De Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (6): Remmert Aten

Deel 6 in een serie longreads over Zaanse verzetsstrijders die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang waren. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. Alle verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). Het is hier te bestellen.
In deel 6 van deze korte serie een portret van Remmert Aten.

Remmert Aten is de tweede zoon in een Zaandams gezin met zeven kinderen. Zijn vader koopt in 1891 de voor zijn woning gelegen balkenzagerij De Bark en weet die samen met een broer tot een bloeiende houthandel te maken. Remmert en zijn oudste broer Willem komen ook terecht in het familiebedrijf en zetten de zaak voort tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Begin jaren zeventig van de twintigste eeuw wordt de stoomzagerij gesloopt ten faveure van woningbouw.

In 1922 trouwt Remmert Aten met Margaretha Hoekstra. Zeven jaar later wordt dochter Marion geboren, hun enige kind. Na een tijdlang te hebben gewoond aan de Dubbele Buurt in Koog aan de Zaan betrekt het gezin een groot hoekhuis in de Zaandamse Frans Halsstraat 31. Acteren is de grote passie van het echtpaar. Ze gaan er totaal in op en vormen veertig jaar lang de spil van de plaatselijke toneelvereniging Vondel. Daarnaast is Remmert mede-oprichter van hockeyclub De Kraaien, speelt hij bij de Zaandamsche Voetbal Vereeniging en tennisvereniging KZTV en waterpoloot hij geruime tijd in het eerste zevental van zwemvereniging Neptunus. Zijn daarbij opgebouwde conditie komt goed van pas wanneer hij als eind-veertiger tijdens de oorlog lange fietstochten moet maken om joodse onderduikers te voorzien van geld en goederen. Dat doet hij als bestuurslid van de landelijke Vakgroep J, een aftakking van het Nationaal Steunfonds. Het is slechts een van zijn vele ondergrondse bezigheden. Hij is lid van de Ordedienst en de Gewestelijke Sabotage Afdeling en huisvest samen met zijn vrouw meerdere joden. Vanaf mei 1945 spant hij zich met de Politieke Opsporingsdienst in om ‘foute’ streekgenoten te arresteren. Na de bevrijding laat hij tegen de buitenwacht weinig los over zijn verzetswerk. Alleen over zijn zwemtocht naar de Hembrug, die hij met stadgenoot Jaap Boll ontdoet van bijna anderhalve ton springstof, mag hij desgevraagd graag vertellen. Voor zijn verzetswerk ontvangt hij twee onderscheidingen.

Remmert Aten overlijdt op 89-jarige leeftijd in het Zaandamse ziekenhuis De Heel, vijf jaar na zijn echtgenote.

Collectie Marion Alberdingk Thijm-Aten. Marion, Hank (?) en Remmert Aten
Remmert en Margreet Aten met dochter Marion

1.

Wanneer Remmert Aten in het vroege najaar van 1944 zijn haar laat knippen, wijst kapper Romeijn hem op een in zijn zaak hangende foto. “Die heeft er ook de langste tijd gestaan”, zegt hij. Hij doelt op de Hembrug, de grootste draaibare spoorbrug van Europa. Een cruciale verbinding tussen Zaandam en Amsterdam bovendien, en daarmee tussen Noord-Holland en de rest van Nederland. Het gerucht dat de stalen brug zal worden opgeblazen heeft in Zaandam al eerder de ronde gedaan en verschillende keren hebben omwonenden in paniek de Havenbuurt verlaten, hun bezittingen per handkar of fiets met zich meezeulend. Het is tot dan toe altijd vals alarm geweest. Romeijn weet zijn klant te vertellen dat een recente poging van de illegaliteit om springstoffen uit de middenpijler te verwijderen is mislukt. De kapper blijkt goed geïnformeerd.

Na hun geslaagde landing in Normandië, op 6 juni 1944, trekken de geallieerde troepen in hoog tempo door Noord-Frankrijk. De 25ste augustus valt Parijs in handen van de tweede Franse pantserdivisie, op 3 en 4 september bevrijden de Britse strijdkrachten achtereenvolgens Brussel en Antwerpen. De Duitsers vluchten massaal naar het oosten en het lijkt een kwestie van dagen voor Engelse, Amerikaanse en Poolse troepen de Nederlandse grens bereiken. Het Duitse leger heeft bevel gekregen om de Hembrug te vernietigen zodra de geallieerden hun opmars vervolgen. Het Noordzeekanaal vormt daarmee een moeilijk te nemen hindernis en Noord-Holland zal vrijwel geïsoleerd raken. Bovendien krijgen de Duitsers zodoende meer tijd om zich via de Afsluitdijk terug te trekken naar de kop van Nederland.

Douwe Soepboer, hoofd van de naast de Hembrug gelegen Artillerie Inrichtingen, tipt begin september de Ordedienst dat enkele Duitse bewakers willen praten over het onklaar maken van de aangebrachte springstoflading, in ruil voor naoorlogse strafvermindering. Er wordt een ontmoeting geregeld in een van de nabij gelegen brugwachterwoningen. Op het afgesproken tijdstip melden zich daar drie zwaarbewapende Duitsers. Het lukt OD-commandant Nic van der Giessen en rechercheur Jan Thomassen om hen er van te overtuigen de 260 meter lange overspanning van het Noordzeekanaal te sparen. Ze worden bereid gevonden de lading en de naar de springstoffen lopende leiding onklaar te maken. De Zaanse illegaliteit zal na gedane zaken zorgen dat er een roeiboot klaarligt waarmee de militairen hun werkgebied kunnen verlaten en hen vervolgens laten onderduiken.

De overeenkomst houdt maar kort stand. Het Duitse Sprengkommando wordt elders ingezet en met hun plaatsvervangers valt geen afspraak te maken. Op 9 september vergadert de Gewestelijke Sabotage Afdeling (GSA) -een dan net opgericht samenwerkingsverband van OD, RVV en KP- over de vraag hoe de Hembrug te behouden. RVV-man Cees Standhardt krijgt de taak toebedeeld om de explosieven te laten verwijderen. De urgentie groeit met de dag. In het telegram dat geheim agent Dré Ausems drie dagen na deze bijeenkomst naar Londen stuurt klinkt dan ook vertwijfeling door: “Wij trachten Hembrug gesloten te houden. Hopen dit bericht niet te laat.” Het Amerikaanse Eerste leger is er inmiddels in geslaagd de Belgisch-Nederlandse grens over te steken. Om de opmars te stuiten blazen de Duitsers aan de rand van Maastricht drie bruggen op. In de navolgende dagen zullen er in het zuiden van Nederland nog vele volgen. De Raad van Verzet krijgt vanuit Londen de opdracht allerlei vitale objecten in met name Noord- en Zuid-Holland te beschermen. Het varieert van de haveninstallaties in Rotterdam en Amsterdam tot enkele vliegvelden en tal van oever- en spoorverbindingen.

Medio september weet Standhardt de RVV’ers Jan van Heijningen en Klaas Klinkenberg te strikken voor een riskante reddingsactie. De 21ste, even voor middernacht, laten de twee zich in het Noordzeekanaal zakken. Ze hebben zich ingevet; het water is koud. Langzaam zwemmen ze naar de middenpijler, er voor wakend dat de tientallen wachtposten op en rond de Hembrug hen zien. De omstandigheden zijn lang niet optimaal. Het is windstil. Elk geluid lijkt te worden versterkt. Bovendien is het water fosforescerend, waardoor goed zichtbaar blijft wat er zich in het kanaal afspeelt. Maar het ergste is dat de toegang tot de brug wordt versperd door talloze kabels die van de Noordzeekanaalbodem naar de pijleropening lopen. Ze hangen als een onwrikbaar, aaneengesloten gordijn voor de ingang van de koker. De mannen zijn ruim twee uur bezig met het verleggen van de dikke kabels en keren dan uitgeput terug naar de vaste wal. Het is ze niet gelukt de weg vrij te maken die naar de springstof leidt. Enkele bewakers langs de kant moeten de twee wegdragen, zo verstijfd en onderkoeld zijn ze. Een van hen belandt zelfs kort daarna als resultaat van zijn inspanningen in het ziekenhuis.

Nog dezelfde week meldt Remmert Aten zich bij Standhardt. Hij heeft een verrassing bij zich, situatietekeningen van de Hembrug. Zijn buurman, ingenieur G. van Buschbach, werkt bij de Nederlandse Spoorwegen en heeft ze opgevraagd bij zijn collega J. Kleine Staarman. Van Buschbach heeft hem ingelicht over het plan om de brug te ontdoen van de explosieven. “De heer Aten moest de tekeningen van de Hembrug hebben om te trachten daarachter te komen, doch deze lagen op kantoor”, vertelt de Amsterdamse hoofdbouwkundige. ’s Avonds, na werktijd, gaat Kleine Staarman terug naar zijn kantoor en ontvreemdt de plattegronden. Via Van Buschbach belanden ze bij Aten. Het moet toch mogelijk zijn om de brugpijler binnen te komen, wikken en wegen Standhardt en hij aan de hand van de tekeningen. Op papier waaieren de vuistdikke kabels een paar meter onder de waterspiegel uit en leggen ze de toegang bloot. Door de eerdere mislukking om de pijler leeg te halen, moet Aten zijn verbale capaciteiten tot het uiterste aanspreken om het GSA-commando te overtuigen van de ontruimingshaalbaarheid. Het lukt. De districtsleiding geeft toestemming voor een nieuwe duikactie.

Aten voelt er weinig voor om de springlading in zijn eentje te verwijderen. Hij vraagt zijn vriend August Sabel om raad. Sabel is actief in het Zaanse verzet en bestuurslid bij de Zaandamse zwem- en polovereniging Neptunus. Hij adviseert om een kennis in te schakelen, een 23-jarige kantoorbediende. Aten: “Sabel kende Jaap Boll, de doelman van het waterpolozevental van Neptunus. Toen ik meende dat het wel te doen was de springstoffen weg te halen, vroeg Sabel aan Jaap Boll of hij met mij mee wilde gaan.” Boll: “Ik was destijds doelverdediger en aanvoerder van het eerste zevental van Neptunus. Aten was daar ook lid en we kenden elkaar van gezicht, verder niet.” De volgende dagen trainen de twee in het zwembad en bestuderen ze de tekeningen van de Hembrug. De oeververbinding zelf en de wachtposten daarop worden bespied en er vindt regelmatig overleg plaats met de weifelende GSA-leiding. Boll beschrijft hun houding: “‘Veel te riskant, het stikt er van de Duitsers, er lopen 28 man rond’. Aten zei alleen maar: ‘Hoe meer hoe beter, want dan verwachten ze niet dat er toch iemand durft te komen’.”

Kort na de mislukte poging van hun voorgangers begeven Boll en Aten zich naar het Noordzeekanaal. Boll: “Hij was, hoewel hij toen al 48 was, een echte bikkel, had meerdere malen de Elfstedentocht gereden en was ook een heel goed zwemmer.” Aten heeft bovendien tot kort daarvoor bij ZVV gevoetbald en trekt nog regelmatig zijn baantjes in het zwembad. Boll: “Dan deed je met elkaar tikkie-de-man. Dat was ook lang en hard zwemmen en dan ging je soms ook een paar meter onder water.” Het duo wordt gesecondeerd door twee bewakers die de Duitse activiteiten op de Hembrug in de gaten moeten houden. Maar het komt niet tot een duikpoging. Commandant Gerrit Koeman acht de risico’s te groot. “De avond begon al zeer ongunstig, daar de moffen in de omgeving van ons uitgangspunt bezig waren verschillende objecten op te blazen. Om 8 uur ’s avonds werd de toestemming door het district ingetrokken, daar de onderneming te gevaarlijk was”, aldus een oorlogsverslag. Aten wil desondanks het water in. Volgens hem zijn de Duitsers zo geconcentreerd bezig met hun werkzaamheden dat ze geen oog zullen hebben voor beide zwemmers. Het leidt tot een confrontatie met Koeman, die zelfs dreigt om Aten neer te schieten als die zijn expeditie doorzet. “Men is toen zeer ontstemd huiswaarts gekeerd”, meldt de anonieme maker van het oorlogsverslag.

De tijd dringt meer dan ooit. Geallieerde troepen hebben eerder die week Arnhem en Nijmegen bereikt en het lijkt een kwestie van dagen voor ze naar Amsterdam optrekken. De kans is groot dat de Duitsers beginnen aan hun terugtocht naar het Noorden en daarbij alle achter hen liggende aanvoerwegen zullen saboteren, waaronder de Hembrug. Onder die dreiging gaat de GSA-leiding op 26 september akkoord met een tweede poging. Nog dezelfde dag stappen, vlak voor de avondklok ingaat, Aten en Boll binnen bij pontwachter Hein Prinsen. Zijn woning aan de Hemkade 40 is een perfecte uitvalsbasis voor de tweehonderd meter verder gelegen Hembrug. De weersomstandigheden zijn gunstig. De wind dempt de omgevingsgeluiden en het is bewolkt, maar niet aardedonker. Tegen 22.30 uur maken de zwemmers zich klaar. Ze trekken zwembroeken en zwarte truien aan en smeren hun gezichten, handen en benen in met een donkere kleurstof en een laag vaseline. Even voor middernacht bewegen Boll en Aten, gewapend met twee zaklantaarns en een haak om kabels uit elkaar te trekken, zich door het kanaal naar de middenpijler, daarbij een groen, fosforescerend spoor achter zich trekkend. Boll ziet het en fluistert Aten toe dat ze zo diep mogelijk moeten zwemmen. Met een westenwind in de rug glijden ze langzaam door het water. Verscholen onder een steiger, gewapend met stenguns, volgen Siem van Nugteren en Cees Standhardt de verrichtingen op de voet. De schrik slaat hen om het hart als er na een paar minuten op de brug een zoeklicht aangaat dat het wateroppervlak aftast. Het duurt maar even, dan wordt het weer donker.

Het laatste stuk zwemmen de twee Neptunus-leden zoveel mogelijk onder water. Bij de hoofdpijler gearriveerd halen ze diep adem en laten ze zich zakken, tastend langs de kabels. Op twee meter diepte voelen ze dat de weerstand verdwijnt. De opening is gevonden. Aten duikt als eerste naar binnen en weet via een ijzeren trap in de holle steunpilaar omhoog te klimmen, tot hij weer boven de waterlijn is. Dan klopt hij zacht op de wand, het teken voor Jaap Boll om dezelfde weg te volgen. Bij het zwakke licht van één zaklantaarn -de tweede is onderweg gesneuveld- ontdekken de zwemmers in de pijler ruim vierhonderd opgestapelde pakjes. Ze zijn gevuld met anderhalve ton van het uiterst explosieve Donarit. Aten geeft ze stuk voor stuk door aan de onder hem staande Boll, die de springstoffen door de opening naar buiten duwt. Boll: “Dat ging vlot. Totdat ik merkte dat de uitgang verstopt raakte. Die dozen bleven drijven. Een angstig moment, want de hele uitgang zat dicht.”

In een poging de dozen naar de bodem van het Noordzeekanaal te dwingen, scheurt Boll er eentje open. Het helpt niet. Hij haalt de staven Donarit eruit, maar ook die willen niet zinken. “Toen kwam ik op het idee om de dozen met mijn voeten onder water te houden en dat bleek te helpen. Ze zogen het water in zich op en zakten. Ik voel nog die belletjes langs mijn kuiten. Wat een opluchting!” Even staakt het werk. Een motorboot koerst rakelings langs de pijler. De mannen vragen zich af of ze te veel lawaai hebben gemaakt en betrapt zijn. Het is loos alarm. Het schip vaart door.

Het kost vijf uur hard werken om de vierhonderd pakketten weg te halen en in het water te laten glijden. Na het weghalen van de explosieven doen ze een poging om met een aantal lege dozen een muurtje op te bouwen. Bij een controle moet het lijken alsof de hele voorraad nog aanwezig is. De decorbouw mislukt. De dozen zijn nat geworden en zakken in elkaar. Boven de hoofden van het duo is er een wisseling van de wacht. Ze horen een van de soldaten vanaf de brug in het Noordzeekanaal urineren. Het gevaar van ontdekking blijft. Voorzichtig laten de vermoeide zwemmers zich in het Noordzeekanaal zakken. Het begint al te dagen. Daardoor is de kans dat ze gezien worden groter dan op de heenweg. “We moesten langzaam zwemmen”, zegt Aten. “Niet te krachtige slagen maken.” Zich gelijkmatig voortbewegend zoeken ze hun startpunt op.

Van Nugteren en Standhardt hebben de hoop op terugkeer van de zwemmers al bijna opgegeven, als bij het aanbreken van de dag de twee zwemmers alsnog onopgemerkt op de kant klimmen. Boll: “Ik denk dat de mensen in de brugwachterwoning meer in angst zaten dan wij.” Gevieren lopen ze terug. “Na afloop werden wij liefderijk opgenomen in het huisje van de pontwachterfamilie Prinsen”, zegt Jaap Boll. Daar wacht de zwemmers een warm bad. In het huis van het echtpaar Prinsen ontdekt Aten dat hij zijn pikhaak in de pijler heeft laten liggen. Hij vraagt zich angstig af of hij er ooit zijn naam op heeft genoteerd. Het opkomende daglicht verhindert dat hij nog een keer naar de brug kan zwemmen om de haak op te halen. Er zit niets anders op dan er het beste van te hopen.

In de vroege morgen kunnen de mannen, moe maar tevreden, terugkeren naar hun huizen. Lang genieten van het succes is er overigens niet bij. Nog dezelfde dag bemerkt een Duitse wachtpost drijvend pakpapier in het Noordzeekanaal. Hij slaat alarm. Een kort onderzoek maakt duidelijk dat alle springstof is verdwenen, al blijft het de Duitsers een raadsel hoe dat is bewerkstelligd. Als represaille worden vier soldaten gefusilleerd. Hen wordt ten laste gelegd niet goed te hebben opgelet. Er komt extra bewaking op de brug en de middenpijler krijgt een nieuwe voorraad springstoffen.

Het zit Aten dwars dat de Hembrug opnieuw is ondermijnd. Hij is van mening dat het mogelijk moet zijn om het contactblok, nodig om de Donarit tot ontploffing te brengen, ongezien weg te halen. In de nacht van 18 oktober laat de houthandelaar zich opnieuw in het Noordzeekanaal zakken om vooronderzoek te doen. Standhardt fungeert daarbij als rugdekking. Om de bewakers boven hem te misleiden heeft Aten een opgezette meeuw op zijn hoofd bevestigd. Een aan de vogel bevestigd slangetje dat naar zijn mond loopt maakt dat hij onder water zwemmend kan blijven ademen. Ongezien belandt hij voor de tweede keer bij de immense brug. Daar constateert hij dat de middenpijler in de voorgaande dagen is afgezet met zware houten schotten. Er is geen doorkomen aan. Teleurgesteld keert hij terug. Van een poging om het contactblok te verwijderen, komt het daarna niet meer.

Dat de Duitsers de Hembrug uiteindelijk toch niet opblazen heeft te maken met het vastlopen van het geallieerde front bij Arnhem. Vraag blijft overigens of ze er anders wel in zouden zijn geslaagd om de spoorbrug te vernietigen. Na de eerdere, mislukte sabotagepogingen zoekt de Zaandamse onderwijzer Jan van der Hoef op verzoek van de illegaliteit contact met Lies Schouten. Zij woont bij haar ouders aan de Hemkade. De familie Schouten kent een Duitse wachtpost, Hans Anferrer, die -wetende dat de oorlog ten einde loopt- bereid is om het verzet een handje te helpen. Schouten: “Ik bracht mijn vader wel eens brood naar de pont en op een keer zei ik tegen die Hans: ‘Je kunt ook een boterham krijgen, als je me helpt’. Ik wou de brug op om iets aan die springleidingen te doen. Dat hadden mensen van de illegaliteit me gevraagd. Ze zeiden: ‘Als je met een injectiespuit water in die leidingen spuit, dan ontstaat er kortsluiting op het moment dat ze leidingen onder stroom zetten’.” Aldus geschiedt. Anferrer helpt haar de spoorbrug op. Daar laat ze zich langs de middenpijler zakken en opent het luik waarachter de springstoffen en kabels liggen. Ze duwt een injectiespuit in een flesje water dat ze om haar nek heeft hangen en injecteert het opgezogen vocht vervolgens in de leidingen. Schouten, twintig jaar later: “Ik heb dat toen gedaan, maar eigenlijk heb ik er nooit echt voldoening van gehad. Ik had graag resultaat gezien, zo van: nou willen ze de brug in de lucht laten vliegen en nu kan dat niet door het water dat ik er in gespoten heb.”

2.

Weinig verzetsacties zijn na de oorlog zo gedetailleerd vastgelegd als de zwemtocht naar de Hembrug. Een beetje overdreven, in de ogen van Remmert Aten. Een jaar voor zijn dood zegt hij tegen dagblad De Typhoon: “Ik heb het vooral beschouwd als een sportief gebeuren, omdat het naar mijn mening minder risico met zich meebracht dan ander werk dat ik deed.” Over dat andere werk laat Aten tegen buitenstaanders slechts mondjesmaat iets los. Aten is zo’n Zaankanter die na de oorlog nauwelijks de behoefte voelt om zijn verzetsdaden aan de wereld te openbaren. Weerstand bieden aan de Duitsers was in zijn ogen de normaalste zaak van de wereld. Fotograaf Peter Marcuse, die dertien jaar na de bevrijding zijn donkere kamer vestigt op de zolder van Atens woning aan de Frans Halsstraat, ondervindt dat meerdere malen aan den lijve. In een hoek van zijn doka vindt hij een Duits geweer uit de Tweede Wereldoorlog. “Op mijn vraag hoe hij er aan kwam, wilde Aten slechts kwijt dat hij het indertijd had ‘afgepakt’. Rem Aten was niet erg mededeelzaam over zijn rol in het georganiseerd verzet en hield evenmin van uiterlijk vertoon, behalve misschien die keer op Koninginnedag in het eerste oorlogsjaar. De vlag werd uitgestoken en de hond kreeg een oranje strik om. Dit tot grote ergernis van een voorbij fietsende NSB’er die er een Duitse militair bijhaalde. De Duitsers eisten dat de vlag werd ingehaald en de NSB’er, die dat niet voldoende vond, werd toegesnauwd: ‘Maul halten, ich hab’s gesagt’.”

Eind jaren dertig brengen de houthandelaar en zijn vrouw Greet al geen bezoeken meer aan Duitsland, uit weerzin tegen de politieke ontwikkelingen daar. De nationaal-socialistische overrompeling van Nederland komt dan ook hard aan. Het echtpaar heeft vanaf het begin een diepe afkeer van de bezetter. De haat gaat zo diep dat Remmert na de invasie zelfs wil uitwijken naar Engeland. In de meidagen van 1940 fietst hij naar IJmuiden, in de hoop op een boot die hem over het Kanaal kan brengen. Hij is te laat. De weinige boten die tijdens de hectische oorlogsdagen kunnen wegkomen zijn veelal afgeladen met vluchtelingen en na de capitulatie is het vrijwel onmogelijk om nog per schip uit te wijken. Aten keert teleurgesteld terug naar Zaandam, maar broedt vrijwel meteen op een nieuw plan. In de zomer en herfst van 1940 timmert hij met zijn zwager Henk Hoekstra een vaartuig, dat hen beiden naar de overkant moet brengen. Hoekstra’s echtgenote Tiny: “Direct na de capitulatie begonnen Henk en zijn zwager Rem Aten, die in Zaandam een houtzagerij had, met het aldaar bouwen van een boot. Waarmee zij naar Engeland wilden. Toen de boot klaar was lukte het niet, ondanks verwoede pogingen, deze naar de kust te krijgen.” Ook die poging faalt dus.

In hun vertrouwde omgeving steken de Atens hun antipathie tegen de nazi’s niet onder stoelen of banken, een eigenschap die ze delen met George Jambroes. Waarschijnlijk ontstaat er contact tussen deze wiskundeleraar en Remmert via de buurman van laatstgenoemde, ingenieur Van Buschbach. Die is namelijk, net als Jambroes, lid van het Legioen van Oud-Frontsoldaten. Eind 1940 doet Jambroes pogingen om namens het LOF een regionale militaire verzetsorganisatie op te bouwen. Aten toont zich op zijn verzoek bereid als ‘blokcommandant’ te opereren, op voorwaarde dat hij ‘zich uit deze leidende functie terug wilde trekken zodra voor hem een betere plaatsvervanger was gevonden’. Jambroes verlaat begin 1941 overhaast de Zaanstreek, het LOF wordt grotendeels opgerold. Van Jambroes’ opbouwplannen komt niets terecht.

De vlucht van de Zaandamse docent is een direct gevolg van zijn oproep om tijdens de Februaristaking het Gemeentelijk Lyceum plat te leggen. Remmert en zijn broers Bart en Willem vinden het niet meer dan vanzelfsprekend dat ook de arbeiders van hun stoomzagerij De Bark het werk onderbreken. Zeventien stakers telt de politie bij de NV Aten. Er volgen overigens geen sancties tegen de directie. De productie van gezaagde balken komt ook na de staking niet meer goed op gang. Veel hout heeft als bestemming de Wehrmacht en daaraan wensen de Atens niet mee te werken. Bij De Bark wordt dan ook alleen gewerkt indien er zekerheid bestaat over een onbesmette eindbestemming.

Het massale protest op 25 en 26 februari 1941 heeft gevolgen voor een passie van Greet en Remmert Aten. Zij zijn sinds de jaren twintig de motor van Vondel, de oudste toneelvereniging van de Zaanstreek. Hij is er al bijna twintig jaar voorzitter, zij even lang secretaris. Remmert vertaalt voor Vondel talloze toneelteksten uit het Engels, Frans en Duits en speelt uiteraard mee in de stukken, veelal blijspelen. Vondel verzorgt regelmatig voorstellingen in Ons Huis op de Gedempte Gracht en de belangstelling ervoor is altijd groot. Het goed acterende echtpaar Aten vervult vaak de hoofdrollen. Begin 1941 oefenen de twee op hun teksten voor ‘Chris Bean’, een in Groot-Brittannië gesitueerd stuk. De Februaristaking gooit roet in het eten. Een dag na het verlopen ervan komt vanuit Amsterdam het bevel dat alle ramen en deuren in Zaandam voor een onbepaald aantal dagen gesloten moeten zijn vanaf 20.30 uur. “Wordt dit bevel overtreden dan wordt wapengeweld gebruikt. (…) Het sub. 4 bepaalde werd te 6.00 uur n/m door de Cap. aan de radiodistributiecentrale van Op den Velde alhier medegedeeld, met verzoek het publiek door middel van zijn centrale in te lichten.”

Het is een van de sancties die Zaandam treffen. In het jaarverslag van Vondel reageert Greet Aten: “Eindelijk, op 3 maart 1941, zou ‘Chris Bean’ dan gaan en het zou ook zeker gelukt zijn als er geen staking was geweest, waardoor de Duitsers ons straften met 10 dagen uitgaansverbod. Op 12 maart ging ’t stuk dus pas en misschien hebben we het nog aan de moffen te danken dat de zaal zo propvol was. Iedereen wilde na 10 dagen thuis zitten weer eens uit.”

Een jaar later speelt Vondel ‘Blauwbaards achtste vrouw’. Remmert treedt aan als markies de Montferrat, Greet als diens vrouw Monna. Het Departement van Kunsten keurt de voorstelling goed, op voorwaarde dat de in het stuk voorkomende Amerikaan wordt getransformeerd in een Braziliaan. “Gelukkig kwam de brief met deze opdracht wat later dan onze voorstelling, zodat we ons aan de opmerkingen van deze mofsgezinde heren dan ook niet gestoord hebben”, noteert Greet vrijelijk in het jaarverslag 1941-’42. Begin maart vindt de laatste voorstelling plaats.

‘De Zaanse Mary Dresselhuys’ wordt Greet Aten wel genoemd. Maar waar deze grande dame van het nationale toneel zich -met tegenzin- aansluit bij de Nederlandse Kultuurkamer (“Op bevel van de Rijkscommissaris meld ik mij.”) verlaat Greet het podium, en met haar de rest van Vondel. Verwonderlijk is dat niet, met prominente verzetsmensen als de Atens, Van de Stadt en Huig in de gelederen. Greet in het jaarverslag: “De volgende maand trad de Kultuurkamer in werking en moesten we ons, wilden we blijven doorspelen, daarvoor opgeven. Met algemene stemmen werd besloten dit niet te doen. Als reden gaven we op: te weinig leden en speelkrachten. We gingen dus nu een gedwongen rustperiode in en wachtten op betere tijden.”

Het stopzetten van de toneelvereniging uit protest tegen de pro-Duitse Kultuurkamer hoort bij het kleine verzet, net zoals de weigering van de Atens om in de zomer van 1942 hun fietsen in te leveren ten behoeve van de bezetter en het in de piano verstoppen van de eveneens af te geven radio. Het grotere verzet begint wat het echtpaar betreft met het onderbrengen van joden. Begin 1942 verhuist als eerste het Amsterdamse jongetje Karel Daniel Waagenaar naar hun gezin. Karels moeder is sinds haar studietijd bevriend met Greet Heijbroek, de vrouw van Remmerts broer Bart. Ze vraagt of Heijbroek een van haar drie kinderen wil verbergen. Maar die vreest dat haar eigen zoons hun mond voorbij zullen praten over de heimelijke kostganger en verwijst door naar haar zwager en schoonzuster. Hoewel Remmert en Greet eveneens een kind hebben, de dan 12 jaar oude Marion, aarzelen ze niet. Ze reizen onmiddellijk naar de familie Waagenaar om afspraken te maken over de opvang van de 2-jarige Karel. Karel vertrekt, na aanvankelijke weerstand, met ‘oom’ en ‘tante’ naar Zaandam.

De eerste twee weken logeert ook zijn oudere broertje Bernard Chaim in de Frans Halsstraat, om de overgang voor Karel niet te groot te maken. Daarna gaan Bernard en zijn broer Joseph Barent met een lid van een verzetsgroep mee naar Driebergen, waar ze worden ondergebracht in het kindertehuis van de zusters Suus Dermout en Mien Deenik. Als reden voor Karels verblijf in Zaandam voert het echtpaar Aten desgevraagd aan dat diens moeder lijdt aan open tbc en om die reden in een kuuroord verblijft. Het jongetje krijgt een gezien de omstandigheden zo normaal mogelijke opvoeding. Hij gaat na enige tijd zelfs naar school, een montessoriklasje in Koog aan de Zaan.

Het echtpaar Aten werkt tegendraads en houdt zich niet aan de ongeschreven regel om joodse onderduikers zo goed mogelijk af te schermen van de buitenwereld. In plaats van de peuter te verbergen voor nieuwsgierige blikken en vijandige acties tonen ze hem openlijk. “Hierin stak natuurlijk een risico”, schrijft Remmert Aten. “Door z’n nogal blauwe ogen en donkerblond krullend haar viel hij niet op als joods type. Bij navraag hadden wij hem door kunnen laten gaan voor een neefje uit België of zo. Er is nooit navraag gedaan en in zoverre hebben wij dus geluk gehad. Deze methode, dus van volkomen gewoon doen, er geen aandacht op laten vallen, maar ook niet half verstoppen of op de achtergrond houden, bleek dus in bepaalde omstandigheden met wat geluk mogelijk.”

Het is een werkwijze die goed bevalt. Zo goed dat ook andere onderduikers in de woning van de houthandelaar worden ‘ingebed’ in het buurtleven. Uit voorzorg bouwt het echtpaar wel een schuilplaats op zolder, een noodvoorziening waarvan de onderduikers overigens geen gebruik hoeven te maken. “In het algemeen zullen de mensen, die beslist opgemerkt moeten hebben dat er bij ons gasten waren, niet direct gedacht hebben dat deze joods waren, maar de mogelijkheid dat ze ’t waren moet ze toch voor ogen gestaan hebben. En door het ‘gewoon’ doen van ons hebben ze er onder elkaar weinig over gekletst, als ’t ware aanvoelend dat kletsen in dit geval gevaarlijk kon worden. Of zelfs NSB’ers bij ons in de buurt, of met de Duitsers sympathiserenden, ook niet maar liever gezwegen hebben dan als verrader op te treden is voor mij ook nog een vraag. (…) Juist het feit dat het haast nergens zo gedaan werd maakte dat men haast nooit veronderstelde dat joodse mensen op deze manier openlijk durfden te leven. En deze veronderstelling maakte dus dat dit in enkele speciale gevallen juist lukken kon.”

Een van de joodse gasten is Eva Fränkel, een 24-jarige kunstenares uit Duitsland. Van 1936 tot 1938 studeert ze aan een Berlijnse kunstacademie, maar het politieke klimaat noopt haar tot een vlucht naar het buitenland. Binnen twee jaar ziet ze haar vervolgers terug in Nederland, waar ze over woonruimte beschikt in de Wieringermeer. Daar studeert en werkt ze in het joodse werkdorp, een opvangplaats voor enkele honderden jonge, voornamelijk Duitse vluchtelingen. Ze beschouwen Nederland als een tussenstap op weg naar het beloofde land, Erets Jisraël. Maar op 20 maart 1941 gaan de Duitsers over tot de gedeeltelijke ontruiming van het werkdorp. Niet veel later volgt de algehele onttakeling. Ruim tweehonderd inwoners, onder wie Fränkel, worden met bussen afgevoerd naar Amsterdam. Hun ervaringen in Duitsland indachtig veronderstellen de ontzette Palestina-pioniers dat het concentratiekamp de eerstvolgende stop zal zijn. Tot hun opluchting worden ze echter vrijgelaten bij de diamantfabriek van Abraham Asscher, de voorzitter van de Joodsche Raad. Hij dient te zorgen voor hun huisvesting. Fränkel krijgt een plek bij een joodse familie.

Erg lang kan ze daar niet blijven. Op woensdag 11 juni meldt de Joodsche Raad aan de jongeren van het werkdorp dat de Duitsers hen die avond thuis komen ophalen. Ze moeten op bevel van de SD terug naar Wieringen. Niet iedereen vertrouwt de ogenschijnlijk goede tijding. Die argwaan blijkt terecht. Het huis-aan-huis ophalen blijkt onderdeel van een represaille voor enkele aanslagen tegen nazistische instellingen, eerder dat voorjaar. Als reactie daarop dienen driehonderd in Amsterdam verblijvende joodse mannen naar het vernietigingskamp Mauthausen te worden getransporteerd. Eva Fränkel is een van de weinigen die wantrouwend staan tegenover de tijding van de Joodsche Raad, ook al behoort zij niet tot de eerste doelgroep van SD-leider Willy Lages. Vlak voor de razzia’s beginnen verlaat ze haar tijdelijke adres en gaat ze op zoek naar een schuilplaats.

Via via komt Fränkel na verloop van tijd in contact met het echtpaar Aten. Ze kan er in 1942 aan het werk als dienstmeisje. Deze baan en een vals persoonsbewijs legitimeren haar verblijf aan de Frans Halsstraat en voorkomen moeilijke vragen. Via Amsterdamse kunstenaarsconnecties belandt Eva zelfs in een verzetsorganisatie. Verder kopieert ze aan de lopende band schilderijen van Van Gogh. Naar verluidt vinden ze via via gretig aftrek bij leden van de Wehrmacht. Op een gegeven moment wordt haar verblijf bij de Atens echter te riskant. Remmert regelt daarop onderdak bij Willem en Lena Hart. Dit diepgelovige echtpaar woont om de hoek, in de Saenredamstraat. Eva krijgt er de kans om op hun baby te passen en ontvangt in ruil een salaris. Vervalste documenten bieden haar de mogelijkheid om rond te reizen.

Een andere onderduiker die langere tijd bij de familie Aten verblijft is de 39-jarige onderwijzeres Roza Julia Tof. Ze is de oudste dochter uit een Veendams gezin. Haar zus Judik is een bekende mezzosopraan, die in februari 1940 haar debuut maakt bij het Concertgebouworkest. Dat zal meteen haar laatste grote optreden zijn. Een beroepsverbod treft haar. Roza duikt als enig gezinslid onder. Haar ouders menen op grond van hun leeftijd geen gevaar te lopen. Begin april 1943 moeten echter ook zij zich melden voor deportatie. Binnen een maand zijn ze allebei gestorven, zij in kamp Vught, hij in Sobibor. Het ontbreekt Roza uiteraard aan kennis over hun lot. Evenmin verneemt ze dat Judik en haar man in juni 1943 worden vermoord, ook in Sobibor. Roza gaat in Zaandam schuil achter de naam ‘Ans’ en helpt Greet Aten in de huishouding. Ook zij heeft een vervalst persoonsbewijs, wat haar een zekere mate van vrijheid geeft.

Dat geldt tevens voor Hans Holtz, die net als Eva Fränkel uit Duitsland is vertrokken. De al wat oudere joodse man is zogenaamd uit zijn Rotterdamse huis gebombardeerd en als resultaat daarvan in Zaandam beland, dat wel meer daklozen uit de Maasstad opvangt. Holtz gaat tijdelijk als ‘Van Houten’ door het leven. Opvallend aan hem is, naast een humeurig voorkomen, zijn wekelijkse kerkvisite. De ene zondag bezoekt hij een gereformeerd gebedshuis, de volgende een hervormd. Hij heeft alle tijd om de diensten in Zaandam te vergelijken, want hij bivakkeert er tot aan de bevrijding. Karel Waagenaar, Eva Fränkel en Roza Tof vertoeven eveneens langdurig bij de Atens. Hun grote hoekwoning doet echter ook dienst als doorgangshuis. Dochter Marion herinnert zich bijvoorbeeld dat het echtpaar Van Leeuwen er een tijdje onderdak krijgt.

Om aan nieuwe Ausweisen te komen voor haar gasten deinst Greet Aten er niet voor terug om op rooftocht te gaan. Ze struint de jassen af die bezoekers van de roei- en tennisvereniging in de kleedkamer achterlaten en ontdoet ze van bruikbare persoonsdocumenten. Ook schroomt ze niet om haar eigen identiteitskaart bij de politie als verloren op te geven. Haar diefstal van persoonsbewijzen is overigens van korte duur. De risico’s zijn te groot.

Het verblijf van de joodse gasten verloopt geruime tijd zonder problemen, ondanks dat er alleen al in de Frans Halsstraat twee NSB-gezinnen wonen en ook de omliggende straten niet vrij zijn van nationaal-socialistische aanhangers. “Ik geloof wel te moeten erkennen dat ‘good luck’ een grote rol hierin gespeeld heeft”, zal Aten later zeggen.

Die voorspoed ontberen de twee broertjes van Karel Daniel Waagenaar. Ze zijn twee jaar lang gastvrij opgevangen in het Driebergense kindertehuis De Viersprong, maar als gevolg van verraad volgt daar op 6 januari 1944 een overval. Onder toezicht van twee Duitse officieren en een tolk worden de joodse en de niet-joodse kinderen van elkaar gescheiden. De Waagenaars en vijftien andere kinderen worden in een paardentram gezet en afgevoerd naar het station van Driebergen. Marion Hijmans van den Bergh-Aten over de broertjes Waagenaar: “Ik was toevallig bij hun ouders op bezoek, die in Wageningen ondergedoken zaten bij een oudere vrouw, toen er een telefoontje kwam dat ze waren opgepakt.” De ouders reizen met Marion mee naar Zaandam. Het duurt niet lang of er komt daar bericht dat Bernard en Joseph Waagenaar op 12 januari van de Hollandsche Schouwburg naar Westerbork worden gebracht. Hun vader en moeder gaan die dag met Remmert naar het Centraal Station, in de hoop de jongens uit de rij te kunnen halen. Ze komen te laat. Eerder dan gepland was zijn de treinen de hoofdstad uitgereden. In de wagons zitten 120 slachtoffers, vooral onderduikers uit Arnhem en Amsterdam. Ook Bernard en Joseph Waagenaar behoren tot de weggevoerden. De jongens blijven slechts twee weken in kamp Westerbork. “Bij vliegende storm en gutsende regen is een transport van duizend man naar Auschwitz vertrokken. Weer in beestenwagens”, registreert de in Westerbork vastgezette journalist Philip Mechanicus de ellendige situatie. “Het hoofdaandeel heeft de S-barak geleverd: vijfhonderdnegentig man. De rest, de jonge mannen van de Alijah, oude mannen van het ziekenhuis en eenendertig kleine, naamloze kinderen, die in het Weeshuis lagen.” De barre reis naar Polen duurt drie dagen. Op 28 januari 1944 worden Bernard (7) en Joseph (9) Waagenaar onmiddellijk na aankomst in Auschwitz naar de gaskamer gebracht.

Ook Eva Fränkel valt in Duitse handen. Ondanks haar valse documenten wordt ze gearresteerd wanneer ze met de trein onderweg is naar Amsterdam. Ze slaagt er bovendien niet in om enkele meegedragen documenten te vernietigen die wijzen op een relatie met de familie Hart. Haar gastgezin voelt zich dan ook gedwongen om onder te duiken. Fränkel belandt op 19 mei 1944 via een Amsterdamse cel en het Scheveningse Oranjehotel in barak 67 van concentratiekamp Westerbork. Bijna vier maanden later wordt ze als ‘strafgeval’ gedeporteerd naar het concentratiekamp Theresienstadt. Het is het laatste transport vanuit Westerbork naar dit kamp en er gaan niet minder dan 2087 gevangenen mee. “In goederenwagons, waarin als enige luchtverversing enkele openingen; als toilet een paar emmers”, schrijft historicus Jacques Presser. Hij citeert verder een niet bij naam genoemd iemand: “Het verwonderlijke was, dat in deze en gene wagon een goede stemming heerste. Verschillenden speelden kaart op een geïmproviseerde tafel, maakten grappen en zongen liedjes.” Eva Fränkel overleeft de ontberingen van Theresienstadt. Op 15 juni 1945 is ze terug in Amsterdam. Gastvrij als ze zijn stellen Willem en Lena Hart wederom hun huis open voor de jonge vrouw. Ze blijft bij het echtpaar tot 1 maart 1946, wanneer ze emigreert naar de Israëlische staat in wording. Daar weet ze zich te ontplooien tot een bekend kunstschilder.

Na het oppakken van zijn broertjes wordt Karel Waagenaar in Wageningen herenigd met zijn ouders, die hem aan hun zijde willen houden. Het geallieerde front komt echter in het najaar van 1944 steeds dichterbij en de situatie in Wageningen wordt te gevaarlijk. De Duitsers evacueren de stad. Ook het gezin Waagenaar moet weg. Ze komen in Bennekom terecht. Daar hebben de chemisch ingenieur Pieter Schoorl en zijn echtgenote Annaatje een dagtaak aan het verzorgen van joodse onderduikers. Tientallen vluchtelingen vinden voor kortere of langere tijd een plek in hun woning of zijn werkplaats, een nabij gelegen laboratorium. De rust is er van korte duur. Tijdens de slag om Arnhem is het lab doelwit tijdens een bombardement. Alle vaste en tijdelijke bewoners overleven de aanval, maar hun onderkomen is niet langer bruikbaar. Bennekom wordt geëvacueerd en de familie Waagenaar keert terug naar Noord-Holland.

Hans Holtz en Roza Tof maken het einde van de oorlog wel in Zaandam mee. Hoe het de eerstgenoemde daarna vergaat is niet bekend. Tof, die binnen enkele maanden is beroofd van zowel haar ouders als haar zuster en zwager, vestigt zich definitief in Zaandam. Ze geeft er les op een basisschool en werkt als kosteres bij de plaatselijke synagoge.

Scan10018b
Remmert Aten, datum onbekend

3.

Franci de Munck-Siffels is getrouwd met een communistische man die tijdens de Spaanse burgeroorlog heeft gevochten tegen de fascistische troepen van generaal Franco. Hij krijgt financiële steun van het CPN-solidariteitsfonds en onderhoudt contacten met gelijkgestemden. Een ruzie met haar man over al dan niet vermeende ontrouw is voor Franci de Munck reden om op hoge poten naar de Amsterdamse Sicherheitsdienst te stappen. Uit wraak geeft ze daar de namen door van een aantal Zaankanters die volgens haar communistische sympathieën hebben. Het is koren op de molen van de nazi’s. In de nacht van 22 op 23 november 1943 rijdt de SD met de nieuw verworven informatiebron door Zaandam en laat haar de adressen aanwijzen waar linkse activisten zouden wonen. Een arrestatiegolf is het gevolg. Diverse verzetsmensen verdwijnen in de cel. De gewaarschuwde verzetsman Sjef Swolfs ontspringt in eerste instantie de dans, maar anderhalve week later volgt er alsnog een inval bij zijn woning aan de Zuiddijk 168. De SD vindt er enkele blokjes van de springstof trotyl. Het echtpaar Swolfs wordt daarop afgevoerd. In het kolenhok van hun woning ligt echter nog zo’n dertig kilo trotyl, alsmede een voorraad handgranaten en munitie. De goederen zijn afkomstig van de Artillerie Inrichtingen, Swolfs’ werkgever. Melkventer Barend Vethaak slaagt er in de goederen weg te halen voordat de politie er beslag op kan leggen. Hij vult enkele melkbussen met de explosieven, laadt die op zijn wagen en verbergt ze in zijn eigen huis. Via via belandt de voorraad in de machinekamer van balkenzagerij De Bark. De goederen worden later gebruikt bij aanslagen.

Remmert Aten verbergt wel vaker wapenvoorraden in zijn bedrijf. Naarmate de oorlog voortschrijdt komen er meer wapens het land in. Waar in de beginfase de afhankelijkheid van de Artillerie Inrichtingen groot is, kan het verzet met name de tweede helft van de oorlog in toenemende mate gebruikmaken van gedropte goederen. Een van de plaatsen waar de geallieerden hun materiaal parachuteren is een afwerpterrein bij het dorp Spanbroek. In de loop der maanden zal er beetje bij beetje 65 ton gedropt worden; wapentuig, maar ook voedsel en civiele materialen. Een klein deel daarvan gaat per auto en bakfiets naar de Zaanstreek. De stenguns en granaten krijgen een plekje bij De Bark. Ze worden tevoorschijn gehaald zodra er een overval of aanslag mee gepleegd moet worden en dienen als instructiemateriaal in de Katholieke Volksbond, een Zaandams verenigingsgebouw waar diverse verzetsgroepen samenkomen. Ook Aten oefent er op de omgang met ‘brandbom, handgranaat en revolver’, zoals in een BS-rapport te lezen valt.

Remmert Aten is breed inzetbaar. Of het nu gaat om het verbergen van verboden goederen, het huisvesten van vluchtelingen, het ontruimen van de ondermijnde Hembrug of het leggen van illegale contacten; men kan een beroep om hem doen. Hij is ook niet te beroerd om er gewapend op uit te trekken en Duitse soldaten te ontdoen van hun rijwiel, schokgranaten aan te brengen boven de Provincialeweg (met de bedoeling langsrijdende Duitse wagens te beschadigen) of te helpen bij een overval.

Geruchtmakend is bijvoorbeeld het leeghalen van het Zaandamse gemeentehuis. Dat is nodig omdat zelfs gedurende de laatste stuiptrekkingen van hun oorlog de Duitsers proberen om Nederlanders te ronselen voor de arbeidsinzet. Pal voor kerstmis 1944 kondigen ze een arbeidsdienstplicht af voor alle mannen van 16 tot 40 jaar. De Zaanse illegaliteit neemt het voortouw om deze Liese-Aktion te saboteren, kort daarna gevolgd door verzetsgroepen elders in het land. Provinciaal verzetsleider Kees Kraay krijgt van zijn stadgenoot Walraven van Hall de opdracht om de bevolkingsregisters in de Zaanstreek te kraken. Dat lukt in bijna alle gevallen. Op 25 en 26 december slaagt de GSA er in de opgeslagen persoonsgegevens van negen Zaangemeenten weg te halen. In Zaandam, de grootste plaats in de regio, is ook Remmert Aten van de partij. Voorafgaand aan de overval op het Zaandamse stadhuis komen hij en tientallen andere deelnemers aan de Oostzijde bij elkaar in de Volksbond. Het zijn katholieken, protestanten, communisten en sociaal-democraten, voor even verenigd in een gezamenlijk streven. GSA-commandant Gerrit Koeman deelt er orders uit, waarna het gezelschap in kleine groepjes uiteen gaat. Naast café Lammes worden gewapende wachtposten uitgezet. Hetzelfde gebeurt op andere hoeken van het plein rond het gemeentehuis. Urenlang houdt er ook een ploegje de omgeving in de gaten vanaf het openbare urinoir bij de Prins Hendrikkade. Als ze er eindelijk, ietwat misselijk, weg mogen verspreidt hun kleding een penetrante lucht. De dagen erna gaan de mannen door het leven als de ‘pisbakploeg’, maar het doel heiligt in dit geval de middelen.

Wat er die avond vanaf 22.45 uur in het stadhuis gebeurt is gedetailleerd vastgelegd in een politierapport. “Omtrent genoemd tijdstip werd er aan de deur van genoemd gemeentehuis gerammeld, waarop een burgerbewaker, belast met de bewaking van het gemeentehuis, zich naar de deur begaf. Deze vroeg naar het wachtwoord, waarop door de persoon die aan de deur gerammeld had het wachtwoord werd genoemd. Nadat de bewaker de deur had geopend traden ongeveer 30 à 40 gewapende personen, waarvan verschillende gekleed in uniformen der Nederlandse politie, het gemeentehuis binnen. De niet in uniform geklede overvallers hadden een masker voor het gezicht. De met de bewaking van genoemd gemeentehuis belaste personen, zijnde een wachtmeester van politie en een burgerbewaker, werden door enige overvallers met wapens in bedwang gehouden en daarna met touwen op stoelen vastgebonden. (…) Het bevolkingsregister is vermoedelijk per auto weggevoerd, dit is echter door niemand gezien. De in het gemeentehuis aanwezige alarminrichting bleek onmiddellijk na het betreden van het gemeentehuis door de overvallers onklaar te zijn gemaakt, waardoor het bureau van politie alhier niet kon worden gewaarschuwd.”

Het archief wordt inderdaad per auto weggevoerd, in twee vrachtwagens om precies te zijn. Daarmee wordt het de Duitsers lastig gemaakt om potentiële dwangarbeiders op te sporen. De documenten krijgen tot aan de bevrijding een plek in een onopvallende hoek van een boerderij. De overvallers moeten na de geslaagde actie nog wel in allerijl terug naar het gemeentehuis. Het is plotseling gaan sneeuwen en de goed zichtbare bandensporen van de gebruikte auto’s dienen te worden gewist. Pas daarna, in de vroege ochtend van 26 december, kunnen Remmert Aten en zijn medestrijders met een tevreden gevoel het bed opzoeken.

4.

Zaanse verzetsmensen spelen een cruciale rol bij het opzetten van het Nationaal Steunfonds, een organisatie die tijdens de oorlog bijna ƒ84 miljoen bijeenbrengt ten bate van verzetsorganisaties, onderduikers en spoorwegstakers. Het NSF komt voort uit de Zeemanspot. De overgrote meerderheid van de Nederlandse koopvaardijvloot is na de Nederlandse capitulatie uitgeweken naar Groot-Brittannië. In eerste instantie heeft dat geen gevolgen voor de uitbetaling van de zeemanssalarissen aan de in Nederland achtergebleven familieleden. Maar in het najaar van 1941 eist de bezetter dat deze uitkeringen drastisch moeten worden gereduceerd. De voormalige koopvaardij-officier Walraven van Hall kan dat niet verkroppen. Samen met zijn plaatsgenoot Jaap Buijs begint hij in de Zaanstreek geld in te zamelen voor de getroffen gezinnen. Ze zijn niet de enigen die zo te werk gaan. In verschillende gemeenten wordt er hulp gemobiliseerd. Eind 1941, begin 1942 ontstaat er contact tussen en vervolgens bundeling van de diverse lokale comités. De geboorte van de Zeemanspot is een feit, de uitbetalingen krijgen een landelijk karakter.

Van Hall en zijn collega’s slagen er in om zoveel te lenen dat de Zeemanspot permanent gevuld blijft en er zelfs werkkapitaal resteert. Maar al snel is duidelijk dat niet alleen de gezinnen van zeevaarders hulp nodig hebben. Het aantal ondergrondse organisaties groeit. Kandidaten voor de Arbeitseinsatz verbergen zich, ook al betekent dat verlies van werk en dus salaris. Ambtenaren die weigeren mee te werken aan de Duitse wensen krijgen ontslag, met inkomstenderving tot gevolg. Ze zijn bijna allemaal afhankelijk van externe financiering. Begin 1943 besluiten de broers Gijs en Walraven van Hall om naast de Zeemanspot een Landrottenfonds op te bouwen. Er gaan grote bedragen in om. Waar het minimumbedrag aan leningen bij de Zeemanspot ƒ1000,- was, loopt dat bij het Landrottenfonds op tot ƒ25.000,-. Dat het lukt om zulke sommen bij elkaar te krijgen is vooral te danken aan de achtergrond van de familie Van Hall; zowel Gijs en Walraven als hun vader hebben respectabele posities in de financiële wereld. Dankzij de illegale leningen die ze kunnen afsluiten bij particulieren en banken weet het Nationaal Steunfonds -zoals het Landrottenfonds na een tijdje wordt genoemd- al snel honderdduizenden guldens bij elkaar te brengen.

Bij het NSF kloppen ook verzetsgroepen aan die joden verzorgen. Het leidt in het najaar van 1943 tot een nieuwe organisatie, de NSF-Vakgroep J. Om de risico’s te beperken krijgt deze NSF-tak een eigen bestuur. Mocht de Vakgroep J worden opgerold, zo is de gedachte bij Van Hall, dan loopt de rest van het NSF minder kans te worden meegesleurd. Walraven van Hall neemt contact op met een betrouwbare relatie uit de bankwereld, Herman Götzen. Gezamenlijk gaan ze op zoek naar geschikte bestuurskandidaten. De eerste gegadigde is een voormalig medewerker van de Joodsche Raad in Amsterdam, A. Krouwer. “In juni 1943 kreeg ik bezoek van Wally van Hall, die vergezeld was van Götzen”, vertelt hij. “Zij zochten iemand die met de joden bekend was, die alles wist van het begin af van de jodenvervolging, enz. Men had namelijk besloten naast de verschillende mensen die men ondersteunde ook de ondergedoken joden te gaan steunen, die overal van afgesloten waren. Men was toen bij Götzen gekomen of hij dat wilde doen, maar Götzen was niet zo bekend met de joden. Götzen kende echter mij (ik ben directeur van de Handelmij. Europa-Azië), ik ben zelf jood en lid geweest van de Joodsche Raad; ik kende dus het wel en wee van de joden. Met de heer Götzen sloot ik vroeger assurantiezaken. Er was daarna een bijeenkomst met Götzen, Van Hall, Roorda, de Vries, mej. Steenbrugge, Westra en ikzelf.”

De genoemde betrokkenen hebben verschillende herinneringen aan die eerste bijeenkomst. De OD-koerierster H. Steenbrugge bijvoorbeeld zegt dat Remmert Aten er ook bij is. Een verzetskennis benadert haar eind 1943. “Hij kwam met het verzoek of ik in Amsterdam mij met de Vakgroep J wilde belasten. Toen ik na overleg met degene voor wie ik werkte daarop bevestigend had geantwoord werd ik in contact gebracht met de heer Götzen, die mij meedeelde dat de ondersteuning van de joden van de rest moest worden afgescheiden. Behalve mij zou hij nog iemand uit het Gooi en uit de Zaanstreek vragen. Zo kwamen wij korte tijd daarna samen: Götzen, Roorda (Gooi), Aten (Zaanstreek) en ik.”

De Hilversummer L. Roorda kan zich alleen een eerste ontmoeting met Götzen en Aten voor de geest halen. “Uit deze vergadering is de Vakgroep J geboren.” Maar er is ook een document bewaard gebleven waarin hij Van Hall noemt als mede-aanwezige: “Een vergadering had plaats in het gebouw Industrie, waar we kennismaakten met de heer Van Hall (toen Van Tuyl, Koopman) en de heer Aten (De Lange). Wij besloten de steun aan joden gescheiden te houden van de ondersteuning van zeelieden en gewone onderduikers. Deze afzonderlijke financiering was nodig omdat de verzorgers van de joden zoveel kwetsbaarder was. ‘De nieuwe Joodsche Raad’, later Vakgroep J geheten, ontstond toen.”

Remmert Aten wordt via Jaap Buijs aan Walraven van Hall voorgesteld. Buijs en Aten kennen elkaar uit de houthandel. Hun beider bedrijven grenzen in het Zaandamse Westzijderveld aan elkaar. Ze wonen bovendien allebei in de Schildersbuurt en zijn in de jaren twintig enige tijd buren geweest, op de Westzijde. Atens introductie bij de vaderlandse verzetsleider vindt plaats in februari of maart 1944. Aten: “Ik kende Wally niet -wist wel van zijn positie in Zaandam-, had over hem gehoord in verband met zijn poging om door middel van de Nederlandsche Unie stelling te nemen tegen de bezetters. Van zijn activiteit als ondergronds werker was mij niets bekend en ik was dus wel nieuwsgierig wat mijn bezoek op zou leveren, daar Jaap B. mij alleen gezegd had, dat het goed zou kunnen zijn als ik eens zou willen komen praten. Er werd niet lang getheoretiseerd, maar ik kreeg onmiddellijk een plan voorgelegd om mede te werken aan het economisch steunen van alle ondergedoken joodse Nederlandse staatsburgers. Of nee, het betrof alle joden, want ook de Duitse emigranten vielen er onder.”

De basis van de nieuwe organisatie is dan al gelegd. “Er zou zoveel geld zijn als wij nodig hadden. Ieder lid ging in zijn rayon er op uit om contacten te zoeken met ondergrondse organisaties die onderduikers en/of joden steunden. Wij kregen contact met vertegenwoordigers van het NSF die in de belangrijkste centra werkten en deze brachten ons in aanraking met geschikte personen om als verbinding tussen de nieuwe vakgroep en de bestaande groepen te fungeren. Alle adressen van joodse onderduikers bleven geheim. Noch de ondergedokenen noch de gastheren hadden een rustig ogenblik als zij hun adres bekend wisten bij een organisatie die misschien alles te boek gesteld had en ieder moment opgerold kon worden.”

Remmert Aten heeft vertrouwen in de onderneming, ook al vertellen Buijs en Van Hall hem niet meer dan het hoogst noodzakelijke. “De naam NSF werd niet genoemd. Alleen een tipje van de sluier werd opgelicht, net genoeg om mij de overtuiging te geven dat als ik deze kans om mede te werken aangreep, ik in de gelegenheid zou zijn veel te doen voor de achtervolgde joden.” Vier andere gegadigden tonen zich eveneens bereid. De Vakgroep J kan van start. In het prille begin gebeurt dat onder voorzitterschap van Herman Götzen. Die valt echter al snel in handen van de Duitsers, waarna A. Krouwer zijn taak overneemt. Van Hall had beter iemand anders kunnen kiezen, meent medebestuurder Steenbrugge. “Hij kwam met de heer Krouwer, die bij de Joodsche Raad werkzaam is geweest. Dit is m.i. geen gelukkige greep gebleken. Zelf had ik nooit iemand van de Joodsche Raad genomen. Achteraf bleek het ook iemand te zijn met wie moeilijk viel samen te werken. Hij speelde graag de belangrijkste persoon.”

Het bestuur komt wekelijks bij elkaar op wisselende locaties in Amsterdam. Twee maal per maand haalt Krouwer het voor de onderduikers benodigde geld op bij een NSF-kassier aan de Herengracht 368. In het begin gaat het om enkele tienduizenden guldens, maar dat bedrag loopt al snel op tot meer dan vier ton per maand. Tijdens de bestuursoverleggen verdelen de aanwezigen het geld. Krouwer: “Ieders taak was om cellen te vormen om zich heen, die weer in contact stonden met mensen die uiteindelijk met de onderduikers in contact stonden.” Remmert Aten is verantwoordelijk voor de verdeling van het geld over Noord- en Zuid-Holland, met uitzondering van Amsterdam en het Gooi: “Ik heb contact gehad in Den Haag (300 mensen), Rotterdam, Gouda, Leiden en Haarlem”, zegt hij zelf.

Aanvankelijk reist de houthandelaar nog wel eens met een stapel bankbiljetten naar Amsterdam, ook al hoort die stad officieel niet tot zijn district. Aten werkt daar samen met een vertegenwoordiger van de Vrije Groepen Amsterdam (VGA), Bob van Amerongen. “Hij schonk ons het geld, zodat we onze persoonsbewijzen en bonkaarten niet meer hoefden te verkopen, maar ze gratis aan de onderduikers konden geven. Wij kregen gewoon van het NSF duizend gulden of zo per maand, althans zoveel als we strikt nodig hadden”, aldus Jan Hemelrijk, een van de VGA-initiatiefnemers. “Remmert ontmoette maandelijks Bob van Amerongen ergens en droeg dan het geld in een sok. Maar op een kwade dag werd Remmert overgeplaatst, althans er kwam een ander voor hem in de plaats. Toen die de eerste maal Bob ontmoette zei hij dat hij het geld wel wilde geven, maar dan diende hij over de namen en adressen te beschikken van de onderduikers voor wie het geld bedoeld was. Er kon natuurlijk geen sprake van zijn dat wij daar op in zouden gaan. De LO heeft dat in sommige gevallen wel gedaan, en dat heeft ettelijke keren geleid tot arrestaties van onderduikers.” Na enig onderhandelen ontvangt de VGA alsnog de benodigde financiën, zonder de personalia van haar onderduikers te hoeven melden.

Uit bewaard gebleven NSF-documenten blijkt hoe de cellenstructuur er in de praktijk uitziet. Als voorbeeld kan de situatie in Haarlem dienen, de gemeente waar Aten verhoudingsgewijs het meeste geld heenbrengt. Alles bij elkaar levert hij tussen april 1944 en februari 1945 ƒ146.760,- af bij Hendrika Joosten (alias ‘Hans Liefland’). Maandelijks reist hij per trein naar haar woning aan de Zanenlaan 135 en laat daar een pak geld achter. Joosten verdeelt dat vervolgens in haar regio. Zo opereert op de Schouwtjeslaan 37rd. in Haarlem het echtpaar Vermeer als haar ‘onderaannemers’. Zij dragen de laatste oorlogsmaanden de verantwoordelijkheid voor 156 joden, die verspreid over Haarlem en omgeving verborgen zijn. Op hun beurt distribueren ook zij NSF-geld over hun eigen netwerk. En zo kan het gebeuren dat Zaandammer Piet Bosboom elke maand ruim ƒ2.000,- uit Zaandam ontvangt, maar dan wel via het echtpaar Vermeer. Zij weten misschien nog wel wie er schuilgaat achter ‘Hans Liefland’, maar hebben waarschijnlijk geen kennis van Aten, terwijl die op zijn beurt onwetend is van Bosbooms hulpverlening. Door ook nog te werken met schuilnamen wordt de beveiliging geoptimaliseerd. Zo staat Jan Vermeer bekend als ‘Das’ en ‘Klein’, heeft Aten ‘De Lange’ als pseudoniem en is Bosbooms alias ‘Piet Bakker’. Mocht er een tussenpersoon in handen vallen van de Sicherheitsdienst dan kan hij of zij slechts enkele (schuil-)namen uit de zeer directe omgeving verraden en blijven de gevolgen min of meer beperkt.

Het heen en weer reizen met flinke sommen blijft overigens riskant. Er is vaak toegangscontrole bij de stations en in de treinen. Daarbij worden tassen en soms ook kleding onderzocht. Wie zonder goede verklaring wordt betrapt met tienduizenden guldens op zak verdwijnt in de gevangenis. Slaagt de SD er in om een verband te ontdekken tussen de gevonden bankbiljetten en het verzet, dan is de kans groot dat hun arrestant de status ‘Todeskandidat’ krijgt. Dat geldt eveneens indien een van de contactpersonen wordt opgepakt en uit de school klapt. In dat verband moet ook Atens naoorlogse opmerking worden gelezen dat de zwemtocht naar de Hembrug vooral ‘een sportief gebeuren’ was, met minder risico dan zijn andere verzetswerk. “Mijn vrouw en ik hadden een joods kind en een joodse vrouw in huis en ik moest vaak het land in om geld te brengen naar andere ondergedoken joden. (…) In principe kon iedere keer als ik thuiskwam of als ik op een adres met een onderduiker kwam de SD op me zitten wachten. U zou eens moeten weten hoeveel mensen op die manier zijn gepakt en daarna niet meer zijn teruggekomen.”

Aten hoeft niet alles zelf te doen. Hij heeft via het NSF de beschikking over koeriersters en krijgt hulp van zijn echtgenote. Ook zijn tienerdochter Marion speelt een rol in het wegbrengen van geld. De kans dat zij, als schoolgaand meisje, wordt gecontroleerd en aangehouden is relatief klein en zo kan ze bijvoorbeeld met duizenden guldens naar Rotterdam reizen, om het daar te overhandigen aan een tussenpersoon.

Afhankelijk van hun persoonlijke situatie krijgen de onderduikers gemiddeld ƒ60,- tot ƒ100,- per maand uitgekeerd. Daarmee zijn overigens lang niet altijd alle kosten afgedekt. Uit een NSF-verslag: “Er kwamen ons gevallen ter ore van joodse onderduikers die ƒ300,-, ƒ500,-, ja zelfs ƒ1000,- per maand betaalden voor hun onderdak en onderhoud. Voor zoverre zij zelf over voldoende gelden beschikten konden wij ons hier natuurlijk niet in mengen. Er kon echter geen sprake van zijn dat het NSF dergelijke bedragen voor zijn rekening zou nemen.”

Jaap Boll en Remmert Aten (1945)
Remmert Aten en Jaap Boll poseren na de oorlog in de middenpijler van de Hembrug

Waar sprake is van uitbuiting probeert de Vakgroep J de geëxploiteerde slachtoffers onder te brengen op een ander adres. Aan chantage wordt op geen enkele manier meegewerkt. Hoeveel joodse onderduikers er geholpen zijn staat niet vast. In het NSF-kaartsysteem zijn 4237 namen terug te vinden, maar daarbij gaat het vaak om meerdere gezinsleden. In totaal heeft de Vakgroep J naar schatting 8000-9000 joden voorzien van geld en, tijdens de spoorstaking, van etensbonnen en kleding. Begin 1943 leven er vermoedelijk zo’n 25.000 joodse onderduikers in Nederland. Daarvan worden er duizenden opgepakt en gedeporteerd, maar aangenomen kan worden dat minstens eenderde van de onderduikers met NSF-middelen is geholpen.

Die hulp blijft overigens niet beperkt tot het verstrekken van financiën. Het kan gebeuren dat de onderduikers zelf nog beschikken over geld. Gaat het om kleine coupures, dan is het meestal mogelijk om er goederen voor te laten kopen of de ‘huur’ van te betalen. De biljetten van ƒ500,- en ƒ1000,- daarentegen zijn in maart 1943 ongeldig verklaard. De bezetter hoopt door deze maatregel zwarthandelaren, de illegaliteit en onderduikers te dwarsbomen. Dankzij hun bankrelaties lukt het de gebroeders Van Hall om de bankbiljetten ook na de ongeldigverklaring in te wisselen. Steenbrugge: “Wanneer ik bij een joodse onderduiker een dergelijk biljet kreeg aangeboden, moest ik eerst zijn vroegere officiële adres en juiste naam weten. Dan werd via de belastinginspecteur nagegaan of de man zoveel geld bezeten kon hebben, want wij wilden natuurlijk niet de zwarte handel bevoordelen. Als dat in orde bleek te zijn werd de ƒ1000,- ingewisseld. Echter nooit meer dan één biljet. Kon men met ƒ250,- per maand toe, dan werd afgesproken dat ik over vier maanden terugkwam.”

Op de agenda van de wekelijkse NSF-bestuursvergaderingen staat ook standaard de verdeling van bonkaarten geagendeerd. De gestolen of nagemaakte kaarten worden geleverd door de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Voor valse identiteitsbewijzen zorgt de Persoonsbewijzencentrale. Telkens weer dienen er nieuwe horden te worden genomen, variërend van het onderbrengen van pasgeboren baby’s tot het onopvallend begraven van overleden onderduikers. En uiteraard ontstaan er regelmatig aanvaringen tussen gastgezinnen en gasten. Het maanden- of zelfs jarenlang verscholen blijven in kleine kamertjes, vaak zonder zicht op daglicht, eist zijn tol. In zijn publicatie Ondergang geeft Jacques Presser een voorbeeld van de benauwenis die het onderduiken met zich meebrengt: “Een onderduikster zette elke dag een kruisje in een hokje; op 17 oktober 1942 schreef zij in haar dagboek: ‘Dit is 38 dagen; ik hoop dat er geen 38 meer bijkomen’. Het werden er 933, dag in, dag uit in hetzelfde kamertje, op het oosten, in de kou, onverwarmd.” Ook in deze en andere stressvolle situaties is de hoop gericht op Remmert Aten en zijn collega-bestuurders.

5.

De Vakgroep J staat al snel stevig op de rails. Na een paar maanden loopt de geldverstrekking volgens Aten zelfs ‘als een soort routine’, met als voornaamste taken voor het bestuur ‘vergaderen en op bepaalde tijden de vertegenwoordigers bezoeken’. De situatie verandert echter zodra de regering in ballingschap op 17 september 1944 een landelijke spoorwegstaking uitroept. Het merendeel van de 30.000 spoormedewerkers geeft er gehoor aan en daarmee komt de treinenloop na enkele dagen stil te liggen. Het Nederlandse kabinet verwacht dat Nederland binnen afzienbare tijd bevrijd zal zijn, nu de geallieerden de Belgische grens zijn overgestoken en oprukken naar het Noorden. Maar de luchtlandingsoperatie Market Garden loopt vast bij Arnhem. Voor Aten en de andere leden van Vakgroep J zijn de gevolgen funest. Het openbaar vervoer is hun levenslijn met de geldverdelers en daarmee met hun doelgroep, de joodse bevolking.

Door de spoorwegstaking verslechtert bovendien de voedselsituatie in het westen van Nederland. De stilgelegde aanvoer van eerste levensbehoeften kan in eerste instantie deels worden gecompenseerd via transporten over water. Maar wanneer in december de winter toeslaat en de vaarten en kanalen bevriezen is ook die mogelijkheid afgesloten. Veel burgers zijn in staat om hongertochten te maken naar het platteland. De joodse onderduikers hebben uiteraard niet de kans om de straat op te gaan en daar naar eten te zoeken. Zij raken nog meer dan voorheen afhankelijk van de goedgeefsheid die hun omgeving tentoonspreidt.

Noodgedwongen trekt Remmert Aten vanaf september op een gammele fiets door Noord- en Zuid-Holland, het gevaar op de koop toenemend dat tijdens wegcontroles zijn meegenomen geldvoorraad wordt ontdekt. Hij krijgt overigens wel assistentie, in de persoon van zijn koeriersters Otti Lim en Fieka Tazelaar. Aten voorziet elke maand negen tussenpersonen van financiën, variërend van enkele honderden tot meer dan tienduizend gulden per keer. Hij gaat daar mee door tot december. “De laatste maand was het ondoenlijk”, zegt hij. Het sneeuwt, het vriest en er waait een ijzige wind. Hoe sportief de inmiddels 49-jarige Aten ook is, onder deze omstandigheden telkens weer honderden kilometers fietsen op een oud rijwiel is zelfs hem te bar. Hij gaat nog één keer langs zijn contactpersonen in de grote Zuid-Hollandse gemeenten en laat daar bedragen achter waarmee de onderduikers het enkele maanden moeten kunnen volhouden. Al dat geld in huis betekent nog niet dat de familie Aten er ook zelf gebruik van maakt. Dochter Marion: “We hadden wel honger. De onderduikers beschikten niet over voedselbonnen. Het weinige eten, bestemd voor een gezin van drie personen, moest verdeeld worden over veel meer mensen. Ik ging wel eens met mijn vader op de fiets met houten banden naar de Purmer, om voedsel te halen.”

Omdat hij niet meer naar Zuid-Holland hoeft, kan Aten meer tijd besteden aan de Gewestelijke Sabotage Afdeling. Daarnaast concentreert hij zich op het transporteren van NSF-geld naar adressen in Haarlem en de Zaanstreek. Het zijn er zeven. De daar wonende contactpersonen verbergen bijna allemaal zelf joden en brengen ook nog geld naar onderduikers op andere adressen. Zo heeft het in Zaandijk wonende echtpaar Keijzer via Piet Bosboom een tijd lang één of meer illegale bewoners in huis. Dat houdt echter op wanneer politieman Joop Keijzer wordt gearresteerd -overigens niet vanwege zijn hulp aan joden- en in een concentratiekamp verdwijnt. Voor zijn echtgenote is dat geen reden om het ondergrondse werk stop te zetten. Onder de schuilnamen ‘mevrouw Kool’ en ‘Tante Lena’ voorziet ze zeventien onderduikers van goederen en geld. Remmert Aten brengt tussen januari en mei 1945 de benodigde financiën, die oplopen tot meer dan ƒ2000,- per maand, naar haar huis aan de Oud Heinstraat 18. Ze woont in een waar verzetsstraatje. Alleen al op de Oud Heinstraat 16 en 23 hebben zich minstens negen joden verscholen. Het merendeel krijgt steun van de Vakgroep J.

Op 12 januari 1945 wordt Jaap Buijs gearresteerd, op 27 januari Walraven van Hall. De laatste zal het einde van de oorlog niet meemaken. Aten: “De laatste keer dat ik met hem samen was, was in zijn huis, samen met de heren Buijs, Sabel en Pel, op een zondagochtend. Dan werden de plaatselijke gebeurtenissen uitgewisseld, want van wat er aan de Zaan gebeurde werd hij geheel en al op de hoogte gehouden. Nog vaak moet ik aan die laatste bijeenkomst denken; hoe hij daar de ziel was van dat kleine gezelschap dat het verzet in de Zaanstreek leidde.”

Na Van Halls arrestatie bespreken de overgebleven Zaanse leiders met diens broer de kansen van een bevrijdingspoging. Gijs van Hall: “Achteraf beschouwd… misschien hadden we hem kunnen loskrijgen wanneer we als illegaliteit contact met Seyss-Inquart hadden opgenomen. Die contacten waren toen al mogelijk. Maar een politieman uit Zaandam, met wie we contacten hadden, zei ons -en dat was toen, achteraf beschouwd, terecht-: ‘Ze weten niet wie hij is’. Toen dachten we: als dat zo is, kunnen we hem beter als onbekende laten zitten dan speciaal de aandacht op hem vestigen. Later wisten ze dus wel wie hij was.” Aten: “Niets hebben wij vermogen te doen. Wij waren allen bereid, maar de leiding heeft geen teken gegeven. De kans op redding moet anders gelegen hebben. Dat deze gefaald heeft en niets het noodlot heeft kunnen afwenden is ontzettend.”

Voor de familie Aten komt het leed nog dichterbij. Tijdens de bouw van de boot die Remmert en hem naar Engeland moest brengen is Greets broer Henk Hoekstra in contact gekomen met een medewerker van Vrij Nederland. Op verzoek van deze illegale organisatie begint hij in 1942 met het vervaardigen van zend- en ontvangapparatuur. Via via komt de technicus in aanraking met de enkele kilometers verderop wonende Jan Thijssen. Diens Radiodienst heeft behoefte aan een binnenlands zendnetwerk. Hoekstra toont zich bereid om de benodigde toestellen te bouwen en bovendien commandant te worden van een zendkring in het Gooi (hij woont zelf in Blaricum). Zijn eigen woning aan de Woensbergweg 2 doet vanaf 1943 ook dienst als zend- en ontvangstcentrum. Van daaruit wordt contact onderhouden met diverse districten van de Ordedienst en met het OD-hoofdkwartier in Amsterdam. Technicus Hoekstra is er dag en nacht mee bezig, met steun van zijn echtgenote Tiny. Zij assisteert bij het (de)coderen van berichten, werft medewerkers en opereert als koerierster.

In vijf maanden tijd wisselt ‘Leidend Station I’, zoals het commandocentrum in de woning van de Hoekstra’s is gedoopt, ook nog eens ruim zeshonderd berichten met het Bureau Inlichtingen. Dat heeft een zendpost in het inmiddels bevrijde Eindhoven. Maar op 10 februari 1945 valt de Sicherheitspolizei binnen in de villa. Op het moment dat een agent Hoekstra de handboeien om wil doen, trekt die zijn pistool. Het wapen blijft echter in zijn kleding haken. Hoekstra wordt onmiddellijk doodgeschoten. Tiny vliegt daarop de Sipo-medewerkers aan, maar wordt overmeesterd en afgevoerd. Ze verdwijnt in de gevangenis en blijft vastzitten tot 1 april. Twee in het huis aanwezige marconisten slagen er in om zich tijdens de overval te verbergen. Hoekstra’s 8-jarige dochter haalt ze na het vertrek van de Duitsers met behulp van een buurman uit hun schuilplaats, waarna ze zich uit de voeten maken. De Sipo geeft begrafenisondernemer Johannes Bleekemolen opdracht om het lichaam van Henk Hoekstra te verwijderen uit diens woning. Het is inmiddels 12 februari, de dag dat Walraven van Hall met zeven anderen in Haarlem wordt gefusilleerd. Omdat Bleekemolen ook hen moet ophalen heeft hij een lucratieve dag. Hij begraaft de negen stoffelijke overschotten gezamenlijk in de Kennemerduinen en zendt de rekening voor zijn werkzaamheden, ƒ195,- per persoon, naar het gemeentebestuur.

De bezetter schakelt dus in korte tijd drie naasten uit van het echtpaar Aten, twee ondergronds werkende collega’s annex vrienden en een familielid. Het is een zware slag. Voor de Vakgroep J heeft het oppakken van Van Hall en Buijs overigens geen onoverkomelijke consequenties. De NSF-structuur is in nog geen twee jaar tijd zo solide opgebouwd dat zelfs zonder haar leiders (onder wie ook de in een eerder stadium gearresteerde en vervolgens doodgeschoten Iman van den Bosch) de zaken kunnen voortgaan. Vakgroep J continueert de werkzaamheden, intensiveert die zelfs tijdens de hongerwinter. In totaal verdeelt het bestuur tussen 1943 en 1945 ƒ4.690.518,-. Na de oorlog blijkt Remmert Aten daarvan ƒ448.661,- voor zijn rekening te hebben genomen. Het geld is tot de laatste cent verdeeld onder de honderden joodse onderduikers in Noord- en Zuid-Holland die van hem afhankelijk waren. Vertaald naar hedendaagse cijfers komt dat neer op ongeveer €2,3 miljoen.

De bevrijding betekent overigens niet het einde van Atens oorlogsbemoeienissen. Tijdens het laatste oorlogsjaar hebben de Binnenlandse Strijdkrachten een regionale Politieke Opsporingsdienst (POD) opgericht, waarvan ook Aten deel gaat uitmaken. De POD verzamelt gegevens over wat wordt genoemd ‘anti-Nederlandse elementen in de Zaanstreek’. Deze informatie bewijst zijn nut in mei 1945. Binnen enkele dagen na de capitulatie arresteren Aten en zijn collega’s ongeveer 1200 mensen die worden beschouwd als landverraders. Ze krijgen in afwachting van hun proces een plek in de als gevangenis fungerende school 9 en 10 aan de Zaandamse Stationsstraat. De POD- en Vakgroep J-activiteiten duren voort tot ver in de zomer. Pas dan kan Remmert Aten terug naar de vooroorlogse routine van alledag.

Remmert en Margreet Aten
Remmert en Margreet Aten na de oorlog bij hun woning

10 antwoorden
  1. Gerard Woerlee
    Gerard Woerlee zegt:

    Mijn naam is Gerard Woerlee en woon nu in Australia. Ben op school 9 geweest aan de Stationsstraat en heb in de klas gezeten met Hank Aten voor 5 jaar aan het Zaandams Lyceum. Was Remmert niet haar broer?
    Ik ben in het verzet gegleden door het werken onder Henk Zwarenstein met het samenstellen van een kaartsysteem van mannen vanaf 18 jaar, dat na 1 1/2 jaar zou worden opgeeist door de Duitsers.
    In Doetinchem was ik bij de OD nadat ik Arnhem uit moest en daar bijna het leven zou laten als opgepakte spion bij het noteren van allerlei Duitse legeronderdelen, In Varsseveld hetzelfde en weer ontvlucht.
    Een zilveren houtzaagmolen, “De Held Jozua” heb ik als cadeau gekregen als herinnering van mijn korte onderduiking in Zaandam
    Vele trucks heb ik en helper onklaar gemaakt in Arnhem door suiker in hun benziene tanks te storten als ze houtblokjes kwamen opladen in Arnhem.
    Met grote bewondering heb ik dit artiekel gelezen, zo dapper bleef ik niet nadat ik van het vele verraad hoorde en de dood van ons die zich verweerden tegen onze ongewenste bezoekers.

    Beantwoorden
    • Erik Schaap
      Erik Schaap zegt:

      Beste mijnheer Woerlee,

      Dank voor uw reactie. Hank Aten was overigens niet de zus van Remmert. Wellicht was er een andere familierelatie, maar die is mij niet bekend.
      De echte Held Jozua bestaat nog steeds, in prima gerestaureerde staat.

      Vriendelijke groet,

      Erik Schaap

      Beantwoorden
    • Nico Aten
      Nico Aten zegt:

      Hank was inderdaad een zus van Remmert (1920-1950). Maar de Remmert (1895-1984) waar het hier over gaat was hun oom.

      Met vriendelijke groet,

      Nico Aten

      Beantwoorden
    • John Breukelaar
      John Breukelaar zegt:

      Beste mijnheer Woerlee,

      Ik blijf haken bij uw activiteit in Varsseveld. Omdat ik een boek aan het schrijven ben over de onderduikers in Varsseveld en ook over het verzet, ben ik erg benieuwd naar uw ervaringen destijds. Hoop dat u ze met mij wilt delen,

      met vriendelijke groeten,

      John Breukelaar

      Beantwoorden
  2. John Breukelaar
    John Breukelaar zegt:

    Beste mijnheer Woerlee,

    Graag zou ik met u in contact komen.
    Ik ben met een boek bezig over de dames Jolink en joodse onderduikers in Varsseveld en kom regelmatig het verzet tegen. Mogelijk kunt u mij aanvullingen geven over uw periode in Varsseveld.
    Hoop dat u mij wilt mailen.

    bij voorbaat hartelijk bedankt,

    John Breukelaar

    Beantwoorden
  3. Jeanne van Ammers Douwes
    Jeanne van Ammers Douwes zegt:

    Beste Gerard Woerlee,
    Is het mogelijk dat u het zilver meesterteken op uw zilveren molen De Held Jozua beschrijft en/of fotografeert? En de letter van het alfabet, wat aangeeft in welk jaar de zilveren molen werd gemaakt.
    Wij zijn bezig een boek te schrijven over de joodse zilversmeden familie in Zaandam Salomon Izak Vet en zijn zonen Wolf Vet en Arnoldus Vet. Salomon Izak Vet overleed in 1917, Wolf Vet een paar weken voor de oorlog uitbrak. Arnoldus Vet werd weggevoerd met zijn vrouw en dochter Julie Rika die op het lyceum zat en de weduwe van Wolf Vet. Het meesterteken van zilverstukken van de familie Vet was S2V in een zeshoek.

    Beantwoorden
  4. Albert van Elsland
    Albert van Elsland zegt:

    Hallo mensen
    Zal mij even voorstellen : Mijn naam is Albert van Elsland uit Zaandam en in 1981 stond ik met mijn ouders op camping de Cocksdorp op Texel, Maakte vrienden met 2 jongens met de naam: Bol
    Hun vader is Jaap Bol Het gezin stond iets verder op de camping en woonden in Bemmel Meneer Bol werkte bij Bruynzeel en nadat mijn ouders verder kennis gemaakt hadden kwamen de verhalen dat meneer Bol in de tweede wereldoorlog de springstof samen met Dhr Aten verwijderd hadden. zijn er nog mensen die mij een referentie kunnen geven van Dhr Bol of de zonen van meneer en mevrouw Bol?

    Beantwoorden
    • Erik Schaap
      Erik Schaap zegt:

      Het laatst mij bekende adres van Jaap Boll (met dubbel l): G.J. Boll-Klappenburgstraat 1m-6681 XN Bemmel (tel. 048-1462187). Veel succes.

      Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *