Doodstraf voor oud-Zaandammer Abraham Kaper

Na de Tweede Wereldoorlog vonden in Nederland 39 nazicollaborateurs de dood voor het vuurpeloton. Onder hen was één man met Zaanse roots, Abraham Kaper.

Abraham -roepnaam Bram- komt op 9 mei 1890 ter wereld op het Zaandamse Bouwmanspad, als zoon van Jan Kaper en Trijntje Ballée. Later zal hij met zijn ouders, broers en zussen verhuizen naar de Ganzenwerfstraat 4, een inmiddels niet meer bestaande woning vlakbij de Zuiddijk. Bram behoort tot de jongsten van het gezin met vijftien kinderen. Hij is vernoemd naar een twee jaar eerder overleden broertje, dat slechts zes  werd. Drie andere broers en een zus sterven eveneens voortijdig.

Het gezin Kaper leidt een armoedig bestaan. Vader Jan maakt en verkoopt houten gebruiksvoorwerpen, moeder Trijntje doet met behulp van de oudere dochters het huishouden. Het gezin is gereformeerd en heeft een groot Godsvertrouwen. Bram gaat naar school en naar de kerk, al met al een sober en overzichtelijk leven.

De eerste 23 jaar van Brams leven worden getekend door de kleine, benauwende gereformeerde wereld in een arbeidersstad waar socialisme en anarchisme een hoofdrol spelen. Op 2 augustus 1913  wordt hij uitgeschreven en verlaat Zaandam. Hij verhuist naar Amsterdam, waar hij een baan heeft gekregen bij de politie. Bureau Houtmarkt wordt zijn standplaats. Helemaal los van zijn geboorteplaats komt hij overigens niet, want op dat moment is hij verloofd met de eveneens in Zaandam opgegroeide, vier jaar oudere Grietje Potman. Op 14 mei 1914 treden ze in Zaandam in het huwelijk.

Grietje heeft op dat moment al een één jaar oude zoon, Daniël Jan. Hij is verwekt door haar eerdere joodse werkgever, die het kind echter niet erkent. De joodse komaf is voor Bram geen probleem. Hij zorgt er zelfs voor dat Daan zijn achternaam krijgt. In de navolgende jaren komen er in hun woning aan de hoofdstedelijke Veeteeltstraat 3 nog twee kinderen bij, Johanna Catharina (1916) en Jan (1919).

Bram maakt promotie en mag naar het nieuwe Bureau Zeden- en Kinderpolitie en, vijf jaar later, het Bureau Centrale Recherche. Gelovig blijft hij en de zondagen worden als vanouds benut voor bezoeken aan de gereformeerde kerk. Vanaf 1930 mag hij zich brigadier-rechercheur noemen.

Helemaal vlekkeloos verloopt zijn leven overigens niet. Tijdens een Bijbellezing in de kerk krijgt hij een paniekaanval en ook is er sprake van een zelfmoordpoging. Omdat hij overspannen is, verblijft hij begin jaren ’30 in een zenuwinrichting. Nadat zijn herstel is vastgesteld mag hij terug naar de politie. In 1933 belandt hij bij de verzelfstandigde Zedenpolitie aan de Reguliersgracht. Aan zijn verblijf daar houdt hij contacten over met een groot aantal criminele informanten. Die komen hem na 1940 goed van pas.

Oorlog

Een klein jaar nadat de Duitsers Nederland zijn binnengevallen meldt Bram Kaper zich aan bij de NSB. Ook zoon Daan, zijn joodse roots ten spijt, wordt partijlid. Moeder Grietje keert zich tegen de aansluiting, maar zal desondanks tot aan diens dood haar man trouw blijven. Voor Bram betekent de bezetting een verhoogde kans op promotie. Wanneer er in 1942 een brigadier-wachtcommandant voor het Bureau Joodsche Zaken wordt gezocht draagt hoofdcommissaris Sybren Tulp Bram voor. Het bureau heeft als taak om zoveel mogelijk joden in Amsterdam en omgeving op te pakken. De belangrijkste bezigheid van het Bureau Joodsche Zaken, dat in 1942 en 1943 functioneert, is het jagen op onderduikers. De nieuwe baan is een kolfje naar Brams hand; hij zoekt al een tijdje naar een functie waarin hij het nationaalsocialisme beter van dienst kan zijn.

De taken van Bram Kaper zijn aanvankelijk overigens vooral administratief, enkele uitzonderingen daargelaten. Hij administreert de tips over onderduikers en registreert de gevangenen. Hij geeft bevel om joden te ondervragen en verbaliseren en draagt de arrestanten over aan de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, die zorgt voor het transport naar kamp Westerbork. Ook betaalt Bram ‘kopgeld’ uit, een douceurtje voor agenten die er in slagen om ondergedoken joden op te sporen. In totaal worden er op deze wijze in minder dan twee jaar tijd zo’n 15.000 joden opgepakt.

Na verloop van tijd doet Bram Kaper ook mee aan het verhoren van de gevangenen en het controleren van de tips. Zijn fanatisme kent nauwelijks grenzen. Hij gedraagt zich grof tegen zowel arrestanten als bezoekers. Tegenover collega’s zou hij hebben verklaard dat hij als medewerker bij de zedenpolitie ‘van verscheidene meerderen materiaal had verzameld dat zij met hoeren uitgingen en zelfs van een meerdere dat deze een hoer in een auto had willen verkrachten en toen gebeden en gesmeekt had dit niet te rapporteren.’ Zijn baas Willy Lages is echter vol lof over Brams inzet. “Der Niederländische Brigadier Kaper hat sich auch in dieser Zeit mit seiner ganzen Kraft für die Bekämfung des Judentums eingesetzt”, schrijft hij in februari 1944.

Familie

Bram Kaper ondervindt weinig steun van zijn familieleden, die over het algemeen weinig moeten hebben van het nazistisch gedachtegoed. Zoon Daan, timmerman en NSB’er, is een uitzondering. Zijn dochter daarentegen is een felle anti-nazi, die informatie doorspeelt naar de illegaliteit. Zoon Jan is voor de oorlog in dienst getreden van de marine en vaart vanaf 1940 voor de geallieerden. Wanneer de vader van Brams echtgenote in 1942 ten grave wordt gedragen, keren diverse familieleden zich af van Bram. Ze weigeren hem de hand te schudden en verlaten de condoléancebijeenkomst voortijdig, tot woede van Bram.

Als de Amsterdammers die onder bevel van Willy Lages werken na Dolle Dinsdag, september 1944, het bevel krijgen om de stad te verlaten, weigert Grietje Kaper met haar man mee te gaan. Zij blijft in de hoofdstad, Bram vertrekt. Hij belandt in Groningen, aan de Westerhaven 11a. Vanaf nu jaagt hij niet meer op joden, maar op illegalen. Al binnen een week slaagt hij er in om met enkele collega’s drie belangrijke verzetsstrijders te arresteren, Fré Legger, Iman J. van den Bosch en Hendrik de Ridder. Ze worden zwaar mishandeld en zullen het eind van de oorlog niet halen.

Ook hier houdt Bram zich bezig met ondervragingen. Een van de eersten die door hem ‘in bad’ gedaan worden (een soort waterboarding) is de architect Henri Rots, een verzetsman. Bij een van zijn acties maakt Bram overigens een dodelijk vergissing. Omdat hij in Groningen de weg niet goed kent, staat hij op 10 november 1944 niet voor de deur van een aan te houden illegaal, maar voor die van NSB’er Hendrik Gerrit Koolman. Die stond op de nominatie om burgemeester van Sneek te worden. Wanneer Koolman te lang doet over het openen van de voordeur lost Kaper daar een schot door. Dat blijkt dodelijk te zijn. Bram Kaper komt er met een reprimande vanaf, het gevolg van zijn eerdere successen.

Brams geweld wordt steeds excessiever. Hij levert kandidaten aan die gefusilleerd moeten worden en is op 21 januari 1945 present tijdens een inval bij het echtpaar Steenstra. Zij verlenen onderdak aan de joodse Emanual Marcus. Die is twee weken eerder ontsnapt uit Westerbork. De arrestanten worden door Bram en zijn drie mededaders mishandeld en de politiehond Astrid mag zich uitleven op Emanual, wiens gezicht onherkenbaar verminkt raakt. Emanual en wijnhandelaar Steenstra worden vervolgens doodgeschoten. Daarna doen de politiemannen zich tegoed aan Steenstra’s drankvoorraad.

In januari 1945 mishandelt Bram bijna dagelijks op de meest gruwelijke wijze gevangenen, mannen en vrouwen. Velen van hen overleven hun detentie niet. Spijtoptant (al dan niet gemeend) Bram zal er in 1948 over verklaren: “Ik ben op een hellend vlak gekomen. Ik begon met de arrestanten te slaan, steeds meer, en zakte steeds verder af, tot ik tenslotte als het ware krankzinnig was.”

De laatste oorlogsdagen is Bram gedetacheerd bij de Kriegsmarine. Hij moet vechten tegen de oprukkende Canadese troepen, maar wordt al snel getroffen door een schot in zijn long. In Zuidlaren volgt een operatie en op 31 mei 1945 belandt hij achter de tralies. Tijdens verhoren ontkent hij zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige mishandelingen. Er zijn echter te veel getuigen van het tegendeel. Op 11 oktober spreekt het Bijzonder Gerechtshof in Groningen haar vonnis uit: de doodstraf. Brams beroep daartegen wordt verworpen en koningin Juliana wijst zijn gratieverzoek af. Een schriftelijke smeekbede van Grietje Kaper aan (inmiddels prinses) Wilhelmina om haar echtgenoot te sparen haalt ook niets uit. Wilhelmina antwoordt persoonlijk: “Bij God is er misschien genade voor uw man, maar niet bij de mensen.” Op 29 juni 1949 om 4.15 uur wordt Abraham Kaper in Groningen geëxecuteerd.

B) Abraham Kaper

Abraham Kaper in gevangenschap (1890-1949)

2 antwoorden
  1. Janna Schreuder
    Janna Schreuder zegt:

    Abraham Kaper persoonlijk heeft mijn vader, Pieter Meindert Schreuder, ernstig gemarteld in het Scholtenshuis in Groningen en hem daarna vlak voor de bevrijding met 9 andere verzetsmensen opnieuw beestachtig gemarteld en vermoord in de bossen van Anloo, waar de 10 lichamen zijn teruggevonden in een voormalig onderduikershol.
    Ik heb nu voor het eerst wat meer achtergrondinformatie over Kaper en ervaar dat als verhelderend en prettig.
    Janna Schreuder.

    Beantwoorden
    • Robbie Oosting
      Robbie Oosting zegt:

      Ben jou vader zijn naam al vaker tegengekomen, hij heeft veel betekend voor het verzet. We kunnen het beter over mensen hebben en niet over beesten als Kaper en Schaap wat zijn compagnon was. Zou graag met jou in contact willen komen. Gr Robbie Oosting

      Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.