Berichten

Joods roofgoed: Bandoeng, Amsterdam, Wormer, Krommenie

Joods roofgoed dat bestemd was voor vernietiging bij de Wormer papierfabriek Van Gelder bleef behouden dankzij een arbeider uit Krommenie. Maar wie zijn de mensen op die bewaard gebleven foto’s uit de Tweede Wereldoorlog?

Nadat in 1942 in Amsterdam de eerste grootschalige razzia’s tegen joden hadden plaatsgevonden, zagen de inwoners van Wormer dag na dag volgeladen vrachtwagens het dorp binnenrijden. De door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bevatten honderden tonnen aan boeken en documenten. Het was roofgoed, afkomstig van weggevoerde joden. De enorme collectie literatuur, Thorarollen, antieke geschriften en fotoalbums werd bij Van Gelder Zonen tot pulp gemalen. Een voormalig sous-chef van de papierfabriek getuigde later: “Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.” De nazi’s deden – ook – in Wormer hun uiterste best om elke tastbare herinnering aan het jodendom te wissen. Maar ondanks de strenge bewaking ter plekke slaagden sommige Van Gelder-medewerkers er een enkele keer in om iets van de aangevoerde lading achterover te drukken.

Nadat ik in 2016 via het jaarboek van het Historisch Genootschap Wormer de aandacht vestigde op deze vrijwel onbekende massavernietiging van joodse bezittingen nam Elly Rozemeijer uit Krommenie contact op. Haar vader, Barend (‘Bab’) Daenen, werkte tijdens de oorlog bij Van Gelder. Op enig moment tussen 1942 en 1945 slaagde hij er in om een fotoalbum dat bestemd was om te worden vermalen veilig te stellen. Hij nam het album mee naar huis. Bij gebrek aan informatie over de oorspronkelijke eigenaar(s), ongetwijfeld van Amsterdams-joodse komaf, had het sindsdien een plek in de Krommenieër boekenkast bij de familie Daenen en daarna bij dochter Elly.

Bandoeng

Het album bevatte slechts negen foto’s. Te zien zijn een man met een baby (vader en kind?), diezelfde man op een motor, vier afbeeldingen van kleine kinderen, de Amsterdamse Westerkerk en een verder onbekend straattafereel, vermoedelijk eveneens in de hoofdstad. De laatste foto is atypisch: op de afdruk is een vrouw zichtbaar die poseert voor een traditioneel Indonesisch batakhuis. Op de achterkant van deze foto is met blauwe inkt een tekst geschreven: “Bandoeng Aug. ’38 Ik zit toch liever in mijn torenkamertje in de J.W. Brouwersstraat 21. Tabee Eussie.” De blijkbaar al voor de oorlog naar Nederlands-Indië vertrokken ‘Eussie’ – een typisch joodse koosnaam – had blijkbaar heimwee naar Amsterdam.

Een zoektocht door oude Amsterdamse woningkaarten leidde naar een lijst met vele tientallen vooroorlogse inwonenden van de Amsterdamse Jan Willem Brouwersstraat 21. De lengte van het namenoverzicht is niet verwonderlijk; op dat adres bevond zich namelijk Pension Hirsch. Naast de ‘gewone’ gasten daar herbergde Hirsch in de jaren ’30 Duitse vluchtelingen als de befaamde uitgevers Fritz Landshoff (Querido) en Walter Landauer (Allert de Lange) en de beroemde auteur Klaus Mann. Afgaand op een brief uit 1935 aan zijn moeder beviel het Mann prima bij Hirsch. Omdat het pension volgeboekt was, had hij helaas elders een kamer moeten zoeken. “Ik zit hier te bibberen van de kou, want waar ik nu verblijf zijn slechte kolen geleverd en de verwarming doet het niet. Helaas was er in het charmante Pension Hirsch opeens geen geschikte kamer meer voor mij, zodat ik moest verhuizen naar een klein hotel in de buurt”, klaagde hij.

In 1941 moesten zowel de veelal joodse pensionbewoners als de joodse eigenaar plaatsmaken voor een nieuwkomer. NSB-kopstuk en president van De Nederlandsche Bank Meinoud Rost van Tonningen nam zijn intrek in het grote, door hem geconfisqueerde pand. Toen waren zowel Klaus Mann als ‘Eussie’ overigens al jaren in het buitenland. De eerste vluchtte in 1938 verder naar de Verenigde Staten, de tweede vertrok datzelfde jaar naar Nederlands-Indië.

Rappaport

Op de woningkaart in het Stadsarchief Amsterdam is maar één bewoner van de Jan Willem Brouwersstraat 21 te vinden die naar Nederlands-Indië afreisde. Op 21 juni 1938 werd Siegfried Eduard Rappaport uitgeschreven als Amsterdammer. Kort daarna dook deze op 6 september 1914 in Semarang geboren opticien op in Bandoeng, het huidige Jakarta. Vanuit deze stad zou hij de foto met heimwee-opschrift naar Amsterdam sturen.

Verder onderzoek leert dat de joodse Rappaport door zijn vertrek uit Nederland ontsnapte aan de Holocaust, maar na de bezetting van Nederlands-Indië wel in Japanse gevangenschap belandde. Op dat moment werkte hij als sergeant bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Na enig speurwerk lukte het om een dochter van Siegfried Rappaport te vinden. Ze was na de oorlog met haar ouders naar de Verenigde Staten vertrokken en bevestigde dat het handschrift van ‘Eussie’ op de foto dat van haar vader was. “It made my heart warm”, schreef ze in reactie op de plotseling opgedoken vondst, 72 jaar na de bevrijding. Haar vader had het verblijf in verschillende Jappenkampen ternauwernood overleefd (‘close to death due to dysentery and credited his survival to a fellow prisoner’). Hij zou uiteindelijk in 2003 in Houston overlijden, 89 jaar oud.

Gabriella Rappaport meende verder haar tante Dorothy te herkennen op de foto met het batakhuis, maar wist helaas niet wie er afgebeeld zijn op de andere foto’s. Waren het vrienden van Siegfried Rappaport, of misschien zelfs familie? En hadden ze als joodse Amsterdammers de bevrijding meegemaakt of waren niet alleen hun bezittingen, maar ook zijzelf vernietigd?

Aanknopingspunten om de zoektocht naar de geportretteerden af te ronden waren er nauwelijks. Het nummerbord op de auto achter de motorrijder kon worden herleid tot de voormalige eigenaar, maar die leek niet in relatie te hebben gestaan tot de poserende man. Het identificeren van de afgebeelde personen was alleen nog mogelijk via inmiddels hoogbejaarden die hen herkenden. Inmiddels vonden de foto’s hun weg gevonden naar diverse (sociale) media. Wellicht konden op die manier de foto’s terugkeren bij de nabestaanden.

 

Enfin, om een lang verhaal naar een mooi einde te schrijven: na een oproep op Facebook meldde zich Yvonne van Wijk. Zij herkende opeeens haar oom Eli Gezang, met in de armen zijn zoon Hans. Die overleefde samen met zijn broer Rob en zijn ouders de jaren ’40- ’45 door onder te duiken en van adres naar adres te trekken. Daarna was het contact snel gelegd. Op 30 maart 2018 kwamen beide broers naar Krommenie. Daar ontvingen ze uit handen van Elly Rozemeijer de foto’s die hen toebehoorden, ruim driekwart eeuw na de oorlog. De cirkel was rond.