Het verborgen leven van Abraham Wijnberg, uitvinder van de Norit

Toen de firma Norit – van de koolstof en de darmreinigende tabletten – in 2016 haar eeuwfeest vierde, leidde dat uiteraard tot de nodige publiciteit. Merkwaardig genoeg bleef de rol van founding father Abraham Wijnberg daarbij grotendeels buiten beeld. Het lijkt wel alsof deze schuchtere, joodse zakenman buiten de geschiedenisboeken moest blijven.

Norit is in de loop der decennia uitgegroeid tot een onderneming met meerdere filialen in binnen- en buitenland en een jaaromzet van honderden miljoenen euro’s. Het bedrijf ontwikkelde zich zelfs tot grootste exporteur van koolstoffen ter wereld. Sinds 2012 is Norit in handen van de Amerikaanse multinational Cabot Corporation. In de stad waar het allemaal begon, Zaandam, draait de fabriek echter als vanouds. Met dank aan de geheimzinnige oprichter, Abraham (‘Ab’) Wijnberg (Amsterdam, 26-6-1878/Aalsmeer, 29-9-1961).

In het najaar van 2016 wijdde het Noordhollands Dagblad twee volle pagina’s aan het bedrijfsjubileum. Daarin viel de naam Abraham Wijnberg één keer, als oprichter van de Norit Witsuiker Maatschappij. Het was een wat mager eerbetoon aan deze uitvinder/bedrijvenbouwer. Maar wellicht had de wereldschuwe Abraham Wijnberg dat ook een beetje aan zichzelf te wijten.

Ab kwam in Amsterdam ter wereld als derde van twaalf kinderen in het joodse gezin van sjouwer-verver Isaac Jacob Wijnberg (1849-1926) en Eva Tunninge (1852-1918). Zijn ouderlijke woning stond aan de Plantage Muidergracht 24, een armoedige, grotendeels joodse omgeving. Het toeval wil dat uitgerekend op die plek decennia later het Chemisch Propedeutisch Laboratorium van de UVA zou worden gebouwd, de studierichting waarin de jonge Ab Wijnberg zou excelleren.


Plantage Muidergracht, eind negentiende eeuw

Dat hij het zo ver zou schoppen, mag een klein wonder worden genoemd. Hoewel de jonge Ab leergierig was en op de vijfjarige HBS bijzondere belangstelling toonde voor de scheikundelessen, zat de door hem gewenste studie aan de Polytechnische School van Delft er niet in. Het ontbrak zijn ouders simpelweg aan het daarvoor benodigde geld. In plaats daarvan kwam Wijnberg in 1897 terecht op het scheikundig laboratorium van de School voor Suikerindustrie, in de volksmond ‘Suikerschool’ geheten. Hij werd er assistent. Het leverde hem een bescheiden salaris en basale vakkennis op.

Wijnbergs ambities reikten echter verder. In 1899 begon hij met het verwerven van de theoretische en praktische kennis die nodig waren voor het behalen van een ingenieurstitel. Hij leende dictaten van een Delftse student en liet zich waar door nodig door hem bijpraten. In 1903 behaalde hij aldoende het diploma scheikundig technologie, zonder ooit een college te hebben gevolgd. Het was een unicum in de geschiedenis van de Polytechnische School.

Zijn ster steeg daarna snel. Hij werd (een geliefde) leraar aan de Suikerschool en belandde er binnen enkele jaren in de directie. Tot 1922 zou hij als directeur aan deze Amsterdamse school verbonden blijven. Met de studenten onderhield hij ook decennia later nog contact, in een periode dat hij zich grotendeels afsloot voor de buitenwereld.

Dat Wijnberg een geniale student was, bewees hij in 1909 opnieuw. Hij promoveerde toen ‘met lof’ op een proefschrift over rietwas. Een jaar later werd hij directeur van de mede door hem gestichte NV Hollandsche Fabriek van Wasproducten. Hij vond na lang zoeken een koolstofverbinding die rietwas kon zuiveren en ontkleuren. In 1912 vroeg hij octrooi aan op de uitvinding, die de naam ‘Norit’ kreeg. Het nieuwe middel maakte het ook mogelijk om in één proces geraffineerde suiker te maken van suikkeriet of beetwortelen, een enorme verbetering ten opzichte van de oude, bewerkelijke suikerreiniging.

Zaandam

Met enkele collega’s van de Suikerschool richtte Wijnberg in het voorjaar van 1912 de NV Norit Witsuiker Maatschappij op. Het daarop volgende jaar sloten ze een overeenkomst af met de Zaandamse houtzagerij Van Wessem waarbij Norit het recht kreeg ter plekke een bescheiden installatie te bouwen. Dankzij het houtafval van Van Wessem kon ontkleuringskool worden gefabriceerd. Om de productie en het fabrieksgeheim in eigen hand te houden, namen ze in 1916 op het Zaandamse Hembrugterrein een nieuwe fabriek in gebruik. Het daar geproduceerde nieuwe middel bleek geschikt voor het raffineren van vetten, glucosesappen, oliën en glycerine en voor het zuiveren van water en wijn. Het grote publiek maakte kennis met Norit als medicijn tegen vergiftigingen, diarree en darmklachten. Het bedrijf groeide dan ook onstuimig, met dank aan de veelzijdige mogelijkheden.


Brand in de Noritfabriek, 1924

De hardwerkende Abraham Wijnberg raakte overspannen en kreeg verschil van mening met directeur J.N.A. Sauer. In 1926 stapte hij verbitterd uit zijn eigen onderneming en trok zich terug in het dorp waar hij zeven jaar eerder een villa had betrokken, Aalsmeer. In de jaren twintig was hij de helft van het jaar te vinden in en om dit ‘Witte Huis’ en de andere helft in Groot-Brittannië. Daar voerde hij met een landgenoot de directie over drie nieuwe bietsuikerfabrieken. Dat duurde tot 1934, toen hij het rustiger aan ging doen en zijn directoraat van de hand deed. Hij was inmiddels een welvarend man.

Oorlog

Abraham Wijnberg was niet iemand die genoot van het stilzitten. Hij stak zijn geld in beleggings- en handelsmaatschappijen en aanvaardde een aantal commissariaten. Zijn verbondenheid met de Zaanstreek bleek onder meer uit een commissariaat bij de Fibra, een bedrijf aan de Zaandamse Westzanerdijk dat houtkrullen vermaalde tot grondstoffen voor de papierindustrie en waarvan Wijnberg mede-oprichter was.

Opvallend is dat Ab Wijnberg nooit op de voorgrond trad. Hij weigerde interviews en wilde nooit op de foto. Wellicht dat zijn schuwe houding is terug te voeren op de jaren dertig en de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het NSB-blad Volk en Vaderland nam hem al in 1937 op de korrel, in een artikel met de kop ‘Bodembewerkers geknecht’.  Wijnberg was commissaris van de Internationale Belegging- en Administratiemaatschappij Zandbergen en in die hoedanigheid betrokken bij de aankoop van grond in Drenthe. Hoewel zijn rol daarbij beperkt was, meende Volk en Vaderland er een antisemitisch getoonzet bericht aan te moeten wijden. De directie (niet joods) noch de andere commissaris (eveneens niet joods) moest het daarbij ontgelden; ‘Abraham Wijnberg en diens soortgenoten’ waren het mikpunt. “Abraham Wijnberg zal er nooit een schop in steken, maar Abraham Wijnberg zal er wel aan verdienen en een verarmende boerenvolk mag die verdienste betalen.” Niet voor het eerst voorzag de Nationaal-Socialistische Beweging de mythe van de rijke, geldbeluste en uitbuitende jood van zuurstof.


Volk en Vaderland (6-8-1937)

Nadat de Duitsers Nederland hadden bezet, moest Ab Wijnberg al snel zijn commissariaten opgeven. Opvallend is dat zijn belang in de firma Fibra – gedurende de tweede oorlogshelft een verzetsbolwerk waar auto’s werden verborgen en van waaruit sabotageacties plaatsvonden – pas in 1944 tot een afronding lijkt te zijn gekomen. De afgevaardigde van de Rijkscommissaris keurde per brief d.d. 22 augustus 1944 het vertrek ‘van de joodse commissaris Dr. A. Wijnberg uit Alsmeer’ [sic] goed. “Ik ga daarbij uit van de veronderstelling dat joden in het bedrijf personele noch financiële invloed hebben.”

Ab Wijnberg kreeg niets mee van deze briefwisseling. In september 1942 was hij al uit zijn villa aan de Westeinderplassen gezet. De Weermacht nam er haar intrek. Hij kreeg wel vervangende huisvesting en werd vooralsnog niet gedeporteerd, zoals veel andere joden. De Duitsers hadden hem nodig bij een door de Centrale Suiker Maatschappij en een Duitse bank gepropageerd project om in de veroverde Oekraïne bietsuikerfabrieken te stichten. Als gevolg van de militaire nederlagen aan het Oostfront moesten de Duitsers dit plan laten varen. Wijnberg werd daarom in 1943 alsnog opgepakt en via Westerbork naar de concentratiekampen afgevoerd. In Theresiënstadt maakte hij de bevrijding mee. Van zijn broers en zussen zouden de nazi’s er drie om het leven brengen.

Het duurde tot augustus 1945 voordat Ab Wijnberg terugkeerde in zijn woonplaats. Daar kreeg hij een vrolijke ontvangst met onder meer fanfaremuziek. Hij was geliefd in het dorp, waar hij financiële steun gaf aan tal van lokale initiatieven. Desondanks waren er maar weinige Aalsmeerders die hem kenden; hij bleef vrijwel steeds bescheiden buiten beeld. Liever begaf hij zich met een roeibootje en een hengel alleen op de Westeinderplassen. Vissen was zijn grote passie.

Zijn teruggetrokken leven duurde tot 1961, toen hij op 83-jarige leeftijd overleed.


Algemeen Handelsblad (30-9-1961)

 

2 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *