Berichten

Extreem oorlogsgeweld in de Burgemeestersbuurt

Het zijn slechts twee straten in zuidelijk Zaandam, maar de Tweede Wereldoorlog drukte er een stevig stempel op. In de Burgemeester van de Stadtstraat en de Burgemeester Ter Laanstraat wisselden leven en dood, bezetting en verzet elkaar vrijwel dagelijks af.

De meeste huizen in dit deel van de Burgemeestersbuurt werden eind jaren ’30 opgeleverd. Het waren -en zijn- in een rustige omgeving gelegen, degelijke woningen met een tuintje. Zeker destijds golden ze als prima onderkomens voor gezinnen uit de middenklasse. Het is dan ook geen toeval dat een deel van de Zaandamse ambtenaren er tijdens de oorlog een plek kreeg aangeboden. NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, die in 1942 aantrad, maakte er werk van om het Zaandamse ambtenarenkorps in hoog tempo te nazificeren en zijn nieuw aangetreden partijgenoten een passend onderdak te bezorgen. De gloednieuwe Burgemeestersbuurt was daartoe prima geschikt. Maar met de rust was het voortaan wel gedaan.

Collaborateurs

Op de naoorlogse lijsten van de Politieke Opsporingsdienst staan acht in bovengenoemde straten wonende personen als collaboratieverdachte vermeld, vooral ambtenaren. De POD-lijsten maken echter geen aanspraak op volledigheid. Bovendien verhuisden er voor de bevrijding aanbrak nationaalsocialisten uit deze wijk naar andere adressen en haalden twee daar wonende ‘landverraders’ mei 1945 niet levend. Gesteld kan dan ook worden dat de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat nog wel wat meer deutschfreundliche personen herbergden dan het POD-overzicht vrijgeeft.

Het laatste blokje van de Burgemeester van de Stadtstraat was waarschijnlijk zelfs exclusief gereserveerd voor leden van de Zaandamse (water)politie. Op nummer 123 woonde de beruchte chef van de waterpolitie, Willem Nicolaas Ehlhardt. In de woorden van BS-commandant Johann van Marle ging het hier om ‘een NSB’er‘ en iemand die ‘zich verschrikkelijk uitsloofde om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.’ Onder leiding van Ehlhardt plunderde de waterpolitie naar hartelust mensen die in de winter van 1944-’45 op hongertocht waren geweest in noordelijk Noord-Holland.

Naast Ehlhardt, op nummer 125, huisde Jan de Man, een onderluitenant van de waterpolitie. Op nummer 131 woonde volgens het telefoonboek van 1943 een niet bij naam genoemde rivierbrigadier van de politie te water en op 133 agent K. Mast. Voor zover bekend was op deze laatste politieman niets aan te merken. Achter de deuren van de tussenliggende nummers 127 en 129 hebben hoogstwaarschijnlijk ook politiebeambten gewoond. Onduidelijk is wat tussen 1940 en 1945 hun politieke achtergrond was. Dat geldt niet voor de bewoners van de Van de Stadtstraat 23, 48 en 80. Zij werden door de Politieke Opsporingsdienst eveneens als ‘fout’ beoordeeld en in mei 1945 voorafgaand aan hun berechting opgesloten in de Zaandamse districtsgevangenis.

Politiekorps Zaandam, deels. Rond 1941 (collectie R.R. Pel)
De Zaandamse politie, 1941
(collectie R.R. Pel)

In de parallel lopende Burgemeester Ter Laanstraat woonden minimaal twee collaborateurs. Achter de voordeur van nummer 120 bevond zich een door burgemeester Van Ravenswaay aangestelde medewerker van de Zaandamse gaarkeuken. Hij verdween kort na de bevrijding in de POD-arrestantenwagen. En op nummer 27 woonde Franciscus Diedericus Willemse. Deze door de illegaliteit gehate politieman zakte op 5 februari 1945 dodelijk gewond in elkaar op de hoek van de Zuiddijk en de A.F. de Savornin Lohmanstraat, getroffen door vijf of zes kogels die enkele verzetsstrijders op hem hadden afgevuurd.

Willemse was niet de enige bewoner uit deze straat op wie in februari een vuurwapen werd gericht. De 25-ste overleed Joost Zeeman. Deze 18-jarige onderduiker, wonend in de Ter Laanstraat 110, werd door Landwachters neergeschoten toen hij een Ausweis-controle probeerde te ontlopen. Enkele dagen later stierf ook de eerder genoemde Willem Ehlhardt in een kogelregen. Het toeval wilde dat dat gebeurde in de Ter Laanstraat, ter hoogte van nummer 85. Een ooggetuige, de jeugdige Jaap Plugge, was getuige van het vervolg: “Mijn kameraadje Wim zat huilend op straat naast zijn stervende vader. Een vreselijk schouwspel. Nu nog voel ik hoe beroerd ik was bij dit aangezicht. lk ben snel naar huis gegaan en pas later hoorde ik dat Ehlhardt die avond in het ziekenhuis was overleden.”

Binnen vier weken tijd werden dus drie mannen uit de Burgemeesterbuurt vermoord, twee door het gewapend verzet en een door gewapende nationaalsocialisten.

Bob Pel

Het was niet allemaal kommer en kwel in de Burgemeesterbuurt. In de Ter Laanstraat 88 woonde een van de weinige leden van de waterpolitie die aan de ‘goede’ kant stonden. En op nummer 97 bevond zich het gezin Pel. Vader Robert Rudolf was wachtmeester bij de Zaandamse politie en een van de actiefste verzetsstrijders van de Zaanstreek. De verdeeldheid bij de politie in de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat tekende de schizofrene situatie van het plaatselijke korps in bezettingstijd. De Burgemeestersbuurt als geheel kon daarnaast model staan voor de uitersten die de jaren 1940-1945 beheersten.

R.R. Pel rond 1941 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel, 1941
(collectie R.R. Pel)

Jan de Man

Had Willem Ehlhardt de oorlog overleefd, dan was hem ongetwijfeld de gevangenis ten deel gevallen. Dat overkwam wel zijn buurman en opvolger als commandant bij de waterpolitie, Jan de Man. Die werd op 8 mei 1945 opgesloten in de districtsgevangenis aan de Stationsstraat. Hij zou er tot 25 augustus van dat jaar blijven, op beschuldiging van diefstal en NSB-lidmaatschap. De Man, in zijn verweer: “De enigste oorzaak van de op mij uitgebrachte beschuldiging is dat ik op het bureau der waterpolitie met 4 man samen zat die niet safe waren. Ik werd toen voor de schurkenstreken van dit viertal beschouwd als bliksemafleider, door mij te betichten van het lidmaatschap der NSB. Een collega van mij heeft de NSB-instanties onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldiging absoluut ongegrond was.”

De politieman was in 1944 ook al opgepakt en toen naar kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd er toen door de Duitsers van verdacht wapens te hebben gestolen en in zijn huis te hebben verborgen. De Man ontsnapte na acht maanden en dook tot aan de bevrijding onder bij buurvrouw Gerritje Oldenburg in de Van de Stadtstraat 106. Dat hij na de bevrijding opnieuw werd opgepakt, moet hij hebben ervaren als een uiterst wrange speling van het lot. Zijn geluk was dat hij ontlastende verklaringen kon overleggen over hulp aan onderduikers. Eén van hen, de Amsterdammer L.H. Cohen: “Hierbij verklaar ik dat de heer Starreveld en De Man mij als Israeliet te allen tijde hebben geholpen, en het mij bekend is dat ook andere Israelieten en onderduikers door hen geholpen zijn. Dat zij alles hebben gedaan om de NSB tegen te werken en te zorgen dat niet alles in Duitse handen viel. Ik ben er dan ook van overtuigd dat zij niet ten eigen bate hebben gewerkt en verzoek u de volle medewerking om deze kwestie zoo spoedig mogelijk uit de weg te helpen.” De getuigenissen pakten goed uit. Eind augustus 1945 keerde Jan de Man voor de tweede keer terug uit gevangenschap.

 

Robert Rudolf Pel; verzetsgrootheid

Robert Rudolf Pel (Zaandam, 21-11-1914/Huis ter Heide, 1-3-2008) behoort tot de minder bekende Zaanse verzetsstrijders. Er is geen straat naar hem vernoemd en er zijn nauwelijks artikelen aan hem gewijd. Dat is onterecht. Rechercheur ‘Bob’ Pel behoorde namelijk tot de grootsten binnen de regionale illegaliteit.

De in Zaandam geboren en getogen Robert Pel volgt na de mulo de Kweekschool, maar slaagt er niet in om een onderwijzersdiploma te halen. Hij gaat vervolgens in dienst en wordt beroepsmilitair. Wanneer Nederland in mei 1940 capituleert, werkt hij bij de Militaire Politie. Al op de dag van de Duitse inval wordt Pel bij Lobith gevangengenomen. Pas in augustus van dat eerste oorlogsjaar mag hij vanuit Duitsland terugkeren naar zijn woonplaats. Daar solliciteert hij met succes bij de lokale politie.

Plaatsvervangend commissaris A.J. van Doorn haalt hem begin 1941 over om zich aan te sluiten bij het ontluikende verzet. Kort daarna, in mei, krijgt Van Doorn ‘onbeperkt ziekteverlof’ (hij overlijdt het jaar daarna). Het verlof hoort bij de ingrepen van de nieuwe NSB-burgemeester Van Ravenswaaij, die het ambtenarenkorps wil omvormen tot een Hitlergetrouwe organisatie.

R.R. Pel bij politie Zaandam, 1941 (collectie R.R. Pel)Bob Pel, 1941

Wanneer diens opvolger, de eveneens nazigezinde burgemeester Vitters, het in mei 1943 nodig acht om alle politiebeambten een eed van trouw op het nieuwe bewind te laten afleggen is Pel de enige van de (onder-)wachtmeesters die weigert. Hij is tevens de eerste Zaandamse politieman -in totaal werken er ongeveer zestig- die dat doet. Na hem durft slechts een enkele collega op dat beladen moment nee te zeggen. Wonder boven wonder komt Pel er zonder schade vanaf en kan hij in functie blijven. Het is de tweede keer dat Pel aan arrestatie ontsnapt. Begin 1943 heeft hij geweigerd om Sophia Schagen-Christiaansen aan te houden. Zijn ‘foute’ superieur, waarnemend commissaris Meindert Talma: “Ik heb eens aan Pel opdracht gegeven om een dame uit de Schildersbuurt te arresteren en voor [te] geleiden bij de SD. [Sicherheitsdienst]. Pel is naar haar toegegaan, maar kon haar niet arresteren, omdat ze jonge kinderen had. Hij rapporteerde me dit, waarop ik tegen hem zei: ‘Je weigert een opdracht, dan moet ik je ontwapenen.’ Zover kwam het echter niet. Juist op dat moment kwam [inspecteur Tonny] Jansen binnen, die Pel in de verdediging nam.” Bob Pel ontsnapt aan ontslag en waarschijnlijk erger.

Hij is dan al tot over zijn oren betrokken bij de vele illegale acties in en rond zijn woonplaats. In zijn naoorlogse dossier is zijn verzets-CV samengebald in één lange zin: “Heeft vanaf 1941 tot aan de bevrijding honderden valse persoonsbewijzen uitgereikt aan leden van diverse verzetsgroepen, Joden, Engelse en Amerikaanse piloten, alsmede andere door Duitse politie-instanties gezochte Nederlanders; hij maakte daarbij volledig gebruik van materiaal en gegevens welke hem in zijn toenmalige functie van rechercheur van politie te Zaandam ten dienste stonden, in feite juist om vervalsingen op dit gebied te achterhalen.” De opsomming geeft weer hoe belangrijk Pel was, maar doet hem desondanks tekort. Robert Pel deed namelijk veel meer. Een onvolledige opsomming maakt dat duidelijk.

Willem Ragut

In februari 1943 krijgt Bob Pel opdracht om de ondergedoken joodse familie Vles te arresteren. Alvorens (een dan uiteraard overbodige) huiszoeking te doen waarschuwt hij hen en zorgt er voor dat ze op hun nieuwe onderduikadres worden voorzien van documenten en geld. Aan het eind van de oorlog krijgen ze zelfs onderdak in zijn woning aan de Tuinstraat. Ook boven de Zaanstreek gesprongen vliegeniers worden door hem naar onderduikadressen vervoerd. Arrestanten die van Zaandam naar de Sicherheitsdienst moeten worden gebracht raken soms spoorloos ‘zoek’. Pel benut daarbij onder meer de Duitse bureaucratie om hun namen uit de dossiers te krijgen.

Tonny Jansen, die na de liquidatie van zijn chef Willem Ragut (ook hiervan weet Pel tevoren) hoofdcommissaris wordt in Zaandam, kruist vaker Pels pad. De Zaanse verzetsleider Jaap Buijs, rechercheur Pel en de nationale ‘bankier van het verzet’ Walraven van Hall besluiten begin 1943 om de nieuwe Zaandamse commissaris, over wie ze belastende informatie hebben, onder druk te zetten. Buijs: “Pel had zich al enige malen bij mij beklaagd dat Jansen diverse zaken niet uitvoerde of deze op een verkeerde manier aanpakte. Op zekere dag vertelde Pel mij dat het hem bekend was geworden dat Jansen een radiotoestel had gestolen. Ik heb toen gezegd: ‘Nu kunnen wij hem naar onze kant dwingen, of hem anders afhandelen’ [lees: liquideren]. Als hij niet wilde meewerken, zou er met hem afgerekend moeten worden. Als het ware was dit eigenlijk chantage. We zagen hierin een middel om Jansen min of meer te dwingen zijn volledige medewerking aan de illegaliteit te verlenen. Pel kwam, nadat hij hierover met Jansen gesproken had, bij mij met de boodschap dat het een uitkomst voor Jansen was geweest, hij had het zelfs met grote ijver aanvaard.”

Jansen moet voortaan berichten die van belang zijn voor de verzetsorganisaties doorgeven aan Pel en Buijs, onder meer via een, mede dankzij Pel tot stand gekomen, clandestiene telefoonlijn. De commissaris hapt toe. Buijs: “Wij kunnen constateren dat door hem minstens tachtig mensen uit handen van de Gestapo zijn gehouden. Bovendien is zijn werk voor ons van enorme betekenis geweest, omdat wij hierdoor altijd met alles op de hoogte waren.” De waarschuwingsdienst functioneert tot aan de bevrijding naar behoren: tal van ondergedoken joden en gezochte verzetsstrijders weten erdoor te ontkomen aan de nazi’s en hun handlangers.

Op zaterdag 15 januari 1944 nemen Pel (schuilnaam ‘Bakker’) en zijn collega Folkert Brandsma de trein naar Breda. Van daar lopen ze naar het huis van de gebroeders Van Nunen, die enkele uit Engeland overgevlogen geheim agenten huisvesten. Ze zijn met zendapparatuur, vuurwapens, munitie en €120.000,- gedropt in de omgeving van Princenhage. Pel en Brandsma slagen er in om de goederen met de trein over te brengen naar Zaandam, vanwaar ze worden verspreid onder diverse illegale organisaties.

Drie dagen na dit gewaagde transport belandt Pel alsnog achter de tralies. Wanneer de Zaandamse verzetsstrijder Martin Arends wordt opgepakt treft de SD Pels naam aan in Arends’ notitieboekje. Het is voldoende om hem te arresteren en te beschuldigen van financiële steun aan het verzet. Door hardnekkig alles te ontkennen wordt Pel na enige tijd weer vrijgelaten. Zonder te aarzelen pakt hij zijn ondergrondse werkzaamheden weer op.

Grünen

Een treffend staaltje van zijn lef betreft het per politieauto wegbrengen van 20 of 30.000 bonkaarten (de genoemde aantallen variëren) voor onderduikers, van Wormerveer naar een Amsterdams advocatenkantoor. Bij de Hembrug gaat het bijna mis. Twee Grünen vragen hem of ze kunnen meerijden. Pel laat hen instappen en excuseert zich dat ze moeten plaatsnemen op enkele pakken papier (waarin de bonkaarten zitten). Aangekomen bij het afleveradres verlaat Pel kalm zijn auto, verzoekt de Duitsers om uit te stappen en laat hen vervolgens de bonnen naar het kantoor tillen.

Wanneer het verzet een inbreker neerschiet dekt Bob Pel de dader door de schuld op zich te nemen. Hij maakt valse processen-verbaal op, bijvoorbeeld over vermiste boten. Die kunnen vervolgens worden ingezet voor wapentransporten. Hij verleent medewerking aan de voorbereiding van overvallen op politiebureaus, distributiekantoren en gemeentehuizen, alsmede aan liquidaties van verraders.

Met kerstmis 1944 verschijnen er aanplakbiljetten in de Zaanse straten, met oproepen voor de Duitse arbeidsinzet. Al de volgende dag hangt de omgeving vol met tegenpamfletten, het resultaat van Zaans topoverleg waarbij Walraven van Hall de centrale man is en waarbij verder Jaap Buijs, Robert Pel en August Sabel aanwezig zijn. Eerste kerstdag besluit het viertal om een tekst op te stellen met als strekking dat medewerking aan deze Liese-Aktion ongewenst is. De makers van het illegale Zaanse blad De Typhoon drukken nog dezelfde dag een groot aantal aanplakbiljetten met de oproep. In de nacht van 25 december worden ze her en der over de Duitse posters geplakt, met als resultaat dat slechts een klein percentage van de Zaanse arbeiders meewerkt aan de dienstplicht. Geen van de werkgevers vraagt Ausweise aan. Het ontwerp van het Zaanse aanplakbiljet dient in de navolgende weken als voorbeeld elders in Nederland.

Pel heeft gedurende de bezettingstijd een cartotheek opgebouwd met namen en activiteiten van NSB’ers, collaborateurs en andere ‘foute’ Nederlanders. Het vormt na de bevrijding een basis voor zijn werk als districts-arrestatie-officier van Gewest 11 van de Binnenlandse Strijdkrachten. Jammer genoeg heeft Robert Pel, voor zover bekend, slechts weinig oorlogsherinneringen op papier gezet. In oktober 1945 vertrekt hij naar Nederlands-Indië, waar hij drie jaar politiewerk verricht. Daarna keert hij terug als inspecteur-korpschef in Wormerveer en Krommenie. In 1955 wordt hij politiecommissaris in Kampen. In 1964 duikt zijn naam nog even op in de landelijke pers, wanneer hij als commissaris een ondergeschikte op het matje roept nadat die ten onrechte het boek Ik Jan Cremer in beslag neemt. Daarna wordt het steeds stiller rond de oud-verzetsman.

Pels oorlogservaringen maken nieuwsgierig. Wie weet er meer over deze bijzondere persoon en zijn ondergrondse activiteiten? Informatie is welkom via info@schaapschrijft.nl.

R.R. Pel, vermomd, 1943 of 1944 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel vermomd (1943 of 1944)

NSB’er Douwe Bakker bijna Zaandamse korpschef

Het is slechts bij weinigen bekend, maar Willem Ragut was tijdens de oorlog tweede keus bij de aanstelling van een nieuwe politiebaas voor Zaandam. Als het aan burgemeester Cornelis van Ravenswaay had gelegen was niet deze gehate politieman, maar de Amsterdamse inlichtingenchef Douwe Bakker benoemd tot korpsleider in het rode Zaandam. Bakker was een misschien nog wel grotere crimineel en antisemiet dan Ragut, die in 1944 zou worden doodgeschoten door Jan Bonekamp en Hannie Schaft.

De Amsterdammer Douwe Bakker (Nieuwer-Amstel, 8-12-1891) was al in 1933 NSB-lid, reden om hem op 12 mei 1940 te interneren. Na de Duitse overwinning werd hij uiteraard vrijgelaten en mocht hij zijn carrière bij de Amsterdamse politie (hij was op dat moment inspecteur bij de Justitiële Dienst) vervolgen. Collega’s typeerden hem als een stugge en humorloze man en als een naargeestige collega die moeilijk in de omgang was. Toen de Duitsers op 16 mei de hoofdstad binnentrokken stond hij vooraan om ze te begroeten. “Het is overweldigend”, schreef hij enthousiast in zijn dagboek. “De Gestapo is gekomen: er zal recht gedaan worden. (…) Het vonnis over de vervloekte plutocratieën voltrekt zich. Leugen en bedrog, Jodendom en Kapitalisme gaan hun verdiend loon halen. Adolf Hitler het genie zal hen vermorzelen.”  En anderhalve maand later, toen vrijheidslievende Amsterdammers op de verjaardag van prins Bernhard hun voorkeur toonden: “De aanhangers van het Britse roofregime tooien zich demonstratief met witte anjers.”

Douwe
Inval onder leiding van Douwe Bakker in het café van W. Hartlooper op de Nieuwmarkt

Dat dagboek, 3600 dichtbeschreven pagina’s, is ook de bron waaruit ik onderstaande citaten haalde over het mogelijke burgemeesterschap in Zaandam. Ik ontdekte Bakkers verhaal bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Daarin komt vrij uitgebreid aan de orde dat hij kandidaat was voor het hoogste ambt bij de Zaandamse politie. Op 4 maart 1941, nog geen week na de ook in Zaandam enthousiast begroete Februaristaking, werd burgemeester Joris in ’t Veld ‘mit sofortiger wirkung’ ontslagen. Hij had zich in de ogen van de bezetter te meegaand opgesteld. Zijn plaats werd vergeven aan Van Ravenswaay, een begeesterde nazi en NSB’er. Een van diens eerste daden was het wegsturen van de plaatselijke politiecommissaris C. Roscher. Ook die werd namelijk gezien als ‘deutschfeindlig’. 

Op dat moment kwam Douwe Bakker in beeld. Hij noteerde in zijn dagboek: 8-3-1941: “Krijg in den middag bezoek van Kd. [NSB-kameraad] van Ravenswaay, regeeringscommissaris-burgemeester te Zaandam. Hij deelt mede dat de Commissaris van Politie Roscher gisteren uit zijn ambt is ontslagen en dat hij nu naar een nieuwe politiecommissaris uitziet: komt daarom bij mij. Zaandam lokt mij ook niet erg aan, doch wijs ik hem ook niet af. Hij zal zich beraden, daar hem nog een anderen candidaat is genoemd.”

10-3-1941: “[Hoofdinspecteur Leen] Ponne spreekt met Kd. [van] Ravenswaay over de positie van Cm. [commissaris] in Zaandam en houdt hem voor dat wij inspecteurs in Amsterdam voorbestemd zijn om voorloopig hier te blijven. (…) In den middag deelt de Regeeringscommissaris Kd. v. Ravenswaay mij telefonisch mede dat zijn keuze van Commissaris van de Zaandamse politie op mij blijft. Onder voorbehoud neem ik deze functie aan, d.w.z. dat ik het voorbehoud maak van een eventueele zakelijkheid om in Amsterdam een rol bij de reorganisatie te spelen. Ponne zal het er morgen over hebben met de Bauftragte in Amsterdam, Senator [Hans] Böhmker. Wij dienen nu zoo langzamerhand te weten waar we hier in Amsterdam aan toe zijn.”

14-3-1941: “Krijg vanmorgen een brief van Kd. Kp. [kapitein] Kemper uit Zaandam: hij deelt mede dat de salarieering van Cm. aldaar is van f 4500 – f 5500, in 10 jaren te bereiken. Het corps telt 36 tot 42 agenten (…) Roscher blijft in Zaandam wonen in de vaste overtuiging dat over een poosje de Engelschen hier komen en zijn oude positie weer hersteld wordt.”

17-3-2013: “’s Middags een onderhoud met Oberst.führer Molle over de mogelijkheid van mijne benoeming in Zaandam. Hij raadt aan deze eventueel aan te nemen, ook al zou een eventueele benoeming in Amsterdam volgen. Het bezwaar is echter, dat er verhuisd moet worden. De Regeeringscommissaris Kd. van Ravenswaay komt toevallig ook oploopen. Hij is zeer voortvarend en klaagt er over dat de benoeming zoo lang op zich laat wachten.”

24-3-1941: “’s Middags om 2.15 uur bij den P.G. [procureur-generaal] J.A. [Johan August] van Thiel ontboden en met hem gesproken over Zaandam. Nog niet veel wijzer geworden.”

25-3-1941: “De teerling is geworpen. Vanmorgen bij den heer Senator ontboden en deelde aan mij mede, dat het in zijn voornemen ligt de leiding van de Krimineele Afdeeling bij de Politie op te dragen aan Kd. [Hans] Krenning [een politiecommissaris], terwijl hij mij de leiding van de politieke afdeeling heeft toebedacht. Dit is een aanbod dat een van mijn wenschdroomen in vervulling doet gaan. Spreek nog met den H.C. [hoofdcommissaris Karel Henri] Broekhoff, die zegt dat nadere aanwijzingen zullen volgen. (…) Heb nu de Regeeringscommissaris in Zaandam geschreven dat ik van een eventueel benoeming in Zaandam afzie.”

27-3-1941: “’s Morgens met Vis een onderhoud over de vacature Zaandam: ook hij blijft liever in Amsterdam.”

Het heeft dus maar weinig gescheeld of Douwe Bakker was hoofdcommissaris geworden in Zaandam. De oprichting van het Amsterdamse Bureau Inlichtingendienst -een reactie op de Februaristaking- kwam voor hem net op tijd. Vanaf dat moment kon hij zich helemaal uitleven in de jacht op andersdenkenden en zich ontwikkelen tot de gevaarlijkste opponent van de illegaliteit in en rond de hoofdstad. In het begin beperkten Bakker en zijn drie collega’s zich vanuit hun kantoor aan de Nieuwe Doelenstraat 13 tot het opsporen van makers en verspreiders van illegale blaadjes. Maar al binnen enkele dagen raakten de fanatieke rechercheurs overstelpt met werk. Bakker vroeg en kreeg meer werknemers: ruim twintig in totaal. Zij arresteerden vele honderden (vermeende) tegenstanders van het regime en leverden en passant ook nog wat joden over aan de Duitsers. Douwe Bakker, nadat hij had deelgenomen aan een razzia op Jehova’s Getuigen: “Tuig dat dringend noodig dient te worden uitgeroeid.” Zijn opsporingseenheid deinsde er niet voor terug om gevangenen zwaar te mishandelen. Verheugd constateerde Bakker dat een arrestant die hij aan de Sipo had overgeleverd ter dood was veroordeeld. In de herfst van 1941 waarschuwde het illegale Parool zijn lezers dan ook voor deze ‘gangsterbende’: “Honderden goede Nederlanders hebben zij reeds in de handen van de Duitschers gespeeld.”

Omdat Bakker zijn mannen niet in de hand kon houden, eindigde zijn carrière bij de inlichtingendienst vroegtijdig en belandde hij bij het Bureau Joodse Zaken. Ondanks zijn reputatie als genadeloze collaborateur ontsnapte hij na de oorlog aan de kogel. Na aanvankelijk te zijn veroordeeld tot slechts zeven jaar cel kwamen er nieuwe misdaden aan het licht. De advocaat-fiscaal eiste daarop alsnog de doodstraf tegen Bakker. De rechtbank wilde niet verder gaan dan aan het eerdere vonnis nog eens acht jaar gevangenisstraf toe te voegen. Het is altijd riskant om te speculeren hoe de geschiedenis er had uitgezien als er op beslissende momenten anders was gehandeld. Maar in dit geval kan worden gesteld dat de verzetsstrijders Hannie Schaft en de door Ragut dodelijk getroffen Jan Bonekamp wellicht de bevrijding hadden meegemaakt als niet Willem Ragut, maar Douwe Bakker was benoemd tot korpschef in Zaandam. Tegelijkertijd: Bakker was dermate toegewijd aan het nazisme dat hij ongetwijfeld andere en wellicht zelfs meer slachtoffers had gemaakt dan zijn collega.