Berichten

Riphagen is een fantastische film. Met de nadruk op fantast

Vooropgesteld, Jeroen van Koningsbrugge verdient een prijs voor zijn acteurswerk. Hij lijkt bovendien uiterlijk op het karakter dat hij speelt, zoals aan het eind van de film wordt getoond door zijn hoofd te laten overvloeien in dat van de man om wie het allemaal draait. Met Van Koningsbrugge had regisseur Pieter Kuijpers goud in handen om een aangrijpend oorlogsdrama te verfilmen. Des te jammerder dat ‘het ware verhaal’ over de gewetenloze oorlogscrimineel Dries Riphagen wordt overschaduwd door fictie en fouten.

Vanaf 1 januari is bij de VPRO de driedelige tv-serie Riphagen te zien. Die werd eerder, samengeperst, in de bioscopen uitgebracht. Het bezoekersaantal daar viel wat tegen; nog geen 40.000 mensen namen de moeite om de oorlogsbelevenissen van de gewetenloze misdadiger Dries ‘Al Capone’ Riphagen -fout voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog- te aanschouwen. De anderen kunnen het verhaal nu dus alsnog bekijken. Daarbij past echter wel een bijsluiter. Eentje die ontbrak bij de bioscoopversie.

‘Ongelooflijk verhaal’

“Het ware verhaal van Dries Riphagen” vermeldt de filmposter van de speelfilm Riphagen. “Ongelooflijk verhaal, maar helaas waargebeurd”, twitterde Jeroen van Koningsbrugge me. In een interview op de VPRO-site antwoordde hij op de vraag wat hij had ‘meegenomen van de film’: “Het besef dat het allemaal echt gebeurd is.” Onder (veel) meer NRC Handelsblad ging mee in deze herhaling dat de feiten voorop stonden: “Geen fijn verhaal. Wel echt en belangrijk.” En: “Een film die ons van de illusie afhelpt dat WOII goed afliep.”

Helaas, daar wringt ‘m nou net de schoen. Riphagen hangt van de fictie aan elkaar. Terecht schreef filmrecensent Jos van der Burg: “De gebeurtenissen worden steeds ongeloofwaardiger. Jammer, want de historische feiten zijn spannend genoeg.”

Feiten

Bernardus Andreas Riphagen (Amsterdam, 1909) was in de jaren dertig een genadeloze gangster. Tussen 1940 en 1945 deed hij er nog een flinke schep bovenop. Hij was tijdens de oorlog verantwoordelijk voor de dood van minstens tweehonderd mensen. Verraad en roof werden zijn handelsmerken. Na de bevrijding wist hij naar Argentinië te ontkomen, waar hij een vertrouweling werd van Juan en Evita Péron. Het is al met al een levensverhaal waar een intrigerende film van valt te maken. Maar om een of andere reden koos Pieter Kuijpers er voor om een flinke scheut fictie toe te voegen aan de feiten. En tegelijkertijd dus te verkondigen dat hij het ‘ware verhaal van Dries Riphagen’ had vastgelegd.

Er is nogal wat aan te merken op Riphagen. Dan doel ik niet in beeld verschijnende taferelen die in de jaren veertig nog niet bestonden (een jachthaven met moderne zeilboten, een plastic plaatje aan een gevel). Komisch overigens om op de achtergrond een routewijzer uit 2015 te zien op de Nieuwe Uitleg -dank, Google Streetview-, een in dit geval toepasselijke Haagse straatnaam. Voor wie het nog even wil nakijken, in de trailer schiet deze moderniteit voorbij op 1.59.


Still uit Riphagen, met bordjes uit 2015

Dezelfde Nieuwe Uitleg anno 2015, met dezelfde bordjes

Dat zijn slechts kleine foutjes, die bij niet al scherp kijken bovendien nauwelijks opvallen. Anders wordt het wanneer de geschiedenis een totaal nieuwe invulling krijgt, terwijl er nog steeds het etiketjes ‘echt gebeurd’ aan hangt. Het zal velen niet opvallen, maar de good guy in de film, ene Jan van Liempd, is volledig aan de fantasie ontsproten. Blijkbaar vond Pieter Kuijpers het nodig om de voor veel Nederlandse films noodzakelijk geachte liefdesscènes en de strijd tussen goed en kwaad een niet-bestaand persoon toe te voegen aan zijn rolprent. Helaas is Van Liempd zo dominant aanwezig dat de gemiddelde toeschouwer binnen de kortste keren niet meer kan achterhalen wat wel en niet waar is aan Riphagen. In een enkel interview kwam Kuijpers er overigens wel voor uit dat Van Liempd nooit heeft bestaan, maar dat zal het grote publiek zijn ontgaan.

Louis Einthoven

Er zijn echter genoeg illustraties van andere gebeurtenissen en personen die in de film voor ‘echt’ doorgaan, maar totaal ongeloofwaardig zijn. Een voorbeeld. In Riphagen brengt de secretaris van Louis Einthoven een op 3 april 1945 gedateerde brief van de ‘Secretarie van H.M. de Koningin’ aan huis. Dat gebeurt met een behoorlijk opvallende auto met chauffeur, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is in op dat moment een grotendeels lamgelegd Nederland. Wanneer de buitendeur openzwaait, noemt de bezorger Einthoven al openlijk bij naam. Daarna overhandigt hij de brief, waarin ‘Mr. Einthoven’ nogmaals openlijk wordt genoemd. Er staat één zin in: “Hierbij deel ik U mede dat Mr. Einthoven belast is namens Hare Majesteit de Koningin met het oprichten van het Bureau Nationale Veiligheid (BNV).” De particulier secretaris van de vorstin heeft voor de zekerheid zijn eigen naam ook nog maar even open en bloot op het handgeschepte papier geplaatst. Alsof de bezetting al lang voorbij, vervoer per auto anders dan door nazi’s normaal en transparantie vanzelfsprekend is. Het BNV werd overigens pas een kleine twee maanden later opgericht en Einthoven was in eerste instantie niet de aangewezen man om het bureau te leiden.

Bovenstaande scène duurt niet langer dan een minuut, maar bevat een reeks aan ongeloofwaardige handelingen. Het tekent de film. Louis Einthoven kwam overigens in de maanden na de bevrijding lijnrecht tegenover de verzetsman Wim Sanders te staan, tijdens de laatste oorlogsfase de grondlegger van de Centrale Inlichtingendienst. “Wie is dat?”, vraagt Jan van Liempd op een gegeven moment. “Dat is Wim Sanders”, krijgt hij prompt als antwoord. Met als toevoeging dat Sanders het hoofd is van de CID. Schuilnamen? Daaraan doet Riphagen niet. Illegale activiteiten? Het lijkt wel alsof iedereen ze in oorlogstijd mocht weten.

Gerrit van der Veen wordt dus ook met zijn volle naam geïntroduceerd. Het hoofd van de ondergrondse Persoonsbewijzencentrale lijkt in Riphagen de aanvoerder van een vrolijk feestvierend stelletje avonturiers. Dat de arrestatie van Van der Veen totaal anders in elkaar stak dan de verfilming weergeeft past wel in het hiervoor geschetste plaatje. Wim Sanders die Dries Riphagen persoonlijk naar het buitenland smokkelt; het is op z’n zachtst gezegd onwaarschijnlijk. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Toen ik Riphagen in de bioscoop zag, viel me op dat sommige toeschouwers aangedaan de zaal verlieten. Ze waren getroffen door het realiteitsgehalte van de film. “Erg hè”, voegde een kennis me toe. Ik kon het alleen maar bevestigen, zij het om andere redenen dan hij vermoedde. Riphagen bevat iets meer feiten dan die andere oorlogsfilm, Zwartboek. Het blijft echter grotendeels fictie. En dat is vooral vervelend voor de mensen die op basis van de voorpubliciteit dachten oorlogsfeiten gepresenteerd te krijgen.

In dit geval geldt dat het boek veel beter is. Maar vooral een stuk waarheidsgetrouwer.

De dubbelrol van Dries Riphagen

Een van de grootste Nederlandse oorlogsmisdadigers was, tot zijn levensverhaal werd verfilmd, tevens een van de onbekendste. De Amsterdammer Bernardus Andreas (‘Dries’) Riphagen (7-9-1909) ontwikkelde zich tot een door antisemitisme en geldhonger gedreven souteneur, die de dood van minstens tweehonderd mensen op zijn geweten had. Een van zijn slachtoffers was de Zaandammer Jan van Lienen.
Het verhaal van een moord die de film niet haalde.

riphagen-film

De jonge Dries Riphagen is al in de jaren dertig lid van de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP), een buitengewoon antisemistische partij die Nederland wil omvormen tot een Duitse provincie. Hij combineert zijn nazi-ideaal met zijn werk als pooier, gokker en zwarthandelaar. Zijn rol in de onderwereld groeit in de vooroorlogse jaren in rap tempo en is op een gegeven moment zo groot dat Riphagen bekendheid krijgt als ‘Al Capone’. De bezetting van Nederland komt voor hem als geroepen. Door als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst te gaan werken, weet hij zijn inkomen verder te vergroten. Hij drukt geld, sieraden en andere kostbaarheden achterover bij invallen in joodse huizen. De oorspronkelijke eigenaars worden vervolgens door hem en zijn kameraden overgedragen aan de nazi’s. Met tal van onderwereldfiguren exploiteert hij verder clandestiene gokhuizen en houdt hij er een zwarte handel in deviezen, diamanten en goud op na.

Het gaat Riphagen voor de wind. Het judenrein maken van Nederland en zijn criminele aktiviteiten leveren hem een dik belegde boterham op. Door zijn contacten met hooggeplaatste nazi’s houdt hij zichzelf, bevriende zwarthandelaren en andere misdadigers uit de wind. Dat blijkt bijvoorbeeld begin 1944. Het Devisenschutzkommando (DSK) maakt jacht op zwarthandelaren, maar vist regelmatig achter het net. Wanneer er in januari 1944 een anonieme brief op het DSK-kantoor arriveert waarin de dagelijkse routine in het clandestiene Amsterdamse gokparadijs Rijswijk wordt beschreven, aangevuld met een namenlijst van de dertig belangrijkste zwarthandelaren in dat café, schakelt de DSK Riphagen in. Hij krijgt opdracht vast te stellen wat het beste tijdstip is voor een razzia. Opnieuw bewijst Al Capone een dubbele agenda te hanteren. Hij prikt als ideale datum voor de inval maandag 14 februari en haalt even voor de razzia plaatsvindt vier criminele maatjes weg uit café Rijswijk: Gerrit Verbeek, diens medewerker Folkert van den Berg, ‘Manke Toon’ Kuijper en Harry Rond. Verbeek heeft dubbel geluk. De Zaandammer Jan van Lienen, zijn grootste concurrent als bookmaker, wordt wel gearresteerd. Verbeek en Van Lienen kennen elkaar al vele jaren, zijn zelfs bevriend geweest. Maar toen Van Lienen eind jaren dertig in navolging van Verbeek bookmaker werd bij de Belgische paardenraces kwam het eind van de kameraadschap snel in zicht.

riphagen

Bookmaker
Na zijn aanhouding wordt Van Lienen naar het DSK-kantoor aan de Keizersgracht gebracht. De aan Riphagen schatplichtige Toon Kuijper en Harry Rond worden vervolgens bij hem in de cel geplaatst. Ze zijn zogenaamd eveneens gearresteerd, maar in werkelijkheid is het hun taak uit te vissen of er bij Van Lienen nog iets te halen valt. De bookmaker vertrouwt de twee en na hun vraag of ze iets voor hem kunnen doen, geeft Van Lienen het duo een briefje met instructies voor zijn vrouw Elisabeth. Maar zodra Kuijper en Rond uit hun cel ‘mogen’, spelen ze de boodschap door aan Riphagen.

‘Al Capone’ onderneemt meteen actie. Hij reist naar Zaandam, naar de bovenwoning van het echtpaar Van Lienen aan de Westzijde 77a (al dan niet toevallig ook het huis waar de nazigezinde politiecommissaris Willem Ragut woont, tot aan het moment dat hij -op 21 juni 1944- op enkele tientallen meters van zijn huis door de verzetsstrijders Hannie Schaft en Jan Bonekamp wordt doodgeschoten). Na de oorlog zal Bets van Lienen in een proces-verbaal verklaren dat haar man de veertiende februari om 11.30 uur ‘voor zaken’ de woning heeft verlaten, maar daar niet terugkeert. Dezelfde dag belt Dries Riphagen bij haar aan. Het is inmiddels 20.00 uur. Hij presenteert zich als een vriend van Jan van Lienen. Bets: “Hij zeide: ‘Ik ben André en kan ik u even spreken, want uw man is gearresteerd.’ Hij gaf mij een briefje waarop met potlood geschreven stond: ‘Bets, ik ben gearresteerd. Doe alles de deur uit. Revolver ligt in dressoir bij het lichtje, doe radiotoestellen de deur uit; alles de deur uit. Laat Koos [een compagnon, E.S.] helpen.'”

Bets pakt het in de brief genoemde wapen uit het kastje en overhandigt het aan Riphagen. “Hij zeide: ‘Die gooi ik aanstonds in de Zaan.’ Ik vertrouwde deze André volkomen in verband met het briefje. ‘En nu de radiotoestellen’, zeide hij. Wij braken de grond bij mij open en haalden daar de twee radiotoestellen uit.” Dat is het teken voor twee Duitsers in uniform om de woning binnen te stappen. “Zij dreigden ons met een revolver, en André fouilleerde Koos.” De inval is daarmee nog niet ten einde. Het huis wordt doorzocht, de brandkast geleegd en Bets van Lienen moet ook nog de plek aanwijzen waar haar echtgenoot zijn spaargeld heeft verborgen. “Het was in de straat naast ons huis verstopt. Zover ik mij herinner was dit een bedrag van ongeveer vijfduizend gulden.”

Gross-Rosen
Bets en Koos worden vervolgens afgevoerd naar het DSK-bureau in de hoofdstad. Zij wordt elf weken opgesloten in achtereenvolgens de gevangenis aan de Amstelveenseweg en het strafkamp in Vught, hij wordt drie maanden vastgezet in de Amersfoortse gevangenis. “Ik heb geen nadelige gevolgen van die gevangenschap ondervonden. Maar wel zijn van mij zeven gouden tientjes, een vijftig-dollarbiljet en een radiotoestel in beslag genomen, en wel door Riphagen”, vertelt Koos na de bevrijding. Voor Bets en Jan van Lienen is het leed groter. Bets merkt na haar vrijlating dat haar huis is geplunderd en vervolgens gevorderd door een NSB’er. Erger nog is dat haar man niet terugkomt uit gevangenschap. Jan van Lienen wordt in september 1944 gedeporteerd naar Duitsland en belandt via verschillende concentratiekampen in het Poolse Gross-Rosen. Daar bezwijkt hij aan longontsteking en uitputting.

Pas eind jaren tachtig maakt de Nederlandse Justitie serieus jacht op Riphagen. Die is echter al in 1946 met hulp van het Bureau Nationale Veiligheid uitgeweken naar achtereenvolgens Spanje en Argentinië, waar hij nauwe banden weet aan te knopen met dictator Juan Perón. Vanuit Argentinië reist Riphagen vrolijk de wereld rond. In 1973 overlijdt hij in Zwitserland, in een kliniek te Montreux, ongestraft en onontdekt. De zoektocht van Justitie is minimaal vijftien jaar te laat begonnen.