Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Hij kon echter niet altijd empathie opbrengen voor oorlogsgetroffenen. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in de Scholenstraat een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt en moest bovendien vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en tijdens de oorlog gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz
Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig vlak voor zijn vlucht naar Duitsland aan de garagehouder.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam.

In het najaar van 1948 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de heropbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, inmiddels onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.