Berichten

Elly Premsela: opgepakt in de Botenmakersstraat

In de begin 2008 verschenen biografie over de bekende vormgever, binnenhuisarchitect, kunstenaar en homo-emancipator Benno Premsela (1920-1997) komt de dood van diens zus in Auschwitz slechts summier ter sprake. Elly Premsela werd eind 1943 opgepakt in haar schuilplaats aan de Zaandamse Botenmakersstraat, met noodlottige gevolgen. Wie was deze verplegende kunstenares? 

Elly Premsela komt op 29 oktober 1914 ter wereld in Assendelft. Ze is de dochter van Rosalie de Boers en de joodse huisarts Benedictus Premsela. Haar vader krijgt later bekendheid als de seksuoloog die in de jaren dertig voor de VARA-radio een taboedoorbrekende serie lezingen houdt over seksualiteit. Benedictus Premsela opent verder in 1931 het eerste Nederlandse consultatiebureau voor geboortebeperking en seksuele problemen. Benno, geboren nadat de familie Premsela in 1918 Assendelft verlaat, karakteriseert later het gezin waarin hij, zijn broer Robert (‘Boet’) en Elly opgroeien als ‘progressief, socialistisch’ en ‘taboeloos’.

Net als Benno volgt Elly na het middelbaar onderwijs de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam. Deze op de Bauhaus-beweging geïnspireerde onderwijsinstelling herbergt veel uit nazi-Duitsland gevluchte kunstenaars. Elly ontwikkelt zich er tot een talentvol beeldhouwster en tekenares. Daarnaast volgt zij een opleiding tot verpleegster.

In mei 1940 wonen alle drie de kinderen Premsela nog bij hun ouders in Amsterdam. Hun vader mag vanaf 1941 alleen nog joodse patiënten verplegen. Omdat in zijn praktijk vooral niet-joden worden behandeld, is hij van de ene dag op de andere zo goed als werkloos. Benno specialiseert zich rond die tijd noodgedwongen in het maken van tassen, Elly wordt schoonheidsspecialiste. Ook zij -kunstenaars- mogen hun eigenlijke professie niet langer uitoefenen.

De Premsela’s zijn desondanks ‘bevoorrecht’ ten opzichte van veel andere joden. Omdat Benedictus Premsela wordt gezien als een vooraanstaande jood, kan hij met zijn gezin een plek krijgen op de zogenaamde Barneveld-lijst. Deze lijst biedt een zekere vorm van bescherming tegen de reis naar de vernietigingskampen. Principieel als de Premsela’s zijn, weigeren ze deze vorm van ‘samenwerking’ met de bezetter. Het gezin duikt in plaats daarvan onder, op verschillende plaatsen. Elly trouwt overigens in deze moeilijke periode nog wel met de eveneens joodse journalist Max Wessel (4-8-1916) uit Amsterdam.

Ondanks hun schuilplaats worden vader en moeder Premsela in april 1943 gearresteerd. Ze belanden in Theresienstadt en vervolgens Auschwitz, waar ze in respectievelijk september en oktober 1944 worden vermoord. Elly komt -naar alle waarschijnlijkheid samen met Max- terecht in de regio die ze een kwart eeuw eerder met haar ouders verliet, de Zaanstreek. Ze kan onderdak krijgen op de Zaandamse Botenmakersstraat 82. Op dat adres wonen Marcus Plooijer en zijn echtgenote Johanna Dooves met hun dochter Guurtje (‘Uut’). De progressief denkende Elly moet zich hebben thuisgevoeld bij het sociaal-democratische gezin Plooijer, bij wie ze de achterkamer op de bovenverdieping mag gebruiken.

Verraad

In de Zaandamse Havenbuurt woont eind 1943 Fransje de Munck-Siffels. Ze is getrouwd met een communistische man die tijdens de Spaanse burgeroorlog heeft gevochten tegen de fascistische troepen van generaal Franco. Hij krijgt financiële steun van het CPN-solidariteitsfonds en onderhoudt contacten met gelijkgestemden. Een ruzie met haar man over al dan niet vermeende ontrouw is voor Fransje de Munck reden om op hoge poten naar de Amsterdamse Sicherheitsdienst te stappen. Uit wraak geeft ze daar de namen door van een aantal Zaankanters die volgens haar communistische sympathieën hebben. Het is koren op de molen van de nazi’s. In de nacht van 22 op 23 november 1943 rijdt de SD met de nieuw verworven informatiebron door Zaandam en laat haar de adressen aanwijzen waar linkse activisten zouden wonen. Een arrestatiegolf is het gevolg. Diverse verzetsmensen verdwijnen in de cel. Uit het oorlogsdagboek van de Zaanse verzetsman Mijndert van der Horst: “Wie worden er verder gearresteerd? G. Bakker, P.J. van Breemen, R. van Briemen, A. Huisman, J. Stolp, J. Willemszoon, H. de Vries, C. Zwart, M. Plooier en mevr. J. Plooier-Dooves. Een ondergedoken Joods meisje, Premsela, wordt ook meegenomen.”

Elly Premsela -want zij is het genoemde ‘meisje’ van inmiddels 29 jaar oud- vlucht, waarschijnlijk samen met echtgenoot Max, via de achtertuin van Botenmakersstraat 82 voor de razzia. Ze rent door een aantal buurttuinen, gaat richting de Vaart en slaat dan rechtsaf, naar de weilanden die dan nog achter de enkele honderden meters verder gelegen Westzijderkerk liggen. Dan realiseert ze zich dat ze haar tas met papieren op haar schuiladres heeft laten liggen. Ze keert terug en wordt alsnog opgepakt, samen met haar onderdakgevers. Die komen na enkele weken vrij. Voor Elly Premsela en Max Wessel wacht echter het transport naar de gevangenis en vervolgens kamp Westerbork. Ze arriveren daar op 9 december 1943 als ‘strafgevallen’.

Omdat er in het kamp een epidemie van besmettelijke ziekten als kinderverlamming, difterie, roodvonk en geelzucht heerst, gaan er rond deze tijd geen transporten naar de vernietigingskampen in het oosten. Ieder contact met de buitenwereld is voor even taboe. In januari 1944 komt het wegvoeren van de joodse gevangenen echter weer op gang. Elly en Max krijgen een plek op de transportlijst van 25 januari, maar worden daar op het laatste moment vanaf gehaald. Het uitstel duurt slechts kort. Op 8 februari 1944 volgt er een nieuw transport. De gevangen zittende joodse verslaggever Philip Mechanicus meldt daarover in zijn illegale dagboek: “”Misschien wel het beestachtigste transport van alle transporten, die er zijn gegaan. Men raakt door de veelheid, de grofheid, de beestachtigheid het zicht erop kwijt, maar dit transport spande toch wel de kroon wat gebrek aan consideratie voor de zieken. Nog voor het transport vertrokken was, was er reeds een zieke overleden.”

De kans bestaat dat Elly aan dit als ziekendeportatie beoogde transport wordt toegevoegd vanwege haar verpleegsterservaring. Wellicht moet ze de 268 zieken in de veewagens (overigens aangevuld met 747 mensen die niet in de ziekenboeg verblijven) bijstaan. Max probeert nog aan transport te ontkomen door een kniekwaal te simuleren. Zijn pogingen zijn echter tevergeefs; ook hij krijgt een plek in de trein. Drie dagen duurt de reis naar Polen, in beestachtige weersomstandigheden. Onmiddellijk na aankomst in Auschwitz, op 11 februari 1944, worden Elly Premsela en Max Wessel de gaskamer ingeleid.

 

Elly Premsela in museaal en literair gezelschap op het balkon van Arthur van Schendels woning in het Italiaanse Sestri Levante, 1937. V.l.n.r. Kennie van Schendel, Ant ter Braak, Ary Bob de Vries, Elly Premsela, Menno ter Braak, Carmen Zolessi, Arthur van Schendel, Aty Greshoff en Annie van Schendel