Berichten

Hoe bruin was Bruynzeel?

Over de houtleveranties van de firma Bruynzeel aan kamp Westerbork, op een tijdstip dat de jodendeportaties in volle gang waren, berichtte ik al eens. De Zaandamse productie voor dit Durchgangslager, van waar tienduizenden mensen werden doorgezonden naar Auschwitz en Sobibor, was tot dan een goed bewaard geheim. Al even verborgen waren tot op heden de andere ‘bruine’ handelingen die de firma Bruynzeel voor haar rekening nam. Die betroffen met name vele leveranties aan de Duitse Weermacht.

In Zaandam ligt al een aantal jaren de Cornelis Bruijnzeelweg. Het is een eerbetoon aan de grondlegger van de deuren-, keuken- en vloerenfabriek. Cornelis sr. (1875-1956) bouwde het bedrijf in Zaandam uit tot een succesvolle marktleider op houtgebied. Zo werd de door Piet Zwart ontworpen Bruynzeelkeuken een internationale bestseller en kwamen rond 1940 vier van elke vijf deuren in Nederland uit de Bruynzeelfabriek. Ook binnen Europa was Bruynzeel de grootste deurenproducent.

In 1936 droeg Cornelis sr. de directie over aan zijn zoons Cornelis jr. (1900-1980) en Willem (1901-1978). De eerste was al sinds 1920 directeur van de deurendivisie, de tweede beheerde onder meer de schaverij en vloerenfabriek. Hun vader bleef overigens nauw betrokken bij het bedrijf; hij werd commissaris.

Bruynzeelweg

Encyclopedie

Over de oorlogshandelingen van Bruynzeel zijn nauwelijks gegevens beschikbaar. Boeken over de geschiedenis van het bedrijf zijn zeldzaam. Toepasselijke websites bevatten slechts weinig gegevens aangaande Bruynzeel gedurende de periode 1940-1945. Het bedrijf schetst op de eigen website een beeld waaruit moet blijken dat de Zaanse onderneming vooral bezettingsslachtoffer was (“Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en vallen de activiteiten van het bedrijf stil. Om toch te kunnen overleven wordt de fabriek gebruikt om houten speelgoed, banden en klompen te maken.”) Verwijzend naar het boek Vijftig jaar Bruynzeel, 1897-1947 herhaalt de auteur van het Jaarboek Monumentenzorg deze zienswijze (“In 1940 legde de Tweede Wereldoorlog de bouwnijverheid vrijwel lam, waardoor Bruynzeel’s Deurenfabriek een moeilijke periode doormaakte en op andere producten overschakelde.“) Er lijkt zelfs sprake van verzet tegen de heersende nationaalsocialisten: “Door vooruitziende blik van Bruynzeel was een grote voorraad triplex aangelegd en besloten tot de productie van houten zeilboten (Valken) en speelgoed; dit had ook tot doel om personeel uit de oorlogsindustrie te houden.” De Encyclopedie van de Zaanstreek wijdt eveneens ontlastende zinnen aan deze periode: “Om te voorkomen (zonder opdrachten van de Duitse Wehrmacht te accepteren) dat werknemers en machines naar Duitsland zouden worden afgevoerd, werden naast meubelen (ledikanten, kasten, stoelen en schrijfbureaus) 10.000 hooikisten en 110.000 houten rijwielbanden vervaardigd, en in het laatste oorlogsjaar werd houten speelgoed (haven- en dierenattributen, legpuzzels) gemaakt en werden klompen verzoold.”

De werkelijkheid, zoals vastgelegd in naoorlogse strafdossiers, is een stuk genuanceerder.

Justitieel onderzoek

Tijdens de bezetting van Nederland brak er al snel een nieuwe bloeiperiode aan voor Bruynzeel. Op 1 mei 1940 had Bruynzeel 249 werknemers. Halverwege 1943 was dat aantal opgelopen tot 527, ondanks een opvoering van het aantal wekelijkse arbeidsuren van 40 naar 52. Er was dus blijkbaar genoeg werk te verrichten. En zelfs in maart 1945, toen het tekort aan grondstoffen enorm was, stonden er bij Bruynzeel nog 404 arbeiders op de loonlijst.

Toen er in 1947 justitieel onderzoek werd gedaan naar mogelijk strafbare handelingen gedurende de oorlogstijd werden er veel Bruynzeelwerknemers opgeroepen voor een getuigenverhoor. Uit hun verhalen rijst een redelijk eenduidig beeld op: met name in de jaren 1940-1942 aasde Bruynzeel op werkzaamheden voor de nationaalsocialisten. Zo verklaarde vertegenwoordiger Joannes Haan: “Omtrent de inslag van de firma Bruynzeel kan ik u zeggen dat deze gedurende de jaren 1940-1941 wel zuiver commercieel was en de verkoop nog wel op het hoogste plan stond. Hierdoor is wel -en vooral in 1940 en 1941- over het hoofd gezien dat er ook Bruynzeelartikelen geleverd zijn ten behoeve van de Duitse Weermacht. Aan ons, vertegenwoordigers, is van de zijde van de directie nimmer schriftelijke of mondelinge instructie gegeven om deze Weermachtsorders te ontwijken.” Zijn collega Gerard Markslag sloot zich daar bij aan: “Van alle orders die dienden voor de Duitse Weermacht waarvan mij de bestemming bekend was, was het aan de directie van de Bruynzeelfabrieken bekend waarvoor zij waren bestemd. (…) De inslag van de Bruynzeelfabrieken was voor de oorlog zuiver commercieel en dat is ook gedurende 1940 en 1941 een blijvend devies gebleven.” Aannemer Harm Fokkens, die in 1941 en 1942 voor Duitse instanties werkte, haalde bij Bruynzeel zijn deuren en schaverijprodukten voor de te bouwen Weermachtbarakken op vliegveld Loosdrecht. Volgens Fokkens moet zijn leverancier op de hoogte zijn geweest van de bestemming.

Een andere aannemer, Bernard Bruil, bouwde eveneens barakken voor de Weermacht. “Op een zeker moment wendde zich de vertegenwoordiger van Bruynzeel’s Vloerenfabriek tot onze firma, met het verzoek of er in bedoelde barakken geen zogenoemde riftvloeren konden worden gelegd. Daar dit ons echter niet was opgedragen, gingen wij op dit verzoek niet in, om reden dat riftvloeren duurder zijn dan vloeren van vurenhout. De vertegenwoordigers van de vloerenfabriek hebben zich hierop tot de betreffende Bauleitung gewend en met deze besprekingen daaromtrent gevoerd, met het resultaat dat de opdracht van de Bauleitung aan onze firma in die zin werd veranderd dat wij in de betreffende barakken riftvloeren moesten plaatsen.” Dat gebeurde begin 1941. Bruil: “Ik wil nog opmerken dat de vertegenwoordigers van de Bruynzeelfabrieken, zowel van de vloerenfabriek als van de deurenfabriek en schaverij, er over het algemeen op uit waren om te leveren, ook al was het hun bekend dat de uit te voeren werken bestemd waren ten behoeve van de Duitse Weermacht. Deze bereidheid tot leveren heeft geduurd tot einde 1944.”

Soldatenheim

De Bruynzeelverkopen bleven niet beperkt tot het inrichten van barakken. In de archiefstukken zijn leveranties terug te vinden van duizenden vierkante meters aan parketvloeren voor onder meer het Soldatenheim en Huis ter Heide in Soesterberg , beiden in beheer bij de Weermacht. Gerard Markslag: “Er is mij van de zijde van de firma Bruynzeel nimmer een aanmaning gegeven tot het opzoeken van orders ten behoeve van de Duitse Weermacht, echter heeft de firma Bruynzeel mij ook nimmer er op gewezen dat ik het accepteren van orders ten behoeve van de Duitse Weermacht diende te ontwijken.”

Onder meer de militaire vliegvelden in Teuge, Loosdrecht en Deelen, alsmede de kampen Laren en Wezep werden voorzien van Zaandams hout. Bruynzeelvertegenwoordiger Everardus van Sante noemde in 1947 nog wat afnemers op: “Op aansporing van de hoofdvertegenwoordiger Van Pelt, die optrad namens de directie, is door mij gepoogd de orders voor het vliegveld Schiphol af te sluiten. Ik kan verklaren dat dit in geen geval op mijn eigen initiatief is gebeurd. Het gevolg is geweest dat ik orders voor parketvloeren heb afgesloten ten behoeve van dagverblijven en recreatiezalen voor Duitse officieren voor het vliegveld Schiphol, vlieghaven Schellingwoude en een Duits Heim voor officieren te Harderwijk. Het totaal aantal vierkante meters vloeren voor deze objecten schat ik op ongeveer 2.500. Deze leveringen zijn geheel vrijwillig tot stand gekomen en van enige dwang van Duitse zijde is mij niets bekend.”

Titia Bruijnzeel-Verkade

In 1947 werden de in Zaandam woonachtige adjunct-directeuren Cornelis Jan Giessen en Aart Schipper onderworpen aan een onderzoek. Ook de gebroeders Bruijnzeel stonden onder verdenking. Het Bijzonder Gerechtshof wilde weten of ze zich beroepsmatig schuldig hadden gemaakt aan collaboratie. Cornelis Bruijnzeel sr. bleef buiten beschouwing. Zowel hij als zijn zoon Willem stonden overigens niet bekend als aanhangers van het Duizendjarig Rijk. De rechercheurs Brunekreef en Van Noort schreven al op 25 mei 1945 in een rapport: “De oude heer B. is niet pro-Duits, maar was wel anti-Engels, doch van mening dat een zakenman zich niet met politiek moest bemoeien.” Willem was volgens hen ‘altijd volkomen anti-Duits en pro-Nederlands.’ Dat lag anders voor Cornelis jr. “De heer C. Bruynzeel was enigszins pro-Duits en niet opgewassen tegen de exotische neigingen van zijn echtgenote”, aldus de twee politiemannen.

Die echtgenote heette Titia Bruijnzeel-Verkade (Zaandam, 1898). Ze was een dochter van Ericus Gerhardus Verkade, een telg uit de beroemde koek- en chocolademakersfamilie. In september 1940 werd Titia lid van het Nationaal Front. Deze fascistische politieke organisatie stond onder leiding van Arnold Meijer. De partij was antisemitischer dan de NSB, maar meer gecharmeerd van Mussolini dan van Hitler. Toen Meijer als onderdeel van zijn organisatie in april 1941 een Nationaal Vrouwenfront stichtte, benoemde hij Titia Bruijnzeel tot landelijk leidster. Ze haalde de landelijke dagbladen met haar benoeming en verklaarde toen vastbesloten te zijn om ‘de specifieke vrouwelijke eigenschappen en krachten tot uitdrukking te brengen’ ten bate van ‘de volkse gemeenschap’. Lang duurde haar leiderschap niet. Na een half jaar verbood de bezetter het Nationaal Front en koos ze definitief de NSB als partner. Titia Bruijnzeel was op slag functie- en partijloos. De eerdergenoemde rechercheurs Brunekreef en Van Noort concludeerden nadien dat ze desondanks ‘de eerste tijd haar pro-Duitse houding’ handhaafde. “Een van haar zoons ging naar Duitsland naar een speciale Holzschule en ook op andere manieren bleek dat zij haar evenwicht nog niet gevonden had.” Het zou haar na de oorlog allemaal niet zwaar worden aangerekend. In december 1947 seponeerde de officier-fiscaal de lopende zaak tegen Titia Bruijnzeel.

bruynzeel-verkade cor bruynzeel
                 Titia Bruijnzeel-Verkade (1941)       Cornelis Bruijnzeel jr. (ongeveer 1938)

Politieke Recherche

De naoorlogse Politieke Rechercheafdeling concludeerde eveneens in 1947 ‘dat de dagrapporten van de vertegenwoordigers [van Bruynzeel] aantonen dat men in het geheel niet afwijzend stond’ tegenover leveringen aan de Weermacht.’ “Achteraf gezien geef ik toe dat ik door deze manier van handelen arbeidskrachten in Duitsland heb vrijgemaakt, die daardoor rechtstreeks in het oorlogsapparaat konden worden ingeschakeld”, zou adjunct-directeur Aart Schipper na de bevrijding in een verhoor toegeven. “Het is niet te ontkennen dat door het werken van Bruynzeel’s Deurenfabriek aan de indirecte Weermachtsleveranties en het uitvoeren van de Verlagerungsauftrage aan de vijand in deze Duitsland hulp is verleend. Deze handelingen zijn in zoverre vrijwillig geschied dat ons bedrijf niet regelrecht is gedwongen met maatregelen van geweld door de Duitse bezetter.”

Het duurde tot de tweede oorlogshelft voordat de Bruynzeeldirectie regelmatig Duitse leveringsverzoeken negeerde. Zo wees het bedrijf de productie van kastjes voor militairen af, ook al betekende dat een winst van mogelijk een miljoen gulden. Ook was er weinig enthousiasme toen de nazi’s onderzochten of er bij Bruynzeel vliegtuigonderdelen konden worden geproduceerd. Omdat de beoogde hal niet geschikt bleek, ging de klus niet naar Zaandam.

Hoewel de onderzoeken uitwezen dat alleen al de deurenfabriek op een totale oorlogsomzet van 16 miljoen gulden ‘een collaboratie van 3 miljoen of plusminus 19%’ binnenhaalde, bleef vervolging van de verantwoordelijken uit. De procureur-generaal bij het Bijzonder Gerechtshof verklaarde de verdenkingen tegen de vier directieleden ongegrond. De leveranties aan kamp Westerbork in 1944 liet hij bij zijn beoordeling overigens buiten beschouwing.

Het was inmiddels eind 1947. Bruynzeel was hard nodig bij de wederopbouw van Nederland.

1936. Cornelis Bruynzeel keert na een zeilrace terug in de haven van Zaandam. Let op de hakenkruisvlag in de mast. Zie ook dit filmpje.