De naoorlogse teloorgang van de Zaanse synagoge

De gemeenteraad van Zaanstad besloot in 2010 unaniem dat het Inverdanproject ‘pas is afgerond als de synagoge in oude luister is hersteld’. Het duurde sindsdien ruim acht jaar voor een projectontwikkelaar het tot winkel verbouwde monument op de Gedempte Gracht kocht en zich bereid verklaarde het te restaureren. Uit teruggevonden documenten  wordt duidelijk hoe de overheid de gedecimeerde Joodse gemeenschap kort na de Tweede Wereldoorlog bejegende, met de teloorgang van het godshuis als resultaat.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge aan de Gedempte Gracht – daarvan resteerde alleen een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren als onderduiker of kampgevangene waren doorgekomen waren aanwezig, precies tien procent van de geloofsgemeenschap die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten ƒ 208,-, uitgaven ƒ 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken ledental proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de documentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

De synagoge rond 1900.

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ De dienstdoende redacteur stelde vast dat niet alleen de Duitsers schuldig waren aan de plundering van het religieuze gebouw. ‘Het is wel beschamend het te moeten constateren, dat waarschijnlijk de grootste vernielingen door plaatsgenoten werden bedreven.’

Jacob Drukker deelde die mening. ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers…’ Daarmee raakte hij aan een teer punt. De bezetter had het bedehuis weliswaar geconfisqueerd en ingeruimd als garage en paardenstal, maar zowel voor- als nadien was het gebouw leeggeroofd door anderen.

De onttakeling begon kort nadat Zaandam in januari 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ was gemaakt. Op 13 augustus van dat jaar informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de Duitse autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) tegen twee procent provisie van de hand te doen.

Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer ‘leeggehaald en naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop’, wist een agent. ‘De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Thoramantels (‘waarbij enige antieke’) die om de Thorarollen werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen behoorden zes Thorarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Geallieerde voertuigen voor de synagoge, 1945

Toen de overlevende Joden in juni 1946 voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar kwamen, begonnen ze dus weer op nul. Vanaf dat moment beheerste het gebrek aan financiën de ledenvergaderingen. Moeizaam verlopende geldinzamelingen maakten het pas in 1953 mogelijk om de synagoge officieel te heropenen, zij het wel in sterk afgeslankte vorm. Drukker: ‘We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De gerestaureerde synagoge was nauwelijks een kwartaal in gebruik toen het bestuur een nieuwe tegenslag moest incasseren, in de vorm van een stevige vordering. De afzender was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Deze door de Rijksoverheid ingestelde organisatie beheerde de vermogens van niet teruggekeerde Joden en van politieke delinquenten. Ten aanzien van de eersten moest worden voorkomen dat de verkeerde mensen zich hun bezittingen toe-eigenden. De tweede doelgroep mocht niet langer profiteren van hetgeen ze tussen 1940 en 1945 – al dan niet door roof – had vergaard. Inzet van het Rijk was om hen de gigantische economische oorlogsschade te laten vergoeden waarmee Nederland kampte. Daartoe werd een bureaucratische moloch opgetuigd. Ruim tweeduizend NBI-stafleden werkten in een chaotische situatie aan 160.000 dossiers.

Dat leidde onvermijdelijk tot fouten. De Algemene Rekenkamer maakte in een rapport gehakt van de organisatie en Justitieminister L.A. Donker moest in 1953 erkennen dat de NBI-administratie niet op orde was. In dat licht dient ook de rekening te worden bezien die anderhalve week voor de Dodenherdenking van datzelfde jaar bij de NIG in Zaandam op de mat viel. Het Beheersinstituut had even eerder een negen jaar oude, openstaande hypotheekschuld ontdekt. In haar streven om de wederopbouw te financieren eiste ze dat de Joodse gemeente die zou betalen.

Hypotheekschuld

De oorsprong van die factuur lag dus in de bezettingstijd. Naarmate het deporteren van de Joden vorderde, speelde bij de Duitsers steeds vaker de vraag door het hoofd wat ze aan moesten met de leegstaande synagogen. Voorstellen om ze te slopen, teneinde ‘alle herinneringen uit te wissen’, haalden het niet. In 1944 kreeg het door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart benoemde Commissariaat voor Niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) opdracht om de Joodse organisaties formeel te ontbinden en hun gebedsruimtes en andere eigendommen te beheren en te gelde te maken. In augustus van dat jaar, ontdekte het NBI in 1953, had het CNCV ‘uit eigen middelen een op de synagoge der Israëlitische Gemeente te Zaandam rustende hypothecaire schuld afgelost tot een bedrag van ƒ 4.872,91.’ Na aftrek van wat kasgeld dat de bezetter in Zaandam had gestolen bleef een te incasseren bedrag van ruim 4.500 gulden over. Omgerekend naar 2019 komt dat neer op bijna 17.000 euro.

De NIG had, bij gebrek aan archiefmateriaal, geen idee dat er een hypotheek rustte op de al in 1865 gebouwde en destijds afbetaalde synagoge. Bewijzen dat de claim onterecht was kon ze niet. Ze stelde zich daarom deemoedig op en beloofde alles te willen doen ‘om de schuld te delgen’. Er was echter een levensgroot probleem, schreef penningmeester Saul Smit. ‘De gemeente bestaat nog maar uit 6 gezinshoofden en wil daarom géén hypotheek op de joodse kerk nemen, opdat, wanneer nog meer gezinnen uit Zaandam verdwijnen, de overblijvenden voor een te zware last zouden komen te staan.’ Die paar huishoudens hadden hutje bij mutje gelegd, waardoor zij toch nog 3.350 gulden konden overmaken. Wilde de NBI daarmee genoegen nemen, vroeg Smit.

Het Amsterdamse NBI toonde begrip voor de Zaanse noden en bepleitte clementie bij het landelijk bureau. Gewezen werd op ‘de moeilijke financiële omstandigheden ten gevolge van de handelingen van de bezetter’ en de ‘zware offers die de Israëlitische Gemeente zich reeds heeft moeten getroosten om het, gedurende de bezetting zwaar gehavende, kerkgebouw weer in bruikbare staat te brengen’. Het antwoord was kil en onverbiddelijk. Dat de Joodse gelovigen van 1942 tot en met 1945 niets te vertellen hadden over de lasten en baten van hun bezit en de overgrote meerderheid in 1944 al was vermoord speelde geen rol. De landelijke NBI-directie achtte ‘geen termen aanwezig’ om op het voorstel in te gaan. ‘Wij kunnen niet inzien welke redelijke bezwaren er bestaan voor de Gemeente om het kerkgebouw thans wederom hypothecair te belasten.’

De synagoge in 1961, met een autodealer als onderverhuurder

Onbekend is hoe de Joodse gemeente aan de financiële eisen voldeed, maar ze kwam de toegebrachte klappen nooit meer te boven. Waar de NIG kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het geringe ledental maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor de vriendenprijs van 175.000 gulden aan Frieda Pais-Fruchter, de schoondochter van voormalig bestuurslid Jos Pais. Zij liet het pand ingrijpend verbouwen – alleen het middenstuk bleef intact – en verhuurde het aan een kunstcentrum met de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenares het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. In haar bezwaarschrift tegen dat besluit liet Pais-Fruchter weten ‘niet in een binding met de joodse gemeenschap te geloven’. Dat was tegen het zere been van de Joodse gemeente. Secretaris Joop Meijer: ‘De enige reden waarom we toen hebben verkocht was een centenkwestie. We konden herstelwerkzaamheden niet betalen. Daarom moesten we wel. We hadden het ook in elkaar kunnen laten storten. Huisvesting van De Zienagoog in het pand vonden we een zinvol doel, maar we hadden het veel liever zelf gehouden. Er zijn nog steeds veel mensen die van dat gebouw houden. (…) Het is een monument voor ons volk.’

De voormalige synagoge kwam vervolgens in handen van uitvaartorganisatie DELA . Die verhuurde de centrale ruimte aan een telefoonwinkel. Op 18 januari 2019 – 77 jaar en één dag nadat de Zaandamse joden gedwongen de stad moesten verlaten – werd wereldkundig gemaakt dat de Zaandamse projectontwikkelaar Wouter Lofström het door stadsarchitect Immink ontworpen gebouw voor ruim drie miljoen euro had gekocht. Hij liet weten de synagoge te willen restaureren. Daarmee is er eindelijk zicht op een waardige bestemming van het enige tastbare joodse erfgoed in het hart van Zaandam.

De synagoge in 2017

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.