Nieuw Rechts, de falende voorloper van de PVV

De PVV maakt kans om bij de Tweede-Kamerverkiezingen in maart 2017 de grootste partij te worden. Een halve eeuw eerder kende Nederland een vergelijkbare extreemrechtse, zij het aanmerkelijk minder succesvolle partij. ‘Ik was met mijn ideeën te vroeg. Ik was tegen de Europese eenheid. Ik was tegen de toevloed van nieuwe mensen in Nederland.’

De Tweede Wereldoorlog had grote littekens achtergelaten bij Max Lewin (1919-2011). Bijna al zijn familieleden waren vermoord door de nazi’s, hijzelf wist door langdurig in Zaandam onder te duiken de Jodenvervolging te overleven. Toen na de bevrijding ook nog eens bleek dat de overheid zijn in de oorlog verdwenen bezit niet wilde compenseren was de kiem gelegd voor de rancune die zijn verdere leven zou beheersen. De Amsterdammer stichtte onder meer een reeks politieke partijen en bladen waarmee hij de bestaande verhoudingen grondig door elkaar wilde schudden. Gaandeweg werd Lewin, en daarmee zijn partijen, steeds radicaler.

6. September 1945. Met Francisca voor de nieuwe woning aan de Tweede Boerhaavestraat. Max Lewin met echtgenote in 1945

Op 26 oktober 1968 vond de oprichting plaats van wat zijn laatste partij zou worden, Nieuw Rechts. Voorgaande initiatieven waren keer op keer mislukt; dit keer zou hij – hij wist het zeker – wel slagen. Van de mensen die positief hadden gereageerd op de herhaalde Nieuw-Rechtsberichtgeving in Lewins eigen weekblad Rechts-Om mochten er die zaterdag een kleine vijftig aanschuiven in het Utrechtse hotel-restaurant Smits. Bij de zaalingang werd wel eerst hun naam voorgelegd aan Max, die als een Cerberus de entree bewaakte.

Alle preventiemaatregelen ten spijt bleek er tussen de genodigden een informant van de Binnenlandse Veiligheidsdienst te zitten. Minutieus deed die na afloop verslag aan zijn chef van de dienstafdeling B (die extremistische groeperingen binnen Nederland de gaten hield). ‘Achter de bestuurstafel werd plaatsgenomen door Max Lewin en een zekere Scheps’, berichtte de infiltrant. ‘Van de aanwezigen viel het merendeel tot de “oudere generatie” te rekenen. Het viel op, dat enkele deelnemers draagmedailles van Koninklijke onderscheidingen op de revers hadden aangebracht. Het waren kennelijk gepensioneerde militaire of burgerambtenaren.’ Het handjevol twintigers in de zaal kon zijn goedkeuring wegdragen. ‘Deze jongeren waren – evenals de rest van het gezelschap – qua haardracht en kleding keurig verzorgd en konden in dit opzicht de norm, zoals deze in (klein-)burgerlijke kring bestaat, ruim doorstaan.’ Ook verder spreidde de onbekende notulist een positieve grondhouding tentoon, op één punt na: ‘De discussies werden in beschaafd Nederlands gevoerd en in dit opzicht vormde Lewin een ongunstige uitzondering.’

Kanttekeningen

De BVD’er plaatste in zijn verslag wel wat kanttekeningen bij de manier waarop de bijeenkomst was voorbereid (‘gebrekkig’) en de afwezigheid van vergaderdocumenten. ‘Het viel informant op dat de deelnemers aan de vergadering bepaald gematigder houding aan de dag legden dan spreekt uit verschillende artikelen in het weekblad Rechts-Om. Zo was er onder de aanwezigen een kleurling (Surinamer van Indische afkomst); er werd hem totaal niets in de weg gelegd.’ Brede instemming bestond er onder meer over de Nederlandse steun aan de NAVO, trouw aan het koningshuis en de noodzaak om te bezuinigen op wetenschappelijk onderwijs.

Een van Max’ stokpaardjes haalde het niet. ‘Informant had de indruk dat Lewin en Scheps het aanvankelijke voornemen hadden in het (voorlopige) Beginselprogramma van de partij de ontwikkelingshulp niet op te nemen. Uit de vergadering kregen zij echter zoveel verzet hiertegen, dat zij heel tactisch tijdig hun bakens verzetten en zich akkoord verklaarden met deze hulp, mits aan bepaalde voorwaarden verbonden.’ Na te hebben besloten om de koningin en de NAVO solidariteitstelegrammen te sturen en een vierkoppig bestuur onder voorzitterschap van Max te kiezen ging de vergadering uiteen, zij het dat nog wel eerst werd afgesproken om in december een tweede bijeenkomst te beleggen. De Partij Nieuw Rechts was een feit.

‘En nu naar Den Haag!’, juichte Rechts-Om na ‘wat door deelnemers de meest vruchtbare politieke bijeenkomst in jaren genoemd werd’. Bij de Kamerverkiezingen van 1971 moest de landelijke doorbraak plaatsvinden. De praktijk bleek echter, niet voor het eerst, weerbarstig. Een poging om in de hofstad een afdeling op te richten trok slechts 24 belangstellenden, inclusief de wederom aanwezige BVD-infiltrant en enkele bestuursleden. Toen apartheids- en dictatuurvoorstander Dick Scheps verkondigde dat de sympathie van Nieuw Rechts uitging naar Zuid-Afrika, Rhodesië en Griekenland noteerde de BVD’er: ‘Deze mededeling ontlokte bij de aanwezigen enig boegeroep.’ De screening van de toehoorders was dit keer achterwege gebleven, met weinig opwekkende gevolgen als resultaat. ‘Vooral sommige jongeren uit de zaal (die blijkens hun uitlatingen voorstanders waren van Cuba) slingerden kreten als “neo-nazistisch standpunt” naar de bestuursleden.’ Van de toehoorders bleek de helft activist tegen Nieuw Rechts te zijn. Scheps – Max kwam dit keer nauwelijks aan het woord – hield het er maar op dat het ‘een winstpunt [was] dat in dit land de mogelijkheid bestaat dat links- en rechtsdenkende mensen elkaar op één vergadering ontmoeten’.

Max Lewin op Binnenhof Lewin op het Binnenhof

Nieuw Rechts hield zich de eerste jaren vooral bezig met de lancering van kansloze, maar publiciteit losmakende acties en berichten. De partij eiste bij monde van Max vervolging van de Amsterdamse burgemeester Samkalden, omdat die weigerde op te treden tegen het drugsgebruik in de jongerencentra Paradiso en Fantasio. Op verzoek van de Nieuwe Revu-fotograaf spijkerde Max een groot plakkaat met de tekst ‘B en W A’dam handel in drugs’ tegen de deur van Paradiso. Na de Maagdenhuisbezetting in mei 1969 bood hij ‘namens een aantal personen’ enkele tientallen agenten een verzorgde dagreis aan, ‘als bewijs van waardering voor het optreden van de politie en tevens om aan te tonen dat de bevolking achter het politiekorps staat’. Het presentje werd overigens beleefd afgeslagen.

Als opwarmertje voor de landelijke verkiezingen van een jaar later besloot Nieuw Rechts een gooi te doen naar enkele lokale zetels. In juni 1970 vonden de gemeenteraadsverkiezingen plaats en wellicht viel daar iets te halen. Op grote schaal meedoen kon niet – daarvoor ontbraken de kandidaten en financiën –, maar in een paar steden moest het toch wel kunnen lukken. Althans, dat was Max’ insteek. De hernieuwde electorale belangstelling trok de aandacht van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Op 13 december 1969 begaf een informant zich tussen de bezoekers van een Nieuw Rechtse ledenvergadering in het Amsterdamse restaurant Cosy Corner. Zijn aantekeningen geven een goed beeld van de moeizame zoektocht naar een succesvolle toekomst voor de politieke dwerg. Gesproken werd over een samenwerkingsverband met andere behoudende partijen. ‘Over het algemeen waren de aanwezigen het eens met een voorzichtige toenadering tot de Boerenpartij’, constateerde de BVD’er. Volgens een op de voorgrond tredende Boerenpartij-functionaris uit Sliedrecht stond zijn partij vrij welwillend tegenover Nieuw Rechts. Dat deze man ook lid was van het extreemrechtse Were Di, een organisatie die nogal wat veroordeelde oorlogsmisdadigers telde, zal de vergadering niet hebben geweten.

In het Amsterdamse zaaltje kwam ook een veertien punten tellend beginselprogramma ter sprake, met als meest opvallende streven: ‘Verscherpt toezicht op in ons land verblijvende buitenlanders.’ ‘Na lange discussies’, schreef de BVD-medewerker, ‘werd besloten het voorstel van Lewin aan de eerstkomende gemeenteraadsverkiezingen deel te nemen af te wijzen.’ Daarmee was voor Max de gifbeker nog niet leeg: ‘De gehele bijeenkomst ontwikkelde zich in een richting, waarmee Lewin het niet eens was. D.m.v. stemmen werden beslissingen genomen waar Lewin fel tegen was; zijn initiatieven werden overstemd; zijn ideeën niet geaccepteerd en bekritiseerd. Lewin weigerde tegen het eind van de vergadering nog iets te zeggen.’

Irritatie

Hoe groot ook zijn irritatie over de gang van zaken, Max was er de man niet naar om zijn speeltje te laten afpakken. Zoals hij eerder de stopzetting van ontwikkelingshulp tegen de zin van de leden opnieuw op de agenda plaatste, zo kwam hij nu via een omweg terug op de door hem gewenste verkiezingsdeelname. De partijmeerderheid trotserend presenteerde hij in het voorjaar van 1970 zijn Amsterdamse kandidatenlijst. Er stonden slechts drie namen op: Max als aanvoerder, zijn (apolitieke) echtgenote en de student journalistiek Sent Wierda. Nieuw Rechts deed ook in twee andere plaatsen mee aan de verkiezingen. In Zwijndrecht voerde Bert Heidekamp de lijst aan, een dertiger die in later jaren zou aantreden voor extreem-rechtse bewegingen als de Centrumdemocraten en de Nieuwe Nationale Partij. Hij zou geen zetel halen. De Haagse nummer 1, Paulus van Goch, gooide tijdens een lang vraaggesprek met dagblad Het Vaderland zijn eigen glazen in. ‘Hitler maakte fatale blunders, maar zijn bedoelingen waren goed’, meende de trambestuurder. ‘Vanuit een chaos zou ik zo’n man zeker steunen. Het zou zelfs onzin zijn hem niet te kiezen.’ Slechts twee op elke duizend Hagenaars wilden na dit interview nog op Nieuw Rechts stemmen.

Op electoraal slecht uitpakkende redeneringen als die van Van Goch was Max in de aanloop naar de verkiezingen niet te betrappen. Hij deelde weliswaar hier en daar een rechtse directe uit (zo reageerde hij op de steekwoorden ‘langharigen’ en ‘Dolle Mina’s’ met respectievelijk ‘tuig’ en ‘domme ganzen’), maar wat hem vooral opbraken waren zijn zelfgecreëerde imago en een gebrek aan campagnegeld. Uiteindelijk bleek Nieuw Rechts op 3 juni 1970 in Amsterdam slechts 441 aanhangers te hebben, een verrassend laag aantal gezien de continue stroom gratis publiciteit die Max wist los te woelen.

‘Imperialist’

Verachting, beledigingen en bedreigingen waren zijn deel. ‘U bent een smerige fascistische zionistische imperialist. Daarom wordt u binnenkort door ons om het leven gebracht’, schreef iemand hem in augustus 1970. De anonieme afzender deed zich voor als vertegenwoordiger van het bij niemand bekende Marxistisch Leninistisch Front. Max stoorde zich er niet aan. Integendeel, het leverde inspiratie op voor een plagerig stukje in Rechts-Om. De dader, een labiele man die talloze dreigbrieven op zijn naam had staan, werd overigens een jaar later gearresteerd.

Meer last zei Max te hebben van ‘zogenaamde medestanders’ die hem zwart maakten. ‘Van hun kant kwam de beschuldiging: kijk es, hij doet zaken met het Oostblok, dus hij is niet te vertrouwen.’ Een andere dwarsligger was volgens hem de vaderlandse journalistiek. ‘U moet niet vergeten dat we een vijandige pers hebben, die niks over ons zal schrijven tenzij ze er niet onderuit kunnen’, legde hij de verslaggeefster van het alternatieve cultuurtijdschrift Gandalf uit. ‘Anders zwijgen ze alles dood en dat is de meest ellendige toestand die er bestaat voor iemand.’ Toen het interview in druk verscheen zag Max zijn gelijk opnieuw bevestigd. Volgens Gandalf viel Rechts-Om op ‘door platvloerse journalistiek, de uitroeptekens en accenten, de vele herhalingen van toevoegingen als “NSB’er”, “socialist”, “communist”. Het is duidelijk dat Lewin een pathologische angsthaat heeft ontwikkeld voor alle democratiserende stromingen in de samenleving.’

Raymond de Roon

Opvallend genoeg bevonden Max’ vrienden zich vooral in het buitenland. Het Rhodesische apartheidsbewind stuurde pakken informatie naar zijn woning aan het Darwinplantsoen ‘to help you in promoting the true picture of our country’. En het Griekse kolonelsregime was eveneens blij met de steeds uitgesproken steun in Rechts-Om.

De steun in eigen land bleef daarentegen beperkt tot een minderheid. Max was dan ook bijzonder verheugd over de open brief die Charles Evers uit Oegstgeest en Amsterdammer Raymond de Roon aanboden aan zijn blad. Een halve pagina lang mochten de twee scholieren zich beklagen over ‘de destructieve politiek van linkse extremisten’. Als de overheid en politie daar niet harder tegen optrad ‘zal de zwijgende meerderheid gedwongen worden het parlementair-democratische stelsel tijdelijk buiten werking te doen stellen om langs buitenparlementaire weg tot een krachtig bewind te geraken’. Het Griekse kolonelsbewind was daarbij hun lichtend voorbeeld. Ze eisten dat de overheid ‘instellingen als de ASVA, Socialistische Jeugd, Rode Jeugd, VPRO enz. (…) met àlle middelen zal bestrijden en de kop indrukken’. Omdat ze wel inzagen dat dat er voorlopig niet in zat riepen ze hun leeftijdsgenoten op een ‘Nationale Jongerenorganisatie ter verdediging van de normen en waarden van onze samenleving en ter bestrijding van extremistische uitwassen’ op te richten.

Raymond de Roon wilde dus als 18-jarige de parlementaire democratie een tijdje afschaffen en gewelddadige ordediensten stichten. Hij werd in 2006 Tweede-Kamerlid voor de Partij voor de Vrijheid en vier jaar later ook nog PVV-raadslid in Almere. In zijn hoedanigheid als volksvertegenwoordiger stelde hij voor om stadscommando’s te formeren die de verloedering van Nederland hardhandig konden tegengaan.

Het deed denken aan een organisatie waarbij De Roon zich in de zomer van 1971 aansloot, de Nationale Veiligheidsbrigade. Deze vereniging kwam tot stand na een oproep in opnieuw een blad van Lewin, De Vrije Pers. ‘Ex-beroepsmilitair, uitholling van onze nationale weerbaarheid meer dan beu, zoekt contact met andere ex-beroepsmilitairen, oud-commando’s en mariniers, voormalige leden van de Koninklijke Marechaussee, gewezen politiefunctionarissen, leden en ex-leden van de Nationale Reserve en andere gezagsgetrouwe burgers van Nederlandse nationaliteit voor oprichting van een Nationale Veiligheidsbrigade’, luidde de lange volzin waarmee een anonymus zijn plan bekendmaakte. Het lijkt er overigens sterk op dat achter de ‘ex-beroepsmilitair’ niemand minder dan Max Lewin schuilging. Hij beantwoordde namens de NVB de vragen van nieuwsgierige journalisten, berichtte via zijn eigen blad over de vorderingen en begon daarin tegelijkertijd een ‘cursus zelfverdediging anti-guerilla oorlogvoering’ die gericht was tegen ‘politieke gangsters’. Belangstellenden ‘zal de wapenvoering worden geleerd, het vervaardigen en onschadelijk maken van ontplofbare stoffen, handgranaten, landmijnen enz. enz.’

15. Februari 1974.

Misschien wel de duidelijkste aanwijzing dat Max het NVB-brein was leverde de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Net als bij veel van Max’ eerdere initiatieven achtte de dienst het raadzaam om onmiddellijk over te gaan tot observatie en infiltratie. Bewaard gebleven BVD-verslagen geven een goed beeld van de NVB-vergaderingen. Op 30 oktober 1971 vond de eerste plaats. Het Amsterdamse Cosy Corner bood de brigade-in-oprichting gastvrijheid, net als het eerder had gedaan bij Nieuw Rechts. ‘Omstreeks 11.30 uur waren in een bovenzaal van genoemd café 19 personen bijeen, waaronder twee vrouwen’, noteerde de BVD-afgevaardigde in zijn verslag. Max had de uitnodigingen verzonden, zat de bijeenkomst voor en voerde het merendeel van de tijd het woord. Op een vraag wat te doen tegen bijvoorbeeld terreur, antwoordde hij ‘dat de leden van de NVB gewapend moeten zijn en dus te allen tijde kunnen optreden’. Dat het recht niet in eigen hand genomen mocht worden, zoals in het zaaltje werd geopperd, schoof Max volgens de BVD-notulist terzijde. ‘Hij (Lewin) staat in contact met iemand die zeer bekwaam is in het omgaan met springstoffen.’

Raymond de Roon had op zijn idee voor een ‘Nationale Jongerenorganisatie’ onvoldoende respons gekregen, maar de Nationale Veiligheidsbrigade leek hem een prima alternatief. De inmiddels 19-jarige rechtenstudent aan de Vrije Universiteit was een van de weinigen die tijdens de NVB-oprichtingsvergadering opmerkingen plaatsten. Hij ‘vertelde zich dood te ergeren aan de langharige elementen die de VU bevolken; toevallig kreeg hij een nummer van het blad De Vrije Pers in zijn bezit en daarna is hij in contact getreden met Lewin’, aldus de BVD-waarnemer. De Roons ergernis was voldoende reden om zitting te nemen in het driekoppige NVB-bestuur, naast de Haagse gehoorapparatenverkoper Pieter M.J. van der Linden en diens stadsgenoot Paulus van Goch.

De BVD analyseerde het mogelijk gevaar dat uitging van de weerbaarheidsvereniging. ‘Tijdens de vergadering bleken er nogal wat verschillen van inzicht te bestaan over de eventueel te ondernemen activiteiten: sommigen wilden van de NVB een regelrechte knokploeg maken, anderen wensten uitsluitend legale acties te voeren. Evenmin was men het aanvankelijk eens over de vraag of de NVB-leden al dan niet bewapend moesten worden. (…) Het bleek dat Van Goch een man van de daad was; hij zou het liefst direct met een aantal medestanders de straat opgaan om daar orde op zaken te stellen, getuige uitlatingen als: “We zullen die raddraaiers en dat andere tuig wel eens leren.” Van der Linden stelde zich wat minder militant op.’ Al te grote zorgen maakte de Binnenlandse Veiligheidsdienst zich niet. ‘Aangezien er aanwijzingen zijn dat de bestuursleden gecoacht worden door Max Lewin lijkt de kans groot dat ook deze organisatie de weg zal volgen van vele andere politieke creaties van deze figuur en roemloos zal verdwijnen.’

Die laatste inschatting klopte. Binnen het jaar viel de NVB uiteen in een relatief gematigde stroming die werd geleid door Van der Linden en een radicale vleugel met onder andere Van Goch die aansluiting vond bij de net opgerichte, nazistische Nederlandse Volksunie. Raymond de Roon was toen al van het toneel verdwenen. Zijn ouders dwongen hem om zijn bestuurslidmaatschap op te geven nadat een voormalige NSB’er zich bij hun voordeur vervoegde. Van der Linden: ‘De vader werd hierdoor zo van weerzin vervuld dat hij zijn zoon direct verbood nog verder met ons in zee te gaan.’

Geert Wilders

Nieuw Rechts was in sommige opzichten haar tijd ver vooruit. De zestien programmapunten in de uit 1968 daterende, eerste partijvergadering komen stuk voor stuk overeen met het verkiezingsprogramma dat de Partij voor de Vrijheid vier decennia later presenteerde. De beweging van Geert Wilders zou tientallen zetels veroveren met een combinatie van thema’s die Nieuw Rechts als eerste op de agenda zette. De door Nieuw Rechts verketterde Europese Economische Gemeenschap veranderde in de door de PVV gehate Europese Unie en Max’ wens om het Landbouwschap af te schaffen is al lang gerealiseerd, maar verder lijkt het Nieuw-Rechtsprogramma een blauwdruk voor dat van de PVV. Alle sociaal-nationalistische partijpunten uit 1968 zijn terug te vinden bij de PVV, van de gewenste belastingverlaging tot het stopzetten van cultuursubsidies en ontwikkelingshulp. Beide partijen wensten referenda, meer geld voor gezondheidszorg, strengere straffen en minder allochtonen. Zowel Wilders als Lewin beriep zich er op rechtse én linkse standpunten te verkondigen. Zelfs het taalgebruik vertoont overeenkomsten. Max sprak al zijn afschuw uit over ‘straattereur’, zei zich te baseren op Nederlands christelijk-humanistische grondslag en vond dat de meeste media in handen waren van links. Op de eerste partijbijeenkomst van Nieuw Rechts werd gepleit voor ‘een agressief beleid tegen D’66’, een houding die Geert Wilders zou hebben toegejuicht. Net als PVV-ideoloog Martin Bosma was Max er heilig van overtuigd dat socialisten en marxisten schuldig waren aan de Tweede Wereldoorlog. Beiden strooiden ook met voorbeelden waaruit moest blijken dat, in de woorden van Bosma, ‘nationaalsocialisme als rechts een verzinsel is van Stalin en de mensen van de Frankfurter Schule’.

Op zijn oude dag kan Max zich wel vinden in deze analyse. ‘Ik was niet rechts. Als je niet links bent, ben je rechts. Maar dat is werk van de propaganda. Ik was met mijn ideeën te vroeg. Ik was tegen de Europese eenheid. Ik was tegen de toevloed van nieuwe mensen in Nederland. Niet om die mensen, maar omdat ophoping van te veel mensen net als bij appels tot rotting leidt. Dat zijn nu heel gewone standpunten.’

Vlekken

Er zijn ook verschillen. De PVV heeft geen last van oud-nazi’s die zich het partijprogramma toe-eigenen. En waar Nieuw Rechts zich vooral keerde tegen de toestroom van Surinamers naar Nederland bepleit de PVV een immigratiestop voor moslims en niet-westerse allochtonen. Net als Wilders wist Max zijn boodschap aan journalisten te verkopen door steeds nieuwe invalshoeken te kiezen en buitenparlementaire stunts te bedenken. De voorman van Nieuw Rechts was daarbij wel veel minder kieskeurig; geen medium was hem te min. Hij trok desgewenst tijd uit voor zowel de schoolkrant als de NOS (die hij overigens beschouwde als een subjectieve en progressieve staatsomroep; nog een overeenkomst met de PVV). Maar Max’ rabiate uitspraken en niet altijd even handige presentatie in de media verminderden zijn kansen op raads- of Kamerzetels aanzienlijk. Het telkenmale binnen zijn achterban opduiken van mensen met een besmet oorlogsverleden deed de rest. De toegebrachte bruine vlekken op Max’ curriculum bleken onuitwisbaar. Hij zou nooit slagen in zijn zoektocht naar een baan als erkend politicus. Aan het eind van zijn leven, in 2008, keek hij er met berusting op terug. ‘Ik had misschien de stille hoop er iets van te kunnen maken. Het heeft ontzettend veel tijd en moeite en geld gekost. Een zakenrelatie van mij in Oost-Duitsland zei: “Jongen, schei toch uit met die politiek. Besteed je tijd aan de zaak, dan kun je veel meer verdienen.” Ik heb hem later gelijk gegeven.’

Voorgaande tekst is een bewerking van een hoofdstuk uit de biografie Averechts. Het verwarrende leven van radiopionier, politicus en spion Max Lewin (2014, uitgeverij Aspekt)

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.