Berichten

De vervolging van de Zaanse joden

Voor een beoogd boek over de jodenvervolging in Nederland (en in het bijzonder de gevolgen in de Zaanstreek) schreef ik onderstaande inleiding. Aangezien het er niet naar uitziet dat de beoogde publicatie nog van de grond komt, plaats ik het hier. Een longread over een donkere periode.

De jodenvervolging lijkt op het eerste gezicht grotendeels aan de Zaanstreek voorbij te zijn gegaan. De Davidster, die eind april 1942 werd ingevoerd, kende in deze Noord-Hollandse regio nauwelijks dragers. De bijna 320 ‘voljoodse’ Zaanse inwoners werden in het najaar van 1942 niet zoals hun lotgenoten in Amsterdam bij nacht en ontij van hun bed gelicht. En toch vonden ruim 180 van hen een gruwelijke dood.

Die schijnbare tegenstelling is deels terug te voeren op de ‘evacuatie’ die de negen Zaangemeenten in een vroeg stadium van de Tweede Wereldoorlog ondergingen. Zaandam, verreweg de grootste van dit negental, was door de Duitsers geselecteerd als proefstad voor de uitzetting van joodse inwoners naar getto’s. Vanuit die verzamelplekken zou het makkelijker zijn hen naar de vernietigingskampen te deporteren. Het net werd dichtgetrokken, maar wel in meerdere etappes. In de eerste, ijskoude maand van 1942 ging de proef van start. Amsterdam en Westerbork, de nieuwe verblijfplaatsen van de verdrevenen, bleken de voorportalen van Auschwitz en Sobibor. Maar dat kon niemand weten toen de jacht begon.

Waarom?

Het antwoord op de vraag naar het waarom van de joodse Zaandammers als proefkonijnen moet waarschijnlijk worden gezocht in een op de voorgeschiedenis terug te voeren combinatie van gebeurtenissen en de locatie van deze stad van, destijds, ongeveer 40.000 inwoners groot. Vanaf het begin onderkende de bezetter het autonome, zo niet dwarse gedrag van nogal wat Zaankanters. Zo kreeg Zaandam op 17 juni 1940 te maken met een relatief grote militaire bezettingsmacht, vijfhonderd man sterk. ‘De Zaanstreek is één der moeilijkste streken van ons vaderland’, klaagde de Nationaal-Socialistische Beweging op 1 april 1941 in haar blad De Zwarte Soldaat. ‘Eens was de bevolking hier felrood en toen zat er tenminste nog leven in, maar dat leven is verstard en de houding van de Zaankanter is zoals van zovelen in ons volk een burgerlijke, slappe en laffe houding geworden.’ De inwoners, zo hadden zowel de bezetter als haar handlangers al snel door, hielden vrij massaal vast aan de vooroorlogse ideeën en partijen – veelal socialistisch en communistisch – en lieten zich weinig gelegen liggen aan de Nieuwe Orde. Dat had minder te maken met een ‘slappe en laffe houding’ dan met een breed gedeelde afkeer van het nazisme.

Al in het late voorjaar van 1940 kwam het lokale verzet voorzichtig op gang. Het was te vinden in de progressieve hoek, maar ook bij hier werkzame (para-)militairen. De in Zaandam gevestigde wapen- en munitiefabriek Artillerie Inrichtingen, de grootste werkgever in de regio, speelde een belangrijke rol bij het vormgeven van de weerstand. Vanaf de zomer van 1940 werden er bijvoorbeeld pistolen, springstoffen en munitie van de Artillerie Inrichtingen naar de ontluikende ondergrondse beweging gesmokkeld, in een tijd dat er nog lang geen sprake was van wapendroppings door geallieerde vliegeniers. Daarnaast ontstonden er al snel linkse verzetscellen in het door duizenden socialistische en communistische partijleden bewoonde Zaandam.

Obstructie

Op het bestuurlijk vlak was er eveneens sprake van obstructie. Vanwege het nazistisch karakter van de Winterhulp sloeg de werving voor dit armoedefonds nauwelijks aan onder de Zaanse bevolking. ‘De opbrengst in deze gemeente van de vorige collecte was niet bevredigend’, schreef de Zaandamse burgemeester Joris in ’t Veld begin maart 1941. ‘Onze gemeente nam op de lijst van de gemiddelde opbrengst per inwoner de op één na laatste plaats in.’ De plaatselijke ambtenaren hadden dan ook hun best gedaan om de animo voor de Winterhulp zo klein mogelijk te houden. Op 28 januari 1942 schreven twee gemeenteambtenaren ‘namens verreweg het grootste gedeelte van het gemeentepersoneel’ een protestbrief aan het departement van Binnenlandse Zaken. Cornelis van Ravenswaay, de NSB-burgemeester die de verbannen In ’t Veld inmiddels was opgevolgd, had de ambtenaren verplicht te collecteren voor de Winterhulp. ‘Voor een groot deel van het personeel betekent deze ambtshalve opdracht een langs middellijke weg dwingen tot handelingen, waartoe het uit vrije overtuiging niet wenst over te gaan.’ Bij de middenstand en in het grote conglomeraat aan Zaanse fabrieken waren soortgelijke geluiden te horen.

Cornelis van Ravenswaay (5-3-1941)

Uiteraard had In ’t Veld zich met zijn sabotage van de Winterhulp bij de Duitsers niet geliefd gemaakt. Ook was ‘Den Haag’ een eerder door hem publiekelijk geuite sympathiebetuiging aan het koningshuis nog niet vergeten. Toch had deze sociaal-democraat wellicht nog wat langer in functie kunnen blijven als er in 1941 geen Februaristaking was uitgebroken.

Op de ochtend van 25 februari kreeg de Zaandamse CPN’er Wim Mans het die dag in Amsterdam verspreide pamflet in handen met de later beroemd geworden kreet ‘Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!!’. Hij gaf het aan partijgenoot Gerard Maas, die het onmiddellijk overtikte. Nog dezelfde dag werd het op een Zaandamse zolderkamer vermenigvuldigd en begon het uitdelen bij de fabriekspoorten. De oproep sloeg aan. Tienduizenden Zaankanters legden twee dagen lang het werk neer en gaven daarmee gehoor aan de aansporing van de Communistische Partij van Nederland om in opstand te komen tegen met name de jodenvervolging.

De machthebbers beschouwden Amsterdam, Hilversum en Zaandam als de belangrijkste actiehaarden van het land. Inderdaad waren dit plaatsen waar het protest tegen de antisemitische overheidsmaatregelen tot volle wasdom kwam. In de ogen van de höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter reageerde het Zaandamse gemeentebestuur veel te slap op de werkonderbreking. Geagiteerd liet Rauter weten dat op 27 februari de staking overal op zijn eind liep, ‘behalve in het marxistische Zaandam’. Hoewel de rust nog diezelfde dag terugkeerde – enkele uitzonderingen daargelaten –, werd de gemeente zwaar gestraft, om te beginnen met een avondklok en een boete van 500.000 gulden. Alleen Amsterdam en Hilversum kregen te maken met vergelijkbare sancties. Burgemeester In ’t Veld moest zijn ambtsketen inleveren en de stad verlaten. Zijn plaats werd ingenomen door de antisemitische NSB’er Cornelis van Ravenswaay.

Voor zover bekend zijn er geen documenten bewaard gebleven die aantonen waarom uitgerekend Zaandam als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ moest zijn, maar in voorgaande alinea’s zijn wel de nodige aanwijzingen te vinden voor deze keuze. De combinatie van een antisemitische burgemeester, de massale Zaanse respons op de Februaristaking, het makkelijk per trein te bereiken hoofdstedelijke Judenviertel en de opkomende illegaliteit in de Zaanstreek speelden ongetwijfeld een rol bij de beslissing. Daarop wijst ook de selectie van de eerstvolgende gemeenten waar de joden weg moesten, Hilversum en Utrecht. Die plaatsen hadden eveneens een fanatieke, Duitsgezinde burgemeester en ook daar had de bevolking op grote schaal deelgenomen aan de Februaristaking.

‘Koopt niet bij Joden’

Aan de ontjoodsing van Zaandam ging een sluipend proces vooraf dat ook elders in Nederland zichtbaar was. Al op 2 juli 1940 deden de Zaanse gemeenten per advertentie en aanplakbiljetten een oproep: niet-arische vreemdelingen moesten zich op het politiebureau melden. Op 18 juli 1940 werd op verschillende joodse winkels in Zaandam een pamflet met de tekst ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden’ op de ruit geplakt. Het was een aanmoediging van de plaatselijke NSB, die zich gesteund wist door de nazistische autoriteiten. Begin oktober van dat jaar moest alle overheidspersoneel een niet-joodverklaring ondertekenen. Wie dat vanwege zijn of haar familiegeschiedenis niet kon, had de zeer uitgebreide joodverklaring in te vullen. Dat bleek in feite een ontslagaanbieding te zijn, en op langere termijn een doodvonnis. Eind van die maand moesten joodse bedrijfseigenaren vergelijkbare verklaringen invullen.

En zo ging het verder, van dreigende waarschuwing naar beperkende verordening. Alle Zaanse inwoners ‘van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’ moesten zich laten registreren. Men diende daartoe een naar waarheid ingevuld formulier bij de gemeente in te leveren. Op weigering stond een gevangenisstraf van vijf jaar. Van slechts één Zaandammer is bekend dat hij zich – bijna per toeval – niet als zijnde joods liet vastleggen. Het betrof de meubelhandelaar Ies Löwenstein. Toen hij zich bij de gemeente meldde, zei een hem bekende ambtenaar grappend: ‘Jij bent toch geen jood, Ies?’ Waarop Löwenstein antwoordde: ‘Natuurlijk niet.’ Hij ontsnapte aan registratie, en daarmee aan het vernietigingskamp.

Het overgrote deel van de joden in de negen Zaangemeenten woonden in Zaandam. Het was een mengeling van families die er soms al generaties leefden en van buitenlandse joden die in de jaren dertig uit Duits-nazistisch gebied waren gevlucht. In totaal maakten zij minder dan 1% uit van de Zaandamse bevolking.

Uit een landelijk overzicht van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters blijkt dat Zaandam op 1 oktober 1941 224 ‘voljoodse’ inwoners telde, evenveel vrouwen als mannen. Volgens de nazi-regels waren voljoden burgers met minimaal drie joodse grootouders. Mensen die één of twee joodse grootouders hadden, maar zelf de joodse godsdienst aanhingen dan wel gehuwd waren met een voljood, golden eveneens als volledig joods. Als halfjood werden 44 personen beschouwd, en als kwartjood 34. De laatste groep werd niet systematisch vervolgd. Van de 224 Zaandamse voljoden had ruim 40% (92 personen) de niet-Nederlandse nationaliteit – merendeels vluchtelingen uit Duitsland –, van de 44 halfjoden waren er vijf buitenlands.

‘Evacuatie’

De overheidspesterijen kregen steeds meer impact. Eind april 1941 moesten de Zaandamse joden hun radio inleveren. Vanaf 1 september 1941 was het joodse (en soms ook halfjoodse) leerlingen verboden naar ‘arische’ scholen te gaan. Op 25 november 1941 verloren Duitse joden in Nederland hun nationaliteit. Hun vermogen verviel aan het Groot-Duitse Rijk. Daarnaast werden alle niet-Nederlandse joden op 5 december van dat jaar opgeroepen tot ‘vrijwillige emigratie’. Aan Duitse joden was al eind september een eerste oproep gedaan. Vanaf nu leken de geruchten waar te zijn dat de niet-Nederlandse joden zeker weg moesten. ‘Naar Westerbork? Naar Amsterdam? Naar Duitsland? Naar Polen?’, vroegen de vanuit Duitsland naar Zaandam gevluchte Hennie Petersen-Stock en haar dochters zich af.

Het onschuldig klinkende woord ‘evacuatie’ sloot aan bij de opduikende berichten dat de kustgebieden wellicht zouden worden ‘geëvacueerd’ vanwege het risico op een Britse invasie. De term ‘Evakuierung’ kreeg overigens in deze periode na toestemming van Hitler dezelfde betekenis als ‘Endlösung’, ofwel uitroeiing. Voor ouderen, kinderen van gemengd gehuwden en joden die belangrijk waren voor de oorlogsvoering zouden uitzonderingen kunnen gelden.

Dat er een gedwongen vertrek uit Zaandam aankwam, werd op woensdagavond 14 januari 1942 bekendgemaakt via een schrijven van de Joodsche Raad. Het droeg de aanhef ‘Aanwijzingen voor de evacuatie uit Zaandam’. Op zaterdag 17 januari diende men klaar te staan om naar Amsterdam te vertrekken, met als bagage slechts datgene wat men kon dragen. De politie moest toestemming geven en kreeg bij vertrek de huissleutels. Men hoorde zich voor 15.00 uur op de Amsterdamse Nieuwe Keizersgracht bij de Joodsche Raad te melden (bij het ‘Bureau Evacuatie Zaandam’). De Raad zou helpen bij de voorlopige onderbrenging in de hoofdstad. De getroffenen mochten onder geen beding terugkeren naar Zaandam, ook niet voor werk of een bezoek aan vrienden.

Ellen Weijl en haar niet-joodse man Cor Inja behoorden tot de ongelukkigen die het vertrekbevel op deze avond van twee gemotoriseerde politiemannen ontvingen, ‘krachtens een besluit van de burgemeester’. Inja – zijn vrouw en hij zouden zich kort nadien aansluiten bij de illegaliteit – schreef na de oorlog dat ze het motorgeluid voor hun woning nooit meer konden vergeten. Aanhangers van de communistische partij verspreidden een in haast getikt papiertje onder gelijkgezinden, zoals ze dat ook al deden tijdens de Februaristaking. ‘Opnieuw hebbende fascistische horden hun bloedige terreur ingezet. Opnieuw zijn het de ongelukkige joden die het slachtoffer moeten zijn’, ving het pamflet aan. ‘Ze worden a.s. zaterdag weggesleept. WAARHEEN??? Zij weten het niet!!! ZIJ WETEN ALLEEN DAT ZIJ ERGENS EEN GRUWZAME DOOD GAAN STERVEN!!!’ De korte tekst besloot met een oproep tot ongehoorzaamheid. ‘Smeedt allen het wapen van verzet.’ Ondanks de overvloed aan kapitalen en uitroeptekens, symbolen van onmacht, bleef het rustig in de stad.

In de Zaandamse juwelierswinkel van Arnold Vet, de secretaris van het synagogebestuur, kon men in de ochtend van 15 januari aan vier leden van de Joodsche Raad opgeven wie wegens ziekte of invaliditeit niet in staat was om te reizen. Een doktersattest moest als bewijs gelden. Eventueel uitstel betekende uiteraard geen afstel.

Westerbork

Een dag later ontboden de machthebbers alle geregistreerde joodse gezinshoofden naar de synagoge aan de Gedempte Gracht 40, in het hart van de stad. Daar diende men de persoonlijke gegevens van de gezinsleden te overleggen. Die middag werd plotseling een uitzondering bekendgemaakt. De niet-Nederlandse joden gingen bij nader inzien niet naar Amsterdam, maar naar het Vreemdelingenkamp Westerbork. Toen zal hen ook zijn gezegd, wat alleen uit politierapportages blijkt, dat zij pas maandag 19 januari aan de beurt waren. Een brief van deze datum van de SS’er Karl Wörlein, de leider van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, aan de commandant van het toen nog Nederlands geleide kamp Westerbork sprak van ‘verkeerstechnische redenen’. Het winterweer gooide waarschijnlijk roet in het eten. Hauptsturmführer Wörlein verwees in zijn schrijven naar een eerder telefoongesprek en vroeg kampcommandant Jacques Schol een lijst te maken van de Zaandamse joden die in het vreemdelingenkamp aan zouden komen. Uit het late antwoord, 23 januari, bleek dat het om niet-Nederlanders ging.

Zaterdagmorgen maakten minstens acht Zaanse politiemensen een ronde langs de adressen van de Nederlandse joden. Hun taak bestond er uit om na controle van de handbagage de gezinsleden op straat te zetten, de inventarislijsten in te nemen en het huis te verzegelen. De meeste Zaandamse joden vertrokken op de zeventiende, een minderheid kreeg uitstel.

Saul Smit ging die dag wel. Hij kon 45 jaar na de oorlog van kwaadheid nog niet uit zijn woorden komen: ‘En de politieagenten die me de ene dag – want ik was toen toch ook al een bekende Zaandammer; iedereen kwam bij me als ‘ie een huis nodig had – nog meneer Smit noemden, die zetten me de volgende dag uit m’n woning. Dat heeft me altijd ontzettend…’ Saul scheidde van zijn niet-joodse vrouw, zodat zij met de kinderen terug kon naar Zaandam. Ook enkele andere gemengd gehuwde joden gingen over tot deze wanhoopsdaad.

De winter van 1941/’42 was de strengste in meer dan een eeuw. De wind blies uit de oosthoek, de hemel was diepblauw. Een minstens twintig centimeter dikke ijsplak bedekte de sloten. Het werd een weekend vol schaatstochten. De Koogse vereniging Voorwaarts verheugde zich deze zaterdag op de opening van een natuurijsbaan, pal naast de brug over de Zaan.

Een paar kilometer zuidelijker maakten honderden mensen zich op voor de treinreis naar Amsterdam. In het politiebureau werden de laatste instructies gegeven. Johan Jongepier kreeg als taak de zijstraten van de Westzijde te ontdoen van de mensen op zijn lijst. Acht joodse huishoudens telde die, in totaal ruim twintig personen. De rechercheur had medelijden met ze, maar hij deed ook alleen wat hem was opgedragen.

Jongepier gaf het echtpaar Drukker uitstel van vertrek. Abraham, de synagogebestuurder, overtuigde hem er van dat zijn vrouw te ziek was voor transport. ‘Drukker verklaarde dat hij reeds een doktersattest had doen toekomen aan de Joodsche Raad te Amsterdam, die dit geval met de Duitse instanties zou bespreken’, tikte Jongepier in zijn rapport.

‘Übergenommen Judenhausrat’

Hoe de ontruiming van Zaandam verliep is goed af te lezen aan het gedwongen vertrek van huisarts Bernard Eisendrath en zijn gezin. De Eisendraths, zesde op Jongepiers loopbriefje, zaten gespannen klaar. Ze wachtten op de agent die hen verwijderde uit het huis waarmee ze zo vergroeid waren. Ze hadden hun onderkomen onttakeld. Alleen wat grotere meubels, die met geen mogelijkheid elders waren te bergen, stonden her en der verspreid over de verdiepingen. Bedden, een tafel, dat soort goederen. De nazigezinde ophalers zouden een paar weken later de waarde van deze ‘übergenommen Judenhausrat’ schatten op 140 gulden, een schijntje van wat er drie dagen eerder nog aan kostbaarheden stond.

Zodra Johan Jongepier binnenkwam, begon hij met afvinken. Het aantal gezinsleden, zes, klopte. De zevende aanwezige, een oude dame van Duitse komaf, hoefde de stad nog niet te verlaten. Hij vergeleek de klaarstaande bagage met de door Bernard Eisendrath gemaakte inventarislijst. Was de hoofdkraan van de waterleiding afgesloten? De gas- en elektriciteitsmeter ook? Alles leek in orde, iedereen kon naar buiten. Beleefd vroeg hij om de huissleutels. Hij moest ze innemen en voorzien van een kaartje met naam en adres.

Emma Juchenheim, de oude dame, had geluk, voor zover dat woord onder deze omstandigheden nog van betekenis was. Op het laatste moment werd besloten dat zij en vijf andere ouderen niet met de overige buitenlandse lotgenoten naar Westerbork hoefden. De kwetsbare zeventig- en tachtigplussers mochten de volgende dag naar Amsterdam verhuizen. Tot het zover was, werd Emma Juchenheim ondergebracht bij een ander Zaans huishouden.

Het afscheid van zowel haar moeder als haar gewaardeerde buurt werd Selma Eisendrath te veel. In Jongepiers woorden: ‘Mevrouw Eisendrath was dermate overstuur dat zij vlak voor het verlaten van haar woning in elkander zakte en enige tijd het bewustzijn verloor.’ Behulpzame handen tilden haar van de vloer en droegen haar naar buiten. Terwijl agent Jongepier Bootenmakersstraat 108 verzegelde, kreeg Bernard toestemming om bij betrokken kennissen zijn vrouw te verzorgen. Daar kwam Selma ‘enigszins op verhaal’.

Politiekorps Zaandam (1941)

‘Dramatische dag’

De emoties bleven niet beperkt tot de Bootenmakersstraat. ‘Dramatische dag. Overal staan mensen aan de voordeur te huilen. 23 gr. vorst’, signaleerde de Zaandamse Alida Veen. Mirjam Levie, een medewerkster van de Joodsche Raad: ‘Bij het vertrek vond een ware ovatie plaats. Het medeleven van de bevolking was geweldig. De mensen moesten nl. hun meubels laten staan en zouden in Amsterdam bij andere joden worden ingekwartierd. Men sleepte de waardevolle spullen van de joden uit hun huizen en beloofde ze voor hun te bewaren.’ Of iedere ‘bewariër’ met de beste bedoelingen begon te slepen, bleef onvermeld. Een derde ooggetuige: ‘Hartroerende tonelen hebben zich hier afgespeeld. Ook christenen die met joden getrouwd zijn, lieten hun vrouw en kinderen niet alleen gaan in de ballingschap, maar deelden dit lot. Met een moed en een berusting (eigenschappen door eeuwenlange vervolging gekweekt) zijn zij vertrokken. Hun huizen en eigendommen zijn door de politie verzegeld. Hun ellende wordt nog zwaarder door de strenge vorst. Het bestaan is soms ondragelijk, geloven in God, in zijn ondoorgrondelijk besluit, vertrouwen, ondanks alles wat gebeurt, ik wil het zo graag, maar soms, zoals nu, gaat het onze kracht te boven. Dat Gij ons helpe, vooral hen, die vervolgd worden.’

Johan Jongepier hield het zakelijker. Hij had zijn ronde afgelegd conform de voorschriften, kon hij de hoofdcommissaris melden. ‘Op zaterdag, 17 januari 1942, heb ik, ondergetekende, na daartoe bekomen opdracht, het vertrek gecontroleerd van onderstaande personen, hunne huizen gesloten en verzegeld, sleutels en inventarislijsten ingenomen, welke hierbij worden overhandigd.’ Waarna de namen volgen van de Drilsma’s, Brilleslijpers, Drukkers en nog wat verschoppelingen. Onder wie ‘dr. B. Eisendrath met zijn echtgenote en vier kinderen’.

Alle ingeschakelde agenten typten een rapport voor de politiecommissaris. De meeste rapportages bevatten, ter geruststelling, de zinsnede: ‘Er deden zich geen onregelmatigheden voor.’ Uit de aantekeningen op de briefjes en rapporten blijkt dat er vooral moeilijkheden waren met de gemengd gehuwde vrouwen en de zieken. Het half-‘arische’ echtpaar De Ridder-Samson zei simpelweg dat de maatregel niet voor hen opging en bleef thuis. De familie Mars-de Jong stond niet op de lijst en wilde niet vertrekken. Personen die ziek waren, bleven eveneens. Terwijl sommige gemengd gehuwde vrouwen met hun gezin al weg waren, kwam er bericht van de SS-bevelhebber Willy Lages. Hij gaf de gemengd gehuwden uitstel van vertrek. Agent Hendrik van der Kraan – hij zou korte tijd later een van de beruchtste jodenjagers van Nederland worden – noteerde ‘nader order’ op zijn briefje en zette streepjes bij de betreffende huishoudens. De huissleutels werden aan hen teruggegeven, voorlopig.

Op maandagmorgen 19 januari 1942 vond er in Zaandam een tweede ophaalronde plaats, waarbij de joodse buitenlanders het mikpunt waren. Het aantal te vertrekken personen bedroeg dit keer 67. De politieagenten dienden de mensen op hun namenlijstje te melden dat ze zich hadden te begeven naar het gymnastieklokaal van een plaatselijke school. Van daar moest men per trein naar kamp Westerbork. Daar aangekomen kregen de meeste van oorsprong Duitse, joodse volwassenen van de kampregistratie de namen Israel of Sara toebedeeld. Die stigmatiserende toevoeging gold al sinds 1939 in het Duitse rijk.

Opnieuw heerste er angst. De onwetendheid over wat er zou komen, voedde die angst. Het was niet de angst van alledag die ook al voor de oorlog loerde in sommige joodse huishoudens, die voor de slechte manieren en luidruchtigheid waarop men kon worden aangesproken omdat men nu eenmaal joods was. Het was zelfs niet de angst die Johanne Rosenbaum haar tafel deed dekken met een schoon kleed alvorens voor de allerlaatste keer haar huis te verlaten, opdat die rotmoffen niet zouden denken dat joden de dagelijkse etiquette negeerden. Deze angst ging veel dieper dan het oude, onderhuidse antisemitisme.

Voor de Zaandammers die in Amsterdam belandden was waarschijnlijk voldoende woonruimte voorhanden. In een door de Joodsche Raad-bestuurders Cohen en Asscher ondertekend standaardbriefje van 23 januari 1942 staat: ‘Zeer geachte Mevrouw, U waart zoo vriendelijk om ten behoeve van degenen, die plotseling uit Zaandam moesten evacueeren, Uw huis open te stellen. Door bijzondere omstandigheden behoefden wij van Uw vriendelijk aanbod geen gebruik te maken.’

J. Brandon, de secretaris van de Joodsche Raad, schreef op 21 april 1942 in een interne nota over de bezittingen van de uit Zaandam vertrokken joden: ‘Het meubilair uit de huizen van geëvacueerden is thans weggehaald. De huizen zijn wederom ter beschikking gesteld van den huiseigenaar onder voorwaarde, dat de sleutels niet aan Joden mogen worden gegeven. Een winkel, waarin nog wat artikelen waren achtergebleven is geheel uitverkocht.’

Andere gemeenten

Toen de gedwongen verhuizing van Zaandamse joden slechts kleine problemen en weinig bezwaren bleken te geven, paste men de formule verfijnd toe op de andere Noord-Hollandse gemeenten (Haarlem uitgezonderd), Zeeland en Delfzijl. Er kwam wel protest van de gemeente Amsterdam, dat de mensen moest inkwartieren. En er werd tegen geageerd door Lodewijk Visser, de inmiddels ontslagen joodse president van de Hoge Raad. Visser legde de Zaandamse verdrijving verontwaardigd voor aan secretaris-generaal Karel Frederiks. ‘De niet te verdedigen maatregelen veroorzaken niet alleen onnoemelijke ellende over de Nederlandse burgers die daardoor worden getroffen, zij raken ook aan de algemene volksbelangen’, liet hij weten. Frederiks verzocht de hoogste Duitse politiefunctionaris, Hanns Albin Rauter, van het vervolg af te zien. Ook de voorzitter van de Joodsche Raad, David Cohen, sprak er zijn Duitse contacten op aan. Maar Cohen waarschuwde ook Visser: ‘Stop hiermee, het concentratiekamp dreigt.’ En Rauter antwoordde Frederiks eind februari dat ‘joden geen Nederlanders zijn’. Nederlandse autoriteiten hadden zich hier dus niet mee te bemoeien. Frederiks reageerde daarop met de woorden: ‘Ik zal mij voor het gegeven bevel moeten buigen.’ Toen was Lodewijk Visser echter al aan een hartaanval overleden, op 17 februari 1942. Loe de Jong suggereerde in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog dat dit mede een gevolg was van de vernederende reacties op zijn verzet tegen de jodenuitzetting van Zaandam.

Een aantal Zaanse joden dook vrijwel onmiddellijk onder bij familie of bekenden in de Zaanstreek. In de navolgende maanden zouden ook elders in het land tientallen Zaankanters een schuilplaats vinden. Omgekeerd hielpen niet-joodse Zaankanters binnen hun eigen woonplaats meer dan vijfhonderd joden uit heel Nederland aan onderdak. In de meeste gevallen kregen de nazi’s en hun helpers daar geen lucht van, maar bijna een derde van de onderduikers belandde toch nog in het kamp, meestal als gevolg van verraad.

Beppie Nunes Nabarro-Ephraïm, onderduikster in Zaandam.

De isolatie van de joodse bevolkingsgroep werd ondanks de geboden hulp steeds groter. Op 15 juli 1942 reed de eerste Nederlandse trein via Westerbork naar Auschwitz. Drie dagen later werd Rückla Jakoby uit de Hoveniersstraat daar als eerste Zaandamse slachtoffer om het leven gebracht. Na hun gedwongen vertrek was er soms nog enig contact tussen de uitgezette Zaandammers en hun achtergebleven stadgenoten. Bewaard gebleven afscheidsbrieven leggen daarvan getuigenis af. Zo is daar de brief van de toen 19-jarige Julie Vet aan haar Zaandamse vriendin Annie de Beurs. Die was geschreven op 24 mei 1943, de maandag dat Julie een oproep kreeg voor Duitsland. ‘Beste Annie, ik heb een heel tijdje weer niets van me laten horen, maar ’t is nu wel heel noodzakelijk want ik heb zojuist vanmorgen een oproep voor Duitsland gekregen’, schreef Julie. Een dag later moest ze zich melden, met duizenden anderen.

Duitsland

Historicus Jacques Presser legde vast hoe de Joodsche Raad op vrijdag 21 mei het bevel had gekregen zevenduizend personen van het tot dan toe vrijgestelde Joodsche-Raadpersoneel – onder wie Julie Vet – voor vertrek naar Duitsland op te roepen. De gedwongen selectie van deze duizenden door de eigen joodse leiding veroorzaakte een onvoorstelbare verwarring en paniek. Julie schreef tamelijk rustig over de ontvangen oproep. ‘Ik moet me morgen melden en hoogstwaarschijnlijk zullen mijn ouders als ze er vandaag geen krijgen, er de volgende week wel een krijgen. Je zult waarschijnlijk wel begrijpen dat ik vandaag een beetje krabbel, want het gaat je allemaal niet in je koude kleren zitten. Maar toch ben ik nu ik er voor sta wel een beetje flink, mijn moeder is zenuwachtiger dan ik.’ Julie Vet hield zich groot: ‘Ik hoop niet, dat jij of je ouders ooit voor de arbeidsinzet naar D.[uitsland] hoeven, want een pretje lijkt het me niet bepaald. Nu Annie, doe de groeten van mij aan al mijn kennissen en vooral ook voor je ouders. Ik wens je het allerbeste en we zullen maar hopen dat we elkaar spoedig weer in vrede zullen ontmoeten.’ Nog geen twee weken later werd Julie Rika Vet vergast in vernietigingskamp Sobibor. Haar ouders ondergingen dat lot drie maanden later eveneens, in Auschwitz.

Van de voljoden die in januari 1942 gesommeerd werden Zaandam te verlaten, verloren 137 personen direct of indirect door de Holocaust het leven (62%). De hulp die relatief veel Zaankanters gaven aan joodse onderduikers bood hen geen soelaas. Sara Weiss-Metzger (81) overleed een week na de verdrijving uit Zaandam in Amsterdam. Roosje Drilsma stierf daar op 3 februari 1942. Bernard Eisendrath nam in oktober 1942 in Amsterdam gif in. De 134 andere personen werden gevangen genomen, gedeporteerd, vergast, bezweken aan honger, ziektes of marteling of moesten in onbeschrijfelijke omstandigheden werken tot ze dood waren. Slechts 84 joodse burgers van Zaandam overleefden de Sjoa.

De Duitse bezetting betekende het einde van de vooroorlogse Zaans-joodse gemeente. Met de mensen verdwenen tevens hun eigendommen, meestal als roofbuit. Ook hun godshuis werd geconfisqueerd en vervolgens ontheiligd. Luttele maanden voor de nazistische inval, op 21 januari 1940, was het 75-jarig bestaan gevierd van de Zaandamse synagoge. Opperrabbijn Philip Frank sprak toen tussen de regels door over de brandende synagogen in het Duitsland van de Kristallnacht. Burgemeester In ’t Veld zei in zijn gelukwens dat hij zich tijdens de viering weliswaar een vreemde in het kerkgebouw had gevoeld, maar niet ‘in een volksvreemde kring’. ‘Wij kunnen het eens zijn, al verschillen wij naar het uiterlijk.’ Hij hoopte dat de gewetens- en geloofsvrijheid ‘zou behouden worden tot in alle eeuwigheid’. Die hoop werd drieënhalve maand later dus de bodem in geslagen.

In de zomer van 1942 probeerde NSB-wethouder Jacob IJdenberg in zijn andere hoedanigheid, als makelaar, de synagoge te verkopen aan de gemeente Zaandam. ‘Ik heb dit gedaan, daar ik het als een normale makelaarszaak beschouwde en er geen kwaad in zag’, verklaarde hij na de oorlog. De winst zou in handen komen van de Duitse roofbank Liro. De directeur van de Zaandamse dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond, zag echter niets in het verkoopplan: ‘Op aandringen van IJdenberg zou [burgemeester Hendrik] Vitters hiertoe zijn overgegaan, doch in samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ IJdenberg slaagde er wel in om een flink aantal andere Zaanse panden die tot 1942 in joodse handen waren te verkopen of te verhuren. Hij ontving daarvoor commissie.

Paardenstal

De synagoge werd na de jodenverdrijving gebruikt als paardenstal, geplunderd en vernield. Tot het laatst toe zou het gebedshuis misbruikt worden door Duitse soldaten, zoals blijkt uit dagboekaantekeningen de dato 15 april 1945 van Zaandammer Andries Bouman: ‘Vinkenstraatschool, Garage Jan Does en Synagoge zitten weer vol soldaten.’ De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken had naar eigen zeggen zilveren voorwerpen onder de synagogevloer verborgen. Na de oorlog waren die verdwenen. Zes Torarollen zouden gespaard zijn gebleven, maar onbekend is waar ze zijn.

Bestuurslid Jacob Drukker vertelde in 1965 wat er na de oorlog resteerde van de synagoge: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’

Duitse opleggers voor de synagoge, het witte gebouw links.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw ging de synagoge wegens gebrek aan geld en gebruikers over in andere handen. Een daarop volgende ingrijpende ‘verbouwing’ leidde er toe dat anno nu alleen de uit 1865 daterende bovenkap van het gebedshuis resteert. Wrang genoeg is het enige Zaans-joodse bouwwerk dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ongemoeid bleef de begraafplaats. Tegen dode joden hadden de nazi’s immers geen bezwaren.

 

Voor dit artikel is geput uit de website www.joodsmonumentzaanstreek.nl en mijn volgende boeken:
De Februaristaking in de Zaanstreek
Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945)
Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945)