De collaborerende clown

Thije Kok trad tijdens de Tweede Wereldoorlog op als variété­artiest voor de Duitsers. Na de oorlog werd hij commandant van het erepeloton van de Binnenlandse Strijdkrachten. Portret van een man die ná de oorlog in het verzet ging.

Door Harm Ede Botje en Erik Schaap

‘De verrader en het meisje’ was de kop boven een artikel dat we in 2013 schreven. Het was het dramatische verhaal van de jonge jurist Johan van Lom die hooggeplaatste figuren uit het Nederlandse verzet verraadde om een vriendin van zijn vrouw (of was zij zijn minnares?) uit Duitse handen te krijgen. Zij zat gevangen op verdenking van de verspreiding van het illegale Parool en werd inderdaad op zijn voorspraak vrijgelaten. Van Lom werd, toen het verraad uitkwam, door mede-verzetsmensen geëxecuteerd en in de Keizersgracht gegooid. Het meisje, zij heette Tjodina Tijmstra, kreeg niet veel later een verhouding met een zekere Thije Kok. Over hem gaat dit verhaal. In het eerdere artikel was hij niet meer dan een bijfiguur, de man die verrader Van Lom en Tijmstra aan een onderduikadres had geholpen toen ze samen op de vlucht gingen voor de Duitsers en vooral ook voor eenheden van het verzet die naar Van Lom op zoek waren.

Tijdens ons onderzoek naar de zaak Van Lom vonden we ook foto’s van Thije Kok. Vrolijke artiestenfoto’s met Kok als clown en als zanger met gitaar en broeierige blik. De afgelopen jaren bleef deze man ons intrigeren. We deden meer onderzoek. En wat bleek? Tijdens de oorlog trad hij met zijn vader en broer Joop op onder de naam ‘De Drie Rudini’s’ met een clownsact. Ook zong hij als Sjabo Szebano en met het kwartet De Szebano’s. Hij meldde zich aan bij de Kultuurkamer en vermaakte de in Nederland gelegerde Duitse troepen.

Thije Kok alias Sjabo Szebano, 18-12-1943 (Collectie T. Kok)

Hoe kon een foute artiest uit het schnabbelcircuit helpen met het vinden van een onderduikadres, als edelfigurant in een dramatische verraderszaak? Toen we verder onderzoek deden, werd onze verbazing steeds groter. Na de oorlog dook Thije Kok op als stichter en commandant van het erepeloton van de Binnenlandse Strijdkrachten. Bij herdenkingen stond hij op de Dam in blauwe overall en met oranje band om de arm. In september 1953 werd hij – samen met Tjodina, met wie hij toen al zes jaar getrouwd was – ontvangen door koningin Juliana. Hoe was dit mogelijk? Wie was Thije Kok echt? Een verzetsheld of een charlatan? Een overlever of een schurk, leugenaar en aartsopportunist?

Stempelen

Thije Kok werd op 25 juli 1919 in Groningen geboren als derde uit een gezin met vier kinderen. ‘Mijn moeder leidde een zeer a-sociaal ­leven’, schreef hij zelf in een ‘korte levens­be­schrij­ving’ die is terug te vinden in het archief van het Theater­instituut. Zijn ouders gingen uit elkaar toen hij twee jaar oud was. Hij bleef aanvankelijk bij zijn moeder; ze trokken van de ene woonwagen naar de andere woonboot. ‘Ze liet haar kinderen bedelen en van onderwijs kwam niets terecht.’ Op zijn achtste ging Thije naar eigen zeggen bij zijn vader in Am­ster­dam wonen. Hij woonde toen voor het eerst ‘in een burgerhuis’. Maar na een half jaar kwam zijn moeder hem alweer halen. Drie jaar later, hij was toen elf, liep hij van huis weg en trok bij zijn vader in. Hij deed alsnog de derde, vierde en vijfde klas van de lagere school en leerde zo lezen en schrijven. De onderwijzer – zo herinnert Thije zich in zijn levensbeschrijving – raadde zijn vader aan hem verder te laten leren, omdat hij goed was in Nederlands en opstellen schrijven, maar daar kwam niets van. Op zijn twaalfde begon hij als leerling in een emailleerfabriek te Amsterdam en in de jaren dertig zwierf hij van baantje naar baantje. ‘Ik leefde in het milieu van de werkelozen. Vader stempelde en was zelfs gedurende korte tijd communist.’

Thije werkte in fabrieken en op de binnenvaart. In de avonduren studeerde hij aan de Volksuniversiteit in een poging hogerop te komen. ‘Ik doorliep als het ware alle mogelijke politieke en geestelijke richtingen. Ik had zelfs vrienden, opgedaan door mijn werk in de fabriek, die behoorden tot de aanhang van Henk Sneevliet (de internationaal bekende communist).’ Na de oorlog zouden verschillende getuigen verklaren dat Kok inderdaad communistische sympathieën had gehad en dat hij thuis onderricht had gegeven aan ‘de Leninistische Jeugdgroep’. Het beeld rijst op van een autodidact, iemand die zeer getalenteerd is, maar door het leven niet goed bedeeld werd. ‘Mijn vader is zijn hele leven bezig geweest zijn afkomst te ontstijgen,’ zegt dochter Kirsten.

Opgeknipte banden

Op 8 februari 1939 trouwde Thije Kok op negentienjarige leeftijd met de een jaar oudere Gerda Klaver. Zij was toen al zwanger van hun eerste kind. ‘Mijn vader was een ongelofelijke charmeur. Mijn ouders gingen dansen en feesten en toen werd mijn moeder zwanger, zoals dat ging in die tijd,’ vertelt de nu 77-jarige eerste dochter Leonora. Omdat hij kostwinner was geworden, werd Thije niet opgeroepen voor militaire dienst. En dus bleef hij thuis toen zijn leeftijdgenoten in augustus 1939 voor een eerste algemene mobilisatie werden opgeroepen.

Op de vierde oorlogsdag, 13 mei 1940, dook Thije Kok op in de dag- en nachtrapporten van de Amsterdamse politie. Hij zou een buurman, lid van de Luchtbescherming, hebben beschoten toen de hele straat na een luchtalarm naar een schuilkelder was gevlucht. De politie deed onderzoek in de woning van Kok en vond daar ‘een oud defect geweer, een oude sabel en een floret’. Ook staat in het dagrapport te lezen dat Kok er ‘tevens van werd verdacht van NSB’er te zijn’. Oudste dochter Leonora was destijds te klein om zich het incident te herinneren, maar dat er een collectie wapens werd gevonden, verbaast haar niet: ‘Mijn vader verzamelde wapens.’ Blijkbaar ging het incident en het verblijf van een halve dag in de cel Kok niet in de koude kleren zitten. Twee dagen na de gebeurtenissen verhuisde het jonge gezin naar de De Wittenstraat 18-I achter in Amsterdam-West. Dat was pal naast het huis van Thijes gelijknamige vader. Van NSB-lidmaatschap lijkt overigens geen sprake te zijn geweest: in de (gedeeltelijk bewaard gebleven) NSB-archieven komt Koks naam niet voor.

Pantoffelfabriek

Op 22 maart 1941 kregen Thije en Gerda hun tweede dochter, Yvonne, en op 8 april 1942 hun derde, die ze Elly noemden. Ze verhuisden naar de Egelantiersgracht in de Jordaan, boven de ook nu nog bestaande ijzerhandel Gunters en Meuser. Kok leidde nog immer een armoedig bestaan, zo staat te lezen in een ‘confidentieel rapport’ uit 1955 over zijn vermeende verzetsverleden. Hierin werd ook tot in detail stilgestaan bij het privéleven van de familie. ‘Volgens talrijke getuigenverklaringen liepen de kinderen praktisch naakt rond,’ aldus de opstellers van het rapport. Ook vertelden ‘talloze getuigen’ dat Gerda ‘maar één stel ondergoed had’ en dat ‘een blind paard geen schade kon doen aan de inboedel’. Verder zou Kok ‘dikwijls dagenlang niet thuis zijn’. Gerda zou tijdens de oorlogsjaren voor haar kinderen de kost hebben verdiend door ‘de verkoop van elastiek dat ze maakte van in stukken geknipte banden’. Dit zou ‘net voldoende zijn geweest om haarzelf en de kinderen van de hongerdood te vrijwaren’. De zolder van de woning aan de Egelantiersgracht zou Kok hebben ingericht ‘tot een gelegenheid voor het geven van overspel’.

Thije Kok, die al sinds zijn jeugd optrad met zijn vader en broer, was een verdienstelijk gitarist en richtte in de oorlog het Szebano-kwartet op. De bij dit verhaal afgebeelde promotiefoto’s van hem en andere artiesten, dateren uit de oorlogsjaren. Ook diende hij op 27 april 1942 een verzoek in bij de Kultuurkamer om te worden toegelaten tot ‘het Gilde voor Theater en Dans’. Pas in december – de molens maalden blijkbaar langzaam – kreeg hij bericht dat hij was toegelaten als aspirant-lid. In 1943 en 1944 legde Kok teksten van door hem geschreven liedjes voor aan de censors van het ministerie van Volksvoorlichting en Cultuur. De nummers, met onschuldig klinkende titels als ‘Rumba Signorita’, ‘O, Rosalinda’, en ‘De Vroolijke Spaanse guitarero’ werden goedgekeurd.

Vanaf 1943 doken in dagbladen talloze advertenties op van Sjabo Szebano, afwisselend met ‘Hawaiiaans Ensemble’, ‘Napolitaanse zang’ dan wel ‘Cubaanse Rumba’s’. Kok was van alle markten thuis. In januari 1944 stond hij in het Rotterdamse La Gaîtétheater in een ‘schitt. variété programma’, aldus een advertentie, dat ‘geheel nieuw was voor Rotterdam’. Andere namen op het affiche: ‘Pito en Coko, de vroolijke clowns’, ‘accordeonvirtuoos’ Martin Rijken en ‘komische sneltekenaar’ Leonardo. Kok trok het hele land door en gaf optredens in zalen die zonder uitzondering onder controle van de bezetter stonden.

Thije Kok sr. en jr. en Jan Kok, 23-12-1943 (collectie T. Kok)

Maar daarbij bleef het niet. Kok trad ook op als bandleider tijdens een door de Sicherheitsdienst georganiseerde feestavond in het toenmalige Koloniaal Instituut (nu Tropenmuseum). Hier waren tijdens de oorlog Duitse troepen gelegerd. ‘Kok verdiende bij die gelegenheden een aardig centje, honderd gulden de man plus fooi op de SD-avond.’ Dat geld werd ‘opgehaald door een SD’er die het in zijn helm deed’. Ze speelden door in een bovenzaal ‘opdat het spul kon dansen’, aldus het eerder genoemde rapport uit 1955. Het inkomen zou Kok hebben besteed aan zijn ‘tientallen vriendinnen’, terwijl zijn vrouw thuis ‘praktisch alles moest betalen van haar bijeengescharrelde inkomen’. Tijdens een optreden in Almelo voor Duitse troepen die naar het Oostfront gingen, trok Kok volgens een medemuzikant een uniform aan van de Feldgendarmerie en had hij ‘in ganzenpas rond gemarcheerd’. Hij was daarna met de feestende Duitsers mee op pad gegaan en ‘wakker geworden in een pantoffelfabriek tussen de pantoffels’.

Kok ging tot ver in de oorlog door met optreden. ‘Ter herinnering aan onze prettige samenwerking met het Szebano-kwartet’, schreef ‘chanteuse’ Julie Dotremont op 27 mei 1944 op een artiestenfoto van zichzelf na een optreden in het Fama Cabaret in Breda. De foto is terug te vinden in het archief van Koks zoon Tjeerd Frans.

Bonte hond

Twee weken na het optreden in het Fama Cabaret – op 6 juni 1944 – zetten geallieerde troepen tijdens D-day voet aan wal in Normandië. Het was in deze periode dat Thije Kok zich, naar eigen zeggen, aansloot bij het verzet. Hij was, zacht gezegd, een late bekeerling. Op een formulier van het toenmalige ministerie van Oorlog uit februari 1952 schreef Kok met een blauwe vulpen dat ‘niet precies bekend was’ wanneer hij zich bij het verzet aansloot, maar dat het rond mei of juni 1944 moest zijn geweest. Hij zou actief zijn geweest bij ‘knokploeg Martin’ dan wel ‘knokploeg WXSP’, waarbij de laatste afkorting zou staan voor ‘Westerdoorvaart, kruising spoorwegen’. Die groep zou onder leiding hebben gestaan van een zekere Henry Wiertz, kunstschilder van beroep. In het rapport uit 1955 werden de verrichtingen van Wiertz en zijn groep ‘duister’ genoemd en Wiertz zelf ‘een veel besproken figuur’. Wiertz verklaarde in 1955 dat hij Kok op zijn beurt tijdens de oorlog ‘niet vertrouwde’ en hem ervan verdacht de Sicherheitsdienst te hebben verteld waar ze op het Prinseneiland in Amsterdam een geheime wapenopslagplaats konden vinden. Kleindochter Pauline Wiertz noemt haar grootvader ‘een ontzettende fantast’, ‘een womanizer’ en ‘een arrogante man’ die haar oma tijdens de Hongerwinter met zeven kinderen liet zitten. ‘Hij was de bonte hond van de familie.’ Kok zou in februari 1945 nog hebben geprobeerd om zich aan te sluiten bij een andere groep in Amsterdam-West, onder leiding van een zekere B. Klaver. Maar ook die vertrouwde Kok niet, vertelde hij in 1955 aan de onderzoekscommissie.

Zijn latere vrouw Tjodina Tijmstra leerde Kok kennen in de laatste, chaotische oorlogsweken. Zij was toen met aankomend advocaat Johan van Lom op de vlucht nadat die de top van het verzet had verraden. Kok, die de werkelijke reden van de vlucht van Van Lom niet lijkt te hebben geweten, bracht ze naar een schuilplaats op het Amsterdamse Bickerseiland. Wiertz zou Kok vervolgens opdracht hebben gegeven om een oogje in het zeil te houden, ‘en dagelijks rapport uit te brengen over hun doen en laten’, aldus het rapport uit 1955. ‘Mijn vader heeft me eindeloos vaak verteld dat hij in opdracht van Wiertz een onderduikadres had verzorgd voor het tweetal’, zegt de in 1959 geboren jongste zoon Viggo. ‘Hij zou opdracht hebben gekregen hen dood te schieten, maar kon dat niet omdat hij verliefd was geworden op Tjodina, die later mijn moeder zou worden.’

Huwelijk Thije Kok en Tjodina Tijmstra (collectie A. Kok)

Ongebruikelijk huwelijk

In augustus 1945 diende voor de rechtbank de scheidingszaak tussen Thije en zijn eerste vrouw Gerda. Zij wilde van hem scheiden op grond van overspel. In het rapport uit 1955 staat dat Gerda ‘te ziek’ was om zich tegen Thije Kok te verweren. Ze zou zwaar overspannen zijn geweest door de ‘ellende van de oorlogsperiode’. De spanningen moeten destijds inderdaad hoog zijn opgelopen. Volgens de rapporteurs zou Thije Gerda met een mes hebben bedreigd toen ze niet met een scheiding wilde instemmen. ‘Steek maar op,’ zou ze hebben gezegd. En: ‘Drie paar ogen zijn je getuigen’, verwijzend naar de meisjes. ‘Ik was toen zeven jaar oud, maar kan me de ruzies en het geschreeuw nog goed herinneren,’ zegt Leonora. ‘Ik wist niet waar het over ging, maar het was een bedrukte sfeer. Dat mijn vader met een mes heeft staan zwaaien, kan ik mij helemaal voorstellen.’

Nadat de scheiding op 28 februari 1946 werd uitgesproken, stond niets het geluk van Thije en Tjodina nog in de weg. Op een stralende donderdag 4 juli 1946 trouwden ze. Op hun huwelijksfoto poseert een trotse Thije in uniform, hij was sectiecommandant in het leger. Het was een ongebruikelijk huwelijk, de muzikant van arme komaf met het meisje uit gegoede Haagse kringen. Tjodina vond werk als onderwijzeres. De drie meisjes uit Thijes eerste huwelijk werden uiteindelijk – zeer uitzonderlijk voor die tijd – toegewezen aan de vader. Samen kregen Thije en Tjodina nog eens vier kinderen: Tjeerd Frans, Bodil, Ute Kirsten en Viggo.

Vloeiend Deens

Na de oorlog slaagde Thije Kok er met succes in een façade als groot verzetsstrijder op te bouwen. Wat hielp was dat hij was getrouwd met een vrouw die Het Parool had rondgebracht, die was opgepakt en had vastgezeten. ‘Mijn vader kon heel boos worden op de moffen’, zegt dochter Kirsten. ‘Hij vertelde hoe mijn in 1960 overleden moeder tijdens haar gevangenschap door de Duitsers was gemarteld, ze met stenen op haar hoofd was geslagen. Hij vertelde dat soort verhalen altijd alleen als hij een flinke slok op had. En dan kwamen er ook altijd tranen.’

Koks transformatie tot verzetsheld werd ook geholpen door een briefje dat de advocate Non van Lom-van Marle in januari 1946 schreef en dat was geadresseerd aan de ‘sectie afwikkeling Binnenlandse Strijdkrachten’. Hierin stelde zij dat ze Thije Kok tijdens de bezetting had gekend als ‘een zeer actief en zeker enthousiast lid van de K.P.’ Van Lom-van Marle was de weduwe van de door het verzet geliquideerde verrader Johan van Lom. Zij en haar zus Hetty waren goede vriendinnen van Tjodina. Van Lom-Van Marle had een onberispelijke status, ze had tot haar huwelijk in 1943 gewerkt op het kantoor van advocaat Jan de Pont die tijdens de Parool-processen was opgetreden als raadsman. Ze zou later opklimmen tot vicepresident van de Amsterdamse rechtbank. Toen de Stichting 1940-1945 in 1982 nader onderzoek liet doen naar het verzetsverleden van Kok, krabbelde Van Lom terug. Ze liet toen weten dat ze omtrent zijn verzetswerk ‘geen eigen waarneming’ had gehad en dat ‘hij haar destijds kennelijk een en ander had verteld’.

Maar vlak na de oorlog was Koks reputatie nog onbeschadigd. Hij was in 1947 een van de in blauwe overall gestoken BS’ers die een erewacht vormden tijdens de eerste herdenking bij het monument op het Amsterdamse Weteringcircuit, op de plek waar op 12 maart 1945 dertig politieke gevangenen waren geëxecuteerd. De groep, onder wie Thije Kok, besloot ter plekke een meer permanent erepeloton op te richten, waarvan de leden zouden worden gerekruteerd uit oud-BS’ers. Dat peloton trad voor de eerste keer aan in 1948 bij de troonswisseling van Wilhelmina naar Juliana. Blijkbaar vroeg niemand ooit door, en Thije Koks ster steeg snel. Hij ontmoette koningin Wilhelmina, bezocht een feestavond georganiseerd door Juliana, stond als erewacht op de Dam tijdens bezoeken van keizer Haile Selassie van Ethiopië en de toenmalige Franse president René Coty.

Thije Kok (li.) in uniform (collectie K. Kok)

Koks hoogtepunt als commandant van de erewacht was ongetwijfeld de kranslegging op maandag 26 april 1954 door de Deense koning Frederik. Toen de koning in het Engels vroeg of het gebruikelijk was dat er een haag van voormalige verzetsstrijders bij dit soort gelegenheden stond opgesteld, werd hij tot zijn verbazing in vloeiend Deens geantwoord door Kok. ‘De B.S.-commandant – drager van het Mobiliteitskruis en de inhuldigingsmedaille – werd daarop aan koningin Ingrid voorgesteld’, aldus een verslag van het bezoek in het Utrechts Nieuwsblad. Dat Kok vloeiend Deens sprak, toonde zijn snelle leervermogen: hij had na de oorlog een Deense au pair voor de kinderen met wie hij een buitenechtelijke verhouding kreeg.

Modderkanonniers

Maar de deconfiture van Thije Kok was op dat moment nabij. Twee andere oud-BS’ers, de heren H. Eysten en C. de Koning (voornamen zijn niet bekend) hadden ergens in de loop van 1954 van niet nader genoemde bronnen de tip gekregen dat Kok helemaal niet de verzetsheld was die hij voorgaf te zijn. Ze startten eigener beweging een onderzoek, wat hun niet in dank werd afgenomen. In december van dat jaar stuurde het bestuur van de vereniging oud-BS’ers (die de kant van Kok kozen) een brief aan De Koning waarin hij werd gewaarschuwd het onderzoek te stoppen, ‘daar de consequenties anders voor zijn rekening zouden zijn’. Toen ze doorgingen werd het tweetal geroyeerd. Het weerhield hen er niet van hun rapport af te maken. De conclusie was snoeihard: ‘Kok kan niet gehandhaafd worden in zijn functies.’

Het rapport sloeg in als een bom en de twee opstellers werden voor de rechter gedaagd wegens smaad. ‘Leden ere-peloton B.S. klagen elkaar aan’, kopte De Telegraaf op 4 oktober 1955. Op een zitting van de politierechter vijf maanden later kwam het tot felle beschuldigingen over en weer. ‘De politierechter stak niet onder stoelen of banken dat hij de hele vertoning weinig verheffend vond’, noteerde een Telegraaf-verslaggever. Tot een veroordeling kwam het niet.

Thije Kok bleef aanvankelijk aan als commandant van het erepeloton en voorzitter van de afdeling Amsterdam van de BS. Maar zijn gezag kalfde wel af. Volgens een berichtje in De Telegraaf in maart 1956 zou Kok op een vergadering inmiddels hebben toegegeven dat hij als bandleider voor de Sicherheitsdienst had opgetreden. De besturen van de verzetsverenigingen verzochten daarop het Amsterdamse gemeentebestuur Kok van zijn taken te ontheffen. ‘Men acht unaniem de heer K. – gezien zijn gedrag in de bezettingstijd – niet de figuur is om op 4 mei bij de onthulling van het monument op de Dam de gevallenen te eren.’ Of dat ook inderdaad is gebeurd, is niet meer na te gaan.

Wel staat vast dat Kok begin 1957 zijn functies alsnog neerlegde. In het orgaan van de BS uit die jaren, De Bindende Schakel, fulmineerde hij tegen andere verzetsgroepen die niet hem en zijn medestanders geloofden, maar ‘twee door ons geroyeerde lasteraars’, en daarom de samenwerking hadden opgezegd. ‘Men heeft gedreigd niet meer met ons te willen herdenken zolang ik commandant van het Erepeloton bleef.’ En dus stapte hij op. Maar schuld bekennen tegenover de ‘geoefende modderkanonniers’? Dat nooit, hij liet alle beschuldigingen van zich afglijden. Immers, ‘men zal nimmer nalaten onze B.S. een trap na te geven als zich daartoe maar even de gelegenheid voordoet’. En dus vertrok hij niet helemaal: hij bleef aan als lid van het bestuur. Overigens was Kok al snel weer in uniform op de Dam te vinden bij herdenkingen als officier van de Nationale Reserve.

Ontmaskering

Eén ding lijkt zeker: hoezeer Kok ook hoog van de toren blies in het afscheidsbericht aan zijn kameraden, het rapport leek wel degelijk grote gevolgen te hebben. In december 1956 verloor hij zijn baan bij de gemeentelijke Sociale Dienst. In de daaropvolgende periode was hij vijf jaar werkloos en ventte hij met band en garen langs de deuren. Het was ook de tijd dat zijn vrouw Tjodina ernstig ziek was (ze leed aan kanker) en in 1960 zou overlijden, waarbij ze vier kleine kinderen achterliet. Kok kreeg in 1961 alsnog een baan, bij de Gemeentelijke Kredietbank. Hij inde daarvoor schulden aan huis bij debiteuren. In het publieke debat speelde hij sinds zijn ontmaskering al die jaren geen enkele rol meer.

In 1981, op zijn 62ste, vroeg Kok als oud-verzetsstrijder een buitengewoon pensioen aan bij de Stichting 1940-1945. Hij beweerde tegenover de stichtingsonderzoekers onder meer dat hij had geschreven voor De Oranjekrant. De rapporteur merkte in zijn beoordeling echter op dat er in Amsterdam nooit een blad met die naam was verschenen. Ook zou Kok naar eigen zeggen het maandblad De Nieuwe Amsterdammer hebben verspreid. De rapporteur: ‘Het blad verscheen drie keer per week.’ Hoofdcommissaris van politie in Zaanstad, Albert Prakken, die Kok kende vanuit de oud-BS-organisatie, noemde Kok ‘een omstreden figuur’. En zo gaat het maar door. Koks verzoek werd afgewezen.

Hij ging tegen de afwijzing in beroep. In een gesprek met de Stichting 1940-1945 toonde hij zich ‘emotioneel’ over een aanslag op een spoorlijn die niet zou zijn doorgegaan. ‘Er zijn geen getuigen,’ noteerde de rapporteur droogjes. Ook de hulp die Kok zou hebben verleend aan de onderduik van zijn latere vrouw Tjodina Tijmstra en de verrader Johan van Lom werd als niet bewezen terzijde geschoven. Opnieuw werd de aanvraag afgewezen. De stichting stelde bovendien vast dat Kok niet alleen geen verzetsdeelnemer was geweest, maar zich ook ‘in Nederlandse nationale zin onwaardig heeft gedragen’.

Zeven jaar later, in 1988, werd het veertigjarig bestaan van het erepeloton herdacht en als een duveltje uit een doosje dook Thije Kok weer op. Oud-verzetsstrijdster Isa Teske Baschwitz interviewde hem voor een herdenkingsbundeltje. In het gesprek vertelde Kok vol trots hoe hij met zijn makkers de kroon, scepter, rijksappel en Grondwet mocht bewaken tijdens de troonoverdracht in 1948. Het was koningin Wilhelmina zelf geweest die had gezorgd dat de BS die eervolle taak had mogen uitvoeren, aldus Kok. Over zijn oorlogsverleden geen woord.

 

De volgende generatie

In de documentaire Spoken van Viggo van Walther Grotenhuis en Cinta Forger gaat de jongste zoon van Thije Kok op zoek naar zijn verleden. Hij was een handlanger van Klaas Bruinsma, zat jarenlang in de gevangenis en probeert een nieuwe start te maken. In de film veel found footage uit zijn jeugdjaren, Thije Kok bleek een verwoed filmer. Ook spreekt dochter Yvonne openlijk over de incestueuze relatie die zij jarenlang met haar vader had. De film is nog online te zien.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.