Berichten

Gevluchte oorlogsmisdadiger leverde gastarbeiders voor Zaanse wapenfabriek

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevond zich op het Hembrugterrein een van de grootste en belangrijkste Zaanse verzetshaarden. Zowel tientallen werknemers als de directeur waagden daar hun leven in de strijd tegen het nazisme. Desondanks ging deze wapen- en munitiefabriek begin jaren ’70 in zee met de tot levenslang veroordeelde, maar naar Spanje gevluchte oorlogsmisdadiger Auke Pattist.

Auke Pattist in SS-uniform, jaren ’40

Douwe Soepboer, Frans den Hollander, Sjef Swolfs; het zijn maar drie van de talloze medewerkers op het Hembrugterrein die tussen 1940 en 1945 in opstand kwamen tegen de Nieuwe Orde. Terreinbewaker Soepboer en directeur Den Hollander overleefden met het nodige geluk de bezettingsjaren, laborant Swolfs stierf voor het vuurpeloton. Dat lot was na de oorlog ook hun tegenstander Auke Bert Pattist (Bilthoven, 9-10-1920) toebedeeld, als het aan de openbaar aanklager had gelegen. “Over ’t algemeen ben ik geneigd in zaken van voortvluchtige delinquenten een levenslange hechtenis te vragen”, sprak procureur-fiscaal J.E. de Ranitz in september 1948. “Ook houd ik mij het liefst verre van een ingrijpende straf als de doodstraf. In deze zaak zie ik evenwel geen andere mogelijkheid dan het Hof te verzoeken deze verdachte tot de doodstraf te veroordelen.” Het Bijzonder Gerechtshof besloot Auke Pattist een levenslange celstraf te geven.

Dat het zover niet kwam, had te maken met Pattists ontsnapping uit gevangenschap. Bij een bezoek aan de tandarts sloeg hij op de vlucht en wist uiteindelijk, via Duitsland en Frankrijk, in 1951 Spanje te bereiken. Onder het fascistische Franco-bewind verkreeg hij de Spaanse nationaliteit. Nederlandse uitleveringsverzoeken haalden niets uit; tot zijn dood bleef Pattist in Spanje.

‘Klappen’

Dat Pattist geen kleine oorlogsmisdadiger was, blijkt uit oude krantenverslagen en zijn strafdossier bij het Nationaal Archief. Onder invloed van zijn NSB-vader en -moeder bezocht Pattist na zijn middelbare school het door de Duitsers opgerichte nationaalsocialistische politie-instituut Schalkhaar. In 1942 behaalde hij zijn diploma en vertrok naar Amsterdam. Zijn politie-eenheid hield zich daar bezig met het oppakken van duizenden joden.

Auke Pattist als tiener met zijn ouders

In oktober 1943 trad Pattist toe tot de Waffen-SS, het jaar daarop bevond hij zich met tachtig rekruten in Hollandscheveld. Zijn verblijf in die Drentse plaats zou hem de titel ‘Beul van Hollandscheveld’ opleveren. Hij joeg met zijn collega’s fanatiek op joden en verzetsmensen en maakte zich schuldig aan martelingen. “Ik kan en wil niet ontkennen dat er zich te Hollandscheveld door ons heel wat heeft afgespeeld wat onmenselijk was”, zou Pattist na de oorlog verklaren. “Tijdens de verhoren werden de arrestanten mishandeld door hen met de vlakke hand in het gezicht te slaan ofwel met de steel van een granaat te slaan. Ook is het voorgekomen dat de arrestanten door slagen met een karwats in het gezicht tot een bekentenis werden gedwongen.” Er waren geen alternatieven, meende de ‘beul’. “In een oorlog vallen nu eenmaal klappen. Ik had de opdracht om zoveel mogelijk tegenstanders van ons systeem uit de weg te ruimen”, verweerde Pattist zich in 1979 tijdens een zeldzaam tv-interview.

Pattist als Untersturmführer

Artillerie-Inrichtingen

In het Spaanse Oviedo werd Pattist directeur van een vertaalbureau. De Hoogeveense amateur-historicus Albert Metselaar spoorde hem daar op en begon in de jaren ’90 een briefwisseling met de man die hoog stond op de lijst met gezochte oorlogscriminelen. Daarbij kwam onder meer het werk ter sprake dat Pattist had verricht voor het in Zaandam gevestigde Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen (A.I.), het latere Eurometaal en in de volksmond Hembrug geheten. “In ’72 of ’73 vroeg een vakantiekennis, toentertijd onderdirecteur van Hembrug, mij of ik gastarbeiders wist voor zijn fabriek”, schreef Pattist aan Metselaar. “Ik plaatste een advertentie in een provinciale krant en de volgende dag stonden er ongeveer 300 mensen voor mijn deur. Na een uur kreeg ik bezoek van een politie-inspecteur, die proces-verbaal opmaakte omdat de Spaanse staat het monopolie had op het uitzenden van gastarbeiders. Ik kreeg een boete van 2000 gulden en heb toen direct Hembrug gebeld.”

De weduwe van de ‘vakantiekennis’, C. de Rochemont, bevestigde desgevraagd het contact. Volgens Pattist werd de boete dankzij de Nederlandse ambassade teruggebracht tot 200 gulden. Een delegatie van drie medewerkers van de Artillerie-Inrichtingen en een ambassade-attaché zouden Pattist enkele weken later thuis hebben bezocht. “Daar hebben we samen met een gedelegeerde van de Spaanse immigratiedienst drie dagen lang gastarbeiders gekeurd en samen gegeten, geborreld en gekletst. Die boete van 200 gulden werd door Hembrug als bedrijfskosten opgevoerd”, aldus de veroordeelde oorlogsdelinquent. “De namen van de heren herinner ik me helaas niet meer. Voor mij was het gewoon een vertaalklus. Twee jaar later kwamen ze nog eens terug voor zaken met een wapenfabriek in Asturias. Hembrug was inmiddels opgeslokt door Eurometaal.” Vier jaar daarna had hij in Oviedo contact met twee voormalige A.I.ingenieurs. “Samen met twee Duitsers van Dynamit-Nobel en de voormalige Waffen-SS-kolonel Otto Skorzeny hebben we samengewerkt in verband met een verdrag met een Spaanse kanonnenfabriek. En dit alles onder mijn eigen naam en adres.”

Van Mierlo

Minister Van Mierlo bevestigde in 1995 na vragen van GroenLinks de werving van A.I.-arbeiders en de attachébemiddeling over de opgelegde boete. Volgens hem vond een en ander al plaats in 1970. De inspanningen van de Artillerie-Inrichtingen, Eurometaal en rijksoverheid zijn des te merkwaardiger, omdat Auke Pattist bekendstond als nationaalsocialist. Tot aan zijn dood maakte hij geen geheim van zijn nog altijd levende liefde voor het nazisme. Zijn naoorlogse proces had de dagbladen gehaald. En in het logo van zijn vertaalbureau prijkte een nazistisch runenteken.

Het logo van Pattists vertaalbureau

De gang van zaken roept de vraag op of de betrokkenen destijds ziende blind waren, simpelweg omdat hen dat beter uitkwam. Hoe dan ook, Pattist kon zijn werkzaamheden ongestoord uitvoeren en wist ondanks uitleveringsverzoeken uit handen te blijven van de Nederlandse rechters. Nadat de Spaanse rechtbank in 1983 een stokje stak voor zijn uitlevering poseerde Pattist triomfantelijk voor de camera, een glas champagne in de hand. Het duurde tot maart 2001 voor hij in zijn nieuwe thuisland overleed, 80 jaar oud.

Pattist proost op het mislukken van zijn uitlevering, 1983

Hier een Brandpunt-documentaire uit 1994 over Auke Pattist.

Douwe Soepboer: vergeten verzetsgrootheid

In de verslaglegging over de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog komt de naam Douwe Soepboer regelmatig voor, maar alleen in relatie tot het opblazen van het Zaandamse Arbeidsbureau. Soepboers verzetsrol beperken tot die ene spektakeldaad doet hem echter ernstig tekort.

De succesvolle actie, in de nacht van 20 op 21 mei 1943, om het Zaandamse Arbeidsbureau te vernietigen – en daarmee de administratie die de Duitsers nodig hadden voor de Arbeitseinsatz -, is al vaker beschreven. Soepboer (1903) was onmisbaar bij deze sabotage. Minder bekend is dat dit bewakingshoofd van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen al vanaf mei 1940 illegale werkzaamheden ontplooide en een uiterst belangrijke schakel was binnen het Zaanse verzet.

Kort na de aanslag op het Arbeidsbureau kreeg de Sicherheitsdienst belangstelling voor Soepboer. Die dook daarop onder. Hij vond onder meer een schuilplaats bij de ouders van de latere premier Barend Biesheuvel, even buiten Zaandam.

In juli 1944 ging het echter alsnog mis. Toen Douwe Soepboer de 13de met medestrijder Wim Stolp ’s avonds Hoofddorp verliet om het distributiekantoor van Doesburg te beroven, reden ze een controlefuik van de Grüne Polizei binnen. Stolp gaf gas en passeerde zonder schade de controlepost, maar vloog even later wel uit de bocht en tegen een boom. Douwe Soepboer brak daarbij zijn been op drie plaatsen, had een ribfractuur en liep een hersenschudding op. Hij werd gevangen genomen door de Sicherheitsdienst. De Zaandammer had het geluk dat de directeur van de Artillerie-Inrichtingen, Frans Q. den Hollander, zijn werknemer uit Duitse handen wist te praten. Op 17 augustus 1944 was Soepboer weer op vrije voeten. De bij het auto-ongeluk opgelopen schade zou hij echter nooit meer te boven komen; hij bleef invalide. Wim Stolp werd in september 1944 geëxecuteerd in kamp Vught.

soepboer Douwe Soepboer in de jaren ’40

Douwe Soepboer, geboren in Leeuwarden en gestorven in Hoorn, schreef zijn oorlogsmemoires. Uit het hoofd, want zoals hijzelf meldde: “Ik heb er tijdens de bezetting geen dagboek op na gehouden.” Zijn goede geheugen maakte dat de genoteerde herinneringen desondanks een goed beeld geven van zijn verzetsrol.

Soepboers relaas is nooit eerder geopenbaard. Omdat het veel toevoegt aan de kennis over de Zaanse illegaliteit volgt het hieronder. Waar nodig heb ik taal- en naamfouten verbeterd en her en der wat geduid. Het zijn de enige aanpassingen. Wie meer weet van Douwe Soepboer, tussen 1940 en 1945 wonend in de Zaandamse Havenstraat 137, is welkom via info@schaapschrijft.nl

Herinneringen

“Ik denk dat het omstreeks 4 uur in de ochtend van 10 mei 1940 was, toen ik wakker werd door het rinkelen van de telefoon. Aan de andere zijde van de lijn meldde zich de controleur van de bewakingsdienst, die mij attent maakte op het geronk van vliegtuigen en daaraan als zijn mening toevoegde: ‘Ik denk dat we oorlog hebben, opzichter, want er is een luchtgevecht boven Schiphol.’

Ik was, na ongeveer 15 jaar bij gemeente- en rijkspolitie werkzaam te zijn geweest, toen als politie-opzichter en chef van de bewakingsdienst werkzaam bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen ‘De Hembrug’ te Zaandam en voelde mijn grote verantwoordelijkheid indien het vermoeden van Rijken juist bleek te zijn. Op het fabrieksterrein aangekomen wist ik al dat het inderdaad oorlog was, want onderweg had ik tegen de toen zo heldere hemel op elkaar schietende vliegtuigen waargenomen.

Via de radio hoorden we daarna al spoedig dat de Duitsers op verraderlijke wijze ons land waren binnengedrongen en daarbij op diverse plaatsen parachutisten neerlieten. Daar dezen speciaal strategische punten trachtten te bezetten, leek het mij wenselijk mij in verbinding te stellen met de Hoofdopzichter D[irk] Dral van de laboreerwerkplaatsen (springstofafdelingen). Deze was onderluitenant geweest in voormalig Ned. Indië en was voor het nemen van drastische maatregelen. Zowel allen die tot mijn bewakingspersoneel behoorden als een aantal door ons betrouwbaar geachte personen werden met vuurwapenen uitgerust. Voorts werden enige mitrailleurs in stelling gebracht en alle bosschages, welke door parachutisten als dekking konden worden gebruikt, gekapt en met de grond gelijkgemaakt. Achteraf zijn al deze maatregelen onnodig gebleken, daar geen parachutist zich heeft laten zien en eerst na de capitulatie een Duitse bezetting van de A.I. plaatsvond.

Geruchten

Gedurende de 4 oorlogsdagen gonsde het op de fabriek van geruchten, welke dikwijls op hun betrouwbaarheid moesten worden onderzocht. In overleg met de militaire instanties moesten alle personen waarvan bekend was dat zij lid waren van de NSB en konden behoren tot de 5de colonne worden aangehouden en overgebracht naar de Ripperda-kazerne te Haarlem. Hoe groot dit aantal was weet ik niet meer, maar vaststaat dat iedere inlichting over een bepaald persoon terdege moest worden nagegaan, daar niet zelden bleek dat zonder gegronde redenen beschuldigingen werden geuit.

Grote verslagenheid heerste er onder allen nadat bekend was gemaakt dat het Nederlandse leger had gecapituleerd. Meerderen met mij waren van mening dat de Duitsers ons, die verantwoordelijk waren voor de arrestatie van de NSB’ers, ter verantwoording zouden roepen en represailles tegen ons zouden nemen. In elk geval heb ik alle schriftelijke bescheiden en dossiers die ik onder me had in een oven van de ketelcentrale verbrand, waarbij ik ontdekte dat de heer Boon van de afdeling personeelszaken, die een chef van mij was en voor elke aanhouding van een NSB’er zijn fiat had gegeven, eveneens zijn aantekeningen stond te verbranden. Maar ook dit bleek later overbodig te zijn geweest.

Nadat enige dagen later de fabriek door de Duitsers was bezet bleek, tegen onze verwachting in, dat er zou worden doorgewerkt aan de vervaardiging van vuurwapenen en munitie. Dat e.e.a. tegen onze bondgenoten zou worden gebruikt leek ons vanzelfsprekend en ik meen dat velen van ons zich van toen af hebben voorgenomen de productie van alles wat met wapens en munitie te maken had zoveel mogelijk te saboteren. Maar daarbij diende men zeer voorzichtig te zijn. Immers, alle vijandig gezinde personen die door ons waren aangehouden, kwamen weer op de fabriek terug – al of niet met het gehate NSB-insigne getooid – en het spreekt vanzelf dat zij door ons als verraders werden gewantrouwd. Ten overvloede kwam daarbij nog dat er ongetwijfeld ook nog personen rondliepen die door ons niet als NSB’ers of vijandig gezinden geïdentificeerd waren, doch wel daartoe behoorden en dit maakte de kans op verraad aanzienlijk groter.

Als spoedig kwam de heer Dral mij opzoeken en deed me het voorstel om samen met de hulpopzichter Fleurbaaij het verzet aan de A.I. te organiseren en daaraan zo mogelijk leiding te geven. Daar ik mij met Dral in goed gezelschap wist (hij was een uitstekend militair en op het stuk van wapens en munitie zeer deskundig) en hij op zijn beurt voor de betrouwbaarheid van Fleurbaaij instond, ben ik op zijn voorstel ingegaan en heb daar nimmer spijt van gehad.

Op last van de bezetters moesten alle wapens en vuurwapens worden ingeleverd en deze kwamen op een centraal punt terecht, n.l. de Artillerie-Inrichtingen (hierna te noemen de A.I.). Een deel van de ingeleverde handvuurwapens werd opgeslagen in gebouw 100, hetwelk gelegen is naast de kazerne die voor het uitbreken van de oorlog huisvesting verleende aan onze militaire politie, doch nu door de bezetters in gebruik was genomen. Wij waren van mening dat het in de toekomst noodzakelijk kon zijn dat wij over een voorraad wapenen beschikten om t.z.t. behulpzaam te zijn bij het verwijderen van de bezetters. In verband daarmede besloten we om een aantal wapens uit eerdergenoemd gebouw 100 te halen en op diverse plaatsen buiten het fabrieksterrein op te slaan.

Zowel Dral als ik moesten voor de uitoefening van onze normale taak ook buiten de werktijden veel op de fabrieksterreinen zijn en voor de op het fabrieksterrein patrouillerende Duitse militairen was het niet vreemd ons op het terrein aan te treffen op tijden dat er in de diverse afdelingen van de fabriek niet gewerkt werd.

Gebouw 100

Op zekere dag – ik kan me herinneren dat het zondag was – hebben we ons toegang verschaft tot gebouw 100. Op zich was dit niet zo moeilijk, daar ik als chef van de bewakingsdienst in het bezit was van ‘moedersleutels’, teneinde in bijzondere omstandigheden mij toegang tot een bepaald gebouw te kunnen verschaffen. Het gevaar schuilde hierin dat deze opslagplaats slechts een tiental meters verwijderd was van de kazerne waarin de Grüne Polizei was ondergebracht. Eenmaal binnen ontdekten we dat alle wapens in dichtgespijkerde kisten waren verpakt en we hadden veel moeite met deze kisten zonder al te veel lawaai te openen. We hebben bij die gelegenheid plusminus 70 pistolen buitgemaakt en deze in twee emmers in veiligheid gebracht. Daar de Duitsers wel wisten dat wij geregeld voedsel voor onze konijnen op het fabrieksterrein verzamelden, bedekten we onze buit met gras en bladeren en toen we een patrouille ‘Grünen‘ ontmoetten, groette deze ons vriendelijk.

Later hebben we nog enige malen kans gezien om onze wapenvoorraad uit te breiden. Een van de plaatsen waar wij een voorraad wapens onderbrachten was de woning van de opzichter Borringa, die evenals Dral en ik woonachtig was in een dienstwoning (de Delftse rij) grenzende aan het fabrieksterrein aan de Havenstraat. Harrie, de zoon van Borringa, had hiertoe een gelegenheid gemaakt onder de vloer van hun woning en belastte zich met het onderhoud van de wapens. De Zaanse onderwijzer [Chris] Coté zorgde voor een opslagplaats in de school waaraan hij verbonden was.

Zoals bekend hebben deze wapens nimmer gediend voor het doel dat wij ons voor ogen hadden gesteld, n.l. het verdrijven van de bezetters. Echter heb ik dikwijls aan de vraag om één of meer pistolen kunnen voldoen ten behoeve van het verzet.

Loe de Jong

Alvorens verder te schrijven, wil ik er even de aandacht op vestigen dat ik tijdens de bezetting er geen dagboek op na heb gehouden i.v.m. het daaraan verbonden gevaar voor mijzelf en anderen. Toen ik na de bevrijding dan ook het verzoek ontving van de allen bekende Dr. L. de Jong om hem mijn dagboek ter inzage te doen toekomen, heb ik hem geantwoord dat ik geen dagboek had bijgehouden, doch slechts mijn herinneringen op papier had gesteld, die ik bereid was hem toe te zenden. Hierop heb ik geen antwoord ontvangen en blijkbaar bestond hiervoor geen belangstelling. Het is dus niet uitgesloten dat hetgeen ik nu verder vertel niet geheel in de juiste volgorde is.

Door een ingenieur van de A.I. ben ik al spoedig in contact gebracht met de heer [Titus W.] de Tourton Bruins, inspecteur der Registratie en Domeinen te Amsterdam. Meestal op dinsdagmiddag kwam ik bij hem op zijn bureau in de zgn. Droogbak te Amsterdam. Daar trof ik meestal een achttal oud-officieren aan en de toenmalige hoofd-stationschef de heer Jongsma. Zij vormden een verzetsgroep (of waren de leiders daarvan) en noemden zich ‘L.O.F.’, d.w.z. Legioen Oud Frontsoldaten. Uit de gevoerde gesprekken heb ik begrepen dat men over een geheime zendinstallatie beschikte en voortdurend contact had met Engeland.

Mijn taak was dat ik zoveel mogelijk gegevens doorgaf betreffende wapens- en munitietransporten vanaf de A.I. Indien een dergelijk transport per trein plaatsvond, zorgde ik dat de heer Jongsma kennis kreeg, die dan weer de uiteindelijke bestemming kon doorgeven. Hoelang mijn contact met deze groep heeft geduurd weet ik niet, maar naar ik meen niet zo lang.

Op zekere dag vernam ik dat de Tourton Bruins was gearresteerd door de S.D. en vanzelfsprekend heb ik mij in de Droogbak niet meer vertoond. Maar inmiddels zat ik niet zonder contacten. Blijkbaar doordat ik gedurende de oorlogsdagen met mijn terreinpolitie nogal wat arrestaties heb verricht, schijn ik veel vertrouwen te hebben gekregen van het fabriekspersoneel. Verzetslieden die kennis hebben aan iemand van de fabriek informeren dan bij deze of hij niet aan munitie of wapens kan komen en achterna blijkt dan dat ze mijn naam hebben genoemd als een mogelijkheid.

Een van de eersten die voor dat doel bij mij komt is een politieman uit Koog aan de Zaan. Het is Joop Keijzer en nadat over en weer vertrouwen tussen ons is ontstaan, kom ik erachter dat hij deel uitmaakt van de Stijkelgroep, die later is opgerold door de S.D. en waarvan – naar ik meen – acht personen hun vaderlandsliefde met de dood hebben moeten bekopen. Toen ik van de eerste arrestaties hoorde heb ik mij onmiddellijk naar de woning van Keijzer begeven om hem te waarschuwen. Hij bleek reeds op de hoogte te zijn van het gevaar dat hem bedreigde en ik sprak er mijn verwondering over uit dat hij nog niet was ondergedoken. Toen hij daarop zei niet te weten waar hij naartoe moest, heb ik hem naar de boerderij van de fam. Moerkerk gebracht in de Grote IJpolder, welk adres ik voor mijzelf had bestemd voor het geval ik zelf onder moest duiken. Hier bleek hij welkom te zijn. Later is hij met schotwonden toch gearresteerd en moest in het Wilhelminaziekenhuis te Amsterdam worden opgenomen. Leden van een verzetsgroep hebben hem echter weten te bevrijden en door hun onverschrokken optreden heeft hij het overleefd.

De aan de A.I. verbonden geweermaker Bertus [Lambertus] Martin bezocht mij op zekere dag en vertelde dat hij in opdracht kwam van zekere kapitein [J.W.D.] Meihuizen in Alkmaar, die graag eens met mij wilde praten. In een gesprek met deze, gearrangeerd door Martin, hoorde ik voor het eerst van het bestaan van de Landelijke Ordedienst (O.D.). Meihuizen stond rechtstreeks onder de commandant van Gewest II, de Overste [Johan G.] Wastenecker, en vroeg om mijn medewerking. Nadat ik deze had toegezegd kwam het verzoek om de levering van een aantal handvuurwapenen, i.c. pistolen en handgranaten.

Vele malen heeft Martin, die in Bergen woonde, waar zijn vader een smederij had, per motorrijwiel een vrachtje van deze wapenen na werktijd van mijn huis naar Bergen vervoerd, waar de steeds groeiende voorraad in een tuinhuisje werd opgeslagen. Alvorens ik e.e.a. aan Martin kon leveren, haalde ik de avond van tevoren deze spullen bij duisternis van de fabriek, waar Dral het voor mij had klaargelegd. Via mijn tuin, die dus aan het fabrieksterrein grensde, bracht ik ze dan in mijn woning, waar ze dan bleven totdat Martin ze ophaalde. Dat mijn vrouw daarbij veel angstige ogenblikken beleefde spreekt voor zichzelf. Vooral op die avond dat Martin het vrachtje niet, zoals afgesproken, kwam afhalen. Die avond had ik een afspraak met brigadier Van der Bunt van de Gemeentepolitie te Amsterdam. Deze had onder zijn collega’s ook enige die weer in contact stonden met verzetsstrijders en hem leverde ik enige malen pistoolpatronen, omdat de politiemannen zelf elk patroon moesten verantwoorden. Ik kon dus die avond niet thuisblijven en toen Martin niet kwam opdagen heb ik de voor hem bestemde handgranaten onder de matras van ons bed gelegd. Nadat ik in Amsterdam mijn patronen had afgeleverd – en daar het inmiddels middernacht was geworden -, verwachtte ik niet anders of mijn vrouw zou wel slapen. Maar dat was niet het geval en op mijn vraag waarom ze niet naar bed was gegaan, antwoordde ze: ‘Denk je dat ik op die gevaarlijke dingen ga slapen?’ (Ik had haar er n.l. niets van verteld.)

Arrestatie

Op zekere morgen verscheen Martin niet op zijn werk en een vriend van hem wist me te vertellen dat hij door de Duitsers gearresteerd was. Daar ik wilde weten om welke reden en of ik ook gevaar liep, heb ik die vriend i.o.m. zijn chef naar Bergen terug laten gaan, om te trachten meer aan de weet te komen. De volgende dag hoorde ik van hem (gevoegd met andere inlichtingen) ongeveer het volgende verhaal.

In de smederij van Martin kwamen enige Duitsers om daar hun vrachtwagen te repareren. Een van die Duitsers ontdeed zich daarbij van zijn koppelriem met pistool en hing die op in de smederij. In een onbewaakt ogenblik nam een broer van Bertus Martin die riem met pistool weg en bracht dit naar een tuinhuisje, waar ook van mij afkomstige handgranaten lagen opgeslagen. Toen de broer van Bertus in de smederij terugkwam was de vermissing al ontdekt en alarm geslagen. Bertus zijn broer werd verdachte en mede doordat er sneeuw lag en voetstappen in de sneeuw naar het tuinhuisje leidden viel er niets te ontkennen. In totaal werden 4 personen door de S.D. gearresteerd, t.w. Bertus Martin en zijn broer, een vriend van hen (een zekere Briefjes) en de voormalig sergeant-majoor De Kloe, die het contact onderhield tussen kapitein Meihuizen en mij.

Na dit alles aan de weet te zijn gekomen, vreesde ook ik te worden gearresteerd. Er was immers grote kans dat de moffen alles op alles zouden zetten om de herkomst van de handgranaten te ontdekken. Dat ze gruwelijke methoden gebruikten om iemand tot spreken te brengen was algemeen bekend. Als voorzorgsmaatregel sliep ik niet thuis. ’s Morgens belde ik dan Dral op en hoorde dan van hem dat alles veilig leek. Op de fabriek had ik een vertrouwde bewaker bij de portier ingedeeld en bij de komst van politie of recherche zou ik terstond worden gewaarschuwd. Dit was de eerste maal dat ik me genoodzaakt zag om onder te duiken, maar het zou niet de laatste maal zijn.

Na verloop kwam het proces, waarbij de broer van Bertus en diens vriend Briefjes ter dood werden veroordeeld en Bertus en De Kloe elk tot 15 jaar tuchthuisstraf. Laatstgenoemden zijn na de bevrijding thuisgekomen en ik hoorde toen van hen tegenover de S.D. steeds te hebben volgehouden dat de handgranaten afkomstig waren van een partij die na de capitulatie van het Nederlandse leger door soldaten daar waren achtergelaten. Dat ik Bertus Martin en De Kloe voor hun flinke houding in deze altijd dankbaar zal blijven spreekt vanzelf.

Knokploeg

Op verzoek van mijn commandant, Meihuizen, heb ik mij in verbinding gesteld met Paul Kramer, hoofd van een R.K. school te Wormer. Deze was plaatselijk commandant van de O.D. en bracht mij weer in contact met de illegale werkers Koen Rozendaal en Wim Stolp. Hun eerste verzoek gold de levering van enige pistolen met munitie, aan welk verzoek ik kon voldoen.

Met Koen heb ik veel contact gehad. Hij was commandant van de L.K.P. (Landelijke Knokploegen) te Broek in Waterland en vroeg mij meermalen advies in verband met een te ondernemen verzetsstunt. Hij was zeer moedig en een trouwe kameraad.

Ook werd ik in contact gebracht met kapitein [A.A.] Bontekoe, woonachtig in de Jocherstraat te Amsterdam. Deze behoorde tot de staf van de O.D. te Amsterdam en ook hier kwam weer de vraag aan de orde om levering van vuurwapens. Nadat ik mij in staat en bereid had getoond om aan dit verzoek te voldoen noemde hij me namen van vier personen die voor het vervoer vanaf de Hembrug naar Amsterdam zorg zouden dragen en dus een geregeld contact met mij zouden onderhouden. Deze personen waren [W.F.] Gonkel, [Frans A.F.F. van] Lokven (Marine-onderofficieren) die, als zij van plan waren mij te bezoeken zich aankondigden als ‘Van Gend en Loos’. Voorts Michels, eveneens een onderofficier van de Marine, die echter al spoedig door de S.D. is gearresteerd en ter dood gebracht. De vierde man was de heer Echthuizen uit de Floris Versterstraat te Amsterdam.

Vooral Gonkel en [Van] Lokven hebben mij veel bezocht om na het in ontvangst nemen van (meestal) handgranaten deze naar Amsterdam te vervoeren. Op zekere dag bezochten ze mij echter met een geheel ander doel en vertelden mij het volgende: Een zekere [Tj.] v.d. Ploeg, zij noemden hem luitenant v.d. Ploeg, die deel uitmaakte van de O.D.-staf te Amsterdam, was benaderd door de adjunct-onderofficier [O.O] Filipse uit Assen. Deze Filipse was een alleszins betrouwbaar verzetsstrijder en was in gezelschap van een persoon, zich noemende Johnny [de] Droog of Den Droog. Deze verklaarde tegenover v.d. Ploeg dat hij in Drenthe leider was van een grote verzetsorganisatie en o.a. de beschikking had over een zeer groot geldbedrag. Hij was nu met Filipse naar Amsterdam gekomen teneinde daar met de staf tot een bundeling te geraken en – indien dit lukte – het hiervoren bedoelde geld aan de hoofdstedelijke staf af te dragen.

Filipse, zoals later bleek ter goeder trouwe, bevestigde een en ander en [De] Droog beriep zich op een aan de A.I. werkzame opzichter Van Veen, bij wie naar hem kon worden geïnformeerd. Luitenant v.d. Ploeg was echter zeer voorzichtig en zei thans nog niet te kunnen besluiten. Afgesproken werd dat de heren op een afgesproken tijdstip elkaar weer zouden ontmoeten in een café aan de Hoogte Kadijk te Amsterdam.

Voordat v.d. Ploeg zich naar het afgesproken adres begaf zette hij diverse medewerkers – waaronder Gonkel en [Van] Lokven – uit, op verschillende punten rondom het café. Deze constateerden dat [De] Droog en Filipse op enige afstand uit een auto stapten en zich verder te voet naar de plaats van de afspraak begaven. Deze auto droeg als kenteken: G-56*** (de laatste drie cijfers kan ik mij niet meer herinneren). Inmiddels had v.d. Ploeg de beide heren beloofd dat hij in gezelschap van enige leden van de staf hen opnieuw zou ontmoeten, de volgende ochtend bij de Westelijke uitgang van het Centraal Station. Gonkel en [Van] Lokven hadden intussen bij een relatie van de politie geïnformeerd naar de herkomst van de auto en hoorden dat bedoeld kenteken was afgegeven aan het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen.

Hierbij zij opgemerkt dat alle auto’s met het provinciaal kenteken G (Noord-Holland) en in de cijferserie zesenvijftigduizend in gebruik waren bij het Rijk en de administratie daarvan berustte bij het hoofd van de garage van de A.I., de heer Stallinga. Toen dan ook Gonkel en [Van] Lokven mij verzochten een onderzoek in te stellen, heb ik mij naar Stallinga begeven die, na in de administratie te zijn gedoken, mij vertelde dat dit nummer was afgegeven aan de gevolmachtigde voor de reorganisatie van de Rijkspolitie aan de Raamweg te Den Haag. Derhalve het instituut dat van onze betrouwbare politie een foute politie moest maken.

Gewapend met de nodige argwaan heb ik daarna de door [De] Droog genoemde opzichter Van Veen opgezocht in de fabriek. Deze was aanvankelijk zeer terughoudend, maar ik slaagde erin hem wat meer spraakzaam te maken. Hij vertelde door [De] Droog enige tijd geleden te zijn benaderd, waarbij deze zich uitgaf voor een verzetsman die af en toe een schuiladres nodig had. Van Veen geloofde zijn verhaal en sindsdien kwam [De] Droog bij hem enige dagen en/of nachten doorbrengen. Droog sliep dan samen met een zoon van v. Veen op één kamer en deze zoon was zeer onder de indruk van [De] Droog, zowel door diens sterke verhalen als door de manier waarop hij goochelde met een zwaar kaliber pistool. Van Veen toonde mij daarop een foto van [De] Droog, die deze hem als bewijs van vriendschap had gegeven. Voorts toonde hij mij een metalen penning waarop het woord ‘groepsleider’ voorkwam en vertelde dat hij voor Droog een aantal van deze penningen had vervaardigd. Voor [De] Droog zelf had hij een soortgelijke penning vervaardigd, doch met het opschrift ‘Hoofdleider’.

Johnny de Droog Johnny de Droog

Uit vorenstaande trok ik de conclusie dat [De] Droog in elk geval moest worden gewantrouwd. Immers, het rijden in meergenoemde auto was verdacht, maar ook dat hij zich legitimeerde met een penning die hij zelf had laten vervaardigen. Nadat ik mijn bevindingen aan Gonkel en [Van] Lokven had medegedeeld besloten we dat zij v.d. Ploeg op de hoogte zouden brengen en hem zouden adviseren niet op het afgesproken tijdstip bij het station te zijn.

Gewapend met de foto van [De] Droog heb ik mij naar het hoofdbureau van politie te Amsterdam begeven, waar ik mij in verbinding heb gesteld met de mij bekende (goede) rechercheurs Faber en Osinga. Deze waren bereid om op het tijdstip dat de omschreven ontmoeting tussen [De] Droog en v.d. Ploeg met zijn vrienden zou plaatsvinden met mij bij het station aanwezig te zijn. Met behulp van de foto konden we dan [De] Droog herkennen, terwijl Faber en Osinga mogelijk personen in zijn gezelschap konden identificeren.

Koffiehuis

Toen wij op het afgesproken tijdstip bij het station kwamen, viel daar aanvankelijk niets bijzonders waar te nemen. Echter, veronderstelden we, dat in het koffiehuis tegenover het station wel eens enige personen aanwezig konden zijn die het op de arrestatie van v.d. Ploeg gemunt hadden. Toen wij als gewone wandelaars langs de ruiten van het koffiehuis liepen, ontdekte ik dat [De] Droog binnen zat in gezelschap van een aantal andere personen. ([De] Droog was gemakkelijk te herkennen aan zijn fors postuur en zijn volkomen kale schedel.)

Toen ik tegen Faber en Osinga van mijn herkenning vertelde, antwoordden zij: ‘De hele Euterpestraat zit binnen, met inspecteur [Antonie] Berends aan het hoofd.’ Volgens hen was laatstgenoemde een landverrader, die algemeen bekend stond als uiterst gevaarlijk. Naar ik mij meen te herinneren was deze Berends afkomstig uit Arnhem of Nijmegen. Voor ons stond het nu wel vast dat hier een stel bijeenzat met het oogmerk om v.d. Ploeg te arresteren en met hem de gehele staf uit Amsterdam op te rollen.

Wij begaven ons daarop naar de Schreierstoren, waar Gonkel en [Van] Lokven op ons wachtten. Na hen onze bevindingen te hebben medegedeeld, belden zij daarop het koffiehuis op en vroegen de heer Filipse aan de telefoon te roepen, teneinde deze te kunnen waarschuwen voor het feit dat hij zich in verkeerd gezelschap bevond. Na enige tijd kwam echter [De] Droog aan de telefoon die vertelde dat Filipse onwel was geworden en daarom niet was meegegaan. [De] Droog drong er vervolgens op aan dat in elk geval v.d. Ploeg naar hem toe zou komen, omdat hij ([De] Droog) in ieder geval aan v.d. Ploeg het geld af wou dragen. Daarna heeft Gonkel v.d. Ploeg onze bevindingen medegedeeld en is hij terstond ondergedoken.

Op mijn verzoek heeft politieagent [Jan] Thomassen uit Zaandam zich de volgende dag naar Assen begeven (de woonplaats van Filipse), teneinde de staf van de O.D. aldaar te waarschuwen. In Assen bleek men echter al te weten dat Filipse door de S.D. gearresteerd was, terwijl in Assen zelf ook reeds enige arrestaties hadden plaatsgevonden. In enige illegale bladen is kort daarna ernstig tegen Johnny [de] Droog gewaarschuwd.

Van Hall

Inmiddels bereikten mij herhaaldelijk verzoeken om de levering van vuurwapens en/of munitie. Kapitein Bontekoe leverde ik acht pistolen, die volgens hem bestemd waren voor een zekere Ir.(?) [B.] ten Bosch, die commandant zou zijn van een landelijke knokploeg (L.K.P.). Op verzoek van opzichter [Joris] Lamens van de A.I. nam ik contact op met de heer [George L.] Jambroes, die ik op zijn verzoek 2 pistolen leverde. Deze is het gelukt om naar Engeland te komen, doch is helaas het slachtoffer geworden van het ‘Englandspiel’.

Hoe ik in contact ben gekomen met Walraven van Hall weet ik niet meer. Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik hem had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.

Op zekere dag vertelde de heer Van Hall mij dat een en ander bestemd was voor een ingenieur van de N.S. Deze zou diezelfde avond met de trein te Zaandam arriveren, doch had geen tijd om zich naar de woning van Van Hall te begeven, doch moest met de eerste gelegenheid weer terug. Nadat Van Hall mij het signalement van de betrokkene had omschreven (hij had een Indisch uiterlijk), heb ik deze heer op die avond bij het station Zaandam zijn bestelling ter hand gesteld. Uit feiten achteraf vermoed ik dat het de heer [de] Vos tot Nederveen Cappel is geweest. Nadien heb ik nog enige malen een voorraadje aan Van Hall geleverd.”

Douwe Soepboer (april 1974) Douwe Soepboer (april 1974)