijnzeel tot landelijk leidster. Ze haalde de landelijke dagbladen met haar benoeming en verklaarde toen vastbesloten te zijn om ‘de specifieke vrouwelijke eigenschappen en krachten tot uitdrukking te brengen’ ten bate van ‘de volkse gemeenschap’. Lang duurde haar leiderschap niet. Na een half jaar verbood de bezetter het Nationaal Front en koos ze definitief de NSB als partner. Titia Bruijnzeel was op slag functie- en partijloos. De eerdergenoemde rechercheurs Brunekreef en Van Noort concludeerden nadien dat ze desondanks ‘de eerste tijd haar pro-Duitse houding’ handhaafde. “Een van haar zoons ging naar Duitsland naar een speciale Holzschule en ook op andere manieren bleek dat zij haar evenwicht nog niet gevonden had.” Het zou haar na de oorlog allemaal niet zwaar worden aangerekend. In december 1947 seponeerde de officier-fiscaal de lopende zaak tegen Titia Bruijnzeel.

bruynzeel-verkade cor bruynzeel
                 Titia Bruijnzeel-Verkade (1941)       Cornelis Bruijnzeel jr. (ongeveer 1938)

Politieke Recherche

De naoorlogse Politieke Rechercheafdeling concludeerde eveneens in 1947 ‘dat de dagrapporten van de vertegenwoordigers [van Bruynzeel] aantonen dat men in het geheel niet afwijzend stond’ tegenover leveringen aan de Weermacht.’ “Achteraf gezien geef ik toe dat ik door deze manier van handelen arbeidskrachten in Duitsland heb vrijgemaakt, die daardoor rechtstreeks in het oorlogsapparaat konden worden ingeschakeld”, zou adjunct-directeur Aart Schipper na de bevrijding in een verhoor toegeven. “Het is niet te ontkennen dat door het werken van Bruynzeel’s Deurenfabriek aan de indirecte Weermachtsleveranties en het uitvoeren van de Verlagerungsauftrage aan de vijand in deze Duitsland hulp is verleend. Deze handelingen zijn in zoverre vrijwillig geschied dat ons bedrijf niet regelrecht is gedwongen met maatregelen van geweld door de Duitse bezetter.”

Het duurde tot de tweede oorlogshelft voordat de Bruynzeeldirectie regelmatig Duitse leveringsverzoeken negeerde. Zo wees het bedrijf de productie van kastjes voor militairen af, ook al betekende dat een winst van mogelijk een miljoen gulden. Ook was er weinig enthousiasme toen de nazi’s onderzochten of er bij Bruynzeel vliegtuigonderdelen konden worden geproduceerd. Omdat de beoogde hal niet geschikt bleek, ging de klus niet naar Zaandam.

Hoewel de onderzoeken uitwezen dat alleen al de deurenfabriek op een totale oorlogsomzet van 16 miljoen gulden ‘een collaboratie van 3 miljoen of plusminus 19%’ binnenhaalde, bleef vervolging van de verantwoordelijken uit. De procureur-generaal bij het Bijzonder Gerechtshof verklaarde de verdenkingen tegen de vier directieleden ongegrond. De leveranties aan kamp Westerbork in 1944 liet hij bij zijn beoordeling overigens buiten beschouwing.

Het was inmiddels eind 1947. Bruynzeel was hard nodig bij de wederopbouw van Nederland.

1936. Cornelis Bruynzeel keert na een zeilrace terug in de haven van Zaandam. Let op de hakenkruisvlag in de mast. Zie ook dit filmpje.