De Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (7): Jaap Buijs

Deel 7 in een serie longreads over Zaanse verzetsstrijders die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang waren. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. Alle portretten zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). Het is hier te bestellen.
In (slot-)deel 7 van deze korte serie een portret van Jacob Buijs.

De geboren en getogen Zaandammer Jacob Buijs behoort tot de oudere lichting verzetsstrijders. De meeste illegalen zijn nog geen 30 als ze hun eerste tegenacties ondernemen, Buijs is bij het uitbreken van de oorlog al 52. Hij is zijn leven lang alert op onrecht en misbruik en verzet zich daar consequent tegen. Al in een vroeg stadium van de bezetting verdedigt hij de democratische principes. In eerste instantie doet hij dat als secretaris/penningmeester van de Nederlandsche Unie. Na het verbod op die partij klimt hij op binnen de Nederlandse illegaliteit en krijgt hij leidende functies in onder meer het Nationaal Steunfonds en de Stichting 1940-1945. Daarin trekt hij op met Walraven van Hall.

Buijs is eigenaar van de in het Westzijderveld gelegen houthandel Onega. Het werkgeverschap belet hem niet om actief lid te worden van een linkse politieke partij, de SDAP. Principieel als hij is stelt hij zijn bedrijf in de jaren twintig open voor een werknemer als Cor Inja, die als voormalig dienstweigeraar nergens anders aan de slag kan. Een ander voorbeeld van Buijs’ rechtvaardigheidsgevoel is zijn weigering om, als een van de zeer weinige houthandelaars, bomen te verwerken die afkomstig zijn uit de stalinistische Sovjet-Unie. Hij kiest voor Scandinavisch hout, ook al leidt dat tot lagere winstmarges.

Zijn oorlogservaringen maken van Jaap Buijs een beschadigd mens. Hij zal nooit volledig over de dood van zijn vriend Wally van Hall heenkomen. Tot het laatst toe staat hij diens weduwe en haar drie kinderen bij met raad en daad, zoals in de gevangenis beloofd aan Van Hall. Diens echtgenote zal Buijs na de oorlog betitelen als ‘een door en door goed mens’, een mening die door velen wordt gedeeld.

Vanaf 1945 neemt Buijs zitting in tal van organisaties die tot doel hebben om de oorlogsherinneringen in leven te houden, van de mede door hem opgerichte Stichting 1940-1945 tot het oprichtingscomité van de Eerebegraafplaats in Bloemendaal en van Stichting De Typhoon (de Zaanse verzetskrant) tot de organisatie die geld inzamelt voor een Zaans verzetsmonument. Hoewel hij in aanmerking voor een reeks aan onderscheidingen accepteert hij alleen de Medal of Freedom, een Amerikaans eerbetoon dat aan slechts weinigen is overhandigd. Jaap Buijs overlijdt in 1960, 72 jaar oud.


Vooroorlogse foto van Jaap Buijs met echtgenote Christina

1.

Het is 12 januari 1945, even voor 10.00 uur. Vijf mannen schudden de sneeuw van hun jassen en stappen vervolgens een woning binnen aan de Amsterdamse Zuider Amstellaan 44. Daar wacht hun gastheer Johan van Lom (alias ‘Van Arkel’) hen op. Gezamenlijk vormen ze de Stichting 1940-1945, een organisatie die na de oorlog zorg moet dragen voor de oud-verzetsmensen en hun families. Het gezelschap is overigens niet compleet. De juridisch adviseuse Marie Anne Tellegen en het Nationaal Comité-lid Arie van Velsen kampen namelijk met vervoersproblemen. De aanwezigen besluiten om toch te beginnen met de vergadering. Erg ver komen ze niet. “Precies om half elf stond Van Arkel ineens met een verschrikt gezicht op en riep: ‘Verraad, vlucht!’. Nou, toen was het snel gebeurd. We zaten met z’n zessen om de tafel, de houthandelaar Jaap Buijs uit de Zaanstreek, Bob Gillieron, Smallenbroek, Van Vliet, Van Arkel en ik”, vertelt Vrij Nederland-medewerker Arie van Namen. “We hadden allemaal onze tassen meegenomen. We zaten daar allemaal met onze stukken op tafel. We werkten wel zonder namen, maar het waren tóch gevaarlijke stukken. Smallenbroek en ik zaten het dichtst bij de tuindeuren. We zijn de tuin in gerend. Smallenbroek liep voor, hij rende helemaal naar achteren. Toen zag ik ineens bij de schutting een vent en iets verder nog een vent in de tuin. Ik schrok. Ik dacht: ik moet naar links. Ik was bijna over de schutting, toen ze me te pakken kregen. Ik keek in de lopen van vier revolvers. Twee kerels met in iedere hand een revolver. Ik moest meteen op de grond gaan liggen, Smallenbroek ook. Onze handen werden op onze rug geboeid. Ik had alleen een los jasje en een zomerhempie aan. (…) We hebben daar een uur in de sneeuw gelegen. Koud dat het was! Ik vergeet het nooit meer. Ik klapperde met mijn kaken. Ik kon m’n kaken niet meer onder controle krijgen. Verschrikkelijk.” Jan Smallenbroek: “Ja…ja…we deden de achterdeur open. We liepen zo in de stenguns. Werden op de grond gegooid, gefouilleerd en geboeid aan elkaar.”

Jaap Buijs weet de tuin niet te bereiken. “In paniek trachtte ieder een kant uit te komen. Ik realiseerde mij, toen ik achter het huis ook Duitse stemmen hoorde, dat het huis was omsingeld en bracht vlug wat belastende papieren in veiligheid achter een centrale verwarming”, schrijft hij achteraf in wat een reeks herinneringen wordt aan zijn laatste oorlogsmaanden. Van Namen: “Later mochten we weer naar binnen. Nou, daar stond Buijs, hij was een stuk ouder dan wij. Hij zorgde voor de financiën. Hij was een vriend van Walraven van Hall. (…) Van Arkel, Gillieron en Van Vliet waren blijkbaar ontkomen. Toen zijn we naar het huis van bewaring aan de Weteringschans overgebracht. Smallenbroek en ik waren aan elkaar gekoppeld. Ik heb nogal smalle polsen, zodat mij de smalle boei te beurt viel. Smallenbroek had de brede boei. Hij probeerde achter in de auto met zijn linkerhand zijn zakboekje uit zijn broek te halen. Dat deed door het trekken aan die boeien nogal pijn. Ik zei iets tegen hem. Viebahn en Rühl van de Sicherheitsdienst zaten voor in de auto. Viebahn draaide zich om en richtte meteen zijn revolver op ons.”

Het drietal belandt achter de tralies, afgezonderd van elkaar en de andere gevangenen. Buijs: “Ik werd ingesloten in cel 18A1, een zeer donkere en ellendige cel.” De Zaandammer pijnigt zich het hoofd hoe de helft van het stichtingsbestuur door de omsingeling op de Zuider Amstellaan kon breken. Pas maanden later hoort hij over een verbond tussen Johan van Lom en de Sicherheitsdienst, met een reeks arrestaties als resultaat. Na zijn uitroep dat er verraad in het spel is verdwijnt de 26-jarige rechtenstudent via een luik onder de vloer van het huis, zoals afgesproken met SD-medewerker Friedrich Viebahn. “Daar ik wist dat Hugo [Teus van Vliet, E.S.] zwaar gezocht werd heb ik hem meegenomen -tegen de instructies van de SD in- om hem te redden. Ik had tevoren als gastheer de plaatsen zodanig geregeld, dat Hugo naast mij zat en toen ik bij het binnentreden der SD riep: ‘Maak dat je wegkomt’, heb ik Hugo aan zijn jasje getrokken en meegenomen, waarop Martel [Gillieron, E.S.] ons achterna kwam en eveneens in de schuilplaats verdween.”[7] Het trio kan de gang van zaken boven hun hoofden woordelijk volgen. “‘Das ganze Haus soll untersucht werden’, schreeuwt Viebahn. De klappertandende Van Arkel, die dit hoort, zegt: ‘Als ze m’n vrouw wat doen, ga ik eruit’, waarop Bob, die wel stalen zenuwen schijnt te hebben, tot Hugo zegt: ‘Als ie eruit wil, worgen we hem’. En als de oude vader van Van Arkel jammert, zegt deze opnieuw: ‘Ik ga es kijken’. En Bob weer: ‘Kop erboven; kip, ik heb je’. Het is koud en smerig in de schuilplaats, hetgeen Bob de sarcastische opmerking tot Hugo ontlokt: ‘Daar zit je nou met je beginselverklaring’. Ze realiseren zich dat al hun paperassen nog op tafel liggen. Hugo herinnert zich dat hij z’n aantekenboekje nog zag liggen, ernaar gegrepen heeft, maar misgreep en het toen maar liet voor wat het was.” Uiteindelijk slagen ze er in om ongezien hun tijdelijke onderkomen te verlaten. Van Vliet en Gillieron vertrekken via een aangrenzend pand, Van Lom gaat terug naar zijn eigen woning.

De kiem voor het verraad is ontstaan in september 1944. De getrouwde Van Lom biedt sinds een jaar onderdak aan de onderwijzeres Tjodina Tijmstra en begint met haar een verhouding. Tjodina verspreidt de illegale krant Het Parool. Begin september wordt ze daar bij betrapt en vervolgens vastgezet. Nadat zijn vrouw enkele malen tevergeefs bij de gevangenispoort heeft geïnformeerd naar het lot van haar huisgenote waagt Johan van Lom een poging. Hij wordt verwezen naar Viebahn. Die ‘vertelde mij dat het hier ging om een juffrouw die volgens de inzichten van de SD zich schuldig had gemaakt aan illegaal werk en dat deze niet louter en alleen voor mijn plezier kon worden vrijgelaten’, aldus Van Lom. “Bovendien vroeg hij mij waarom ik mij zo speciaal voor deze juffrouw interesseerde en zei mij -na lezing van de dossiers- dat het hem bekend was dat ik illegale relaties had.”

Viebahn blijkt ook te weten dat zijn gesprekspartner vreemdgaat. Gewapend met die kennis chanteert de Duitser Van Lom. Indien de leerling-advocaat meewerkt zal Tjodina Tijmstra worden vrijgelaten. Zo niet, dan loopt Van Lom kans zelf eveneens te worden opgepakt en zal bovendien zijn echtgenote worden geïnformeerd over de buitenechtelijke relatie. Van Lom zwicht en biecht Viebahn op wanneer de eerstvolgende bestuursbijeenkomst van de Stichting 1940-1945 plaatsvindt. Tezamen bespreken ze de mogelijkheid van een inval. Die moet zodanig plaatsvinden dat Van Lom de kans krijgt om te ontsnappen. SD-Hauptscharführer Emil Rühl: “Omstreeks de jaarwisseling ’44/’45, de datum weet ik niet precies meer, hoorde ik van Viebahn, die belast was met de binnenkomende berichten van de V-mannen, dat hij thans wel een heel goede V-man had en daardoor nu aan de leiding van de verzetsbeweging kon komen. Eerst later hoorde ik van Viebahn dat deze V-man Van Lom was van het advocatenkantoor De Pont.” De door de SD als minder interessant beoordeelde Bob Gillieron mag van hen meevluchten om verdenkingen tegen Van Lom te voorkomen. Die bedingt nog wel dat de gevangen stichtingsbestuursleden niet zullen worden geëxecuteerd. “Direct na de arrestatie van de stichtingsvergadering is mej. Tijmstra in vrijheid gesteld”, meldt Van Lom tot slot.

Vrijlating zit er voorlopig niet in voor de drie opgesloten bestuurders van de Stichting 1940-1945. Arie van Namen: “Wij wisten daar in het huis van bewaring allemaal niets vanaf. Maar het is waar. Hij heeft ons verraden onder de nadrukkelijke belofte dat de Duitsers ons niet dood zouden schieten. Die belofte heeft hij afgedwongen: je mag ze niet doodschieten! Lages en Rauter zijn daar aan te pas gekomen. Lages heeft dat later persoonlijk aan mij gezegd. ‘Deutsche Ehre, Deutsche Treue!’. Het ging ze niet om de stichting. Dat was per slot iets voor na de oorlog. Ze wilden de top van het verzet uit de roulatie nemen.” Loe de Jong voegt daar aan toe: “Bovendien kon het, nu Hitlers Ardennen-offensief was mislukt en Duitslands nederlaag nog maar een kwestie van tijd leek, voor hooggeplaatste figuren in het SS- en SD-complex van belang zijn, prominente Nederlandse illegale werkers als gijzelaars in handen te hebben.”

Onwetend van hun lot ondergaan de gevangenen zware verhoren. Van Namen: “Ik heb elke dag bij de verhoren in gedachten geleefd dat we er allemaal aan zouden gaan. Bij de verhoren zeiden ze: als je het niet zegt, dan gebeurt het om half zes, hoor! Ze werden naast je uit de cellen gehaald. Het was een verschrikkelijke tijd. Ik weet niet hoe de anderen de verhoren hebben ondergaan, want het gekke is dat we na de bevrijding nooit met elkaar over de inhoud daarvan hebben gesproken.” Smallenbroek: “Ik zette een verhaal op… maar (lacht) ze wisten alles van ons. Ze wisten alles. Ja, ik had nog mijn zakagenda tussen de autokussens kunnen moffelen, die hebben ze nooit gevonden. Elke nacht gingen de cellen open, dan dacht je, nou ben ik aan de beurt.”

Ook de 56-jarige Jaap Buijs ondergaat een spervuur van vragen. “’s Avonds verhoord door Viebahn. Toen hij er niet in slaagde een bekentenis los te krijgen en ik geen namen wilde noemen stoof hij op mij af en met z’n gezicht vlak voor het mijne beet hij mij toe dat als ik niet onmiddellijk bekende hij vanaf 10 uur zijn maatregelen zou nemen. Hij zou mijn huis in de lucht laten vliegen en vrouw en kinderen arresteren. Ik antwoordde hem dat ik dit dan zou moeten aanvaarden, hij had nu eenmaal die macht, maar daarom kon ik geen dingen zeggen waarvan ik niets afwist. Hij wuifde met z’n hand en zei: ‘We krijgen je wel klein, vriend. Dat lukt ons bij iedereen’. Terug in mijn cel streek ik bij toeval langs mijn jas, hoorde iets kraken en ontdekte dat drie brieven, die sterk belastend waren en die ik in een bepaalde prop gedraaid in een notariszak bij mij had om ze ’s morgens op een Kern-vergadering te gebruiken, door de kerel die ons visiteerde over ’t hoofd waren gezien. Dit was een opluchting, daar ik verder niets bij mij had dat belastend kon werken. Ondanks dit bofje had ik een beroerde nacht uit angst voor wat ze thuis zouden doen. Ik heb deze briefjes in propjes gedraaid en in de luchtrooster weggewerkt.”

2.

Zijn gevangenneming betekent het einde van Jaap Buijs’ lange en intensieve tocht door het nationale verzet. Die tocht begint vlak na de Duitse bezetting van Nederland. Aanvankelijk kan de houthandelaar zijn weerzin tegen de nazi’s nog kwijt via de Sociaal Democratische Arbeiders Partij, waarin hij al jarenlang actief is. Maar wanneer op 20 juli 1940 Meinoud Rost van Tonningen wordt benoemd tot Kommissaris für die marxistischen Parteien in Nederland -ook de SDAP krijgt dat stempel- bekoelt Buijs’ enthousiasme snel. Tien dagen na Rosts benoeming adviseert het landelijk bestuur van de SDAP haar leden om de partij te verlaten. In naam blijft de partij nog een jaar bestaan, zij het ‘gelijkgeschakeld’ en dus gebonden aan de nationaal-socialistische ideologie, maar Jaap Buijs heeft er niets meer te zoeken.

Vier dagen na de aanstelling van Rost van Tonningen ontstaat er een nieuwe partij. De Tilburgse hoogleraar Jan de Quay, de Rotterdamse politiecommissaris Louis Einthoven en de Groningse commissaris van de koningin Johannes Linthorst Homan richten zich die dag tot hun landgenoten en kondigen de oprichting aan van de Nederlandsche Unie. Deze nieuwe beweging, zo is hun idee, moet het verzuilde denkpatroon van de jaren dertig doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. De initiatiefnemers hopen een alternatief te kunnen bieden voor de NSB, ondanks de concessies die ze daarvoor moeten doen aan de bezetter. De Unie slaat onmiddellijk aan. Meer dan dat zelfs. Binnen enkele maanden tijd zal deze politieke vluchtroute uitgroeien tot de grootste partij ooit. De ‘schotjesgeest’, zoals het tijdens de crisisjaren heet, lijkt inderdaad even verdwenen. Dat het beginselprogramma vaag is nemen de aanhangers op de koop toe. De Unie lijkt de enige weg om zonder risico te tonen wat men vindt van de nieuwe orde.

In de Zaanstreek wordt het prille gedachtegoed als eerste uitgedragen door de hoofdredacteur van dagblad De Zaanlander, Johannes Dinkelberg. Hij roept zijn abonnees onmiddellijk op om lid te worden: “De Nederlandsche Unie biedt thans enig houvast en opent verrassende mogelijkheden tot samenbinding van verreweg het grootste deel der Nederlanders. De eerste honderd Zaankanters hadden zich dan ook in twee dagen aangemeld.” Begin augustus heeft Dinkelberg zelfs al meer dan vijfhonderd adhesiebetuigingen binnen. Het duurt niet lang of ook Jaap Buijs meldt zich.

Van het Unie-archief blijkt na de Tweede Wereldoorlog weinig over, waardoor het ontstaan van de afdeling Zaandam -de tweede in de regio- slechts gedeeltelijk te ontsluieren valt. Duidelijk is echter dat de Unieleiding in november 1940 bankdirecteur Walraven van Hall vraagt om het voorzitterschap op zich te nemen, terwijl Jaap Buijs wordt aangesteld als secretaris/penningmeester. Het bestuur telt nog vier andere leden, onder wie een propagandaleider. Buijs neemt na een tijdje ook plaats in de gewestelijke Unieraad, het provinciebestuur. Het Voorlopig Plaatselijk Comité (VPC) dat van start gaat in Zaandam heeft het van meet af aan druk. Honderden Zaandammers geven zich op als lid. Vrijwilligers colporteren met speldjes, brochures, vlaggen en het blad De Unie. Van Hall en Buijs besteden wekelijks tientallen uren om de organisatie in goede banen te leiden. Tot aan de oprichting van de Nederlandsche Unie zijn de twee onbekenden voor elkaar. Door de intensieve, hectische werkzaamheden voor de nieuwe partij ontstaat er al snel een hechte band. Hun ‘nauwe samenwerking’ en ‘wederzijdse waardering’ ontwikkelt zich tot ‘een grote vriendschap’, zoals Buijs het zelf typeert.

De landelijke leiding schippert tussen de nogal eens kritische, bij tijd en wijle opstandige achterban en de strikte overheidsregels. Jaap Buijs heeft minder behoefte aan compromissen. Hij neemt dan ook namens de afdeling duidelijk stelling wanneer er in december een anonieme kettingbrief door ambtelijk Nederland gaat. De aanhef van die tekst: “Waarschijnlijk zal aan ons binnenkort een verklaring voorgelegd worden van ongeveer de volgende inhoud: sympathiseert gij met de NSB of haar beginselen, staat gij daar neutraal tegenover of is zij u antipathiek? Indien ieder die de NSB antipathiek is daar rond voor uitkomt dan doen zij ons niets. In Den Haag is onder de desbetreffende ambtenaren afgesproken dat zij hun naam onder laatstgenoemde vraag (dus anti) zullen plaatsen.”

Buijs reageert, via een brief aan het gewestelijk Uniesecretariaat: “Waar ik heden van een ambtenaar vernam dat velen ‘neutraal’ willen invullen als een in de circulaire bedoelde enquête komt, is mijn vraag of het niet goed zou zijn als ons blad hierover ook een oordeel gaf. Immers, wanneer werkelijk deze vragen worden gesteld zou het een ramp zijn als men uit lafheid in grote meerderheid ‘neutraal’ opgaf.” Gewestelijk secretaris Aberson reageert negatief: “Er bestaat geen gegronde aanleiding te veronderstellen dat er werkelijk een dergelijke verklaring van NSB-zijde aan alle ambtenaren zal worden voorgelegd.” In het Unieblad verschijnt dan ook geen advies.

Elke eerste vrijdag van de maand vindt er overleg plaats tussen de Zaanse en Waterlandse Uniemedewerkers, meestal in hotel Reitsma aan de Westzijde. Ze onderzoeken onder meer de mogelijkheid om een Zaandamse Uniewinkel te beginnen en proberen de ledenaanwas in goede banen te leiden. In maart 1941 telt de afdeling al 740 donateurs en de groei gaat gestaag door. De NSNAP en de NSB zien het met lede ogen aan. Meerdere malen lokken hun aanhangers vechtpartijen uit en moet de politie Unieleden in bescherming nemen. Met het oog hierop gaat een aantal jonge Unie-aanhangers over tot het volgen van boks- en worstellessen in de gymzaal van de Zaandamse hbs.

Op 17 mei 1941 opent het VPC-Zaandam een winkel op de Gedempte Gracht 10, hartje centrum. Voorzitter Van Hall maakt die dag met gepaste trots bekend dat de afdeling inmiddels duizend leden telt. De partijleiders De Quay en Einthoven komen korte tijd later persoonlijk langs om de aanwinst te bewonderen en hun achterban toe te spreken. De winkel wordt helaas niet alleen een trefpunt voor Uniegezinden, maar ook een mikpunt voor de politieke tegenstanders. Met enige regelmaat vinden er vernielingen plaats. Het blijft niet bij vandalisme en fysiek geweld. De overheidscensuur neemt toe. In juni wordt een uitgave van het weekblad De Unie in beslag genomen, een maatregel die de bezetter nadien vaker zal uitvaardigen. De reden: de Nederlandsche Unie wordt te kritisch bevonden. Een maand na dat eerste verbod stuurt Hanns Albin Rauter een nieuwe oekaze rond: “Het aanplakken of het op enigerlei andere wijze in het openbaar vertonen van plakkaten en geschriften van de Nederlandsche Unie is verboden. Eveneens het dragen van het Unie-insigne.”

De speelruimte was al beperkt, maar wordt dus nog kleiner. En waar de Duitse bevelhebbers een steekje laten vallen is er altijd nog de NSB. Zo voelt de uiterst fanatieke nationaal-socialist Jan Hooft zich niet te groot om de Zaandamse politie te melden dat er in de Uniewinkel demonstratief een Nederlandse vlag wappert. Het dundoek wordt in beweging gehouden door een ventilator. Een agent krijgt opdracht om een rapport op te maken en eventueel een proces-verbaal uit te schrijven. Hij maakt zich er overigens makkelijk van af: de beheerder is volgens hem niet te bereiken.

Hoe scherper het toezicht op de Unie wordt, hoe meer de weerstand groeit. Wanneer de leiding van de partij in een poging om de kloof te overbruggen haar secretarissen bericht dat er Winterhulp-loten dienen te worden verkocht is dat tegen het zere been van Buijs. Hij laat het gewestelijk secretariaat weten daar liever niet aan mee te werken. Van de verkoop mag niets worden verwacht, schrijft Buijs. Hij komt er mee weg. De bezetter is minder toegeeflijk wanneer de conciërge van de Zaandamse Uniewinkel van de voor de deur gekladde leus ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen de eerste vier woorden verwijdert. Er wordt onmiddellijk ingegrepen. Buijs: “Wij hebben een inval gehad in de winkel. Resultaat nihil.” Hoewel de Grüne Polizei dus geen belastende informatie aantreft, volgt er wel een proces-verbaal wegens belediging en gaat het verkooppunt tijdelijk op slot. Alle tegenslagen lijken de moraal niet aan te tasten. Zo vertrouwt Klazina Kuiper uit Zaandam op 4 augustus aan haar dagboek toe: “Nadat het Uniehuis enige dagen voor straf gesloten was geweest, is het zaterdag onder grote belangstelling en met een schat van bloemen weder geopend. Nu, zondag, zijn de ruiten weer geheel dichtgeplakt. Het zal de Unie weer duizenden leden bezorgen.”

Waar het merendeel van de bevolking ’s nachts binnen moet blijven, krijgt de NSB op 31 augustus toestemming om ‘zich tussen 0-4 uur op straat te bevinden en leuzen aan te plakken’. De zwarthemden van Mussert beperken zich niet tot plakken. Een spiegelruit van de joodse winkelier Vet gaat aan scherven. Een ander doelwit is de Uniewinkel. Buijs licht het provinciaal bestuur in: “Door deze berichten wij u dat in de nacht van zaterdag op zondag in onze winkel de deur is opengetrapt, de etalage is vernield, de etalagekast zwaar is beschadigd, brochures en afstandskaartjes zijn meegenomen en de offerbus is gestolen. De portretten van het driemanschap werden vernield. Brochures, kaartjes en bus (deze opengebroken en het geld er uitgenomen) werden later in een vaart drijvende gevonden. Er werden ook verschillende emblemen gevonden die niet uit onze winkel kwamen, zodat de winkel in Koog aan de Zaan vermoedelijk hetzelfde lot heeft ondergaan. Van een en ander hebben wij aangifte gedaan bij de politie. Een mooie reclame aan ’t begin van de huisbezoekcampagne!” Daags na de inbraak arresteert de politie een verdachte. Op last van de nazigezinde politiecommissaris herkrijgt de man na een paar uur zijn vrijheid.

Ondanks de Nederlandsche Unie laat Buijs het contact met de uitgetreden SDAP-achterban niet los. Hoewel bijeenkomsten van die partij sinds juli 1941 verboden zijn, komen de sociaal-democraten in het geheim nog steeds bij elkaar om de politieke gang van zaken te bespreken. Jaap Buijs houdt desgevraagd inleidingen voor zijn Zaanse partijgenoten. Hij regelt bij dergelijke clandestiene huiskamerbijeenkomsten ook zo nu en dan de komst van Johannes Scheps. Dit voormalige SDAP-raadslid uit Zeist produceert via zijn eigen uitgeverij Op Korte Golf tal van illegale hekelschriften. Ze zijn gericht tegen nazistische handlangers, maar ook de door hem te meegaand bevonden Nederlandsche Unie krijgt er in de pamfletten en boekwerkjes van langs. Achterna gezeten door de bezetter reist hij het land rond om zijn boodschap te verkondigen.

Ondanks Scheps’ kritiek op de Unie geeft Buijs deze opgejaagde handelsreiziger de gelegenheid om ongestoord te kunnen werken. Hij verschaft hem daartoe een week lang onderdak in zijn eigen woning. Scheps: “Zelf trok ik naar Zaandam en wendde mij tot de familie Buijs, de houthandelaar. De heer J. Buijs was nu zo’n voorbeeld van iemand die in de Nederlandsche Unie zat, lid was van de SDAP en toch in alle opzichten illegaal. Hij heeft in Zaandam vele avonden voor Op Korte Golf georganiseerd en bij hem thuis (Rembrandtstraat 12 te Zaandam) heb ik mijn boekje tegen de bijltjesdag en voor de zuivering en eerlijke berechting kunnen schrijven.” In november 1941 verschijnen er vijfduizend exemplaren van dit pleidooi voor een behoorlijke naoorlogse rechtsgang tegen nationaal-socialisten. Enkele jaren later zal Buijs, bezorgd over het welzijn van zijn door de machthebbers gezochte vriend, er ook voor zorgen dat Scheps een ander persoonsbewijs krijgt en daarmee tijdelijk door het leven gaat als Jelle Harmen Schepers.

Op 14 december 1941 verbieden de Duitsers drie van de vier resterende politieke partijen: de Nederlandsche Unie, het Nationaal Front en de NSNAP. De politie verzegelt de Zaandamse Uniewinkel. De NSB, die dag op de kop af tien jaar oud, mag wel blijven bestaan. Daarmee is de politieke gelijkschakeling een feit. Voor Jaap Buijs en Walraven van Hall is de grens bereikt: “Toen de Unie in 1941 werd verboden, was bij ons een grote haat gegroeid tegen de Duitsers, veroorzaakt door de verdrukking en de wrede maatregelen die ze tegen ons volk en vooral ten opzichte van de joden hadden genomen. (…) Toen de Unie werd verboden, bespraken wij wat we verder zouden kunnen doen. Wij besloten in de illegaliteit te gaan.”

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs) Jaap Buijs1944

3.

De opheffing van de Nederlandsche Unie valt samen met de opkomst van de Zeemanspot. Vanaf oktober 1941 mogen rederijen alleen nog minimale bedragen uitbetalen aan de gezinnen van zeelieden die niet wensen terug te keren naar Nederland. De uitkeringen zijn te laag om te kunnen voorzien in het dagelijks levensonderhoud. Van Hall en Buijs verzamelen giften om de getroffen huishoudens in hun directe omgeving bij te staan. Jaap Buijs’ zoon Cees: “De eerste ondersteuningsgevallen ontstonden toen de Duitsers de betrokken maatschappijen verboden de vrouwen wier man op zee was ten volle uit te betalen. De bedoeling van deze maatregel was om onrust te zaaien onder de Hollandse zeelieden en deze zodoende tot terugkomst te dwingen. Plusminus 50 zeelieden-vrouwen werden in de ondersteuning opgenomen, waaraan plusminus ƒ1500,- per maand werd uitgekeerd.” Zijn vader: “Wij hielden ons allereerst bezig met steunuitkeringen in de Zaanstreek. Het betrof toen voornamelijk zeemansvrouwen.”

In diverse gemeenten zijn soortgelijke initiatieven van start gegaan, onder meer in Eindhoven en in Rotterdam, waar kapitein Abraham Filippo een groot hulpcomité opbouwt onder de noemer Zeemanspot. Filippo zoekt iemand die ‘Amsterdam wakker zou kunnen schudden’ en komt via een gemeenschappelijke kennis uit bij Van Hall. Die gaat in januari 1941 van start in de hoofdstad. Het Eindhovense hulpfonds onder leiding van Philips-medewerker Iman J. van den Bosch deelt, bij ontstentenis van grote aantallen zeeliedenvrouwen in de eigen gemeente, eveneens geld uit in Amsterdam. Pas in het najaar van 1942 leren de initiatiefnemer van het Eindhovense Verjaardagsfonds en Walraven van Hall elkaar kennen. Deze ontmoeting zal het begin blijken van wat later uitgroeit tot het Nationaal Steunfonds.

Doordat Van Hall gaandeweg steeds vaker buiten zijn eigen woonplaats opereert en met Filippo en Van den Bosch een landelijk netwerk opbouwt verandert de oorspronkelijke taakverdeling. Jaap Buijs: “Van Hall nam het werk buiten de Zaanstreek voor zijn rekening, ik bleef in Zaandam en omgeving. Zo is er een district Alkmaar ontstaan. Deze werkverdeling bleef zo tot eind 1942. Wally was toen zo overbelast met werk, dat ik hem voorstelde mij daarvan een deel over te dragen. Voor het werk in de Zaanstreek zou ik dan wel een ander zien te vinden, hetgeen ook gebeurd is. Het plaatselijk werk werd door mijn zoon overgenomen.” De dan 25-jarige Cees Buijs: “Medewerkers werden gevonden onder Unieleden. Velen van hen zijn later plaatselijke hoofden van het NSF geworden.”

Soms gaat het ook andersom. Buijs en Van Hall hoeven dan niet te speuren naar geschikte voormalige Unieleden, maar worden zelf benaderd. De Zaandamse PTT-ambtenaar Jan Westerbroek bijvoorbeeld is naarstig op zoek naar illegale organisaties waarbij hij zich kan aansluiten. In eerste instantie belandt deze sociaal-democraat bij het Legioen van Oud-Frontstrijders, maar dat is geen lang leven beschoren. “Later, ik denk omstreeks eind ’41, legde ik het contact met de heren J. Buijs en W. van Hall, beiden te Zaandam. Dit was het begin van mijn praktische illegale loopbaan. Ik bracht toen voor de eerste maal een onderduiker, gezocht door de SD, onder dak. Dit werk breidde zich langzaam aan uit, tot ik de gehele verzorging en onderbrenging in en buiten Zaandam van deze onderduikers te behandelen kreeg.”

Ook L.C. Weeda (alias ‘Van den Brink’ of ‘Brinkie’) meldt zich bij Buijs en Van Hall. Deze oud-militair is door de Duitsers opgeroepen voor krijgsgevangenschap, maar hij voelt daar uiteraard weinig voor. Via een verzetskennis verneemt hij over de mensen achter de Zeemanspot, die wel wat extra hulp kunnen gebruiken. “Ik moest mij toen melden bij de heer W. van Hall, Westzijde 42, Zaandam. ’s Avonds kwam ik er aan, stelde me voor als v.d. Brink en vertelde het doel waarvoor ik kwam”, schrijft hij kort na de oorlog aan Van Halls moeder. “Eerst was hij ontzettend kwaad dat er zomaar een wildvreemde kwam die naar hem vroeg onder z’n eigen naam, maar na een half uurtje praten waren we de beste maatjes, schonk hij mij z’n volle vertrouwen en wijdde me in met verschillende geheime contacten. Sinds die avond kwamen we geregeld bij elkaar, n.l. de heer Buijs, uw zoon Wally voor besprekingen en ik, in den beginne om orders in ontvangst te nemen.”

Deze alliantie ontstaat in het voorjaar van 1943 en zal tot het laatst toe in stand blijven, trouw aan elkaar en aan de strijd tegen de vijand. Wally van Hall is in dit verbond de primus inter pares, zoals hij dat gaandeweg wordt binnen steeds meer en groter werkverbanden. Buijs treedt op als stuurman, Weeda als de continu inzetbare uitvoerder. Arie van Velsen: “Naar mijn mening heeft hij [Van Hall, E.S.] zich tegenover Buijs en de hoofdkoerier Van den Brink het meest voorgedaan zoals hij was. Als wij kwamen, zei hij: ‘Kerel, wat fijn dat je er bent. Ga zitten. Wil je een kop koffie, vertel eens’. Bij Buijs en Van den Brink echter werkte hij gewoon door. Dat waren zijn twee vertrouwde kameraden.”

Weeda, die om veiligheidsredenen maandelijks door Cees Buijs naar een ander onderduikadres wordt geleid en ook enige tijd in de woning van diens ouders verblijft: “Vanaf die tijd werden ’s avonds, zodra het donker was, samenkomsten belegd door Wally, de heer Buijs en ondergetekende. Op deze samenkomsten werden alle die dag binnengekomen aanvragen om steun, onderduikadressen enz. behandeld en de werkzaamheden voor de volgende dag opgesteld.”

Het verzet neemt gaandeweg een grote vlucht. De ondersteunde Nederlandse koopvaardijgezinnen -uiteindelijk 4700 huishoudens- zijn al lang niet meer de enigen die geld krijgen uit de Zeemanspot. De bijstand is uitgebreid met 1400 echtgenotes van marinemensen en bijna driehonderd partners van landmachtpersoneel. In drie jaar tijd zal er aan hen ƒ5,2 miljoen uitgekeerd worden. Het benodigde budget bestaat uit giften en leningen. Ook Jaap Buijs steekt zijn spaargeld in het fonds: in totaal ƒ3000,-.

De risico’s op een Duitse overval voor lief nemend komen de mensen die al dat geld moeten verdelen af en toe bij elkaar om alle transacties af te stemmen. Cees Buijs: “In 1943 vond er een vergadering plaats in Amsterdam, waar alle districtshoofden uit Noord-Holland bijeengekomen waren. Dat was meest in de Industrieele Club. Wally van Hall was daar aanwezig en ook vader. Besproken werd toen de richtlijn voor verdeling van het geld aan de nabestaanden der zeelieden. Het was dus nog in het begin. Eerst later kwamen de onderduikers er bij. De LO bestond toen ook nog niet. In die vergadering is wel veel gesproken over het feit dat wij kwitanties vroegen. Daartegen was sterke oppositie.”

Als de LO begin 1943 van de grond komt ontstaat er al snel contact met het NSF. Wormerveerder Jaap Boot, provinciaal leider van Trouw en erg actief binnen de LO, wijdt er enkele zinnen aan in zijn oorlogsherinneringen: “In 1943 werd er ten huize van de drukker Huig in de Oostzijde te Zaandam een vergadering belegd om de steeds groter wordende behoefte aan geld voor ondersteuning op te lossen. Zover ik me kan herinneren waren de volgende personen aanwezig: Walraven van Hall, zijn vriend de houthandelaar Jaap Buijs, de gebroeders Huig van de drukkerij en Jaap Boot. We kwamen tot de oprichting van een Nationaal Steunfonds (NSF), een fonds dat onder meer steun ging verlenen aan joden, onderduikers en verzetsmensen.”

Dat er in de woning van Huig een regionale NSF-afdeling wordt opgericht klopt niet. De Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers speelt daarin namelijk geen rol. Maar nauw samengewerkt wordt er wel. Boots dorpsgenoot Henk Toby weet nog dat de Noord-Hollandse LO-leider Fritz Conijn optreedt als intermediair. “Hij stond in verbinding met enkele personen van het NSF, Van Hall en Buijs, is later gebleken. (…) Een tweede vergadering is gehouden in Zaandam, in de Tuinstraat vlak aan het eind, bij een dwarsstraat. Daar waren aanwezig Van Hall, Buijs, Cary, ds. Slomp en ik, een man of vijf, zes. Daar zijn hele besprekingen gevoerd. Zouden we met elkaar in zee gaan, dan zou ik namens Trouw gaan. Op die vergadering is uitgemaakt dat ze op iedere provinciale vergadering een persoon van het NSF zouden aanwijzen om de plannen kenbaar te maken. In verband hiermee zou de volgende vergadering gehouden worden in Amsterdam, in een hotel. Die vergadering is doorgegaan en toen hoorden wij dat Cary gepakt was.” De bijeenkomst wordt in allerijl opgebroken. Enkele uren later valt de Sicherheitspolizei het hotel binnen.

Ondanks de groeiende vraag naar geld blijkt het mogelijk om een financiële buffer op te bouwen. De NSF-verzetskas bevat inmiddels honderdduizenden guldens. Iman van den Bosch, Walraven en zijn broer Gijs besluiten deze reserve in te zetten voor andere doeleinden. Er zijn genoeg kandidaten voor. Duizenden joden duiken onder en hetzelfde geldt voor veel voormalige legerofficieren en mannen die worden opgeroepen voor de arbeidsinzet. Zo ontstaat na de Zeemanspot het Landrottenfonds, dat al snel overgaat in het Nationaal Steunfonds. Buijs: “Om de 14 dagen kwam de top samen in Amsterdam, Den Haag of Utrecht. Dat waren dus Van den Bosch, Van Hall, Gelderblom en mijn persoon. ’s Morgens hadden wij vergadering van het NSF, ’s middags van het Nationaal Comité. Op die middagvergaderingen kwamen Neher, Van Velsen en mej. Tellegen er bij.”

Jaap Buijs geeft hier op beknopte wijze zowel de NSF-samenhang weer als de relatie met een andere verzetsorganisatie in opkomst, het Nationaal Comité van Verzet (NC). Dat is begin 1943 ontstaan in een ambitieuze poging de veelheid aan verzetsgroepen en -groepjes te overkoepelen, een streven dat al snel te hoog gegrepen blijkt. Het NC zal zich onder leiding van de ontslagen PTT-directeur Lambertus Neher en Arie van Velsen wel ontwikkelen tot een landelijke organisatie die gespecialiseerd is in het uitwisselen van informatie en het produceren van verzetspamfletten. Van meet af aan werken het NC en het Nationaal Steunfonds zeer nauw samen. Het gezamenlijk overleg vindt plaats onder de noemer ‘Wijncommissie’. Als vlag die de lading moet dekken liggen er tijdens de vergaderingen in de regel enkele teksten op tafel die betrekking hebben op de wijnhandel. Neher: “De besprekingen werden noodzakelijk omdat de beide organisaties over het gehele land werkzaam waren en voorkomen moest worden dat dubbel werk werd gedaan of door een veelheid van contacten gevaar van ontdekking zou optreden, c.q. vergroot worden, terwijl anderzijds misstanden voorkomen dienden te worden. Een andere zeer belangrijke reden was dat gemeenschappelijk werd nagestreefd een ongeschreven erecode voor het illegale werk ingang te doen vinden en hoog te houden, zodat het verzet, hoe hard en ernstig ook, niet zou ontaarden in een wild avonturisme, negativisme of zelfs egoïsme.”

Een van de weinige onderwerpen waarover in de Wijncommissie stevig wordt gedebatteerd is de NSF-wens om te werken met kwitanties. In de regel stelt de illegaliteit uit veiligheidsoverwegingen zo min mogelijk op schrift, maar het NSF is van mening dat administratieve accuratesse het misbruik van gelden minimaliseert. Het duurt even voor het door Van Hall voor deze gelegenheid uitgedachte camouflagesysteem ingang vindt, maar na de oorlog wordt duidelijk dat het NSF met behulp van haar boekhouding de bestede miljoenen zo goed als volledig kan verantwoorden.

Walraven van Hall en Iman van den Bosch reizen inmiddels het hele land door om geld te verzamelen en gewestelijke contactpersonen aan te stellen. ‘De bankier van het verzet’ annex ‘de olieman’, twee van Van Halls latere erenamen, raakt in toenemende mate betrokken bij andere organisaties en initiatieven. Daardoor moet hij zich steeds meer richten op de hoofdlijnen. Buijs houdt in de Wijncommissie de dagelijkse gang van zaken in de gaten. “Nauwer en nauwer werd onze samenwerking en toen het landelijk werk zo toenam dat hij het niet meer aankon, nam ik een deel van hem over. Daardoor was ik in de gelegenheid om waar te nemen hoe alle makkers hem waardeerden. Hij was zelf te bescheiden om dit naar voren te brengen”, schrijft de houthandelaar over zijn vriend.

Buijs’ waarderende woorden zijn ook op hemzelf van toepassing. Hij oogst eveneens brede waardering, maar laat zich daar niet op voorstaan. De neiging om in de coulissen te blijven is kenmerkend voor de NSF-top. Hoewel de organisatie in financieel en organisatorisch opzicht in toenemende mate onmisbaar is voor het nationale verzet en voor tienduizenden onderduikers toont de verkozen rol in de schaduw het gelijk aan van Lambertus Neher: voor egoïsme, negativisme en wild avonturisme is binnen het steunfonds geen plaats.

Vader Buijs heeft zich dus gaandeweg ontwikkeld tot een landelijk verzetsleider. Zoon Cees wordt NSF-districtshoofd voor de Zaanstreek en Waterland. Na aanvankelijk geld naar zeemansgezinnen te hebben gebracht, distribueert hij nu ook maandelijks duizenden guldens voor onderduikers en verzetsgroepen. “In iedere plaats had ik een plaatselijk hoofd. Met hen rekende ik af. Zij hadden weer hun mensen die geld inzamelden. Dat waren kleine bedragen à fonds perdu.”

Een van zijn contactpersonen is Anton Keet, de LO-/NSF-leider in Assendelft: “We hadden hier in het dorp 13 joodse onderduikers, die natuurlijk meedeelden in de voorraden. Ze zaten allemaal goed en verscheidene komen nog altijd bij hun onderduikadressen terug. De Zaandammerweg hebben ze wel eens de Jodenbreestraat genoemd, want bij bijna alle boeren zaten daar mensen ondergedoken. Veel gemak hebben we gehad van Cees Buijs van het NSF in de Zaanstreek; hij leverde ons geld.”

In Westzaan onderhoudt Buijs junior een netwerk via de dominees Hylkema en Bergman en het echtpaar Zaaijer, dat door de jaren heen zo’n vijftig mensen aan huisvesting helpt. Ook een spil in het verzet binnen Krommenie, de familie Hondema, ontvangt van Cees Buijs grote bedragen om de geboden onderduikhulp -het betreft in hun eigen woonplaats en Assendelft zo’n driehonderd personen, joods en niet-joods- betaalbaar te houden. En zo zijn er binnen en buiten de Zaanstreek velen die hun werk kunnen volhouden dankzij de geboden steun. Cees Buijs: “Lastig was vaak de papieren rompslomp, die van de ene naar de andere plaats moest verhuizen in verband met razzia’s en overvallen. Een van onze medewerkers moest voor de SD op de vlucht. Zijn papieren begroef hij onder een mesthoop, d.w.z. zijn hele boekhouding voor onderduikers. Deze papieren zijn ware documenten geworden en hebben nu juist die eigenaardige gelige tint gekregen waarop oudheidkundigen zo gek zijn.”

Dat er veel geld uit de Zaanse houtindustrie naar het NSF stroomt is geen toeval, met branchegenoten als Jaap Buijs en Remmert Aten in de gelederen. Er komen onder meer leenovereenkomsten met houtwarenfabriek De Zaan (ƒ1000,-), de Bruynzeelfabriek (ƒ50.000,-) en de houthandels H. Simonsz (ƒ100.000,-) en Wed. Stadlander Middelhoven (ƒ50.000,-). De Zaandamse houtverwerker William Pont staat zelfs ƒ325.000,- af aan de organisatie en behoort daarmee tot de top, ook nationaal.

Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven betrekt Buijs zijn collega Aten bij de NSF-Vakgroep J. “Dit hele plan was dus door Wally en Jaap Buijs reeds uitgewerkt, terwijl zij op zich namen het geld dat op den duur nodig zou blijken te fourneren. De leden van de Vakgroep (het werden er vijf) hoefden zich hier het hoofd niet over te breken”, weet Remmert Aten. Buijs treedt in eerste instantie op als contactpersoon tussen het NSF en Vakgroep J, een rol die later wordt overgenomen door Rotterdammer Douwe Westra.

Niet helder is in hoeverre Jaap Buijs individuele joden in veiligheid heeft helpen brengen. Een van de weinige herinneringen hierover komt van Van Halls dochter Mary-Ann. “Nadat we naar Amsterdam verhuisd waren in 1953 kwam oom Jaap regelmatig langs en vertelde op een keer hoe hij in de oorlog een joods meisje had opgehaald bij de ouders, om te zorgen dat ze ondergebracht kon worden bij een onderduikadres. Tijdens het vertellen over dat hartverscheurende afscheid barstte hij in tranen uit. Het liet een onuitwisbare indruk bij mij achter.” Buijs kleindochter Charlot weet nog dat haar vader vertelde ‘over een netwerk om joden te verbergen in het ziekenhuis te Zaandam’.

Er zijn weinig zaken waarmee Buijs geen bemoeienis heeft. Verreweg de meeste energie gaat zitten in het vinden van plaatsen voor onderduikers. Weeda: “Neem daarbij nog het halen van springstoffen bij de Hembrug, het wegbrengen van Engelse vliegers en alle mogelijke illegale activiteit. De zorg voor de onderduikers was overstelpend. We moesten ook voor bonnen zorgen en voor geld en valse p.b.’s. (…) Op een gegeven moment (februari/maart 1944) werd het door de mannendeportatie overstelpend druk met de geldzendingen. Ik kon het niet meer af, temeer daar ik steeds voor vergaderlokalen van de wekelijkse topvergaderingen moest zorgen. Toen zei Van Hall tegen mij: ‘Je moet maar beginnen wat koeriersters erbij te nemen, alleen meisjes-studenten’. Buijs kwam toen met Miep Eikema.”

Aandacht voor zijn houthandel heeft Buijs niet of nauwelijks. In de weinige minuten die hij naast zijn sabotagewerkzaamheden over heeft is hij in een geheim kamertje van zijn woning aan de radio gekluisterd, hopend op nieuws van Radio Oranje.

4.

De noodzaak tot samenwerking wordt steeds groter. De behoefte aan hulp neemt toe, de bezetter treedt met de week meedogenlozer op. Alleen door beter op elkaar in te spelen kan de illegaliteit effectief weerwoord geven. Walraven van Hall neemt het initiatief tot de stichting van de Kern, de eerste coördinatie van uiteenlopende Nederlandse verzetsbewegingen. Het NC en de LO zijn de andere voorlopers binnen dit gezamenlijke tegenspel. Het is dan december 1943. Jaap Buijs: “De Kern is opgericht nadat er een vergadering is geweest in Utrecht van de LO en het NSF. Er is toen een bespreking geweest tussen de heer Van Hall en mij en toen hebben we gezegd: er moest eigenlijk een verband komen tussen de groepen onderling. Hierin moesten wij alles kunnen betrekken. De heer Van Hall heeft toen gesproken met onder andere de heer Neher en mensen van de LO. (…) Het motief van onze kant was dat er nog allerlei fouten voorkwamen in de illegaliteit. Het was namelijk zo dat een deel van de lui hoge prijzen maakte voor bonkaarten en voor persoonsbewijzen die vervalst werden. Kortom, het ging toen niet goed.”

Van Halls hoofdkoerier Weeda: “Men werkte veel langs elkaar heen, zodat er onderduikers waren die drie bonkaarten kregen. Van Hall heeft toen de verschillende kopstukken bij elkaar geroepen in Amsterdam. (…) Toen is de wekelijkse bijeenkomst van de verschillende organisaties ingesteld. Bij de eerste vergadering bleek al dat er ongeveer een 90.000 bonkaarten te veel werden uitgegeven. De hele bonnendistributie werd toen in handen van Jan Goedkoop gelegd. De LO zorgde van toen af als enige organisatie voor de onderduikers (bonkaarten, adressen en p.b.’s). Het NSF zorgde voor het geld.”

Hoewel de Kern dus aanvankelijk ontstaat om de hulp aan onderduikers af te stemmen, neemt het aantal deelnemers en daarmee het aantal te coördineren werkzaamheden snel toe. Op een vraag over de werkwijze van de Kern antwoordt Buijs: “Die was op de eerste twee vergaderingen wild. Er was geen begrip, wat die samenwerking beduidde. Er werd toen gesproken over de moeilijkheden met de bonkaarten. Met Van Hall heb ik een gesprek gehad en ik zeide: ‘Wij moeten hierover eens spreken, er moet leiding komen’. Na afloop van de tweede of derde vergadering heb ik een voorstel gedaan, toen Van Hall er niet was, om een voorzitter te benoemen, die de leiding zou nemen. Gerrit van der Veen zei: ‘Wij hebben een baan voor je’. Het is meestal zo dat als je een voorstel doet je er zelf inloopt. Ik kan u wel zeggen dat het een hele verantwoordelijkheid is geweest, want toen stond mij klaar voor de geest wat ik wel op mij had genomen. Eind 1944, toen men mij een compliment maakte over de leiding, merkte ik op: ‘Jullie beseft niet eens wat het is, want het valt niet mee voorzitter te zijn van een vergadering welke uitsluitend uit voorzitters bestaat’. Het is een zeer moeilijke taak geweest.”

Ondanks dat er binnen enkele maanden tien landelijke verzetsgroepen zitting nemen in de Kern en er wekelijks overleg plaatsvindt, krijgen de Duitsers geen grip op het genootschap. Buijs: “Er is van de Kern nooit iets achterhaald en dit kwam doordat Van Hall en ik alleen de plaats wisten van de vergadering. Wij spraken dan bijvoorbeeld met de lui af: ‘Ik sta voor het Binnengasthuis en hij staat daar en daar’. Onder het voorbij lopen zeiden wij dan waar ze naartoe moesten. Er kon dus nooit verraad zijn, want men kreeg pas een half uur voor de vergadering het adres.”

Eén keer is het overigens kantje boord. Weeda: “Toch is het nog voorgekomen dat op één dier vergaderingen in de Vondelstraat de zaak niet pluis was, doordat een der deelnemers niet verscheen, maar een koerierster kwam vertellen dat deze verhinderd was. Een der aanwezigen herkende deze koerierster echter als provocatrice, waarop bedoelde dame aan de praat gehouden werd en de overigen ongemerkt naar een andere gelegenheid gingen.”

Elke donderdag neemt Buijs de trein naar Amsterdam om daar de vergadering te leiden. Vanaf 8.00 uur ’s morgens komen de algemene oorlogshandelingen aan bod, ’s middags gaan de aanwezigen gedetailleerder in op hetgeen er moet gebeuren. Het belangrijkste gespreksonderwerp blijft overigens de hulp aan onderduikers. Er is een schreeuwende behoefte aan bonkaarten, geld, kleding, voedsel, vervalste documenten en geschikte verblijfsadressen. Maar ook staan er geregeld liquidaties en overvallen op de agenda. Arie van Velsen: “Daar was als het ware een beurs voor de practici van de techniek der illegaliteit. Daar werden bonnen verruild, ‘hoekjes’ bij duizenden overhandigd, illegale papieren ontworpen, offensieve handelingen besproken. Daar is nimmer aan politiek gedaan en daar wist men niet eens tot welke politiek de andere behoorde. De non-politieke middengroep had het initiatief.”

Het NSF groeit al snel uit tot dé financier van het verzet, de Kern tot het belangrijkste gremium van ondergronds Nederland. Dat het inderdaad niet makkelijk is om leiding te geven aan de groep eigenzinnige, politiek en levensbeschouwelijk verschillend denkende verzetsmensen merkt Buijs keer op keer. Dat komt misschien wel het sterkst tot uiting wanneer Dré Ausems zijn regeringstelegram wil voorleggen aan de Kern. De door hem ontvangen boodschap dat ‘de koningin het als een noodzakelijkheid ziet dat een coördinatie tot stand komt van alle ondergronds erkende groepen’ leidt tot heftige discussies. Waar Wilhelmina eerder alleen haar hoop uitsprak op verregaande samenwerking oefent ze nu pressie uit. Voorzitter Buijs beseft, nadat Ausems op 23 juni 1944 het telegram heeft voorgelezen en toegelicht tijdens de wekelijkse Kern-vergadering, dat de aanwezigen tijd nodig hebben voor een bespreking in eigen kring. De eveneens geïnformeerde ondergrondse pers (die in grote meerderheid niet wil deelnemen aan de Kern) belegt de 26ste en 27ste eigen bijeenkomsten. Ze worden het er alleen over eens dat er ‘een romp van enkele lieden die hoge invloed hebben’ moet komen, met daar omheen ‘een twintigtal lieden, politiek van schakering, die potentieel de eisen van het telegram ten uitvoer kunnen leggen’.

In de middag van 27 juni komt ook de Kern bij elkaar. Buijs geeft als eerste het woord aan Catharinus Caljé, de vertegenwoordiger van de Ordedienst. Deze jurist betoogt dat zijn eigen organisatie als enige in aanmerking dient te komen om het vacuüm op te vullen tussen de Duitse capitulatie en de verkiezing van een nieuw parlement. Zijn verklaring leidt tot een stroom van reacties en tegenreacties. Johannes Post (LKP) en Wim Speelman (Trouw) achten de Kern onbevoegd om zelfs maar te spreken over het regeringstelegram, de LO stelt voor een aparte commissie te benoemen die een antwoord moet formuleren op het telegram. De onderlinge sfeer wordt, aldus een verslag, ‘onaangenaam’.

Buijs nuanceert dat later: “Inderdaad heeft het telegram aanleiding tot enige wrijving gegeven. Men moet hiervan echter geen overdreven voorstelling maken, want er zijn geen felle botsingen geweest. Ik herinner mij nog dat ik de hamer met geweld neer liet komen en tot Johannes zeide: ‘Jij bent met politiek bezig. Het gaat er alleen maar om een bepaalde toestand na de oorlog te overbruggen’. Johannes ging toen mee en toen is besloten deze zaak in een aparte vergadering uiteen te zetten.” Buijs is daar niet bij. De organisaties waarbinnen hij opereert machtigen Lambertus Neher om er knopen door te hakken. Deze historische, op 3 juli gehouden vergadering leidt tot de breed gedragen, maar uiterst fragiele Contact-Commissie der Illegaliteit, een bundeling van twintig nationale verzetsgroepen.

De keuze voor Neher als hun vertegenwoordiger tekent de bereidheid van de gebroeders Van Hall en Buijs om samen te werken en te delegeren. In tegenstelling tot tientallen uit de vooroorlogse verzuiling voortgekomen organisaties verkiezen zij een open benadering. Hun brede visie maakt hen acceptabel voor zowel linkse als rechtse verzetsgroepen. Centraal staat in hun ogen de verhardende strijd tegen de vijand. Onderlinge verschillen en vetes dienen daarvoor te wijken.

Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, golft er een nieuwsstroom over Nederland, mede in de wereld geholpen door Radio Oranje. De meeste verhalen bevatten één centrale boodschap: de geallieerden staan op het punt om heel Nederland te bevrijden. Die conclusie klopt niet, maar feit is wel dat Brussel en Antwerpen even daarvoor zijn heroverd op de Duitsers en de bevrijding een kwestie van dagen lijkt. “Op straat ziet men de NSB’ers vluchten – ze moeten voortmaken, anders lopen ze nog in de val”, schrijft de latere BS-commandant Johan Wastenecker. “De stad is vol geruchten, ze bevestigen de snelle opmars der geallieerden… ze zijn al over de Moerdijk, Rotterdam is bevrijd… Iemand vraagt: ‘Zullen ze verder oprukken in de richting van Den Haag?’ Een ander meent: ‘Natuurlijk, als Rotterdam bevrijd is, moet de voorhoede al verder zijn, op weg naar Den Haag’. Een derde vangt het gesprek half op, en hoort alleen: ‘De voorhoede… op weg naar Den Haag’, hij heeft nieuws gehoord.”

Op 5 september worden ook de Binnenlandse Strijdkrachten opgericht. Walraven van Hall probeert op landelijk niveau deze samenvoeging van RVV, KP en OD te ondersteunen met kantoorruimte, geld en personeel. In Zaandam functioneert Buijs’ houthandel in die beginfase als het centrum van de regionale driehoek. Vanuit Londen is voorgeschreven dat in de gewesten, districten en gemeenten delta’s ontstaan, waarin de drie gewapende strijdgroepen als gelijken met elkaar omgaan. Het Zaanse district valt binnen Gewest 11 van de Binnenlandse Strijdkrachten, Noord-Holland boven het Noordzeekanaal. Jaap Buijs woont namens het NSF en het NC de topvergaderingen bij, waarmee deze delta een vierkant wordt. De top selecteert geschikt personeel en overlegt over de plaatselijke bevelsstructuren. Het NSF zorgt ook nu weer voor de benodigde financiën.

De continue geallieerde aanvallen op het Duizendjarig Rijk brengen veel vliegverkeer boven Nederland met zich mee. Zo ook op 11 september 1944. De viermotorige bommenwerper Betty-Jane wordt bij een van haar aanvallen op Duitsland in de buurt van Hannover geraakt door vijandig vuur. Het vliegtuig probeert de Engelse thuisbasis te bereiken, maar verliest snel hoogte. Gezagvoerder M. Olson beveelt zijn Amerikaanse bemanning de parachutes om te gespen en het toestel te verlaten. De tweede piloot waagt vervolgens een (overigens succesvolle) poging om met de van ballast ontdane B24 terug te vliegen naar Norfolk. De negen parachutisten maken een behouden landing op diverse plekken in de Zaanstreek. Het verzet slaagt er in om acht van hen onder te brengen op veilige plaatsen, de negende valt in handen van de Duitsers. De Sicherheitsdienst neemt geen genoegen met die ene gevangene en dreigt met represailles als de militairen niet tevoorschijn komen. Vier Zaankanters worden aangewezen als Todeskandidat. Het leidt niet tot een overdracht van de Amerikanen. Twee dagen na hun dreigement executeren de Duitsers inderdaad hun gijzelaars.

Daarmee is de wraakactie overigens niet voorbij. Er zijn nog achttien mensen gevangengenomen, inwoners van de Zaanstreek. De overdrachtseis blijft en daarmee de dreiging dat er meer doden vallen. Uit een naoorlogs verslag van de Zaanse illegaliteit: “Natuurlijk volgt hierop weer een algemene verslagenheid en was de ‘hoera’-stemming van het publiek in no time omgezet in een stemming ‘dat die Amerikanen zich hadden aan te melden’. Vanzelfsprekend was dit niet zo eenvoudig. De Amerikaanse vliegeniers hebben uitdrukkelijk opdracht om zich alleen in het uiterste geval aan de vijand over te geven en zij moeten op alle mogelijke manieren contact zien te krijgen met de Binnenlandse Strijdkrachten of zich door de linies heen werken om zich weer bij hun eigen eenheden te begeven’.

Een verzetsdelegatie, bestaande uit Buijs, August Sabel en Willem Levend, komt in allerijl bijeen, aangevuld met de politieman Tonny Jansen. De situatie leidt tot sombere bespiegelingen, mede omdat de ongenaakbare politiechef Hanns Albin Rauter aanvullende sancties in het vooruitzicht stelt, in de vorm van een slachtpartij onder 100 tot 150 willekeurige burgers. Na stevige onderlinge debatten capituleert het verzet uiteindelijk, zij het dat slechts zes van de acht Amerikanen worden overgedragen. Ze overleven de oorlog in een krijgsgevangenenkamp. De achttien Zaanse gijzelaars komen op vrije voeten.

5.

De nationale spoorwegstaking, op 17 september 1944 uitgeroepen door de Nederlandse regering in ballingschap, levert meer problemen op voor de illegaliteit dan voor de machthebbers. Na het door Londen uitgezonden codebericht dat ‘de kindertjes van Versteeg onder de wol kunnen’ komt vrijwel het gehele treinverkeer tot stilstand. Iedereen -NS-directeur Wim Hupkes voorop- verwacht dat de oorlog binnen een maand achter de rug zal zijn. Zo’n korte periode is goed te overbruggen met de ‘invasiekassen’ die de spoorwegen eerder hebben aangelegd. Maar omdat de luchtlandingsoperatie Market Garden mislukt en de geallieerde opmars hapert, komt niet alleen de uitbetaling van de stakers in gevaar, maar wordt het ook op slag moeilijker om eerste levensbehoeften naar het westen van Nederland te vervoeren. Bovendien zijn in één klap de ondergrondse verbindingen verstoord.

Het Nationaal Steunfonds heeft overigens al in het voorjaar van 1944 gepoogd de NS aan te zetten tot een werkonderbreking. Het stoort de leiding dat de treinen blijven rijden, ook met joden op weg naar het concentratiekamp en met munitievoorraden voor de nazi’s. Buijs: “Reeds in de eerste bespreking met de stationschef van Amsterdam kwam de vraag naar voren wanneer de spoorwegen in verzet zouden komen. Hij antwoordde ons dat wij ons daarover niet ongerust behoefden te maken. Op een bepaald moment zou dat zeker gebeuren, alles was hier op voorbereid. Later bleek dat er niets was voorbereid. Ik vroeg hem een lijst van verschillende stationschefs. Die lijst was onvolledig en de chefs bleken in het algemeen zeer afkerig om zich met de illegaliteit te bemoeien.”

In 1947 heeft het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie over die eerste stakingsaanzet een vraaggesprek met NSF-functionaris Douwe Westra. Het Nationaal Steunfonds was volgens hem bereid de salarissen van het spoorpersoneel over te nemen als de NS daar niet toe in staat bleek. “Het NSF had ervaring met het opbouwen van een distributieapparaat. Het NSF heeft toen via de heer Buijs laten vragen wie de vertrouwensmannen van de spoorwegen waren. (…) De heer Buijs gaf de heer Westra op een bespreking een briefje met de namen van de vertrouwensmannen van de spoorwegen.”

Diverse keren roeren zowel Van Hall als Buijs de NSF-stakingswens aan bij stationschef W. Jongstra. Hun pogingen zijn vergeefs. Volgens Jongstra en Hupkes is de tijd nog niet rijp voor een openlijke demonstratie tegen de Duitsers. Daarnaast wantrouwt Hupkes de in zijn ogen weinig professionele illegaliteit. Een geïrriteerde Walraven van Hall zal de NS-directeur er in november 1944 nog eens aan herinneren, op een moment dat er wederom wrijvingen zijn met de spoorwegleiding: “Negen of tien maanden geleden had het NSF contact opgenomen met de daartoe aangewezen functionarissen, om maatregelen voor te bereiden in geval van uitbreken van een staking. Van spoorwegzijde werd de noodzakelijkheid tot het treffen van gemeenschappelijke voorbereiding ternauwernood aangevoeld. Bovendien bleken in het overgrote deel van het land de aangegeven contactpunten niet toegankelijk voor de NSF-functionarissen.”

De spoorwegdirectie besluit om pas in actie te komen tijdens de laatste oorlogsfase, hopend daarmee het eind van de strijd te versnellen. Bovendien wil directeur Hupkes zijn bedrijf alleen stilleggen na een oproep daartoe vanuit Engeland. In die fase laat Buijs de onderhandelingen met de NS-directie over aan andere NSF-leden. “Ik ben daarvoor eenmaal bij Hupkes geweest. Ik had het n.l. veel te druk om daar steeds naar toe te gaan. Van Hall is er meerdere malen geweest en ook naar ik meen Gijs van Hall 1 of 2 keer. Het gesprek dat wij hebben gehad ging in hoofdzaak om het punt wie de uitkering aan de stakende arbeiders enz. zouden doen. Wij stonden er op dat wij dat zouden doen, omdat wij de illegaal geschoolde krachten hadden. Hupkes en Joustra vooral wilden dit niet, maar het NSF heeft dit, behoudens kleine uitzonderingen, toch gedaan.”

De belangrijkste werknemersvereniging van de NS stelt hoge eisen aan subsidiënt NSF. Om de staking gaande te houden, zo verlangt Personeelraad-voorzitter Joustra, moeten niet alleen de salarissen worden doorbetaald, inclusief de overwerkpremies, maar dient er ook een kerstgratificatie te komen. Bovendien eist hij dat communistische voormannen worden uitgesloten van betaling. Joustra ziet ze als opponenten van de Personeelraad en wil voorkomen dat ze na de oorlog te veel invloed krijgen via hun eigen vakbond. Aan dat laatste decreet komt het zoveel mogelijk a-politiek manoeuvrerende NSF niet tegemoet, maar de uitbetaling van de reguliere lonen en toeslagen vindt wel doorgang. Een geïrriteerde Buijs: “Er is zeer gebrekkig geholpen van de zijde van de NS. Het waren geen illegaal beproefde mensen, die bij de spoorwegen werkten. Het was buitengewoon moeilijk om met die mensen contact te leggen.”

Uit hetzelfde verslag: “De heer Buijs zegt dat Joustra, voor zover hem bekend, helemaal niet populair was. Hij heeft z.i. door de uitkeringen in eigen hand te willen houden getracht goed te maken wat hij in de eerste oorlogsjaren bedorven had. De heer Buijs merkt op dat de heer De Boer uit Haarlem met nog iemand bij hem geweest is om te informeren wat zij moesten doen. Zij zeiden dat zij liever geen geld ontvingen dan dat zij het van Joustra zouden krijgen. De heer Buijs zei hen toen dat zij niet al te onsympathiek tegenover Joustra moesten staan en hij beloofde hun dat de Joustra-groep in Haarlem bij de NSF-groep zou worden ingeschakeld.”

Vader en zoon Buijs zetten zich belangeloos in om de landelijke werkonderbreking tot een succes te maken. Cees: “Nog hoor ik het gejank der honden en katten, die op 5 december voor onze deur stonden. Want wat was het geval? In de gang stonden 2 kisten vol paling, bestemd als sinterklaascadeautje voor de spoorweglieden. Het hele huis rook er naar en wij liepen de gehele dag te watertanden. Wat hadden we er zelf graag eentje op onze boterham gehad.”

De erecode staat het niet toe. Cees Buijs: “Nog voelen wij de aardappelklei tussen onze vingers bij de verdeling der piepers, die met vele omzwervingen op de plaats van bestemming moesten komen. Ja, veel is er gezwoegd en gesjouwd en slechts weinigen weten hoeveel. Want bij alle dankbaarheid waren er nog velen, die niet begrepen wat een enorm werk er aan vast zat om aan al hun behoeften tegemoet te komen.”

Het NSF beheert miljoenen guldens. Slechts een klein deel daarvan blijft binnen de eigen organisatie, en dan nog alleen om de lopende kosten te dekken. Jaap Buijs: “Men heeft bij het NSF altijd op het standpunt gestaan dat men niet werkte om zichzelf te verrijken. Men vond ook dat de bonkaarten gratis uitgereikt moesten worden. Toen onder andere bleek dat er op het gebied van de voedselvoorziening begunstiging van illegale werkers voorkwam, is Wally van Hall hier fel tegenop gekomen in de Kern.”

Aan bovenstaand citaat voegt Buijs in eerste instantie toe dat Van Hall en hij tijdens een bezoek aan de LO worden verwelkomd met gebakken eieren, een zeldzame lekkernij tijdens de hongerwinter. Van Hall levert volgens hem stevige kritiek op deze ‘vriendjespolitiek’. In het eindverslag is deze sneer aan de LO op verzoek van Buijs verwijderd, waarschijnlijk om politiek-correcte redenen. De Kern-notulen geven er nog wel iets over prijs, onder de kop: ‘Houding en levenswijze van ondergrondse werkers’: “Klachten van niet-illegale burgers dat illegale werkers veel te royaal leven. ‘Als je maar illegaal werkt, dan heb je een herenleventje: veel eten, veel roken en geld genoeg’, werd in Amsterdam gehoord.”

Jaap Buijs heeft zijn handen vol aan nog een nieuw initiatief, de Stichting 1940-1945. Al in 1943 speelt het idee van de naoorlogse verantwoordelijkheid voor de verzetsmensen en hun families. LO-medewerker Piet Verburg ontwikkelt daartoe Plan-F. Hij is weinig optimistisch over hetgeen de vaak door oorlogsleed getroffen verzetsgezinnen na de oorlog kunnen verwachten van de grote massa, die zich al die jaren afzijdig heeft gehouden. “Wat zal het verzet derhalve straks aan omzetting der geesten kunnen doen?”, piekert hij. “Is het niet geraden om, wanneer de illegaliteit hier een taak heeft, zich niet door de vrede te laten overrompelen, doch straks klaar te zijn? En vraagt dit niet weer aansluiting, bundeling?”

De LO-Topvergadering komt in het voorjaar van 1944 tot een uitwerking van zijn ideeën. De ondersteuning van oud-verzetsmensen en hun gezinnen, financieel en anderszins, staat daarbij centraal. Verder is er aandacht voor het in ere houden van de verzetsgedachte en het geven van advies over zuivering en berechting van oorlogsmisdadigers. Via de LO komt Plan-F terecht bij de Kern. Daar krijgt het een enthousiaste ontvangst. Het uitwerken van de taken wordt in handen gelegd van een kleine groep onder auspiciën van de Kern. Een van de deelnemers is Jaap Buijs. Namens het NSF begeeft hij zich in de lente van 1944 naar de achterkamer van een zaak in scheepsbenodigdheden aan de Amsterdamse Prins Hendrikkade. Het is de eerste vergadering van deze interim-werkgroep. Het voornaamste agendapunt: de structuur van de toekomstige organisatie. Verburg: “Nimmer is daarbij ernstig in geding geweest de grondgedachte, die reeds bij het initiatief in de zomer van ’43 had voorgezeten en die toen zo uitgedrukt was, dat een verzetsweduwe nooit zich gedwongen mocht zien om aan een ambtenarenloket te komen soebatten – nooit is deze grondidee ernstig aangevochten: hierover was men het eens! Doch ook daarover, dat straks de basismiddelen van de overheid zouden moeten komen. In weerwil van deze vaste uitgangspunten bleef er evenwel nog veel te formuleren, te definiëren, te beslissen over.”

Keer op keer reist Buijs voor overleg naar Amsterdam, eerst nog per trein en na de spoorwegstaking fietsend. Bij de werkgroep overheerst een gevoel van urgentie. De geallieerde legers nemen nazi-Duitsland in een houdgreep en het einde van de oorlog lijkt een kwestie van weken. Besloten wordt een plenaire vergadering te organiseren, waar de leiders van alle vooraanstaande verzetsorganisaties hun zegen moeten geven aan de te vormen organisatie. “Het was de gevaarlijkste vergadering die ik ooit in de oorlog had bijgewoond. Je wist niet wie wie was. Er kon een provocateur onder ons zijn. We konden overvallen worden”, zegt Vrij Nederland-vertegenwoordiger Arie van Namen. “Ik had helemaal geen idee waar het zou zijn. Ik had het bericht doorgekregen dat ik ’s ochtends om half tien bij het Rijksmuseum moest zijn. Daar zou een vent mij afhalen. Ik had een stukje papier gekregen. Hij had ook zoiets. Die twee stukjes moesten op elkaar passen. Een Turks pasje noemden ze dat in de illegaliteit. Het klopte. Ik had ook een wachtwoord, maar dat ben ik vergeten.”

De vergadering op 13 oktober verloopt zonder problemen. Een van de aanwezigen -er zijn afgevaardigden van 21 organisaties- komt op het idee de nieuwe organisatie te tooien met de naam Stichting 1940-1944. Het tekent het algemene optimisme over een snelle afloop van de oorlog. Jaap Buijs neemt namens de vakgroep Natura en het Nationaal Steunfonds zitting in het bestuur. Hij krijgt gezelschap van zes collega’s, die zowel de linkse als de rechtse verzetsorganisaties representeren. Ze tekenen een door Johan van Lom opgestelde concept-stichtingsakte waarop het verboden oranjezegel prijkt, al gebruiken ze daarvoor wel hun schuilnamen. “Om uitdrukking te geven aan het verantwoordelijkheidsgevoel van de deelnemers aan het binnenlandse verzet gedurende de bezetting voor elkanders moeilijkheden en noden, besluiten ondergetekenden, daartoe aangezocht door de vertegenwoordigers van nagenoeg alle illegale groeperingen

Jan van Andel te Assen,
Andries Bartels te ’s-Gravenhage,
Dolf de Bruyn te Amsterdam,
Hugo den Hollander te Hilversum,
Bob Martel te Amsterdam,
Jan Ruys te Amsterdam,

een bedrag van ƒ100,- af te zonderen en daarmede in het leven roepen en te Amsterdam te vestigen de Stichting ‘1940-1944’.” Tot aan het januariverraad zal het bestuur om de veertien dagen vergaderen, op telkens wisselende adressen.

Ook op andere terreinen moeten er natuurlijk maatregelen genomen worden om de overgang van nazi-dictatuur naar parlementaire democratie zonder grote schokken te laten verlopen. Het leidt tot felle discussies tussen de linkse en rechtse stromingen binnen de illegaliteit. Buijs en Van Hall zijn aanhangers van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), een brede, progressieve partij die gegrondvest moet zijn op zowel het humanisme als het christendom. Een in het gijzelaarskamp van Sint Michielsgestel opgesloten groep politici heeft hierover de eerste gedachten geformuleerd en er een basis voor gelegd. Maar naarmate de bevrijding dichterbij komt worden er ook plannen ontwikkeld voor een Nationale Adviescommissie (NAC) die, bij gebrek aan een gekozen parlement, de regering tot aan de eerste vrije verkiezingen terzijde moet staan. De Grote Adviescommissie der Illegaliteit (de uiteindelijke bundeling van het verzet) is voorstander van een uit ruim vijftig leden bestaande NAC. De vertegenwoordigers van dit college dienen afkomstig te zijn uit het verzet, de vooroorlogse politieke partijen en sociaal-economische organisaties.

Buijs en Van Hall zijn bang voor een herhaling van de polarisatie en de verzuiling zoals die ook bestond aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. LO-leider Heinrich Douqué: “Dijkstra [het pseudoniem van Lambertus Neher, E.S.], Van Tuyl [Van Hall] en Buijs hadden plannen over politieke groeperingen voor na de bevrijding, naar aanleiding van de telegrammen die van de overkant gekomen waren. In een Kern-vergadering zaten Van Tuyl, Buijs en Dijkstra fel in de oppositie tegenover ons; Henk [Henk Dienske], Hugo [Teus van Vliet] en mij. Wij zaten naast elkaar.” De drie conservatieve LO-leiders hebben in de ogen van hun opponenten geen alternatief voorhanden: “Oefen maar kritiek, maak liever een plan”, klinkt het van NSF-/NC-zijde. “Goed, dan zullen wij een plan maken”, reageren de LO’ers. “We hebben toen met z’n drieën een plan opgemaakt en dat plan is eigenlijk helemaal overgenomen. Daaruit is het basisplan van de Nationale Adviescommissie ontstaan”, zegt Douqué. Buijs en Van Hall komen er niet aan toe om op het beslissende moment hun ideeën over de ‘doorbraakgedachte’ uit de doeken te doen. Buijs zit dan namelijk al enkele maanden gevangen, Van Hall is inmiddels om het leven gebracht.

Begin 1944 hebben het Nationaal Comité van Verzet, het NSF en de LO de al eerder genoemde vakgroep Natura opgericht, die met name zeemansvrouwen en verzetsmensen moet voorzien van voedsel, kleding, papier en andere goederen. Veel verzetsmensen raken ondervoed en het komt zelfs voor dat een NSF-inspecteur geveld door de honger flauwvalt langs de kant van de weg. De voormalige luitenant-ter-zee Jan Bottema (‘Van Buuren’) krijgt de dagelijkse leiding over Natura, Buijs wordt voorzitter. Het inzamelen van goederen komt moeizaam op gang, maar in juni 1944 ontstaan er her en der voorraaddepots, vooral in de grote steden. De spoorwegstaking van september, verscherpte controles en Duitse voedselvorderingen gooien vervolgens roet in het eten.

Rond de jaarwisseling van 1944/’45 stuurt Walraven van Hall een brief aan kapitein Filippo. “Onze vriend Van Buuren had begin september zijn post verlaten, zodat Natura vrijwel stil lag. Het is nu weer op gang gebracht, zodat de dames dezer dagen weer eens wat zullen ontvangen. De textiel was nog net goed gegaan, alhoewel wij eerst vreesden dat door de arrestatie van Ter Heiden de zaak scheef lag. Ter Heiden is dezer dagen gelukkig weer vrij gekomen. De gehele voorraad die er was is echter verloren gegaan. We mogen van geluk spreken dat de pakketten voor onze dames net de deur uit waren. Met Van Buuren staat de zaak slechter. Hij werd in Alkmaar gearresteerd, wist te ontsnappen, maar werd enige uren later gegrepen. Sindsdien horen wij niets meer en is ook niet bekend waar hij zit.”

In kort bestek schetst de NSF-voorman hiermee de problemen met Natura. Jan Bottema is begin november 1944 gearresteerd bij een wegcontrole en -maar dat weet Van Hall nog niet op het moment van schrijven- op 17 december in Wormerveer gefusilleerd bij wijze van represaille. Bernard Terheijden (‘Ter Heiden’) levert met zijn Industrie- en Handelsonderneming Zürcher & Co. kleding en schoenen aan Natura, met als eindbestemming tal van verzetsgroepen. “Aanvankelijk betrof het uitsluitend textielgoederen voor hulp in de gezinnen [van zeelieden, E.S.], totdat de heer Van Hall met de leiders der verschillende verzetsgroepen mij een bezoek brachten en er op aandrongen de textielinzamelingen uit te breiden in de meest uitgebreide zin, met inbegrip van schoenen, omdat de situatie in Nederland de vorm had aangenomen dat alle verzetsgroepen moesten worden voorzien. Verpleegstersuniformen en kousen en schoenen voor de ordonnansdiensten, herenkleding voor gedropte personen, dekens voor verzetsgroepen, waarvoor mij een lijst van ca. 16 illegale groepen en adressen ter hand werd gesteld.” Maar ook Terheijden wordt in november opgepakt.

Aan Jaap Buijs de taak om orde op zaken te stellen, als voorzitter van Natura en lid van de daaraan gekoppelde Textielcommissie. Het lukt om met name in en rond Amsterdam en Den Haag de organisatie weer een beetje op poten te zetten. Zo kunnen gastvrouwen van joodse onderduikers en partners van zeelieden (de door Van Hall genoemde ‘dames’) zich bij winkelfilialen melden. Op vertoon van voedselbonnen ontvangen ze er heimelijk ingezamelde levensmiddelenpakketten. Fabrikanten stellen goederen beschikbaar, van het platteland worden voedselvoorraden gesmokkeld. Diverse Zaanse bedrijven verkopen artikelen op de pof. De oliefabrieken Het Hart en De Zwaan bijvoorbeeld leveren Natura 10.000 kilo gemalen koolzaad, oliefactorij Pieter Bon ijzeren vaten voor de opslag. Cees Buijs: “De krappe aardappelsituatie maakte de toestand niet makkelijker, ofschoon enkele malen clandestiene schepen clandestiene aardappelen uit Friesland hebben gehaald, welke speciaal voor onderduikers werden bestemd. Ook door het laten onderduiken van schepen met levensmiddelen en goederen, bestemd voor de Duitsers, die dan plotseling met schipper en al ‘spoorloos verdwenen’, is men in het bezit gekomen van levensmiddelen, bestemd voor onderduikers. Wanneer het dan gebeurde dat door verraad zo’n opslagplaats door de Duitsers werd leeggehaald, stond het huilen ons nader dan het lachen.

“8 januari [1945]. De termijn van aanmelding voor de Arbeidseinsatz is voorbij. In Zaandam hebben zich van de 8.000 mannen die er voor in aanmerking kwamen ongeveer 400 gemeld, waaronder vele invaliden en personen die toch vrijgesteld zouden worden”, noteert historicus Gerrit Jan Honig in zijn oorlogsdagboek. De geringe meldingsbereidheid van de beoogde dwangarbeiders is mede het gevolg van spoedoverleg tussen de Zaanse verzetsleiders. De bezetter gebruikt de kerstdagen om een algemene arbeidsdienstplicht voor mannen van 16 tot 40 jaar af te kondigen. Radio Oranje bericht daarop de Nederlandse bevolking dat medewerking wordt gelijkgesteld aan collaboratie en roept op tot een boycot. De Duitsers op hun beurt dreigen met straffen voor weigeraars. Ze zetten aanplakbiljetten in om dwangarbeiders te ronselen.

Op initiatief van de Kern en de Grote Adviescommissie der Illegaliteit wordt het Landelijk Werkcomité (LWC) opgericht, dat als oogmerk heeft om de arbeidsplicht te ontregelen. Ook binnen het LWC is Van Hall de spin in het web, nationaal en regionaal. Eerste kerstdag komt er een Zaanse verzetsdelegatie bijeen in zijn woning. De deelnemers bespreken de mogelijkheden om weerstand te bieden. LO-voorman Kees Kraay: “De zondag dat die bekendmaking aangeplakt was hebben wij samen met Buijs en Van Hall en Sabel, een NC-man, een manifest opgesteld. Dat is gedrukt en opgeplakt en er is meteen besloten door te geven dat alle bevolkingsregisters gekraakt moesten worden in de nacht van tweede kerstdag en de dag erop.” De makers van het illegale dagblad De Typhoon vermenigvuldigen de pamfletten met een oproep tegen de zogenoemde Liese-Aktion. Ze worden nog dezelfde kerstnacht over de Duitse posters geplakt.

In de weken erna dient de tekst als voorbeeld elders in Nederland. Knokploegen die her en der gemeentehuizen ontdoen van persoonsgegevens completeren de tegenstoot. “Wat er voor een dergelijk werk aan organisatie nodig is, kan moeilijk worden beschreven”, memoreert een verzetsman. “Iedereen die er ook maar iets mee te maken had kwam in het gareel. Alle gemeentehuizen moesten worden bekeken, maar gelukkig was het in vele kleine plaatsen zo dat de zaak allergenoeglijkst met de bewaking in orde gebracht kon worden.” Ondanks straatcontroles en razzia’s wordt de arbeidsplicht een mislukking.

Op 12 januari 1945 eindigt Buijs’ voorzitterschap van de Kern. Onafhankelijk van elkaar zijn daarvoor twee redenen. Allereerst verspreidt het Landelijk Werkcomité die vrijdag een ondergronds communiqué waarin het de opheffing van de Kern bekendmaakt: “In verband met de actie tegen de afgekondigde arbeidsdienstplicht hebben de gezamenlijke verzetsbewegingen in Nederland een Landelijk Werkcomité gevormd (kortweg LWC). De werkcommissie van de Kern houdt hiermede op te bestaan.” De Kern heeft voldaan aan haar zelfbenoemde opdracht om de illegale samenwerking te bevorderen. Het is tijd voor een organisatie die zich richt op de komende bevrijding, een taak die de leden van de Kern zichzelf nadrukkelijk hebben onthouden.

Een fatsoenlijk afscheid als leidsman is Jaap Buijs niet gegund. Uitgerekend op de dag dat de Kern plaatsmaakt, leidt Johan van Lom de Sicherheitsdienst naar zijn Amsterdamse woning, met de aanhouding van de Zaanse houtverkoper en twee van zijn kameraden als resultaat.

6.

Buijs’ arrestatie is een gevoelige slag voor zowel het nationale als het Zaanse verzet. In Zaandam worden de mogelijkheden onderzocht om hem vrij te krijgen. Een bevrijdingsactie in de zwaar bewaakte gevangenis aan de Weteringschans is onmogelijk. Eerdere pogingen zijn mislukt en het huis van bewaring is sindsdien alleen maar beter beveiligd. “Er moest dus gewerkt worden met list”, aldus een anoniem verslag over het Zaanse verzet. “In eerste instantie was het natuurlijk de bedoeling de Duitsers te overtuigen dat men hier te doen had met een idealist, die op een of andere manier toevallig bij het complot gekomen was. De opzet hiervan was te bewijzen dat ‘Ruijs’ zijn gehele leven lang bezig geweest was de wereld te hervormen, dat hij als Unie-secretaris niet anti-Duits geweest was en zuiver om de mensheid te helpen aan het plan-F [de grondslag voor de Stichting 1940-1945, E.S.] wilde meedoen. Werkelijk gelukte het door [politieman] Jansen om deze mening een beetje ingang te doen vinden, ofschoon het toeval wilde dat vrijwel onmiddellijk na zijn arrestatie het arbeidsbureau in Zaandam in de lucht vloog en natuurlijk de SD het een fraaie gelegenheid vond ‘der Alte’, zoals ze hem noemden, onmiddellijk als represaille neer te schieten. Gelukkig was Jansen net aanwezig bij het binnenkomen van deze melding en gebruikte hij al z’n redenaarskunsten om dit voornemen niet uit te voeren. Het gelukte en tenslotte heeft het arbeidsbureau geen slachtoffers gekost.”

Tonny Jansen keert onverrichter zake terug. Hij is teleurgesteld, en niet alleen omdat Buijs nog vast zit. De politie-inspecteur heeft zich de eerste oorlogsjaren loyaal opgesteld tegenover de bezetter en hoopt, nu de krijgskansen gekeerd zijn, de illegaliteit te paaien. In een naoorlogs proces tegen Jansen komt diens opportunisme bij het lospraten van de Zaanse houthandelaar ter sprake. De rechter leest daarbij een verklaring voor van oud-burgemeester Vitters. Die citeert Jansen: “Ik ben link, zeer link. Als het me lukt Buijs vrij te krijgen, ben ik voor de toekomst gedekt.”

De Zaanse illegaliteit besluit een nieuwe poging te wagen om Buijs los te krijgen, dit keer met behulp van de beroemde actrice Tilly Périn-Bouwmeester. Zij woont in Zaandam en blijkt bereid om op SD-hoofd Willy Lages in te praten. “Werkelijk zag ze kans tot Lages door te dringen en zelfs eenmaal met hem te spreken. Een ogenblik leek het of hij bereid was om op het verzoek in te gaan, maar tenslotte verklaarde hij kort en goed dat ‘Ruijs’ te gevaarlijk was om losgelaten te worden. Wel heette het dat ‘Ruijs’ goed behandeld werd. Lages zei doodleuk dat hij er persoonlijk voor had zorg gedragen dat ‘Ruijs’ goed behandeld werd en goed te eten kreeg. Het behoeft geen betoog dat er natuurlijk weer niets van waar was en dat ‘Ruijs’ op de rand van hongeroedeem bij de bevrijding uit de gevangenis kwam.”

De behandeling van Jaap Buijs laat inderdaad te wensen over, zo is te lezen in zijn dagboeknotities. “19-1: Opnieuw uit mijn cel gehaald. Thans werd ik door een zekere Rühl langdurig en zeer scherp verhoord. Ik had echter de tijd gehad om na te denken wat ik zou zeggen en hij kwam dan ook niets bijzonders te weten. Tenslotte werd hij razend en beet mij toe: ‘Je dacht zeker je vrienden te sparen, maar die hebben we spoedig genoeg te pakken, ook je vriend v. Hall. We weten waar ze vergaderen en dan spreken we elkaar wel nader’. Ik gaf hier geen antwoord op, waarop hij zei: ‘Ga maar eerst weer een 14 dagen naar je donkere celletje, dan kom je wel bij’. Door de onmacht om ze te waarschuwen raakte ik in een moedeloze bui en kon niet meer slapen.

(Ongedateerd): Plotseling werd 28 januari de bewaking zeer streng. De wachtmeesters liepen zwaar bewapend rond en machinegeweren waren in de gangen opgesteld. Ook honden liepen rond. Dit hoorde ik door medegevangenen aan elkaar vertellen. Daar ik nooit gelucht werd heb ik het zelf niet gezien. Ze vreesden, zo zeiden ze, dat de gevangenis zou worden overvallen. Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens, een strozak zo goed als zonder stro op de stenen vloer. Bovendien geen licht.”

De aanvoer van extra bewakers heeft te maken met de komst van nieuwe arrestanten naar de Weteringschans, onder wie enkele landelijke kopstukken. Hun aanhouding is een uitvloeisel van het door Johan van Lom in gang gezette verraad. Op 19 januari, een week na het oppakken van Jaap Buijs en diens vergaderpartners, spreekt Van Lom met LO-vertegenwoordiger Teus van Vliet. De twee organiseren een nieuw overleg, op 26 januari. Maar de rechtenstudent verraadt ook deze bijeenkomst aan Friedrich Viebahn. Die ziet daardoor zijn kans schoon om de eerder ontsnapte ‘Hugo’ alsnog vast te zetten. Door alleen Van Vliet te arresteren -hij wordt buiten de vergaderlocatie aangehouden, zogenaamd wegens fietsendiefstal- hoopt Viebahn verdenkingen te voorkomen tegen zijn V-Mann Van Lom. Viebahn zelf verhoort zijn jongste prooi. Tot zijn verbazing haalt Van Vliet al snel een briefje tevoorschijn met een verwijzing naar een vergadering die gepland is op de 27ste. De Sicherheitsdienst neemt daarop bezit van het pand waar het genoemde overleg die dag zal plaatsvinden en wacht af. Een voor een lopen de verzetsmensen in hun val: Henk de Jong (Trouw), Frits Nieuwenhuijsen (Nationaal Comité van Verzet/Grote Adviescommissie der Illegaliteit), Jan Goedkoop (Binnenlandse Strijdkrachten), Walraven van Hall en als laatste Hanneke Eikema. De mannen krijgen een plek in de gevangenis aan de Weteringschans, koerierster Eikema verdwijnt in een cel aan de Amstelveenseweg.

Jaap Buijs heeft uiteraard geen flauw idee van de jongste ontwikkelingen. “2-2: Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn grote ontsteltenis kwam Wally tussen 2 D. wachtmeesters mijn cel binnen. Hij werd er meteen weer uitgeleid. Of dit opzet of een vergissing was weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en hij werd daarin opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad verstond ik dat niet. Hij kwam toen met z’n mond voor de spleet van z’n raam, riep mij op en vertelde dat hij 27-1 was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht. ‘Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zo’n smerige cel zit?’ Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ’s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen, met elkander tikkend gesproken. Ik was toen zo moe door de inspanning dat ik voor ’t eerst vast heb geslapen.

3-2: Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wally buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest. Ik werd daarna zeer langdurig door Rühl verhoord. R. werd woedend dat ik niets bekende

Teus van Vliet gaat wel ten onder aan de geestelijke pressie. Hij stelt voor de Duitsers een organogram samen van de Nederlandse illegaliteit, compleet met de schuilnamen van de verzetsleiders. Aan de hand van het gedetailleerde schema, dat als productiedatum 6 februari heeft, kunnen Rühl en Viebahn hun tegenstanders verder onder druk zetten. Buijs: “7-2/8-2: Bitter koud, eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8ste zeer somber was en veel steun nodig had, daar ze alles van hem wisten, ook dat hij v. Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt vertroosten door dat koude tikken. Je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft.

9-2: Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wally besproken, die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tussen te zijn waardoor dit niet zou gebeuren. ’t Was gek, maar er zat een zekere troost in dat Wally nu niet alleen die ellende doormaakte, maar je zelf ook onder dezelfde druk leefde.

10-2: Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag, daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ’s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat v. Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans weer alles ontkend.

11-2: Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wally te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kern-vergaderingen, die hij op een lijstje had.

12-2: Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd 2x achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wensen op voor toezicht op zijn kinderen, enz. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zoveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij geeneens wilde vragen. Omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.”

Van Hall wordt het slachtoffer van een roofbende die twee dagen eerder in Haarlem een lid van de Feldgendarmerie doodde. De SD neemt zoals gebruikelijk represailles. Met zeven anderen wordt de spil van de Nederlandse illegaliteit per overvalwagen naar de Haarlemse Jan Gijzenkade gereden. De Duitsers drijven daar een groep passanten bijeen en dwingen hen om getuige te zijn van de executie. Een van hen schrijft later zijn ervaringen op. “Mensen keerden zich af, maar ogenblikkelijk liepen soldaten toe om hen tot kijken te dwingen. Er werd gestompt, geslagen. Ik zag dat de oude man helemaal rechts langzaam zijn hoofd hief. Opnieuw commando’s. Ik sloot mijn ogen. Stilte. Een kort bevel. Schoten. Oorverdovend. De volgende dag begraaft de NSB’er Johannes Bleekemolen de acht doden in de Kennemerduinen. Het is voor hem een routineklus. De Amsterdamse begrafenisondernemer vervoert inmiddels elke week omgebrachte verzetsmensen naar het duingebied bij Bloemendaal.

De reeks arrestaties versterkt bij de achterblijvers het vermoeden dat er sprake is van verraad. Johan van Lom is de meest voor de hand liggende dader. Rechercheurs van de Landelijke Knokploegen sporen hem op, waarna de koerierster Wilhelmina van den Donk de opdracht krijgt om met hem af te spreken. Dat gebeurt op 5 maart. “Nadat er een onderzoek was ingesteld, stond het zo goed als vast dat hij degene moest zijn die verraad gepleegd had”, schrijft ze. “Besloten werd dat Van Lom gearresteerd en terechtgesteld zou worden. Ik zou naar hem toegaan en hem zeggen dat er een vergadering was belegd en hem dan meenemen naar de afgesproken plaats, waar verschillende leden uit de top LO, LKP, CID en Stichting op hem zaten te wachten. Indien hij schuldig werd bevonden, was al in een voorgaande vergadering besproken, zou hij uit de weg geruimd worden, omdat het een te groot risico was hem te laten lopen, daar hij te veel wist en te goed in de illegaliteit ingevoerd was.” LKP’er Henk van Riessen: “Ik maakte met Sanders van de CID een afspraak om Van Arkel te verhoren. We nodigden ook een politieman uit Halfweg uit. We ontboden Van Arkel bij de Westerkerk en van daar werd hij naar een huis aan de Keizersgracht gebracht. Daar moest hij drie keer z’n verhaal vertellen. Onwaarheden kwamen dan wel tevoorschijn. Bij de eerste keer viel hij al door de mand.”

Willem Sanders, een topman van de Centrale Inlichtingendienst, verhoort de aankomend jurist daarna nog een keer alleen. Van Lom, geconfronteerd met het verband tussen zijn buitenechtelijke relatie en zijn werk voor de SD, stort in elkaar. “‘Wie heeft u dat verteld?’, vraagt hij. ‘Dat hebt u zelf verteld’, zegt Sanders. ‘Het volgt logisch uit uw verhaal’.” Van den Donk: “Van Lom was erg angstig over wat hem te wachten stond. Hij stelde hier vragen over. Er werd hem geantwoord dat hij maar eens achter zich moest kijken wat het gevolg was van zijn verraad, dan kon hij het misschien zelf wel concluderen.”

Van Loms bekentenis wordt vastgelegd in een proces-verbaal, dat alle aanwezigen ondertekenen. De serie verhoren heeft veel tijd gevergd. Het is inmiddels 6 maart, vroeg in de ochtend. Johan van Lom krijgt een kop thee met een cyaankalitablet voorgeschoteld. Maar het gif lost onvoldoende op. De aanwezige illegalen besluiten daarom een pistool te gebruiken. De ter dood veroordeelde wordt naar buiten gebracht, waar een LKP’er om 6.00 uur het vonnis voltrekt.

Terwijl Van Lom zijn verhoor ondergaat is Jaap Buijs in gedachten bij Walraven van Hall. “De oorlogsberichten worden steeds beter. Op zichzelf verheugend, maar ik kan maar niet over de dood van Wally heenkomen. Als ik verheugd moest zijn ben ik juist verdrietig. Eén troost heb ik. Misschien mag ik toch nog aan zijn vrouw vertellen wat hij mij heeft gezegd. O, kon ik haar maar wat steunen in haar ongetwijfeld bittere leed”, noteert hij begin maart. Pas een maand later verneemt hij wie zijn verrader was. “Kwamen te horen dat Lom ons had verraden en later nog een groep van Het Parool door hem was aangebracht. Hij was door de illegaliteit gepakt, had een verhoor ondergaan en was daarna gefusilleerd. Wij konden het haast niet geloven.”

Vanaf het moment dat Buijs er getuige van is hoe zijn vriend wordt weggevoerd om te worden gedood vechten wanhoop en strijdvaardigheid om de eerste plaats. “12-2/18-2: Totaal kapot. Ik kon niet meer slapen en niet eten en dan die vreselijke koude. Mijn verjaardag, 17-2, gaf mij alleen maar aanleiding om te piekeren hoe het thuis toch zou zijn, daar ik niets hoorde. En dan het denken aan de vrouw van Wally. Ik wist hoe ze van elkaar hielden en dan in te denken hoe ze zou zijn, terwijl ik niet in staat was om iets over te brengen, terwijl dit toch wel iets tot troost had kunnen zijn. Weer enige malen uit mijn cel gehaald en teruggebracht.

18-2/19-2: Opnieuw verhoord en 19-2 werd proces-verbaal opgemaakt. Rühl was zo razend dat hij uitriep dat Duitsland nog geheime middelen voor oorlogvoering had en die zou toepassen en wat dan over was van die vervloekte Hollanders zou met dat dikke wijf uit Engeland (onze koningin) naar Polen worden getrapt en de Duitsers zouden dan Holland bij hun Rijk voegen. Ik haalde slechts mijn schouders op. Wat moet je anders doen.

Nacht 19-2/20-2: Ik had deze nacht een wonderlijke belevenis. Ik was even ingeslapen en werd met een schok weer wakker en zag dat mijn cel heel flauw verlicht was. Ik stond op en liep op de muur toe, waar ik tegenop liep, daar de cel groter leek dan hij was. Ik las op de muur: ‘Houdt vooral moed’, met licht potloodschrift geschreven. Het was alles zeer wonderlijk, te meer omdat ik het de volgende dag met grote moeite inderdaad op de muur geschreven vond. Men kan dit nu aan mijn geëxalteerde toestand toeschrijven, ik heb er toen een andere conclusie uit getrokken.

22-2/2-3: Tobben -koude-, honger en verdriet. Ik kan niet meer heenkomen over het verdriet van Wally, die prachtkerel. ’s Avonds 2 maart wist ik me geen raad meer en heb God gebeden om uitkomst. De volgende morgen half tien kwam een D. wachtmeester mijn cel binnen. Ik moest dekens enz. meenemen en werd naar cel 7A1 gebracht, waar ik tot mijn grote vreugde aantrof A.H. v. Namen, een jonge advocaat met wie ik had samengewerkt om de Stichting voor te bereiden. We hebben eerst wat tranen gelaten, vooral toen ik hem vertelde dat v. Hall was gevallen. Toen vertelde hij mij dat hij zich de vorige avond zo ellendig had gevoeld dat hij gebeden had om gezelschap te krijgen en, zo zei hij: ‘In gedachten heb ik er toen aan toegevoegd dat dat zo mogelijk ‘Vader Buijs’ mocht zijn’. Alles was hier veel beter. ’s Middags kwam er zon in de cel, er was waswater en ik kreeg schoon ondergoed. Alleen de honger en de koude waren bijna niet te verdragen.

11-3: Die Hugo is een rotkerel. Hij krijgt voortdurend pakketten van huis en tikt dan aan Arie wat er allemaal in zit, terwijl die toch al zoveel moeite heeft met de honger. Gevoelloos van dat heer. Ik begin hoe langer hoe meer behoefte te krijgen aan mijn bril, daar Arie mij steeds uit de bijbel voorleest, maar zo’n zwakke stem heeft door de honger dat hij bijna niet verstaanbaar is.

12-3: Verscheidene (men spreekt van ruim 60) mensen werden weggevoerd om gefusilleerd te worden. Wij zitten naast de cellen 5 en 3, de z.g. dodencellen, en maakten de strijd van die mensen mee. Vele opdrachten voor de achterblijvenden gekregen. Er mag wel veel veranderen na de oorlog. Wat wordt onze vrijheid duur gekocht.

17-3/30-3: Steeds betere oorlogsberichten. Ik heb echter weer vele inzinkingen. Ik begin steeds meer te tobben hoe mijn eigen gezin en dat van Wally het maken. Men hoort niets. Dat er nu geen kans is om iets door te geven. Die Jansen schepte altijd zo op dat hij met de moffen alles voor elkaar had.

31-3: Eindelijk mijn bril ontvangen, heerlijk. De avond was echter weer zeer droevig. Een aantal jonge mensen waarmee wij de laatste dagen verbinding hadden werden weer weggevoerd, de dood tegemoet. Roerend, dat afscheid.

2-4: Tweede paasdag. Alles liep tegen. ’s Morgens had ik herrie met een Holl. wachtmeester die ik in m’n drift voor ploert uitmaakte. Hij zou dit rapporteren. Natuurlijk angstig wat zou gebeuren. Daarna werd Arie betrapt bij het bijhouden van zijn dagelijkse aantekeningen. Hij kreeg hierbij een klap in zijn gezicht. Ik moest mijn nagels in mijn handen zetten om die lafbek niet aan te vliegen. ’s Middags werd Arie weer betrapt, toen hij door ’t raam sprak. Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf twee dagen inhouding van voedsel. Even daarna kwam de commandant van de gevangenis binnen. Wij dachten dat nu de straffen zouden komen, maar dit viel nu eens mee. Buiten de cel stond n.l. op een kaartje dat wij 2 dagen geen voedsel mochten hebben en nu zei hij: ‘Heren, dit gaat natuurlijk niet door, hè’, en schrapte dit door en vervolgde: ‘Voor de rest kan ik de heren zeggen blij te zijn een Beier te wezen en geen Holl. Pruis. Dag heren’. – en de cel ging weer dicht. Daardoor toch nog een goede avond, vooral ook nog toen de berichten zo goed bleven.

4-4: De zoon van ds. Koningsbergen is met 2 anderen uit de cel gehaald om gefusilleerd te worden. Wat een dappere jongen was dat. Arie vroeg hem of hij bereid was te sterven en hij antwoordde: ‘Ja, ik probeer mijn kameraden ook de nodige sterkte te geven’. Als men 22 jaar is en daartoe de kracht heeft, is dit toch wel geweldig.

5 en 6-4: Prima oorlogsberichten. Ik had echter een reusachtige inzinking en zo’n verdriet over Wally dat ik bijna steeds zat te huilen. Roerend was het zoals Arie mij trachtte te troosten.

8-4: Wat een verrassing deze dag. De commandant kwam met een groot pakket onze cel binnen. Het bleek voor Arie bestemd. Er zaten alle mogelijke heerlijkheden in, die Arie broederlijk met mij deelde. Ik kan er maar niet over uit dat ik nooit wat krijg. Arie krijgt briefjes tussen zijn wasgoed en nu dit eten weer, en ik hoor nooit wat. Alleen weet ik dat de jongens er nog zijn, omdat de lijstjes van het wasgoed hun beider schrift hebben. De briefjes die ik tussen mijn wasgoed heb gedaan komen een volgende keer, gevlekt door het water in de voering, weer terug.

9-4: Bij het luchten bemerkten wij dat Jan Goedkoops cel leeg was. ’s Middags kwam de commandant onze cel inspecteren. Ik vroeg hem toen of Goedkoop gefusilleerd was. Hij keek mij strak aan en zei toen: ‘Als u wist wat wij weten van die Goedkoop zou het u vrij koud laten of die gefusilleerd was en hem zeker verachten’. Wij begrepen daar niets van.”

Gekweld door hevige maagpijnen en doodsangsten heeft Jan Goedkoop de Sicherheitsdienst ingelicht over een illegaal telefoonnet en enkele daarbij horende personen, in ruil voor medicijnen en beter voedsel. Verder heeft hij het door Teus van Vliet opgestelde organogram aangevuld en onder meer de naam genoemd van Henri Koot, de algemeen bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten.

“22-4: Jan jarig vandaag. Denk er over hoe het toch met haar zal zijn, daar zij een kindje verwacht en zij zich niet zo bijzonder goed voelde. ’s Avonds 9 uur ging mijn celdeur open en moest ik er uit komen. Ik vroeg aan de kerel, een Holl. wachtmeester, wat er gaande was, daar hij zo’n haast maakte dat ik geeneens behoorlijk afscheid van v. Namen kon nemen. Ik moest al mijn spullen meenemen en die vent stond maar te schreeuwen: ‘Vlug, vlug, opschieten’. Hij wist niet wat er gaande was en zei: ‘Misschien word je wel vrijgelaten’. Toen ik op het bureau werd gebracht vernam ik tot mijn teleurstelling dat wij werden overgebracht. Ik trof daar 12 mannen en ± 8 vrouwen, die gezamenlijk vervoerd zouden worden. Hierbij waren Henk v. Riessen, Smallenbroek, Goedkoop en Peski. We werden geboeid en al spoedig bleek ons dat wij in de richting Scheveningen werden vervoerd, waar wij dan ook tegen 12 uur arriveerden. Ook daar begon weer de gewone ellende van honger en vernederingen. Ik was met Goedkoop en Peski in één cel (no. 531) gebracht.”

‘Hond poes kat, Nelly is een schat’, heeft iemand op de wand van Buijs’ cel gekrast. Het is een luchtig rijmpje tussen de talloze her en der op muren en onder britsen gekraste wanhoopskreten en oproepen tot strijd. Naast de celdeur hangt het huisreglement. Er mag vooral veel niet in het Oranjehotel: uit de ramen kijken, op de bedden en stoelen staan, boodschappen uitwisselen met gevangenen in andere cellen of met elkaar spreken tijdens het luchten. Overtredingen worden bestraft met Einzelhaft of voedselrantsoeneringen. En dat terwijl het eten, zoals een gevangene op zijn celwand schrijft (wat uiteraard ook verboden is), toch al ‘te weinig is om van te leven en te veel om te sterven’.

“Door een betere wachtmeester, een Rijksduitser, overgeplaatst naar cel 528”, noteert Buijs de 26ste. “We kregen van deze wachtmeester de oorlogsberichten uit de eerste hand en ze waren uitstekend. ’s Avonds weer plotseling een verdrietuitbarsting gehad dat Wally nu hier niet bij was. Ik geloof dat ik hier nooit overheen zal komen en dit een druk in mijn leven wordt.

27-4: Werd door die Holl. wachtmeester tegen de muur opgesmeten, omdat ik op een loper liep. Niemand wist dat dit niet mocht. Die Jan Goedkoop is een eigenaardige kerel. Hij vleit die Holl. wachtmeester om er misselijk van te worden. Ik snap het niet; ik kan die kerel niet zien en Peski negeert hem ook straal.

2-5: We hoorden dat Hitler dood is. Grote vreugde, overal hoorde je vaderlandse liederen zingen. Ik kan niet meedoen, hoewel mijn keel opgezet is van aandoening.

4-5: Plotseling begonnen ze de gevangenen op grote schaal te ontslaan. Wij moesten in Den Haag ammunitie en levensmiddelen naar de vesting brengen. Ik heb voorgewend dat ik te zwak was en omdat ik er nogal beroerd uitzag slikten ze dat. Ik werd misselijk van Goedkoop toen hij aan de Duitse luitenant die het toezicht had vroeg of hij tevreden was over de manier waarop was gewerkt. Dat vraag je verdomme toch niet aan je vijand.

5-5/7-5: In een roes gingen deze dagen voorbij. Het ontslag van de gevangenen ging steeds door. 7 mei, half zes, werd Peski ontslagen, zodat ik alleen zat. Plotseling werd ik opgeroepen. ‘Zeg Buijs’, werd er gezegd: ‘We zijn nog met ruim 80 man in de gevangenis en zullen waarschijnlijk vanavond nog gefusilleerd worden’. Gek is het zoals me dat toen aangreep, terwijl ik toch betrekkelijk onverschillig had gestaan tegenover dit feit. Uit een soort wanhoop ging ik op mijn strozak liggen en over vele dingen nadenken.”

Het Oranjehotel herbergt op dat moment -twee dagen na de Duitse capitulatie- overigens geen tachtig, maar slechts veertig gedetineerden. Van hen zitten er ruim dertig vast wegens criminele activiteiten of desertie. De overigen zijn politieke gevangenen. Die avond nemen Nederlandse en Canadese Rode-Kruismedewerkers en militairen het gezag over van de Duitse beheerders. Administrateur Haantjes registreert: “Door genoemde heren werd de dienstdoende leider SS Oberscharführer Schweiger ontboden en hem inzage van de registers gevraagd. Schweiger beriep zich echter op zijn ontvangen instructies en weigerde pertinent inzage van de registers te verstrekken. Tijdens deze zitting vervoegden zich om ± 11 uur n.m. 3 leden van de geallieerde strijdkrachten in de cellenbarakken, in welk gezelschap zich Obersturmführer Munt bevond. Door genoemde leden van de geallieerde strijdkrachten werd de invrijheidstelling van eventueel zich nog hier bevindende politieke gevangenen geëist. Direct daarop werden 8 gedetineerden ontslagen.”

Buijs: “Opeens, ± half negen, hoorde ik op de gang Engels spreken. Ik vloog overeind en begon met een bezem op de deur te slaan. Ik hoorde ‘Yes, yes, we come’ en even daarna ging de deur open en was ik bevrijd. Ik werd naar het bureau gebracht en daar waren totaal 5 Canadezen. Misselijk was het te zien hoe nu die stinkmoffen kropen. Bah, wat is het toch een rotvolk. We werden daarop met auto’s naar Den Haag gebracht en met bloemen bestrooid. Daar werd in een villa feest gevierd en toen werden we naar een Rode-Kruishospitaal gebracht. Een aardige attentie was toen nog dat verschillende lui uit Den Haag mij daar kwamen opzoeken waaronder v. Velzen en zijn vrouw. V. Velzen bood mij aan om mij de volgende morgen naar Zaandam te brengen, wat ik dankbaar aanvaardde. Van slapen was die nacht geen sprake en dus kwam ik 8 mei in Zaandam terug, niet bepaald als een ongebroken strijder, maar verouderd en wel gebroken. Moge God mij de kracht geven mij weer op te richten en te helpen ons land weer omhoog te brengen.

“Hij is wellicht de laatste vrijheidsstrijder geweest die uit een Nederlandse gevangenis bevrijd werd”, schrijft Buijs’ kameraad Jan Rot in het even tevoren nog illegale blad Paraat. “Verzwakt en uitgehongerd is hij thuisgekomen, maar daar zal raad op zijn. Onze vreugde over de bevrijding van onze vriend Jaap Buijs wordt overschaduwd door het voor immer afwezig zijn van Walraven van Hall, wiens nog jonge leven zoveel schone perspectieven had. Voor Jaap Buijs geldt dit in sterke mate.”

Een paar dagen na de Duitse capitulatie bezoeken Tilly van Hall en haar kinderen de sterk verzwakte ‘oom Jaap’ in diens woning. Haar dochter Attie: “Hij lag op een bed in de serre, héél mager, en barstte in huilen uit toen hij ons zag.” De aan Van Hall gedane belofte om diens gezin bij te staan komt hij nauwgezet na. Attie van Hall: “Hij is na de oorlog zo’n dierbare (onofficiële) voogd geweest. Hij hielp moeder waar hij kon en probeerde mij, boze puber, tot rede te brengen. Die eerste jaren was ik vaak nors, afwerend, opstandig tegen mijn moeder. Tot hij op een keer toen ik lachte zei: ‘Als je eens wist hoe lief je er uit ziet als je lacht’. Hij was een trouwe, betrokken vriend en heeft veel betekend in ons leven.”

Afgezien van zijn medewerking aan twee boeken van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (over het Nationaal Steunfonds en de spoorwegstaking) gaat Buijs slechts één keer akkoord met een vraaggesprek over zijn oorlogservaringen. Een week na zijn vrijlating uit het Oranjehotel komt hij aan het woord in dagblad De Typhoon. De krant betitelt hem als ‘een der oudste en meest vooraanstaande verzetslieden in Nederland’. Ook hier benadrukt hij de daden en het lot van zijn vriend Wally van Hall. Diens portret krijgt een ereplaats in zijn huiskamer, naast de kachel. Geëmotioneerd zegt Buijs: “Wij hielden allen zo ontzettend veel van hem. Hij was het die ons illegale werkers steeds weer met nieuwe moed bezielde, die, wanneer er iets tegenliep, ons steeds weer voorging met zijn groot vertrouwen en met zijn onuitputtelijke optimisme! (…) Het is zo ontzaglijk moeilijk voor mij dat ik nu niet met hem mag delen. Dit vermindert mijn vreugde over de bevrijding ten zeerste. Hij vooral had deze dagen moeten beleven, waarvoor hij zijn leven heeft gegeven.”

Hij komt het verlies niet meer te boven. De oorlog zal voor Jaap Buijs pas eindigen in 1960, op zijn sterfbed.

CAZAK3V5
Uitreiking van de Medal of Freedom aan Jaap Buijs door de Amerikaanse ambassadeur, 7-5-1953 

1 antwoord
  1. Christina Dorjee
    Christina Dorjee zegt:

    Jaap Buijs, (Jacob), was mijn grootvader. Ik logeerde nogal eens bij mijn grootouders als klein meisje. Dan zette moeder me op de trein in Utrecht, waar we woonden en stapte ik uit in Koog Bloemwijk. Ik kende de route omdat ik die dikwijls met mijn ouders had gedaan. Daarna wandelde ik door de Westzijde, langs ‘Bloemenweelde’, een prachtige bloemist, onder het viaduct door – vaak tegen de wind in, en zag dan op zeker moment het huis van mijn grootouders opdoemen in de hoek van de Rembrandtstraat.
    Grootvader, die wist dat ik kwam, zat gespannen voor het zijraam, sigaartje in zijn mond. Hij volgde me totdat ik bij het huis aankwam. Grootmoeder ving me op en als ik de huiskamer binnenkwam, begon grootvader te huilen. Dit greep me altijd enorm aan. Ook het bijzondere van mijn grootvader. Een groot man, die iets uitstraalde.
    Nooit sprak hij over de oorlog. Eén keer viel hij uit, toen ik hem (onwetend) een postzegel van Hitler liet zien. Zijn uitval betrof niet mij, zijn kleine eerste kleindochter, maar Hitler, die hij haatte.
    Grootvader ging vaak weg, naar Amsterdam. “Naar de Stichting” (’40 – ’45) zei mijn lieve grootmoeder en naar de familie van Hall. Ik was te klein om inzicht te hebben in hem en zijn doen en laten. Maar voelen deed ik des te meer. En wat ik voelde heeft invloed gehad op mijn latere leven. Ik ving het trauma van grootvader op. Dat is heftig voor een klein kind. Voor een hooggevoelig kind.
    Nu komt de film, Bankier van het Verzet, waarin grootvader een rol zal spelen. Misschien is het maar goed dat grootvader niet meer leeft. Want zou hem dit niet diep hebben aangegrepen? Mij wel in ieder geval. [Christina]

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.