De naargeestige kampherinneringen van Gerrit Bakker

Bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bevindt zich een oorlogsverhaal van Zaandammer Gerardus (‘Gerrit’) Bakker. Deze communistische verzetsman werd op 23 november 1943 (hij noemt zelf abusievelijk een andere datum) als gevolg van verraad door de Sicherheitspolizei in de Albert Hahnstraat van zijn bed gelicht. Na te zijn veroordeeld is deze timmerman afgevoerd naar Duitsland. Daar zat hij onder steeds gruwelijker omstandigheden vast tot de bevrijding. Decennialang zweeg hij over zijn ervaringen, tot hij in 1978 een artikel las van de joodse kampoverlevende Gerhard Durlacher. Bakkers uitvoerige verhaal is hieronder integraal te lezen.

Gerrit Bakker (met bloemen) in Zaandam na zijn terugkeer uit het kamp.

De heer G. L. Durlacher, socioloog, heeft als Joods jongetje Auschwitz overleefd. In de Volkskrant van vrijdag 22 mei 1978 dringt hij erop aan, dat ieder nazislachtoffer zijn verhaal moet vertellen, voor het te laat is. Het betoog van Durlacher is heel redelijk, maar de bescherming die in de naoorlogse periode werd opgebouwd wordt zeer ongaarne prijs gegeven. Wat mijzelf betreft, bestond die bescherming uit het vermijden van gesprekken over het onderwerp, alsmede lectuur. Het is de heer Durlacher gelukt mij aan het denken te zetten en de tegenzin te overwinnen. De doorslag gaf het artikel in de Volkskrant d.d. 30-12-1987, over Duitse jongeren die het stilzwijgen willen verbreken. Die moeten goed gedocumenteerd zijn, want vele ouders behoren alsnog ter verantwoording geroepen te worden.

Mijn naam is Gerardus Bakker, geboren 14 mei 1918. Arrestatie op 21 september 1943, drie maanden Weteringschans (donkere cel), na verhoren door naar concentratiekamp Amersfoort. Vanaf januari verbleef ik in dit kamp en op 10 oktober ging ik op transport, op weg naar Duitsland. De directe aanleiding tot het ontruimen van het kamp Amersfoort was de slag om Arnhem, een dramatische gebeurtenis, die leidde tot diepe teleurstelling en wanhoop. De luchtlandingsoperatie, die de slag om Arnhem inleidde, was in Amersfoort goed waarneembaar. Van de gevangenen werd de grootste terughoudendheid gevergd in een situatie, die noopte tot dansen en zingen, kortom tot opperste vreugde. De bekende kampbeul Kotälla liep rond met een getrokken revolver en brulde: “Wir sind nicht zum Ende.” Er was echter geen gevangene te vinden die niet van een spoedige bevrijding overtuigd was. De mislukking van deze veldslag kwam hard aan en was voor verreweg de meesten van ons fataal.

Het transport van Amersfoort naar Neuengamme duurde drie dagen. Een zeer lange trein vervoerde Puttenaren, Jodenhelpers en politieke gevangenen. En zo kwamen wij in een andere wereld terecht: concentratiekamp Neuengamme. Zeer slecht voedsel: twee stinkende veenpiepers, ’s morgens bloesemthee en afgeschraapte boterhammen, ’s avonds een boterham en soms een stukje worst, dat ons prompt werd afgestolen. Ter toelichting: in ieder concentratiekamp was de leiding opgebouwd uit politieke gevangenen of uit boeven en misdadigers. Wij hadden al gauw achterhaald dat de leiding in dit kamp was samengesteld uit misdadigers, zodat er geen mogelijkheid bestond om invloed uit te oefenen op de dagelijkse gang van zaken. Het geheim van de boterhammen die van margarine waren ontdaan, was spoedig achterhaald. Daar zat de dief in een afgeschoten deel van de barak de boterhammen af te schrapen en weer op elkaar te drukken. Verder lag er een grote vetbol, getuigenis van diefstal van het leven. Toen wij dit schandaal ontdekten, werd er waarschuwend naar ons gekeken; zij wisten dat het doen van aangifte zelfmoord betekende. Het verblijf in Neuengamme zou ongeveer zes weken moeten duren. In die periode moesten wij ons beschikbaar houden voor het verrichten van arbeid.

Intussen moesten de gevangenen, waarvoor geen werk voorhanden was, zich ‘zu fünfen’ opstellen voor de barak. Hoewel verkleumd tot op de botten en dodelijk vermoeid, was er geen sprake van dat afgeweken mocht worden van de appelstand, die dan ook regelmatig werd gecontroleerd. Voor de barak was een galg opgesteld. Deze had vier zitplaatsen en regelmatig wisselden wij, met de aangename verplichting te waarschuwen als er een S.S.- treiteraar in aantocht was. Het appelvoorschrift werd door ons overtreden door te trappelen en elkaar te bekloppen. Deze overtreding werd als een noodzaak gevoeld, onverschillig welke nationaliteit; we stonden te sidderen in de Hamburgse mist. Voor Hollanders had dit klimaat nog enige bekendheid, maar een stelletje Russen probeerde ons duidelijk te maken dat in hun woonomgeving -in de buurt van Stalingrad- het bij twintig graden vorst een prettig klimaat was in vergelijking met de kille mistnevel waarin wij vertoefden.

Voetlappen

Na een drietal weken werden ons lapjes overhandigd: een stuk linnen met het kampnummer, een zwarte lap met het woord ‘Torsperre’ en een rode driehoek. Onder leiding van een ‘Vorarbeiter’ begaf ik mij naar de Bekleidungskammer met de volgende instructie: als ik eerder klaar was moest ik wachten tot de voorman terug is. Mijn bezoek aan de Bekleidungskammer betekende een van de weinige prettige herinneringen. Een waardige oude heer, Duitser, stond mij te woord. Hij vertelde dat hij al tien jaar als gevangene in Neuengamme had doorgebracht en dat weinigen van de eerste lichting nog in leven waren. Hij adviseerde mij het lapje ‘Torsperre’ niet te laten bevestigen en dat gold ook voor de rode driehoek. Slechts het kampnummer moest worden opgenaaid. Ter verklaring werd gezegd; er is geen boekhouding en dus geen controle op de naleving van het aanbrengen van deze ‘versierselen’. Ik kreeg voorts de kostbare tip: doe de rommel die je draagt bij de voddenhopen en zoek een stel warme kleding. Dit lukte; ik vond een gewatteerd jack, dito broek en zelfs een paar behoorlijke sokken. “Leg die sokken maar weer terug en zoek een paar hele voetlappen bij elkaar.” Hij maakte mij duidelijk dat een gevangene werd geacht voetlappen te dragen en dat iedere afwijking van deze regel tot grote moeilijkheden zou kunnen leiden. Dankbaar gestemd nam ik afscheid van deze chef kleding.

Toen de kledingproblemen waren opgelost, moesten wij ons melden voor de laatste handeling, die ons geschikt maakte om buiten de poort te werken. Het ging om de verstrekking van schoeisel. Dat zou over enkele dagen gebeuren; intussen namen wij de vrijheid om wat in het kamp rond te neuzen. Een dergelijke verkenningstocht bracht ons in aanraking met de bekende vooroorlogse parlementariër Louis de Visser, die ons direct aanklampte. Hij hoorde ons Nederlands praten en zei, kennelijk verheugd: “Hollanders?” Hij onderscheidde zich van zijn omgeving door zijn correcte kleding, zijn ‘heerachtig’ voorkomen. Er ontstond een levendig gesprek, dat aanvankelijk bestond uit gretige vragen over de militaire toestand en de uithongering van Holland, waarvan hij gehoord had. Nadat hij bijgepraat was, gaf de Visser een uiteenzetting van de zwakten, waardoor het Nazi-rijk spoedig ten onder zou gaan. Hij besloot zijn uiteenzetting met verschillende waarschuwingen. De eerste was: je niet laten opnemen in de ziekenbarak (medische experimenten). De tweede: zorg ervoor geen aandacht te trekken, bedenk wel dat het overleven nog een flinke inspanning vergt. Wij gingen met een prettig gevoel naar het laatste appel en dachten nog aan ons gesprek met Louis Visser.

Kipkarren

De volgende dag werden wij uitgekozen voor het verrichten van arbeid binnen het kamp, maar buiten de barakken. Ter verklaring: ‘wij’ betrof een vijftal lotgenoten, die uit vriendschap besloten zoveel mogelijk bij elkaar te blijven, ook als er werk verricht moest worden. In dit geval ging het om vier personen die, twee aan twee, aangewezen werden voor het duwen van kipkarren. Een gemakkelijke taak die achteraf, zoals bleek, niet zonder gevaar was. Wij maakten gebruik van het glooiende terrein door op de kipkarren te springen. De ijzeren randen van deze afschuwelijk roestige ijzeren bakken boden hiertoe een goede mogelijkheid. Een onnozel voorval, maar diep in het geheugen gegrift: opgeschrikt door een dierlijk gebrul keken wij in de richting vanwaar het geluid kwam en daar zagen wij in de wachttoren een paars aanlopende dansende man, de rechterhand tot vuist gebald en in de linkerhand een geweer. Wij waren wat lacherig door het gesprek dat wij de vorige dag met Louis de Visser hadden gevoerd en beseften pas later dat het meerijden met de kipkar als ongepast en onbehoorlijk werd gezien. Wij herstelden de orde en liepen met een sukkeldrafje achter de karren aan. Het gescheld hoorden wij nog lange tijd en we waren blij toen we uit het gezicht verdwenen waren. Achteraf geloof ik dat wij de mof diep gegriefd hadden door te lachen, terwijl zij al moordend het kamp tot een oord van verschrikking hadden gemaakt (gebrek aan eerbied voor het beulswerk).

De volgende dag was het zondag. Deze dag hadden wij met enige verwachting tegemoet gezien. Hetzelfde regiem echter: om vijf uur buiten de barak en toen het lichter werd kregen wij de opdracht om de galg op de binnenplaats op te stellen. En daar kwamen de eerste tekenen dat het een bijzondere dag was. Het kamporkest kwam aanmarcheren en speelde de deun ‘Alter Kameraden’. Dit werd tot in het oneindige herhaald met als pauzes de executies van drie terdoodveroordeelden. De gevangenen werden verplicht om zo dicht mogelijk bij het schavot te gaan staan; om dit te bereiken liepen SS’ers rond met knuppels in de aanslag.

Vrijwel iedere nacht werd de nachtrust door luchtalarm onderbroken. De opdracht was om binnen drie minuten de slaapbarak te verlaten en je naar de schuilkelder in het hoofdgebouw te begeven. Om de SS-knuppelaars te ontwijken, werd de uiterste snelheid betracht, maar tot voldoening van de knuppelaars waren er altijd minder snelle gevangenen, die de slagen moesten incasseren. Een extra moeilijkheid om aan de SS-norm te voldoen was de overbezetting van de slaapplaatsen; twee houten bedden naast elkaar. Om het tekort aan slaapplaatsen op te heffen moesten drie gevangenen het met twee ledikanten (66 cm.) doen. Dat betekende dat het hoofd van de middelste slaper tussen de voeten van de buitensten lag, terwijl de twee buitenste slapers de voeten van de middelste tussen zich moesten dulden. Deze regeling leidde tot veel ongenoegen, maar gelukkig was er ook veel hulpvaardigheid en werd het probleem ‘slapen’ opgelost door een strikte wisseling van plaats. Voor een randslaper was het heel moeilijk om voldoende rust te putten uit de steeds onderbroken slaap.

Dralle-fabriek

In de vierde week van ons verblijf in Neuengamme werd een belangrijke verandering doorgevoerd. Wij werden tewerkgesteld in Hamburg en moesten ’s morgens om vijf uur aantreden. Er werden groepen van honderd geformeerd, die in marstempo naar het station werden gebracht. Wij moesten wachten op de snelle trein, die spoedig werd voorgereden. Er was voldoening over het feit dat wij in een personentrein werden vervoerd en niet, zoals gewoonlijk, in een goederenwagon. De nog heersende duisternis had echter verborgen gehouden dat de trein die ons moest vervoeren glasloze compartimenten had. Dit hinderlijke gemis werd een kwelling toen de trein op snelheid kwam. Als vanzelfsprekend doken wij op de vloer en formeerden wij een trosachtig geheel om de aanslag op onze lichaamswarmte het hoofd te bieden. In Hamburg aangekomen, werden wij verdeeld in groepen van tien of twintig gevangenen. Ik kwam in de laadbak van een auto terecht en had zodoende uitzicht op de verwoestende uitwerking van de bombardementen. Aan weerszijden van de straten bergen puin en spookachtige restanten van schoorstenen. De werkzaamheden bestonden uit het reinigen van een olietank en deze werden met een blikje uitgevoerd, uiterst primitief. Dagelijks werden wij zo aan het werk gezet aan steeds verschillende werkobjecten, waaronder de spoorbaan opvullen met kiezel, het ruimen van fabriekshallen, enzovoorts.

Globaal gezien betekende deze taakvervulling een verbetering voor ons. Wij waren niet meer vrij voor de scheldende voormannen en zelfs kregen wij een enkele keer wat soep aangereikt. Maar het hoogtepunt was een fantastische gebeurtenis, waarvan nu het verslag: het werkobject was de Dralle-fabriek. Wij werden opgewacht door een zelfbewuste heer, die de begeleider van ons tiental gedecideerd wegstuurde. Toen dit gebeurd was, drukte de heer Dralle ons de hand. Na deze wat ceremoniële ontvangst – handdruk, vragen naar de woonplaats en vaderland – werden wij met een meedogende blik bezien. Kortom, een menselijke benadering en een die onze gedachten liet gaan in de richting van, zo dachten wij, ‘misschien wordt er iets gedaan aan de knagende honger’, onze vaste metgezel. En daar kwam het verpakte aanbod gebruik te maken van de tussen de glasscherven verspreide conserven: “Deze vloer moet glansschoon en als jullie tijdens deze werkzaamheden iets eetbaars tegenkomen, dan mag dat genuttigd worden.”

Al gauw bleek dat er een grotere hoeveelheid voedsel verspreid lag dan ooit door ons zou kunnen worden geconsumeerd. Onze gastheer pinkte meermalen een traan weg en knikte vriendelijk en verzekerde ons dat wij de volgende dag mochten terugkomen. Daar kwam natuurlijk niets van, maar als ik in gedachten dit beeld terugroep, word ik nog steeds getroffen door het feit dat er een vriendelijk, beschaafd mens was in het land van barbaren, die het ‘niet wisten’ en zich beriepen op angst en gevaar en uit lafhartigheid ons van enige hulpverlening onthielden. De voormannen, die aansprakelijk waren voor een terugtocht zonder verliezen, stikten haast van jalouzie toen zij van ons Luilekkerland hoorden. Ondanks ons zoenoffer, door aanbieding van enige blikjes, bleven zij kwaad en ik denk dat wij de volgende dag de nadelige gevolgen van hun ontstemming aan de weet kwamen.

Himmelfahrt-commando

Wij werden namelijk ingedeeld bij het zogenaamde ‘Himmelfahrt-commando’. De werkzaamheden bestonden uit het kruien van zand. Dit werd op dekschuiten geladen en moest over een smalle ‘straal’ naar de kant gereden worden, de linkerkant van de Elbe. Vooral voor personen die zich nooit met het voortbewegen van een kruiwagen hadden bemoeid, was de kans op overleving gering, in aanmerking genomen dat op slachtoffers die met een kruiwagen omkiepten niet werd gelet. Toen alles in orde was gebracht en het transport kon beginnen, werd onze aandacht getrokken door een grauwe nevel, die steeds dichterbij kwam. En daar werd het brommen van bommenwerpers gehoord. Rondom ons vielen scherven van het afweergeschut. Wij werden in de duikers en rioolbuizen gedirigeerd en wachtten met spanning op de steeds naderende vliegtuigen. Die spanning week pas toen een bommenwerper zich vrij maakte en zichtbaar zijn bommenlast ging strooien. Om de tweehonderd meter werd een bom afgeworpen. Daar werd het sleepbootje geraakt en toen berekende mijn vriend Schultz, voormalig piloot, dat de volgende bom op de duiker zou vallen … Fout gerekend: honderd meter verder!

Wij zagen toen pas dat wij een gunstige dekking hadden gekregen door het feit dat de duiker op een zandberg was geplaatst. Toen wij de schade konden overzien, werd vastgesteld dat wij, precies tussen twee kraters in, opgelucht adem konden halen. Het sleepbootje had een voltreffer gekregen en de dekschuiten waren tot zinken gebracht, hetgeen voor die dag het einde van de werkzaamheden betekende. Van tien uur ’s morgens tot vier uur in de middag was de stad Hamburg in een grauwnevel gehuld. De normale terugweg naar het kamp was afgesneden, het spoorwegstation was buiten gebruik als gevolg van een voltreffer. Zo werden wij naar de ingang van een schuilkelder geleid, maar moesten vertrekken omdat een aantal hysterische vrouwen ons te lijf wilden gaan, omdat zij ons aansprakelijk stelden voor de bombardementen en alles wat er verkeerd ging. Wij werden naar een loods gebracht en moesten drie tot vier uur wachten op vervoer. Die nacht nog tweemaal luchtalarm en de volgende dag waren wij geradbraakt.

Een voorval tijdens het verblijf in de schuilkelder: ‘Aber immer schnell’ had mij naar de overkant van de schuilkelder gebracht, dus tegen de buitenmuur. Mijn aandacht werd getrokken door een tweetal goedgeklede heren. Op de vraag van de een waartoe die (zojuist aangebrachte) motor diende, antwoordde de ander: “Dass ist für Gass!” Er was weinig fantasie voor nodig om te bedenken wat er zou gebeuren als de functie van de schuilkelder zou worden uitgebreid als de tijd daarvoor gekomen was. Als extra probleem kwam het over ons: de bedden waren beslapen door andere gevangenen; Polen, Esten en Letten. Eerst vechten voor de rechtmatige slaapplaats, tenslotte berusten. Een plaatsje op de vloer werd tenslotte gevonden, maar de volgende dag waren wij doodmoe. Als verrassing was er belangrijk nieuws: de volgende dag op transport, deze dag benutten voor vervanging of aanvulling van kleding en schoeisel. Verplicht werd de acceptatie van schoeisel; linnen met spijkers op een dikke zool bevestigd. Bij de uitreiking werd gewaarschuwd: de schoenen zijn een eenmalige verstrekking! Dit was een wrang grapje, er was geen sprake van dat dit schoeisel langer dan een maand bruikbaar zou zijn. Gezien onze ervaringen, vooral van de laatste dag, waren wij opgelucht dat wij op transport zouden gaan. Twee dagen later werden wij in het kamp Meppen geplaatst. Voor velen was dit de laatste reis.

Meppen

Houten barakken, stenen ondergrond, vochtig. Wat dekens verspreid over de oppervlakte. Verder wat balen stro. Wij werden, als eersten aangekomen aangewezen het tekort zo goed mogelijk te verdelen. Toen het kamp vol was, werden allen opgeroepen op de binnenplaats te komen voor het ontvangen van instructies. De kampcommandant kwam deze zelf brengen in de vorm van een korte toespraak. Werkzaamheden zouden bestaan uit het maken van verdedigingswerken. Dat betekende bomen rooien en vervolgens transporteren, graszoden steken en vervoeren, loopgraven spitten en bunkers bouwen. Het aantal gevangenen uit allerlei nationaliteiten, maar Russen en Hollanders overheersten. Naar schatting waren er achthonderd Russen, achthonderdvijftig landgenoten en verder wat Noren, Esten, enkele Spanjaarden enzovoorts. Als dreigement werd bekend gemaakt dat er geen zieken zouden zijn. Medische behandeling kon uitsluitend na de werkdag worden verleend. De zondag werd afgeschaft en tenslotte werd een goede behandeling toegezegd als er een goede arbeidsprestatie zou worden geleverd. Aldus werden wij bij de verdediging van het ‘onoverwinnelijke’ leger ingelijfd onder omstandigheden die bitter genoemd kunnen worden en met geringe kans op overleving. Wij werden ’s morgens om half vijf gewekt en moesten kwart voor vijf de barak verlaten. We werden naar buiten gedreven en daar gesommeerd in rijen van vijf te staan in groepen van honderd man. Elke gevangene moest zich voorzien van een stuk gereedschap, dat meegedragen moest worden. De afstand tussen het kamp en de arbeidsplaats was ongeveer drie tot vijf kilometer. Aanvankelijk werden tien tot vijftien colonnes ingeschakeld, maar dit werd snel minder. Na ongeveer zes weken kwam er een aanvullend transport, vaak slachtoffers van razzia’s en andere vormen van terreur.

Naarmate het jaar vorderde werd het moeilijker. Na het morgenappel blijven liggen was een riskante zaak. Meestal werd spoedig de SS ingeschakeld, hetgeen het einde betekende. Kameraadschap of hulpvaardigheid kon geen uitkomst bieden. De enige mogelijkheid, de patiënt snel naar de ziekenbarak te brengen, was levensgevaarlijk, omdat deze barak op gezette tijden leeggeranseld werd. Overigens werd het woord ‘ziekenbarak’ ten onrechte gebruikt; het betrof een lekkend bouwsel met als absoluut enige luxe een grote, hoge kachel, die met twijgjes en ander sprokkelhout aan de praat werd gehouden. Eerder was gedreigd dat deze mogelijkheid er niet was, maar er ontstonden problemen met het plaatsen van geamputeerden. Overigens kreeg ik een verhaal toegefluisterd dat de SS voor afvoer zorgde als het aantal te groot werd.

Zoals opgemerkt gedroegen de SS’ers zich als duivels. Zij hadden geen standplaats in Meppen, maar kwamen geregeld controles uitvoeren en de vrees voor hun optreden blijkt uit het volgende: een achttienjarige, die het als student uit een beschermde omgeving zeer moeilijk had, pakte in een wilde reactie een houweel met een ijzeren handvat. Ik had hem geleerd dat in geen geval te doen, maar het gebeurde als reactie op de waarschuwing: “SS’ers”. De gevolgen waren verschrikkelijk: drie vingers werden volkomen ontveld, de botten waren zichtbaar en dat lokte een hevig geschreeuw uit. Met afgrijzen zag ik het gebeuren, zonder mogelijkheid tot ingrijpen. De jongeman hebben wij nimmermeer gezien.

Stokslagen 

Als zeker teken van volledige uitputting werden in toenemende mate achterblijvers gemeld. Zij kregen een plaatsje in de verwarmde barak in afwachting van de ‘selectiemethoden’ van de SS. Een ander voorval zou later veel betekenis voor mij krijgen. Ik zag een kleine man wanhopige pogingen doen de schop, die hij naar de arbeidsplaats moest dragen, op zijn schouders te brengen of een andere bevredigende manier te bedenken om het transport van de schop te verzorgen. Dit voorval gebeurde bij het opstellen van de colonne. Ik vroeg of ik zou kunnen helpen en toonde hem hoe hij het toch betrekkelijke licht stuk gereedschap moest dragen. De persoon stelde zich voor als professor aan de universiteit van Utrecht. Vervolgens toonde hij zijn voeten, die abnormaal klein waren. Inmiddels was het tijd om te beslissen, de colonne zette zich in beweging. Ik pakte de schop van de professor en legde die naast de andere op mijn schouder. Onderweg dacht ik aan het feit dat de uiterst dankbare prof maar heel weinig kansen had. Hij zou voor iedere taak een onvoldoende krijgen en er was geen plaats waar hij niet het slachtoffer zou worden van de bewakingstroep of de SS’ers.

Onze positie werd een dag later aanmerkelijk slechter. De bewakingstroepen waren vervangen door matrozen. Een narrige bootsman verdeelde zijn manschappen over het terrein. Hoofdtaak was: graszoden steken, vervoeren en stapelen. Al spoedig vond hij dat het te langzaam ging en werd de taak verdubbeld. Stelt u zich voor: motregen, drassige bospaden, kletsnatte graszoden (twee tegelijk dragen), het sukkeldrafje moest omgezet worden in een echte draf. Voor mij viel een drager, hij kwam niet meer overeind. Ik behoorde bij de twee dragers die het slachtoffer aan de kant moesten brengen. De bootsman onderschepte mijn blik van intense haat en liet mij aan de kant komen. Ik had mij inmiddels hersteld en schold alleen op mijzelf. De bootsman vroeg wat ik voor een persoon was en ik antwoordde, zoals dit van mij verwacht werd met de muts in de hand, dat ik een Hollander was. Achteloos zei hij tegen een vazal: “Vijf stokslagen.” Af en toe vindt er een wonder plaats; die stokslagen zouden het einde kunnen betekenen van mijn poging tot overleven, maar toen ik naar de man keek die het vonnis moest voltrekken, kreeg ik hoop. Op gepaste wijze schreeuwde ik na elke klap; er was echter niets om over te klagen en gedekt door mijn geschreeuw werd het vonnis pijnloos voltrokken.

Die avond werd ik benaderd door Bram Daalder en Nico van Dam. Bram, student, en Nico (curieus geval), een Joodse jongen. Bespreking over het voorstel van Bram: vluchten. Motivering: we worden met de dag zwakker en kunnen nu nog een behoorlijk eind lopen. Ook het gekozen tijdstip was van belang. Weldra was het Kerstmis, hetgeen betekende dat de bewakingstroepen door jongeren zouden worden vervangen. Toen wij het eens waren en besloten te vluchten werd een gedetailleerd plan gemaakt, aldus: Bram zou eerst, Nico na een kwartier als tweede en ik zou de affaire afsluiten. Voor elk van ons gold: indien het kwartier is verstreken wordt de vluchtpoging door nummer twee, respectievelijk nummer drie voortgezet. Bram haalde het, het passeren van een blinde muur was het meest riskante deel. Bram was uit het gezichtsveld, na een kwartier ging Nico op stap en die werd gesignaleerd, verraden door een Duits sprekend misbaksel. Een week later werd Bram als gevangene naar de vluchtplaats geleid. Een verschrikkelijk moment toen Bram, geketend en bewaakt door een stel honden, door een SS’er werd voortgedreven naar de plaats waar de vluchtpoging een aanvang nam.

Ardennenoffensief

Gezien de roofbouw die op ons werd gepleegd en de mate van uitputting waarin wij verkeerden, werd verlangend uitgekeken naar al datgene wat onze bevrijding naderbij kon brengen. Een naargeestige gebeurtenis was ook de berichtgeving over het Ardennenoffensief van 16-12-1944. Wij probeerden elkaar moed in te spreken, maar werden getroffen door de vrolijke bewakers, die spraken over ‘Neue Waffen’. Intussen kwam Kerstmis in het zicht, waarover wij veel hoorden; extra voedsel, rustdag, enzovoorts. Berichten over de juiste toestand aan de fronten deed het moreel weer goed en onze aandacht richtte zich nu op de vrije dag met Kerstmis. De informatie hierover sijpelde door via enkele ‘Vorarbeiter’. Maar tenslotte kregen wij de juiste berichten: Tweede Kerstdag wordt Feiertag, dus rustdag en dan ‘gibt es was zum Essen’. Dat een rustdag zo intens werd verlangd en in rangorde gelijk stond met wat extra eten kwam door de intense vermoeidheid. De Tweede Kerstdag begon minder prettig dan was gehoopt. Tot onze teleurstelling werden wij op de gewone tijd gewekt en stonden wij om vijf uur buiten in de natte sneeuw. Maar het werd toch anders: na het appel, om half zes, werden wij in de barak toegelaten en luidde het commando: “Opstellen in rijen van vijf, geordend naar nationaliteit.” Dit was nog nooit gebeurd en betekende voor ons een hoopgevende ontwikkeling, we dachten weer aan rusten in de barak en uitdeling van etenswaar, een tot dusver goed bewaard geheim. De dag was gevorderd tot ongeveer tien uur in de morgen en we hadden afdoende kunnen vaststellen dat er ongeveer veertienhonderd landgenoten, plusminus duizend Russen en enkele tientallen gevangenen van verschillende nationaliteiten, waaronder Letten en Polen, aanwezig waren. Wij geloofden niet meer in een feest en kregen de indruk dat men ons vergeten was en besloten iets te ondernemen dat herinnerde aan ons bestaan. Iedere groep zou een lied zingen, zo mogelijk het volkslied. Dit voorbehoud werd gemaakt omdat het zingen van de ‘Internationale’ als een provocatie kon worden opgevat. De Nederlanders begonnen, en wel met het Wilhelmus. Dat lied streek alle niet-Hollanders tegen de haren: te traag en geen goede melodie. De Russen zouden wel even laten horen hoe het moest en hieven een ritmisch volkslied aan, dat zeer goed klonk. Maar toen kwam een onderbreking die tot afgelasting leidde: de Russen begonnen te huilen, wel zo erbarmelijk dat de Hollanders de zaak over wilden nemen met ‘De blanke top der duinen’. Zij kwamen nauwelijks verder dan de inzet van de voorste zangers, die schaamtevol ook huilend naar achteren liepen om zich te verstoppen tussen andere landgenoten, dit in navolging van de Russen, die krampachtige pogingen deden hun emoties te bedwingen. Allen dachten aan thuis, aan familie en de geringe kans te overleven, gezien de grote sterfte als gevolg van het slechte eten en de uitputtende arbeid. Om ongeveer twaalf uur werden wij naar de barakken gezonden en zo hadden wij die morgen zes tot zeven uur staande doorgebracht. Om een uur werd de soep verstrekt, die nog slechter was dan gewoonlijk.

Om twee uur werden wij naar de appelplaats geleid en daar was zowaar iets feestelijks te zien. Een podium, versierd met een nazivlag, was in het midden van het terrein opgericht. Een microfooninstallatie werd beproefd, maar, tot ons genoegen, zonder resultaat. Inmiddels was het drie uur geworden en de commandant begon zijn feestrede. Er was bijna niets van te verstaan, maar ik ving op dat hij het goed met ons meende. Daarna kwam een brullende idioot, die het geluid van een ‘Stuka’, een soort jachtbommenwerper, imiteerde. Om vijf uur, het werd al donker, zette zich een stoet in beweging. Halverwege het veld was een soort marktkraam opgericht en waarachtig, daar werd iets verstrekt; daar werd iets uitgereikt door dames. De commandant stond lachend terzijde, zweepje in de handen, afwisselend tikkend in de linkerhand en op zijn keurig gepoetste laarzen. Met inachtname van het juiste ritueel (ontroerend: ‘Danke schön’) nam ik het pakje in ontvangst en spoedde mij naar de barak. Een smalende stem van een landgenoot bracht mij tot de werkelijkheid: ‘pruimtabak’. Een soort gesausde tabak met een wikkel en de naam van de fabrikant hadden mij tot het einde misleid. Toen ik het stukje tabak in mijn hand had voelde ik een woede die mijn keel snoerde en mijn maag een gierende pijn bezorgde. Ik schraapte wat stro bijeen om zoveel mogelijk nachtrust te genieten. Ik overwoog dat deze dag veel zwaarder was dan een gewone werkdag en besefte dat wij op een kwaadaardige en sadistische manier behandeld waren.

Flegmoon

Halverwege januari van het jaar 1945 werd opnieuw een aantal gevangenen in het kamp Meppen geplaatst. Met de voedselvoorziening ging het steeds slechter. Ongeveer zeven weken was er geen zout. Dit bracht verschillende gevangenen ertoe klontjes kunstmest te eten. Ze kregen een gezwollen gelaat en overleden spoedig. Een voortdurend ongemak bleef het ontbreken van schoeisel, zoals gezegd linnen schoeisel, gespijkerd op een houten zool. Als het linnen scheurde waren er drie mogelijkheden: repareren door middel van een touw, pakken van een overledene, afpakken van een muzelman. Ik had gekozen voor het eerste, met gebruik van een stuk ijzerdraad. Omstreeks eind januari stelde ik vast dat het mis was met mijn rechterbeen. Een schram van ongeveer zeven centimeter, vurig, licht pijnlijk: ‘flegmoon’, de gevreesde aandoening met meestal dodelijk gevolg voor ons, gevangenen. Ik had meermalen gezien hoe zinken teilen, gevuld met geamputeerde ledematen vanuit de ziekenbarak werden gedragen. Gefluisterd werd, dat de SS voor de rest zorg droeg. Aldus kwam ik tot de slotsom dat de Utrechtse professor mij zou kunnen helpen, als er nog hulp mogelijk was. Die hulp kwam snel, diezelfde avond werd ik door een Utrechtse chirurg geholpen. Een kerf met een dun mesje, een dure pleister en tenslotte een stuk papierverband met het consigne: minstens drie weken Just en goed eten (dat laatste was een grapje en het eerste, daar moest ik zelf voor zorgen).

Ik besloot de volgende dag geen beroep te doen op de controlerende SS-ers, dat was iedere morgen een woeste knuppelpartij ten koste van achterblijvers. Ik was me er echter wet van bewust dat ik mij als zieke moest melden, omdat langer lopen levensgevaar inhield. Zodoende stapte ik uit het gelid naar de Vorarbeiter die mij doorstuurde naar een wagen waarin wat stro lag, dat als ligplaats kon dienen. Eenmaal kwam er een SS’er langs, doch ik werd ontzien: puur geluk, twee arme stumpers werden naar hun arbeidsplaats geslagen. Mijn terugreis ging per brancard en ik kreeg een plaatsje in een barak voor zieken. Daar heb ik ongeveer een week kunnen rusten. Met spanning werd de wond aan mijn rechterbeen van dag tot dag bekeken en tot mijn opluchting leek het goed te gaan, althans, de rode plek breidde zich niet uit.

Verder had ik het geluk, dat drieëntwintig maart ‘Monty’ de Rijn overstak, hetgeen tot gevolg had, dat het Neuengamme-complex ontruimd moest worden. Opnieuw veel geluk: evacuatie van het kamp Meppen op dertig maart 1945. Alles wat lopen kon moest zich opstellen in rijen van vijf en in marstempo voorwaarts. Weinigen overleefden de barre tocht, met als aanvankelijk doel: Neuengamme. Ik werd in een vrachtauto geladen en in een gesloten wagon gedreven. Alles wees erop dat grote haast werd betracht. Onze wagon werd volgestouwd met ongeveer vijfendertig zieken. Vlak voordat wij zouden vertrekken, het was inmiddels donker geworden, werd nog een groepje mensen ingeladen die wegens gebrek aan ruimte boven op ons werd gejaagd, en uit de gemene taal die tegen deze mensen werd gebruikt kon ik opmaken dat het Joden waren. Deze arme mensen voelden zich indringers en riepen allerlei verontschuldigingen om toch vooral duidelijk te maken dat hun aanwezigheid en de daardoor ontstane overlast niet uit vrije wil gebeurde. Ik sprak mijn ‘bovenligger’ aan en maakte hem duidelijk dat hij welkom was, dat ik behoorde bij een Krankentransport en dat hij alleen dringend werd verzocht mijn rechterbeen vrij te houden. De arme man was opgetogen toen hij als mens werd behandeld en vertelde even later zijn levensloop, waarvan ik onthield dat hij in zijn goede dagen college liep bij Sigmund Freud en was afgestudeerd als handlijnkundige. Drie dagen duurde deze wat lastige treinreis. Toen wij stopten en meenden op de plaats van bestemming te zijn, werden eerst de Joodse mensen uitgeladen. Tot mijn spijt kon ik mijn Joodse medereiziger niet meer bij daglicht spreken.

Landmijn

In het boek Het Koninkrijk der Nederlanden van dr. L. de Jong wordt gesproken van ‘Abtausch’-Joden. Vermoedelijk reisde ik gedurende deze drie dagen met een groepje van deze mensen. Als ik het goed heb onthouden was het voorlopige einddoel Bremen-Farge. Wij werden in een grote loods gestopt en in de keuken zou voor eten worden gezorgd. Dat was er de afgelopen dagen bij in geschoten. Het was echter bijzonder onrustig in de omgeving; Engelse vliegers bombardeerden en beschoten de omtrek. Daar komt de grote klap, dachten wij. Er werd namelijk een landmijn afgeworpen, met als gevolg dat onze barak scheef kwam te staan. Al het glas werd versplinterd, koken of andere verstrekking van voedsel was er niet meer bij. Ik ging op verkenning uit en stelde vast dat er chaos heerste en dat ontvluchten mogelijk zou zijn. Bovendien had ik de indruk dat wij met de Wehrmacht-soldaten een grotere kans tot overleven hadden. Het beviel ons in het kamp beter, nu wij uit handen van de SS waren gebleven. Wij waren echter te zwak en waren ook vogelvrij voor SS’ers en ander tuig dat ons aan ons voorkomen onmiddellijk zou herkennen.

Ik wandelde een andere barak binnen en kwam in aanraking met de treurige resten van een transport uit Ladelund. Vrijwel allen hadden gezwollen ledematen en kermden koortsachtig. Zij lagen in houten kooien en waren niet afgedekt door een deken of andere voorziening. Plotseling trof mij een kreet, mijn naam werd geroepen. Ik probeerde in het halfdonker te onderscheiden door wie. Er werd huilend geroepen: “Je kent me toch wel, ik ben Henk de Vries! Help mij alsjeblieft, want ik ga hier dood!” Gesprek gevoerd en vastgesteld dat Henk een monsterachtig gezwollen rechterbeen had en dat hij niet te helpen was. Zonder amputatie zou het niet gaan en amputeren betekende een snelle dood. Ik begaf mij naar het midden van de barak, waar een arts een treurige taak op zich had genomen. Ik kende hem, wij begroetten elkaar en ik bemerkte dat de dokter over zijn toeren was. Ik vertelde hem over de zieke uit Zaandam en kreeg ten antwoord dat ik de patiënt maar brengen moest. “Het been moet eraf, hij is de derde.” “Heb je geen verdovend middel, amputatie is toch zinloos.” Hij was het met mij eens, maar alles was hier zinloos en hij tastte in zijn zak, vond een buisje met drie aspirines, gaf mij er een en bepaalde zich tot de volgende patiënt, mij toevoegend: “Kom mij direct maar helpen, geen van allen is nog in staat om te staan.” De aspirine als een kostbaarheid naar Henk gebracht, die met half gesloten ogen achterover lag. Ik tilde zijn hoofd op en diende hem de aspirine met een slok water toe. Ik nam afscheid van hem en had de indruk, dat hij overleden was.

Inmiddels werd ‘verzamelen’ geblazen en werden wij weer opgesteld in rijen van vijf. Zo werden wij een zeer lange trein ingeloodst, uitsluitend goederenwagons, waarin ongeveer dertig mensen per wagon plaats moesten nemen. Toen dat achter de rug was en de wachten (zo genoemd omdat de bewaking in handen was gesteld van oude Wehrmacht-soldaten) de trein haastig hadden afgesloten, gingen zij in de onderdijk liggen. De Engelse vliegers hadden onze trein als doelwit gekozen en mitrailleerden ons onderkomen in de lengterichting. Nauwelijks had ik mijn buurman gewaarschuwd dat hij moest gaan staan om de trefkans te verkleinen of hij werd geraakt en overleed spoedig hierna. Zijn buurman werd ook getroffen, maar die was door vallend hout geraakt. De trein werd nog enkele malen gemitrailleerd en toen het rustig werd, kwamen de bewakers terug en werd de trein in beweging gebracht.

Stervensbegeleiding

In de trein bevonden zich gevangenen van uiteenlopende nationaliteit, opvallend veel Hollanders, waaronder veel Puttenaren. Stervensbegeleiding werd door een oudere man gegeven. Hij zag er stevig uit, maar moest een dag later toch de strijd opgeven. Hij zat plotseling naakt in de wagon zijn hemd te ontluizen. Wat hij deed was zinloos. Op de vloer van de wagon had zich een luizentapijt gevormd. De strijd ertegen was gestreden, tot de totale situatie was verbeterd door verstrekking van andere kleding en behuizing! Na een moeilijke nacht overleed deze markante figuur, die zich had opgeworpen tot steun voor zijn dorpsgenoten. Na twee dagen werd gestopt voor het delven van een massagraf. Voor het dragen van de overledenen had ik mij gemeld. De bewakingstroepen hadden zich uit de wagons teruggetrokken toen zij bemerkten dat de luizen niet werden afgeschrikt door uniformen. Ik wendde mij tot een van de oudjes en verzocht om voedsel en drinken. De bewaker beloofde dat dit de volgende dag zou komen. Inderdaad werd de vierde dag wat eten en drinken verstrekt. Twee sneden brood en wat drinken uit een conservenblik. Wij bleven staan om de lijken af te voeren. De laatste drie wagons werden gebruikt voor vervoer van de overledenen. Verder werd een verandering doorgevoerd met het doel ruimte te scheppen, zodat een aantal wagons kon worden afgekoppeld. Ook de lijkwagens bleven achter, waarschijnlijk ter afhandeling in het crematorium van Neuengamme. De bezetting van onze wagon bestond uit twaalf personen, en die werden naar een wagon gebracht waar tien Hollanders zich dankbaar toonden, omdat wij landgenoten waren die bescherming moesten bieden tegen het viertal roofzuchtige Grieken. Zij hadden water en brood van de jongens gestolen. Op mijn vraag waarom zij zich niet verdedigden, kreeg ik te horen dat de Grieken de beschikking hadden over een wapen, namelijk een stok. Die hadden zij de dag tevoren gebruikt om hun beroving uit te voeren. Ik zorgde voor een hergroepering en plaatsing tegenover de Grieken. Die nacht wist ik de stok te stelen, een gevaarlijk karwei, want van onze landgenoten waren er zeker zes stervende.

In de loop van de dag werd mij een nieuwe taak toebedeeld. Als er zich een overlijden aankondigde, werd een beroep op mij gedaan de stervende te ondersteunen door het hoofd op de knieën te nemen. Dan kwam de waarnemende geestelijke het verlangde ritueel uitspreken. Als ik die taak vervulde, vroeg ik een ander op ons wapen, de stok, te letten. Van de landgenoten waren nog vier in leven, de lijken lagen in het midden van de wagon gestapeld. En de dag begon met hallucinerend geprevel en gescheld van Wouter, een eenentwintig jarige jongen waarvan ik aanvankelijk dacht dat hij het wel halen zou. Hij lag te brabbelen en toen de wagondeur open ging en de bewaker verscheen, ging hij als het ware tot een offensief over. In zijn beste school-Duits zei hij: “Ik zie allemaal watermolens, heer bewaker, wilt u dat water bij mij brengen.” In allerlei variaties, met een sarcasme dat zelfs doel trof. Zoals bekend is dorst lijden erger dan honger verdragen. Ik heb u verteld dat halverwege de reis voedsel en drinken werden verstrekt, daarna niets meer en deze jongens waren slachtoffer van beroving, hetgeen nu zwaar moest wegen. Het was dan ook het laatste, toen twee van de sterksten, onder wie de hulpgeestelijke, hun urine gingen drinken, hoewel ik het sterk afraadde. Overigens beschikten zij niet meer over hun geestelijke vermogens, hetgeen bleek uit een schuldig, schaapachtig gelach.

Maar nu de bewaker, ‘Herr Posste’ genoemd; die ging gebukt onder het snerpende geweeklaag van Wouter en ging er op uit zodra de trein stilstond om water te vinden. Hij kwam inderdaad terug met een conservenblik, gevuld met moeraswater. Het blik werd aan mij overhandigd en ik zorgde voor distributie. Mijn gezag werd aanvaard, er ontstond geen ruzie, alleen de Grieken waren niet tevreden, maar gelukkig kregen zij ook een blikje water van de behulpzame bewaker. Toen het geroep om water was overgegaan in een dof gebrabbel constateerde ik dat er nog drie stervende waren. De laatste stierf in het schemerdonker. Ik hoorde iemand sluipen, maar na wat geschuifel was het stil geworden. Ik ging slapen tussen de overledenen, want ik verwachtte niets goeds van de Grieken.

Wandluizen

De zevende dag: er waren nog drie Grieken, eigenlijk vier, maar de vierde lag ook op sterven. Toen de nacht inviel was het moeilijk te constateren wie nog in leven was en wie niet. De volgende morgen werden de deuren opengetrokken. Haastig verkende ik de situatie in de wagon, waaruit bleek dat een Griekse jongen van een jaar of achttien, die zich uit angst heel stil had gehouden, en ik de enige overlevenden waren. Daar naderde een soldaat met een arm vol broden. Hij overhandigde mij een brood en keek mij vragend aan toen in de door mij verlaten wagon geen leven te bespeuren was. Als ervaren ‘Häftling’ voerde ik onmiddellijk een scene op met het doel een tweede brood te bemachtigen (“Die Andere sind darüber”, babbelde ik en wees nadrukkelijk in de verte). Mijn begerigheid naar het tweede brood won het. De bewaker reikte mij aarzelend een tweede brood uit. Inmiddels kwamen zorgzame handen mij in een kipkar leggen. Oorzaak van die zorgzaamheid was het feit dat ik mij onder vrienden, lotgenoten bevond. De bewaking was verdwenen en er heerste anarchie in het kamp. Via een Frans krijgsgevangenenkamp, Pools dito kamp, kwam ik in een houten barakkenkamp dat door landgenoten werd gebruikt. Iemand was juist bezig een overzicht te geven van de stand van zaken. Zojuist was een laatste voedseltransport verloren gegaan door aanvallen van roofbendes. “Iedere hoop op voedsel kunnen wij vergeten, totdat het kamp zal worden bevrijd.” Op de vraag, waarom dan niet de poort uitgaan, antwoordde de spreker dat uitbreken onmogelijk was in verband met de slechte conditie van vrijwel alle gevangenen en het feit, dat er nog restanten van het Duitse leger zullen verhinderen dat wij buiten de poort komen in verband met vlektyfus.

Na zijn betoog gaf ik de spreker een brood ter verdeling en vroeg een slaapplaatsje om bij te komen van de treinreis van elf dagen. Na consumptie van het brood viel ik in slaap, een toestand die ongeveer zes uur duurde. Ik werd zeer onaangenaam wakker en kwam spoedig achter de oorzaak. Luistapijt op de vloer was een bekend verschijnsel, maar ik had nog niet (of sporadisch) kennisgemaakt met de afschuwelijke hardlopers en bloeddieven, wandluizen genaamd. Deze actieve diertjes zorgden voor bulten over het gehele lichaam; zij lieten zich trefzeker van de plafonds vallen. Het werd een bloederig gevecht, dat ik natuurlijk verloor. Geen nacht heb ik daarna in de barak doorgebracht; ik prefereerde een tafel en trotseerde de koude, want er was geen beddengoed, geen deken of wat dan ook. Dr. L. de Jong heeft in zijn boek Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, tweede deel blz. 106, onthuld dat verstrekking van beddengoed of wat dan ook overbodig werd geacht, aangezien een SS-brigade was opgedragen over te gaan tot volledige vernietiging van de gevangenen. Deze plannen zijn niet uitgevoerd omdat er angst bestond voor besmetting (vlektyfus?).

Omstreeks elf april kwamen wij in Sandbostel aan. Wij hadden rondgereden tussen Neuengamme en Bergen-Belsen gedurende acht dagen en zijn dus elf dagen in goederenwagons rondgereden. Na een dag rusten liep ik het kamp wat rond, zoals geadviseerd en in gezelschap van Nico. Eerst een geweersalvo, daarna het geluid van een mitrailleur en daarna een zwak, klagelijk ‘hoera’ dat zich over het hele kamp verspreidde. Ik ging voor de laatste keer op mijn buitentafel slapen en sloot mij de volgende dag aan bij mijn lotgenoten, die werden bespoten met een wit poeder dat uit een brandslang kwam. Dat was DDT, dat wij natuurlijk niet kenden. Het was het begin van een uitgebreide doeltreffende ontluizingsactie. De lotgenoten werden weggevoerd in auto’s, zoveel mogelijk gedragen op brancards. Ik kon nog getuige zijn van het feit dat boze Engelse militairen, die een aantal Duitsers voor zich uitdreven, met driftige gebaren wezen op de stervenden in de barakken, de stapels lijken, het totaalbeeld van de verwording.

Die middag werd ik afgevoerd naar het hospitaal. Hieraan vooraf een dankwoord aan kapitein Van Praag: een landgenoot in Engelse dienst. Hij was zeer verbaasd dat hij Nederlands hoorde praten, verzamelde een negental landgenoten en richtte een feestmaal aan: witbrood en jam. Hij heeft zich die middag met ons bemoeid en deed de belofte dat hij ons zou opzoeken in het hospitaal en, zodra dit kon, de terugkeer te bevorderen. Helaas, twee dagen na de eerste kennismaking overleed de kapitein aan vlektyfus. Omstreeks half mei werden wij geëvacueerd; een droevige ervaring was, dat twee lotgenoten inmiddels geestelijk gestoord (krankzinnig) bleken te zijn.

De feestelijke terugkeer van Gerrit Bakker en zijn partijgenoot Gerard Maas in Zaandam, mei 1945.

De naoorlogse teloorgang van de Zaanse synagoge

De gemeenteraad van Zaanstad besloot in 2010 unaniem dat het Inverdanproject ‘pas is afgerond als de synagoge in oude luister is hersteld’. Het duurde sindsdien ruim acht jaar voor een projectontwikkelaar het tot winkel verbouwde monument op de Gedempte Gracht kocht en zich bereid verklaarde het te restaureren. Uit teruggevonden documenten  wordt duidelijk hoe de overheid de gedecimeerde Joodse gemeenschap kort na de Tweede Wereldoorlog bejegende, met de teloorgang van het godshuis als resultaat.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge aan de Gedempte Gracht – daarvan resteerde alleen een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren als onderduiker of kampgevangene waren doorgekomen waren aanwezig, precies tien procent van de geloofsgemeenschap die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten ƒ 208,-, uitgaven ƒ 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken ledental proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de documentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

De synagoge rond 1900.

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ De dienstdoende redacteur stelde vast dat niet alleen de Duitsers schuldig waren aan de plundering van het religieuze gebouw. ‘Het is wel beschamend het te moeten constateren, dat waarschijnlijk de grootste vernielingen door plaatsgenoten werden bedreven.’

Jacob Drukker deelde die mening. ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers…’ Daarmee raakte hij aan een teer punt. De bezetter had het bedehuis weliswaar geconfisqueerd en ingeruimd als garage en paardenstal, maar zowel voor- als nadien was het gebouw leeggeroofd door anderen.

De onttakeling begon kort nadat Zaandam in januari 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ was gemaakt. Op 13 augustus van dat jaar informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de Duitse autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) tegen twee procent provisie van de hand te doen.

Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer ‘leeggehaald en naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop’, wist een agent. ‘De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Thoramantels (‘waarbij enige antieke’) die om de Thorarollen werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen behoorden zes Thorarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Geallieerde voertuigen voor de synagoge, 1945

Toen de overlevende Joden in juni 1946 voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar kwamen, begonnen ze dus weer op nul. Vanaf dat moment beheerste het gebrek aan financiën de ledenvergaderingen. Moeizaam verlopende geldinzamelingen maakten het pas in 1953 mogelijk om de synagoge officieel te heropenen, zij het wel in sterk afgeslankte vorm. Drukker: ‘We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De gerestaureerde synagoge was nauwelijks een kwartaal in gebruik toen het bestuur een nieuwe tegenslag moest incasseren, in de vorm van een stevige vordering. De afzender was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Deze door de Rijksoverheid ingestelde organisatie beheerde de vermogens van niet teruggekeerde Joden en van politieke delinquenten. Ten aanzien van de eersten moest worden voorkomen dat de verkeerde mensen zich hun bezittingen toe-eigenden. De tweede doelgroep mocht niet langer profiteren van hetgeen ze tussen 1940 en 1945 – al dan niet door roof – had vergaard. Inzet van het Rijk was om hen de gigantische economische oorlogsschade te laten vergoeden waarmee Nederland kampte. Daartoe werd een bureaucratische moloch opgetuigd. Ruim tweeduizend NBI-stafleden werkten in een chaotische situatie aan 160.000 dossiers.

Dat leidde onvermijdelijk tot fouten. De Algemene Rekenkamer maakte in een rapport gehakt van de organisatie en Justitieminister L.A. Donker moest in 1953 erkennen dat de NBI-administratie niet op orde was. In dat licht dient ook de rekening te worden bezien die anderhalve week voor de Dodenherdenking van datzelfde jaar bij de NIG in Zaandam op de mat viel. Het Beheersinstituut had even eerder een negen jaar oude, openstaande hypotheekschuld ontdekt. In haar streven om de wederopbouw te financieren eiste ze dat de Joodse gemeente die zou betalen.

Hypotheekschuld

De oorsprong van die factuur lag dus in de bezettingstijd. Naarmate het deporteren van de Joden vorderde, speelde bij de Duitsers steeds vaker de vraag door het hoofd wat ze aan moesten met de leegstaande synagogen. Voorstellen om ze te slopen, teneinde ‘alle herinneringen uit te wissen’, haalden het niet. In 1944 kreeg het door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart benoemde Commissariaat voor Niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) opdracht om de Joodse organisaties formeel te ontbinden en hun gebedsruimtes en andere eigendommen te beheren en te gelde te maken. In augustus van dat jaar, ontdekte het NBI in 1953, had het CNCV ‘uit eigen middelen een op de synagoge der Israëlitische Gemeente te Zaandam rustende hypothecaire schuld afgelost tot een bedrag van ƒ 4.872,91.’ Na aftrek van wat kasgeld dat de bezetter in Zaandam had gestolen bleef een te incasseren bedrag van ruim 4.500 gulden over. Omgerekend naar 2019 komt dat neer op bijna 17.000 euro.

De NIG had, bij gebrek aan archiefmateriaal, geen idee dat er een hypotheek rustte op de al in 1865 gebouwde en destijds afbetaalde synagoge. Bewijzen dat de claim onterecht was kon ze niet. Ze stelde zich daarom deemoedig op en beloofde alles te willen doen ‘om de schuld te delgen’. Er was echter een levensgroot probleem, schreef penningmeester Saul Smit. ‘De gemeente bestaat nog maar uit 6 gezinshoofden en wil daarom géén hypotheek op de joodse kerk nemen, opdat, wanneer nog meer gezinnen uit Zaandam verdwijnen, de overblijvenden voor een te zware last zouden komen te staan.’ Die paar huishoudens hadden hutje bij mutje gelegd, waardoor zij toch nog 3.350 gulden konden overmaken. Wilde de NBI daarmee genoegen nemen, vroeg Smit.

Het Amsterdamse NBI toonde begrip voor de Zaanse noden en bepleitte clementie bij het landelijk bureau. Gewezen werd op ‘de moeilijke financiële omstandigheden ten gevolge van de handelingen van de bezetter’ en de ‘zware offers die de Israëlitische Gemeente zich reeds heeft moeten getroosten om het, gedurende de bezetting zwaar gehavende, kerkgebouw weer in bruikbare staat te brengen’. Het antwoord was kil en onverbiddelijk. Dat de Joodse gelovigen van 1942 tot en met 1945 niets te vertellen hadden over de lasten en baten van hun bezit en de overgrote meerderheid in 1944 al was vermoord speelde geen rol. De landelijke NBI-directie achtte ‘geen termen aanwezig’ om op het voorstel in te gaan. ‘Wij kunnen niet inzien welke redelijke bezwaren er bestaan voor de Gemeente om het kerkgebouw thans wederom hypothecair te belasten.’

De synagoge in 1961, met een autodealer als onderverhuurder

Onbekend is hoe de Joodse gemeente aan de financiële eisen voldeed, maar ze kwam de toegebrachte klappen nooit meer te boven. Waar de NIG kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het geringe ledental maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor de vriendenprijs van 175.000 gulden aan Frieda Pais-Fruchter, de schoondochter van voormalig bestuurslid Jos Pais. Zij liet het pand ingrijpend verbouwen – alleen het middenstuk bleef intact – en verhuurde het aan een kunstcentrum met de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenares het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. In haar bezwaarschrift tegen dat besluit liet Pais-Fruchter weten ‘niet in een binding met de joodse gemeenschap te geloven’. Dat was tegen het zere been van de Joodse gemeente. Secretaris Joop Meijer: ‘De enige reden waarom we toen hebben verkocht was een centenkwestie. We konden herstelwerkzaamheden niet betalen. Daarom moesten we wel. We hadden het ook in elkaar kunnen laten storten. Huisvesting van De Zienagoog in het pand vonden we een zinvol doel, maar we hadden het veel liever zelf gehouden. Er zijn nog steeds veel mensen die van dat gebouw houden. (…) Het is een monument voor ons volk.’

De voormalige synagoge kwam vervolgens in handen van uitvaartorganisatie DELA . Die verhuurde de centrale ruimte aan een telefoonwinkel. Op 18 januari 2019 – 77 jaar en één dag nadat de Zaandamse joden gedwongen de stad moesten verlaten – werd wereldkundig gemaakt dat de Zaandamse projectontwikkelaar Wouter Lofström het door stadsarchitect Immink ontworpen gebouw voor ruim drie miljoen euro had gekocht. Hij liet weten de synagoge te willen restaureren. Daarmee is er eindelijk zicht op een waardige bestemming van het enige tastbare joodse erfgoed in het hart van Zaandam.

De synagoge in 2017

Synagoge 1865-1942-2017

In 2017 werd er een nieuwe gevelsteen geplaatst in wat resteerde van de Zaandamse synagoge. Het inspireerde Willem Munters om een toepasselijk gedicht te schrijven.

zaandam

1865
de wind fluistert de gevelsteen
vreemde tekens in

het heiligdom, Eeuwige,
dat uw handen hebben neergezet

huis van samenkomst vanaf het begin
75 jaar lang fluistert de wind met de steen

1942
dan is de wind naar oosterstorm gezwollen
neemt woedend  kolkend aanstoot aan de steen
het huis van samenkomst
wordt leeggezogen door ijskoude haat
kranten zonder kop spreken van zuivering

de oostenwind kent geen eeuwige woorden
hakt in blinde woede in de steen
verbreekt het woord  hakt in leven
huis van samenkomst  huis van tranen
nodeloos ontheiligd en vernield

2017
nu na honderdvijftig jaar
weer huis van samenkomst
huis voor de toekomst
zal het zo zijn

zo zal het zijn

De negen/tien doden op de Burcht

Op 9 februari 1945 fusilleerden de Duitsers op de Burcht in Zaandam tien Todeskandidaten. Het was een vergelding voor een moordaanslag op de collaborerende politieman Frans Willemse, vier dagen eerder. Exact een jaar na de executie publiceerde de net bij De Typhoon begonnen verslaggever Jan Hottentot (1914-2003) in dat voormalige verzetsblad een gedicht over de dodelijke represaille. Daarbij had hij het overigens abusievelijk over negen slachtoffers.

‘T is vandaag een jaar geleden,
Dat in Hollandsch diepste nood,
Negen mannen op de Kade,
Door de Moffen zijn gedood…..
Op dien koelen wintermorgen
Knalden schoten ver in ’t rond,
Negen jonge mannen vielen
Stervend, in het hart gewond…
Maar ’t verzet bleef brandend leven,
Ondanks dezen laffen moord,
Want de roep om Hollandsch vrijheid
Bleef ook nà hun dood gehoord.

‘T is vandaag een jaar geleden…
Och, de tijden gaan zoo snel.
Veel, zoo heel veel, is vergeten
En vergeven ook nog wel.
Maar vergeef, vergeet toch nimmer
Wat ons volk is aangedaan
En ontheilig nooit dit plekje
Aan het water van de Zaan…

Blijft daar even, even peinzen,
Leg wat bloemen op den grond,
Waar, vandaag een jaar geleden
Eenmaal Hollandsch Glorie stond.

Vijf Gouden Kalveren

Vijf Gouden Kalveren voor de film Bankier van het verzet.
(Ook) benieuwd naar het boek?

De laatste exemplaren van de Van Hall-biografie

De film Bankier van het verzet trok 400.000 bezoekers naar de bioscoop, is genomineerd voor twaalf Gouden Kalveren en gaat als Nederlandse inzending naar de Oscar-longlist. Een succes dus, al met al. De biografie Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945), die gebruikt werd voor de filmproductie, doet het ook goed . Er zijn inmiddels duizenden exemplaren van verkocht. Sterker, van de hardcover-versie zijn nog maar enkele tientallen over.  Met andere woorden: het is bijna op en keer in deze vorm niet meer terug.

Ter geruststelling: zodra de luxe versie uitverkocht is, verschijnt er een editie met een zachte kaft. Iets minder chic dus. Daarom, mocht je de betere publicatie willen bekomen, dan is het een kwestie van tempo maken. In de woorden van Jessica Durlacher: “Lees dat boek van Erik Schaap.” Het is voor €19,95 te verkrijgen via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com. Zolang de bescheiden voorraad (nog 75 stuks beschikbaar) strekt… 

Dodenherdenking in Wormerland


Op verzoek van de gemeente Wormerland maakte ik een tekst die tijdens de Dodenherdenking op 4 mei 2018 is voorgelezen bij de twee oorlogsmonumenten in Wormer en Neck. Ik schreef het volgende:

Dames en heren, jongens en meisjes,
Ook dit keer bent u gelukkig met velen naar de jaarlijkse herdenking gekomen. Onze gedachten gaan vanavond terug naar het kwaad dat vijf jaar lang Nederland beheerste, de Tweede Wereldoorlog. Ze gaan ook, en misschien wel vooral, uit naar de mannen en vrouwen die het slachtoffer werden van de grootste misdaad sinds mensenheugenis. We herdenken tevens hen die tussen 1940 en 1945, met gevaar voor eigen leven, in opstand kwamen tegen onrecht en dictatuur. Het is goed om op 4 mei stil te staan bij de offers die velen hebben gebracht voor vrede en vrijheid. Gewend als we inmiddels zijn aan de democratie waarin wij leven, dreigen we wel eens te vergeten dat dit enkele generaties terug niet vanzelfsprekend was.
De Tweede Wereldoorlog ligt inmiddels bijna driekwart eeuw achter ons, maar blijft in veel opzichten bepalend voor ons doen en laten. De gebeurtenissen van toen hebben nog steeds hun uitwerking op het heden. Laat ik dat illustreren met een voorbeeld uit onze gemeente.
De nationaalsocialisten waren niet alleen uit op de totale vernietiging van de joodse bevolking, maar ook op de vernietiging van joodse eigendommen. Zo werden er vanaf 1942 honderden tonnen boeken, brieven en andere geschriften per vrachtwagen naar de Van Gelderfabriek in Wormer vervoerd. Al dat papier was afkomstig van de tienduizenden Amsterdamse joden die op transport moesten naar de vernietigingskampen. Hun huizen waren leeg geroofd, hun persoonlijke documenten werden bij Van Gelder tot pulp vermalen. Ondanks het strenge Duitse toezicht bij deze massavernietiging lukte het werknemers een enkele keer om wat roofgoed achterover te drukken. Onder de schaarse artikelen die zo werden gered bevond zich ook een fotoalbum. Er zaten kiekjes in van een jonge man en van twee baby’s. Namen of adressen stonden er helaas niet bij. Het was daardoor na de oorlog een raadsel wie deze mensen waren en of ze de Jodenvervolging hadden overleefd.
Vijfenzeventig jaar lang bewaarde de familie van de man die het album had gered de foto’s, hopend dat ooit bekend zou worden wie de geportretteerden waren. Een paar van de foto’s werden kort geleden verspreid via sociale media. Dat leidde er toe dat iemand de jonge joodse man op een van de foto’s herkende. Door onder te duiken had hij samen met zijn gezin heelhuids de bevrijding weten te halen.
Afgelopen maand kwamen zijn twee zoons, inmiddels 79 en 81 jaar oud, naar de Zaanstreek om de foto’s waarop ze als baby’s stonden in ontvangst te nemen. Het was een emotionele, ontroerende bijeenkomst, mogelijk gemaakt omdat iemand driekwart eeuw geleden het lef had om de bezetter te trotseren. Heel even raakten het verleden en het heden elkaar.
2018 is uitgeroepen tot Jaar van Verzet. “Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden”, dichtte Remco Campert. En hij eindigde dat gedicht met de woorden: “Jezelf een vraag stellen, daarmee begint verzet. En dan die vraag aan een ander stellen.”
Door dat fotoalbum opzij te schuiven en te bewaren, trotseerde die Van Gelder-werknemer de Duitse bevelen. Hij stelde zichzelf een vraag en verrichtte vervolgens een kleine daad. Een daad die vele jaren later van immense betekenis was voor een joodse familie.
Dit voorbeeld laat zien dat de wereld niet ophoudt bij de grenzen van Wormerland. Ons dorp was en is geen geïsoleerd eiland waaraan de wereldproblemen voorbij gaan.
Dit verhaal laat ook zien dat het belangrijk was, en nog steeds is, om betrokken te zijn bij je medemensen. Het verzet van toen heeft dus nog altijd een actuele betekenis. Ook nu blijft het van belang om verantwoordelijkheid te nemen. Om op te komen voor mensen die het nodig hebben. Om pal te staan vóór mensenrechten en tégen uitsluiting. Om je te verzetten tegen onrecht en je in te zetten voor de goede zaak.
De Tweede Wereldoorlog mag dan al lang voorbij zijn; het blijft nodig om de democratie te beschermen. In de wetenschap dat tussen 1940 en 1945 dappere mensen in het verzet hun stem lieten klinken voor de vrijheid, zijn wij op 4 mei twee minuten stil.
Het is een kleine daad.
En een belangrijk gebaar.

Anton Stam: de vergeten verzetsstrijder

Tien mannen en vrouwen vormden in oktober 1941 de leiding van wat zou uitgroeien tot het belangrijkste verzetsblad, Vrij Nederland. In de daarop volgende maanden belandden ze bijna allemaal voor het vuurpeloton of in een cel. De overlevenden vertelden na de bevrijding hun oorlogsverhaal. Op die ene onbetrouwbaar geachte Zaandammer na, Anton Stam.
Portret van een kat met negen levens.

Nieuw: ‘Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945)’

 De Tweede Wereldoorlog was smerig en ongewis. De Zaankanters die zich keerden tegen de bezetter en zijn handlangers pionierden en probeerden, onwennig als ze waren met de spelregels van de nieuwe, nazistische orde. Dat leidde tot grootse daden, maar ook tot onzekerheden, fouten en soms bovenmenselijke spanningen.
Aan de hand van enkele tientallen Zaanse verzetsstrijders toont mijn nieuwe boek Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) zowel de veelzijdigheid van het ondergrondse werk als de zoektocht van de stoutmoedigen die tijdens de bezetting hun nek uitstaken.
Alle geportretteerden in deze publicatie namen hun verantwoordelijkheid toen het er op aankwam, soms met fatale gevolgen. Mededogen, altruïsme, (wan-)hoop, wraakgevoelens, opportunisme, levensovertuiging; er was een veelheid aan motieven om het gevecht aan te gaan. Maar wat en hoe ze dat ook deden, de uitvoerders keken niet weg. Ze kozen, daar waar de meerderheid van de bevolking zich -overigens om begrijpelijke redenen- afzijdig hield. Of die keuzes de juiste waren, viel vaak pas achteraf vast te stellen.
Strijd is een poging om de breedte te schetsen van het verzet in de regio, van de gewapende durfal tot de verzorger van onderduikers, van de ondergrondse regelneef tot de koerierster. Beoogd is om via hun wederwaardigheden zowel de diversiteit als de onvermijdelijke rommeligheid van de illegaliteit te tonen.
Strijd (140 pagina’s) kan worden gelezen als een ode aan de Zaankanters die immense risico’s opzochten in een tijd dat je ter vergroting van de overlevingskansen beter kon wegduiken. Door hun bijzondere daden voor het voetlicht te brengen, worden hopelijk ook de vele honderden andere Zaanse verzetsmensen geëerd die tot nu toe in de geschiedschrijving onzichtbaar zijn.

Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) is voor €17,50 verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en Bol.com.

Jopie Draaisma-van Doeland (1922-2018)

Op 22 maart 2018 overleed Johanna Stijntje (‘Jopie’) Draaisma-van Doeland (Koog aan de Zaan, 7-9-1922). Een paar jaar eerder interviewde ik haar, over haar illegale activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bescheiden als mevrouw Draaisma was, had ze daarover eerder vooral gezwegen. Haar overlijdensadvertentie stond in de krant op de dag dat -toeval bestaat- in het voormalige kamp Vught een expositie van start ging over verzetsvrouwen.

Jopie van Doeland moest flink aanpoten tijdens de oorlog. Niet alleen als ‘dienstje’ bij de familie Duyvis, van de gelijknamige machinefabriek, maar ook als hulp op het politiebureau in Koog aan de Zaan. Vader Klaas had daar de dagelijkse leiding en zijn dochter werd onder meer ingeschakeld om het bureau schoon te maken en de gevangenen eten en drinken te brengen. En dan was er ook nog het illegale werk. Zowel haar vader en haar verloofde Jan Draaisma – “Ik kende hem van de Parklaankerk’ – als zijzelf probeerden de nazi’s te dwarsbomen waar dat maar kon. “” Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander”” , zegt Jopie. “” Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven. Bij Eichholtz, die aan de Zaan woonde, lag bijvoorbeeld in het weekend een schuit met aardappelen. Op maandag moest die naar de Duitsers toe. Dat gaf ik meteen door aan mijn verloofde. En vervolgens is ’s nachts die schuit weggehaald. Een van de agenten werd door mijn vader niet helemaal vertrouwd. Die had avonddienst. En toen zei mijn vader tegen mij: ‘Ik zal hem bureaudienst geven.’ Opdat hij niet stomtoevallig op de Noorderbrug zou staan als ze daar met die aardappelen onderdoor boomden. En dat gaf ik dan ook weer door. Het is allemaal goed gegaan. Eichholtz keek raar op zijn neus.”

Het is één voorbeeld uit vele. Haar ondermijnende activiteiten startten dan ook al vroeg, met de bezorging van de illegale krant Trouw. “” Zo gauw als die blaadjes uitkwamen ben ik er mee begonnen. Dan kwam er iemand achterom bij ons thuis en kreeg ik een stapel Trouw. Ik had verschillende adresjes om ze heen te brengen, minstens zestien. Zo waren er bijvoorbeeld verschillende mensen in de Badhuisstraat die er eentje ontvingen. Het was de bedoeling dat ik er af en toe een kleinigheid voor kreeg. Aan wie ik dat geld gaf weet ik niet meer.” Ze ging door met rondbrengen tot aan de bevrijding, zonder in de problemen te komen. “Wel kreeg ik op een gegeven moment van degene die mij de krantjes bezorgde de vraag: ‘Wil je dáár ook heengaan? Want die is er nieuw komen wonen.’ En daar ben ik ingestonken. Achteraf is het goed gegaan, maar het had helemaal fout kunnen zijn. Ik kende die mensen helemaal niet. Dat ik dat gewoon aannam…”

 Jopie van Doeland rond 1950.

“Toen het bevolkingsregister van Koog gestolen werd, heb ik daar ook de hand in gehad. Zowel de bode op het gemeentehuis als mijn vader had een sleutel van het gemeentehuis. Ik heb Homburg – die zat ook in het verzet – die sleutel gegeven, maar wel gezegd: ‘Zorg dat-ie weer door de brievenbus wordt gegooid als jullie klaar zijn.’ Dus daar moest ik op vertrouwen. ’s Avonds of ’s nachts is het bevolkingsregister weggehaald. De volgende morgen kwam de gemeentesecretaris, mijnheer Beernink, op het gemeentehuis en toen was alles weg. Die was in alle staten.” De gemeentesecretaris begon onmiddellijk een zoektocht. “Eerst is hij natuurlijk naar de bode gegaan. Die wist nergens van en hij liep naar de schouw waar de sleutel altijd lag. En die lag er nog gewoon. En daarna kwam hij naar mijn vader. Die wilde de deur openen en zag opeens die sleutel op de mat liggen. Dus hij pakte de sleutel, deed open en zei vervolgens tegen mijnheer Beernink, die nog steeds in alle staten was: ‘Ik zal eens even kijken.’ En hij liep met die sleutel in zijn hand naar de plek waar die altijd lag. Waarna hij zei: ‘Ik heb hem hier.’ Ik ben tamelijk naïef geweest, het had mijn vader zijn kop kunnen kosten. Maar door die diefstal kon het verzet precies nakijken welke jongens er naar Duitsland hadden gemoeten. Als ze die sleutel niet hadden gehad, waren ze nergens geweest.”

Jopie van Doeland woonde in de oorlog nog bij haar ouders, pal naast het politiebureau in de Breestraat. Dat fungeerde indien noodzakelijk ook als schuilplaats. “Mijn verloofde Jan had bij ons een prachtig onderkomen. Als hij ’s avonds niet meer naar Haaldersbroek kon, lag hij boven het politiebureau op bed, met een sten onder zijn matras. Mijn vader was de hoogste op het bureau, daarom woonden we daar ook. Bij de Lindenboomschool had je een klein plantsoen met een heggetje. Jan hoorde Duitsers aankomen, dus die stapte over dat hegje. Maar hij wist niet dat daar een greppel met water achter was. Het was midden in de winter. Dus die kwam helemaal verkleumd bij ons. Toen hebben we hem stiekem naar boven gekregen en daar heeft hij zich gewassen. Maar je had helemaal geen warm water, alleen een klein fonteintje op de overloop. Toen zei hij tegen me: ‘Kom alsjeblieft even bij me liggen, zodat ik een beetje doorwarm.’ Dus ik, gewoon met mijn kleren aan, bij hem in bed. Komt opeens mijn moeder met veel lawaai die slaapkamer van Jan binnen! ‘Ben je nou helemaal….’ Ze was natuurlijk doodsbenauwd, die jongelui samen in één bed.”

“Jan heeft eens een foute neergeschoten, in de Oostzijde. Die vent stond daar in een steeg. Dat was echt een hele foute, die moest uit de weg geruimd worden. Toen is Jan teruggekomen bij ons en heeft hij op de divan gelegen. Hij was toen helemaal over de rooie. Agent Bleeker is er toen bij geweest en heeft hem echt even behandeld. Mijn zus en ik hebben hem daarna teruggebracht, zodat hij niet alleen langs de plek moest waar het was gebeurd.”

De mensen die in 1945 haar schoonouders zouden worden, hadden een joods jongetje in huis. “Een jongetje van een jaar of vijf. Die noemden we Hans. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het met Hansje afgelopen is. Hij kan er wel een half jaar geweest zijn voordat hij naar een ander adres ging. Ik vond het knap dat mijn schoonmoeder dat deed, die zorg voor dat jongetje. Ze was namelijk altijd ziekelijk.” Jopie kwam regelmatig bij haar schoonouders, onder meer om Jan te zien. “Hij had een tweepersoons kano en hij woonde op Haaldersbroek, dus dan gingen we nog wel eens het veld in, om elkaar een beetje te leren kennen. Want daar had hij er natuurlijk geen last van om opgepakt te worden.”

Ze kreeg met nog een joodse onderduiker te maken, heel even. “Die zat op de Bloemstraat, in een slaapkamer, maar ze moest daar weg. Ik moest haar eerst vertellen dat ze zich klaar moest maken voor vertrek. En daarna bracht ik haar ’s avonds naar het Zuideinde, bij Gosse Oosterbaan. Van daar zou ze weer verder gebracht worden. Een meisje valt natuurlijk niet zo op als begeleidster. Ik kwam altijd overal aan de deur, met een zendingsbusje of andere spullen. Het viel niet op.”

“Ik was niet bang in de oorlog. Ik denk dat het toch een Godsvertrouwen was; je vertrouwt op het goede en dan komt het wel voor elkaar. Ik was wat dat betreft altijd optimistisch. Ik heb er nooit slecht van geslapen, ben blijkbaar altijd heel makkelijk geweest. Die aard heb ik gelukkig. En na de oorlog hebben mijn man en ik het er nooit meer uitgebreid over gehad. Na die vijf jaar waren we zo langzamerhand wel aan iets anders toe.”