Berichten

De kampcommandant en zijn al dan niet vermeende Zaanse maîtresse

Aan de – zeer lezenswaardige – bestseller-biografie van Ad van Liempt over Albert Gemmeker, de commandant van kamp Westerbork, zit een miniem Zaans tintje. Op bladzijde 121 beschrijft Van Liempt ‘een meisje’ dat ‘met haar ouders uit Zaandam naar het kamp overgebracht was’. Ze was het kind van een joodse moeder en een niet-joodse vader. “De dochter had haar afstamming aan Gemmeker gemeld, volgens Mechanicus, en had daarop een eigen huisje gekregen, waar ze onder de naam van mejuffrouw Kohle woonde – als arische vrouw.” Waarna Van Liempt de journalist/chroniqueur Philip Mechanicus aanhaalt, die in zijn Westerborkdagboek suggereert dat de halfjoodse Zaandamse een amoureuze relatie had met Obersturmführer Gemmeker.

Afgaand op zijn omschrijving en de namenindex achterin zijn boek kent Van Liempt de verdere personalia van deze ‘mejuffrouw Kohle’ niet. Een blik op het Joods Monument Zaanstreek leert echter dat het Eva Sara Kohle (Leipzig, 9-7-1924) betreft, een dochter van de uit Duitsland gevluchte Johanna Rosenbaum-Pergamenter en haar ex-man Werner Kohle. Dat Gemmeker een buitenechtelijke relatie had met Eva Kohle wordt door Ad van Liempt sterk betwijfeld. “Dat hij daarnaast, in het kamp, met alle risico’s van betrapping en de eventuele gevolgen daarvan, bij jongedames zijn vertier ging zoeken – dat mag toch wel hoogst onwaarschijnlijk genoemd worden, bij een zo berekenend opererende man.”

Op het Joods Monument Zaanstreek bevestigt daarentegen Eva’s eveneens in kamp Westerbork opgesloten halfbroer Manfred Rosenbaum Mechanicus’ verhaal. “Mechanicus schetste volgens haar stiefbroer Manfred de werkelijkheid. Eva woonde apart van het gezin en ontving de kampcommandant.” Wellicht kan Ad van Liempt nog even het ware verhaal verifiëren bij Manfred Rosenbaum (1924). Hij overleefde de Holocaust, vertrok na de oorlog naar Israël en is daar per e-mail makkelijk te bereiken.

Hertha Poppert

Eva Kohle zou niet de eerste Zaandamse kampgevangene zijn geweest die een amoureuze relatie begon met een Duitse kampleider. De joodse Hertha Poppert-Speier (1913), die in de Botenmakersstraat woonde, zou in kamp Vught een verhouding zijn begonnen met de -overigens eveneens joodse- Lagerälteste Richard Süsskind. Deze brute kampleider voerde dagelijkse besprekingen met de Duitse bewakingsdienst en probeerde ten koste van andere joden een wit voetje te halen bij de machthebbers. Dat ging goed tot oktober 1943, toen hij werd afgezet en naar Auschwitz gedeporteerd. Rond Hertha Popperts houding in en na Vught leven nog veel vragen. Haar dochter Sonja (1935) zou daarvan een deel kunnen beantwoorden, maar lijkt daartoe – mede door alle aantijgingen die haar moeder na de oorlog over zich heen kreeg – niet erg bereid. Wie er meer over wil lezen kan hier terecht.