Johan Jongepier als balancerende politieman

Het moet voor politieman Johannes Jongepier (Zierikzee, 2-11-1910/Purmerend, 29-7-2006) een ontluisterende ervaring zijn geweest. Jarenlang had deze Zaandammer zich op allerlei manieren verzet tegen de nazi’s en toch werd hij kort na de bevrijding aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden. Het toonde eens te meer aan hoe de politie tijdens de bezetting moest balanceren om niet als ‘fout’ te worden beoordeeld.

Begin mei 1943 dwong NSB-burgemeester Hendrik Vitters het inmiddels deels genazificeerde Zaandamse politiekorps om een eed af te leggen. Van alle agenten, hoog en laag, werd geëist dat ze het bezettingsrecht getrouw zouden toepassen en naleven. Van de ruim vijftig dienders weigerden er acht om Hitlers wetgeving uit te voeren, onder wie opperwachtmeester Johan Jongepier. Hij nam het levensgrote risico te worden ontslagen of achter de tralies te belanden. Waarschijnlijk tot zijn verbazing kwamen hij en de andere weigeraars ongestraft weg met hun disloyaliteit. Gelukkig voor hen was burgemeester Vitters niet zo’n nationaalsocialistische scherpslijper als zijn voorganger, Cornelis van Ravenswaay.

Samen met zijn collega Bob Pel kan Johan Jongepier worden beschouwd als een uiterst belangrijke steunpilaar van de Zaanse illegaliteit. De twee saboteerden waar mogelijk Duitse maatregelen en lichtten het verzet in wanneer de politie en Sicherheitsdienst acties op touw zetten om ondergrondse strijders of ondergedoken joden op te pakken. Het is dan ook geen wonder dat Jongepier in 1947 een verslag mocht opstellen over de verzetsactiviteiten tussen 1940 en 1945. Hem trof immers, in tegenstelling tot veel van zijn collega’s, geen blaam.

Of toch?

Op 17 en 19 januari 1942 moesten de Zaandamse joden hun huizen verlaten en vertrekken naar respectievelijk het getto van Amsterdam of kamp Westerbork. Afgezien van hetgeen ze konden dragen, moesten ze al hun bezittingen achterlaten. Zaandam werd die dag, als eerste Nederlandse gemeente, Judenrein gemaakt. Enkele lokale politieagenten kregen de opdracht om ervoor te zorgen dat de woningen werden verlaten en vervolgens verzegeld. Onder hen bevond zich ook Johan Jongepier. Hij diende de 17de acht ‘joodse’ adressen rond de Westzijde te controleren en twee dagen later een aantal joodse bewoners van de Beethovenstraat uit hun woningen te halen. Het kwam niet in hem op om dat te weigeren, net zomin als zijn collega’s de ontruimingsopdracht naast zich neerlegden. Het noodlot dat de weggestuurde joden tegemoet gingen was op dat moment onbekend, de bezetter leek nog voor rede vatbaar. Er zijn dan ook bijna nergens in Nederland voorbeelden te vinden van politiemensen die in 1942 bedankten voor de opdracht om joodse plaatsgenoten uit huis te halen.

Jongepier

 

In de navolgende jaren onderscheidde, zoals gezegd, Johan Jongepier zich in positieve zin. Maar tussen mei 1940 en februari 1942 ging er wel het een en ander mis. Te beginnen op 21 november 1940. Samen met zijn collega Jan van der Schaaf haalde hij op verzoek van de Sicherheitspolizei die dag in alle vroegte het echtpaar Werner en Maria Pergamenter uit hun Zaandamse woning en zette hen in de cel. Werner was een Duits-joodse vluchteling en kwam daardoor in acuut levensgevaar. Het echtpaar zou tot 13 maart 1941 gevangen blijven in de gevangenis van Scheveningen en toen, dankzij de inzet van het Zwitsers gezantschap, worden vrijgelaten. Werner dook vervolgens onder en overleefde de oorlog.

Twee weken na de vrijlating van het echtpaar Pergamenter ging het weer fout. Op last van de Sicherheitsdienst arresteerden Van der Schaaf en Jongepier Petrus Johannes Maria Kuntz. Deze Zaandammer was actief in de illegaliteit en had onder meer een pistool in huis. Zijn moeder verklaarde na de bevrijding: “Toen mijn zoon in de kamer kwam en hij zag dat Jongepier in de kamer aanwezig was, had hij erg veel spijt en heeft hij aan Jongepier de vraag gesteld of hij weer weg kon gaan, zodat hij kon onderduiken. Jongepier heeft dit evenwel niet toegestaan.” Kuntz werd in eerste instantie veroordeeld tot 3,5 jaar cel. Omdat de Duitsers vervolgens nieuwe feiten ontdekten, werd hij ter dood veroordeeld wegens spionage, sabotage en hulpverlening aan de vijand. De 24-jarige Kuntz stierf op 11 mei 1942 voor het vuurpeloton, als een van de eerste Zaanse verzetsstrijders.

Op 16 februari 1942 arresteerden Jongepier en zijn collega Dirk Jacob Mus Lambertus Martin. Ook hij was ondergronds actief. Deze machinebankwerker had een baan bij de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen. Daar stal hij handgranaten en munitie voor de Ordedienst, en van de eerste illegale organisaties  van Nederland. Jongepier en Mus vielen zijn huis binnen, omdat Martin werd verdacht van vuurwapenbezit. Ook zijn broer werd gearresteerd, zij het door andere agenten. Lambertus werd veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, zijn broer tot de doodstraf. Lambertus Martin zou tot aan de bevrijding in een Duitse cel verblijven.

Zoals gezegd zou Johan Jongepier zich vanaf 1942 onderscheiden als een dappere en vaderlandslevende verzetsman. Maar zijn betrokkenheid bij de aanhouding van Pergamenter, Kuntz en Martin betekende wel dat hij na de oorlog onderwerp werd van justitieel onderzoek. Ten aanzien van Lambertus Martin verklaarde Jongepier dat hij had gedacht tot arrestatie te moeten overgaan, omdat hem was verteld dat de verdachte zich had bezondigd aan een diefstal. Omdat bovendien bleek dat Martin op het moment van zijn eigen arrestatie wist dat zijn broer en anderen al waren aangehouden, had hij gelegenheid gehad om onder te duiken. Volgens procureur-generaal H. Keune viel Jongepier en Mus dus weinig te verwijten.

Nog minder onderzoek vergde Jongepiers gedrag ten aanzien van Kuntz. De politieman kon zich niets herinneren van de vuurwapenvondst bij de illegaal werker en had uiteraard geen vermoeden van het lot dat zijn arrestant tegemoet ging. Daarmee was de kous af. Ook de arrestatie van het echtpaar Pergamenter werd hem niet aangerekend. Jongepier: “Gelegenheid tot waarschuwen [van het echtpaar] was er voor mij niet, want nadat Van der Schaaf mij opdracht had gegeven, moest ik direct met hem vertrekken naar de woning van Pergamenter.”

Johan Jongepier ging vrijuit. Wel bleef het de rest van zijn leven aan hem knagen dat hij was gebruikt voor enkele ‘vuile’ zaken. Zijn vele goede, met gevaar voor eigen lijf uitgevoerde handelingen tijdens de bezetting bleven daardoor besmet. Hij was daarmee exemplarisch voor de Nederlandse politie. Duizenden politie-ambtenaren die tussen 1940 en 1945 in dienst waren, werden voor het leven getekend als gevolg van de duivelse dilemma’s waarin ze belandden.

Jongepier

3 antwoorden
  1. sheukel
    sheukel zegt:

    en als je dan leest dat 97% van de amsterdamse politie NSB´ er was
    (hoe komen ze trouwens aan dat getal??) is het logisch dat niemand die werkzaam was bij de politie in de oorlog geneigd is ook maar iets te vertellen. En deels terecht: de veroordeling achteraf van het hele politieapparaat is te makkelijk. Als dezelfde criteria voor andere beroepsgroepen zouden worden gebruikt, kan je net zo goed zeggen dat heel Nederland in WOII heeft gecollaboreerd.

    Beantwoorden
    • Erik Schaap
      Erik Schaap zegt:

      Ik weet niet waar je gelezen hebt dat 97% van de Amsterdamse politie NSB’er was, maar dat getal is vele tientallen procenten te hoog.

      Beantwoorden
  2. Yvonne
    Yvonne zegt:

    Lees onlangs het Boek de Velser Affaire .

    Mijn vader werd opgepakt door een SD politieman
    En op transport naar Buchenwald vanuit kamp Amersfoort April 1944 tot de bevrijding 1945
    Na de oorlog kwam mijn vader hem toevallig weer tegen
    Commisaris van politie bleek hij ergens in Kennemerland

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.