Nieuw boek: De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader

Johnny de Droog liet tussen 1942 en 1945 minstens driehonderd verzetsstrijders en joden achter de tralies verdwijnen. Ruim een kwart van zijn slachtoffers zou de bevrijding niet halen. De Arnhemse fietsenmaker joeg zijn prooien genadeloos op, martelde en moordde. Hij betoverde zijn slachtoffers met zijn charisma en fantastische verhalen. Elke poging om hem uit te schakelen faalde. Toch stierf deze ’sadist in optima forma’ op gewelddadige wijze, kort voor de Duitse capitulatie.

Wie was daarvoor verantwoordelijk? Wat deed de gepassioneerde verzetsstrijder partij kiezen voor de Sicherheitsdienst? Hoe kon De Droog vervolgens straffeloos de illegaliteit binnendringen en talloze kopstukken uitleveren aan de vijand? En waarom kent bijna niemand deze opportunistische oorlogsmisdadiger, een van de effectiefste en gevaarlijkste die Nederland telde?

Archieven die eerder gesloten waren en gesprekken met ooggetuigen leiden naar verrassende antwoorden. Het boek De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader verschijnt in maart 2020 bij uitgeverij Oevers (ISBN 9789492068408, €21,95).

Gé Franken, de vergeten burgemeester

Tussen het einde van de Duitse bezetting en 1974, het geboortejaar van Zaanstad, had de gemeente Zaandam vijf burgemeesters. Hun namen zijn nog altijd zichtbaar in de openbare ruimte. Op één na. Van Gé Franken – die toch ruim zeven jaar eerste burger was en ook nog eens kon bogen op een imposant oorlogsverleden – is merkwaardig genoeg geen spoor terug te vinden.

In september 1994 overleed Gerrit Johan Daniel Franken op 74-jarige leeftijd. Hij was na Wim Thomassen de langstzittende naoorlogse burgemeester van Zaandam, van 1958 tot 1966. Thomassen kreeg een haven naar zich vernoemd. Diens voorganger Joris in ’t Veld een park. Een brug en een literair fonds herinneren aan Reint Laan. Zelfs Isaac Baart, slechts anderhalf jaar burgemeester van Zaandam, werd vernoemd. Hij kreeg een zijtak van het Noordzeekanaal op zijn naam.

Franken leidde het college van B&W in een periode waarin de stad een stevige groeispurt doormaakte. Tijdens zijn bestuursperiode ontstonden de bouwplannen voor het Hoornse- en Peldersveld. Het Julianaziekenhuis ging open en het Zaanlands Lyceum kreeg een nieuw gebouw. Franken speelde verder een belangrijke rol bij de totstandkoming van de Coentunnel, die in het jaar van zijn afscheid als burgemeester gereedkwam. Tot een publiek eerbetoon leidde zijn dadendrang echter niet.

Tweede Wereldoorlog

Dat de toen nog maar 38-jarige Franken in 1958 burgemeester kon worden mag overigens een klein wonder heten. Alertheid en geluk maakten dat hij heelhuids door de Tweede Wereldoorlog kwam. Hij keerde zich al in 1940 tegen de Duitsers. Op 31 augustus was de enkele maanden eerder naar Engeland gevluchte koningin Wilhelmina jarig. Zijn latere echtgenote, Mieke Preusterink, herinnert zich 79 jaar later nog Frankens eerste, voor een breed publiek zichtbare, ‘verzetje’: ‘Toen stond er een grote foto in de krant van een klein zeilbootje met een enorme rood-wit-blauwe vlag erop. Dat was Gé, op de IJssel. Die dacht, ik ga even laten zien hoe ik er over denk.’

Franken woonde in Deventer, de stad waar hij was geboren en getogen. Hij was kort voor de oorlog als volontair begonnen in het gemeentehuis van het enkele kilometers verderop gelegen dorp Gorssel. De bezetting stuitte hem tegen de borst. Maar net als zijn collega’s overzag hij aanvankelijk niet waartoe de sluipenderwijs ingevoerde Duitse maatregelen leidden. ‘Op de secretarie was bijvoorbeeld een juffrouw die fanatiek uitzocht wie Joden waren en wie niet. Dit wekte wel wrevel op bij de ambtenaren, maar je deed er niets aan.’ Franken plaatste net als vrijwel alle ambtenaren in het eerste oorlogsjaar zijn handtekening onder een verklaring waarin de bezetter loyaliteit eiste. ‘Weer zo’n vodje van de Duitsers, was de redenering… Maar toch, het geweten ging spreken. Ook mij zat het niet lekker en ik heb het getekende papiertje ’s avonds maar uit de post gevist. De bijbehorende verklaring van het gemeentebestuur, dat allen hadden getekend, ging wel de deur uit. Een weinig principieel geknoei in de marge mijnerzijds, maar ik vond het toentertijd al heel wat!’

Zijn houding veranderde drastisch in maart 1942, toen de nieuwe autoriteiten de gemeenten verplichtten om de persoonsbewijzen van Joodse inwoners aan te passen. Franken: ‘Toen de “J” van Jood gestempeld moest worden, was het over met de lacherij. Dit was een vijandige daad. Daarvoor lachten we erom, die stomme dingen: radio’s inleveren, koper. Je kon leuk saboteren, bijvoorbeeld het ruitertje “jood” van persoonskaarten aftrekken. Nu ontstond er een splitsing tussen wie iets wilde ondernemen en degenen, die nog aan hun ambtelijke inborst vasthielden. De sfeer op de secretarie werd slecht.’

Levende doden

Gaandeweg begon Gé Franken steeds meer te rommelen in de bevolkingsadministratie en te zoeken naar mensen die hem konden helpen bij het vervalsen van documenten. Bewust ‘verloren’ persoonsbewijzen kregen, na wat aanpassingen, nieuwe eigenaars. ‘En in de administratie werden doden op papier weer tot leven gewekt. Pasgeboren kinderen die na een paar dagen, zo’n 20 of 30 jaar terug, waren overleden, werden opnieuw in de bevolkingsregisters opgenomen en een legaal blanco persoonsbewijs was de oogst.’

Franken beperkte zijn ondermijnende activiteiten niet tot Gorssel, maar instrueerde ook collega’s in omliggende gemeenten hoe ze ambtelijk konden ‘knoeien’ met identiteits- en distributiepapieren. Hij kreeg het er zo druk mee dat hij in april 1943 besloot om fulltime verzetsman te worden. Twee maanden later legde hij contact met een netwerk dat de geschiedenis zou ingaan als de TD-groep. Die letters stonden voor Tweede Distributiestamkaart, een document dat nodig was om aan bonnen te komen voor onder meer voedsel en textiel. Om zo’n stamkaart te bemachtigen moest men zich persoonlijk met een identiteitsbewijs op het gemeentehuis melden. Voor onderduikers was dat natuurlijk onmogelijk. Het geweld- en geruisloze verzet van de TD-groep, die tienduizenden vervalste documenten in omloop bracht, doorkruiste de nationaalsocialistische tactiek. De Duitsers hadden er dan ook veel voor over om ‘terroristen’ als Gé Franken – hij zat al snel in de landelijke TD-leiding – uit te schakelen. Op 17 juni 1944 lukte dat bijna.

Arrestaties

Als resultaat van een eerdere arrestatie kon de Sicherheitsdienst die dag de vrijwel voltallige Twentse leiding van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) oprollen. Johnny de Droog, een verrader in Duitse dienst, wist in Almelo een vergadering van deze illegale groep te infiltreren en te laten oppakken. Tijdens die bijeenkomst had LO-medewerker Jan Buiter de naam Korenaar genoemd. Dat was een pseudoniem van Jan Kalff, de naar Gelderland uitgeweken LO-rayonleider en voormalige burgemeester van Krommenie. Kalff was in 1941 zijn baan en – tijdelijk – zijn vrijheid kwijtgeraakt, omdat de Duitsers hem verdachten van verzetsactiviteiten. Na uit de gevangenis te zijn ontslagen had de uit Krommenie verbannen oud-burgemeester zijn ondergrondse werk voortgezet in de Achterhoek en omgeving.


Gé Franken, waarschijnlijk kort na de oorlog. 

Jan Buiter werd in de gevangenis mishandeld. Om de kwellingen te stoppen maakte hij zijn ondervragers wijs die avond een afspraak met Korenaar te hebben. Daarop werd hij naar het treinstation van Deventer gebracht, de zogenaamde ontmoetingsplaats. Met De Droog aan zijn zijde en enkele toezichthouders in burgeroutfit op bescheiden afstand moest Buiter over het perron heen en weer lopen. Kalff alias Korenaar verscheen uiteraard niet. Maar tot Buiters schrik doemde onverwacht wel een andere bekende uit de illegale wereld op. Argeloos etaleerde die zijn blijdschap over deze toevalstreffer. Hij zei dat er onrust leefde, omdat Buiter een afspraak in Almelo niet was nagekomen. Wim Carmiggelt – eveneens verzetsstrijder – en Gé Franken waren al gebeld met de vraag of er iets aan de hand was, vervolgde de onwetende. Hoe meer Buiter acteerde dat hij geen Gé of Wim kende, hoe begeriger De Droog werd. Waar was Carmiggelt nu eigenlijk, vroeg hij op zijn onschuldigst aan de zegsman. Nog altijd nietsvermoedend antwoordde die dat deze Twentse voorman van het studentenverzet een optreden bijwoonde in de Deventer schouwburg.

De Droog haastte zich daarop met zijn handlangers naar het stadscentrum. Terwijl hij met zijn gevangene in een auto de wacht hield voor de schouwburgingang liepen de anderen naar binnen. Tijdens de concertpauze konden ze hun slag slaan. Carmiggelt, die met zijn vrienden Gé Franken en Mieke Preusterink in de foyer stond, hoorde opeens zijn naam roepen. Hij draaide zich om en werd door enkele mannen in leren jassen beetgepakt. Franken en Preusterink schatten het onheil op de juiste waarde. Ze trokken zich zo onopvallend mogelijk terug, slalomden langs de andere bezoekers en ontsnapten via het toneel en een achteruitgang aan de belagers.

Wim Carmiggelt werd bij Buiter in de auto geduwd. ‘Die ken je zeker niet, hè’, vroeg De Droog sarcastisch. Buiter: ‘Ik antwoordde dat ik hem inderdaad nog nooit had gezien, waardoor Wim wist hoe de zaken er voorstonden.’ Aanvankelijk kon zijn ondervrager niet zoveel aanvangen met de economiestudent. Er lag nauwelijks bewijslast en het object van zijn belangstelling zweeg vooral. De situatie veranderde toen een ‘gedraaide’ verzetsstrijder bij de Sicherheitsdienst verslag deed van een geheime bijeenkomst. ‘Indien men zou weten wat Wim allemaal met Gé had gedaan als illegaal werker zou er wat voor hem opzitten’, had hij daar gehoord. Daarmee was Carmiggelts lot bezegeld. Hij stierf op 4 januari 1945 in een Duits kamp.

Wapendroppings

Gé Franken ontsnapte in het laatste oorlogsjaar nog twee keer aan arrestatie. Na de afkondiging van de spoorwegstaking, in september 1944, werd hij verbindingsofficier van het gewest Overijssel voor de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij nam deel aan sabotageacties en coördineerde droppings van wapens en persoonsbewijzen. Dat ging één keer bijna mis, toen de Duitsers op de hoogte bleken van zo’n dropping. Ze pakten enkele verzetsstrijders op en speurden naar meer. Preusterink: ‘Gé zat onder de bosjes in een sloot, met nog iemand. Twee dagen lang, tot er een boer langskwam. Die ging staan plassen en zei: “Psst. Kom er maar uit.” Hij had een boerenkar met stro. “Ga maar onder het stro liggen, dan breng ik je weg.”‘ Franken wist ongezien langs zijn jagers te komen.

De oorlog noopte tot waakzaamheid. Toen Mieke en Gé een studentenfeestje bezochten, roken ze onraad, zonder dat verder te kunnen beredeneren. Ze vertrokken voortijdig en fietsten naar hun onderduikadres. Nog diezelfde avond was er een inval. Daarbij werden diverse studenten opgepakt.

Ook Mieke hield zich bezig met ondergronds werk. ‘Het begon er mee dat ik illegale bladen rondbracht. Ik geloof dat Gé zei – die ik kende van de zeilerij –: “Goh, wij zoeken iemand die Het Parool rond wil brengen”, of zo. Zo ben ik begonnen.’ Later kwamen daar onder meer bonkaarten en andere documenten bij. Als koerierster fietste ze vele honderden kilometers om verboden goederen weg te brengen. Dat liep bijna fataal af, toen de Sicherheitsdienst haar op 7 december 1944 opwachtte op het onderduikadres van een even eerder gearresteerde verzetsman, bij wie ze eten en documenten zou bezorgen. Gé Franken: ‘Zij dankt haar leven aan de tassen die de TD-groep speciaal voor de koeriersters had laten maken. Het waren tassen met nagenoeg onzichtbare vakken. In de SD-gevangenis, waar ze zes weken zat opgesloten, is ze verschillende keren verhoord zonder dat het de SD iets opleverde. Toen ze haar uiteindelijk vrijlieten, kreeg ze haar tas terug. De levensmiddelen waren eruit, maar de papieren zaten nog in het geheime vak.’

Louter ijdelheid

Jan Kalff keerde na de bevrijding terug naar Krommenie en werd weer burgemeester. Gé Franken volgde hem dertien jaar later naar de regio en werd burgemeester in Zaandam. In de tussentijd had hij onder meer gewerkt voor de staf van prins Bernhard, in Den Haag geopereerd als hulpverleningscommandant op het ministerie van Binnenlandse Zaken en het bureau Bescherming Bevolking geleid. Over zijn verleden als verzetsman liet hij al die jaren weinig los, indachtig de belofte die de TD-groepsleden elkaar hadden gedaan om geen bekendheid aan hun werk te geven. Ze hadden gedaan wat ze meenden te moeten doen, er over napraten was onnodig en louter ijdelheid.

Wellicht is door die terughoudendheid Gé Franken een beetje vergeten als burgemeester. In de woorden van zijn echtgenote: ‘Hij was iemand die altijd graag de mensen om hem heen, zoals de wethouders, voorop stelde en de eer gunde. Hij was daar zelf nooit op uit. Hij wilde ook nooit op foto’s.’ Wat misschien ook een rol speelde is dat hij in 1966 de politieke arena verruilde voor het bedrijfsleven, een stap die niet iedereen in de rode Zaanstreek kon waarderen. Het gevolg is wel dat alle naoorlogse burgemeesters van Zaandam werden vernoemd via een park, haven of brug. Met uitzondering van Gé Franken. In 2020 is het een eeuw geleden dat hij werd geboren. Dat biedt een mooie gelegenheid om hem alsnog te eren. Zowel voor zijn burgemeesterschap als vanwege zijn uitzonderlijke verzetsdaden.


Mieke en Gé Franken, kort na de bevrijding.

De vervolging van de Zaanse joden

Voor een beoogd boek over de jodenvervolging in Nederland (en in het bijzonder de gevolgen in de Zaanstreek) schreef ik onderstaande inleiding. Aangezien het er niet naar uitziet dat de beoogde publicatie nog van de grond komt, plaats ik het hier. Een longread over een donkere periode.

De jodenvervolging lijkt op het eerste gezicht grotendeels aan de Zaanstreek voorbij te zijn gegaan. De Davidster, die eind april 1942 werd ingevoerd, kende in deze Noord-Hollandse regio nauwelijks dragers. De bijna 320 ‘voljoodse’ Zaanse inwoners werden in het najaar van 1942 niet zoals hun lotgenoten in Amsterdam bij nacht en ontij van hun bed gelicht. En toch vonden ruim 180 van hen een gruwelijke dood.

Die schijnbare tegenstelling is deels terug te voeren op de ‘evacuatie’ die de negen Zaangemeenten in een vroeg stadium van de Tweede Wereldoorlog ondergingen. Zaandam, verreweg de grootste van dit negental, was door de Duitsers geselecteerd als proefstad voor de uitzetting van joodse inwoners naar getto’s. Vanuit die verzamelplekken zou het makkelijker zijn hen naar de vernietigingskampen te deporteren. Het net werd dichtgetrokken, maar wel in meerdere etappes. In de eerste, ijskoude maand van 1942 ging de proef van start. Amsterdam en Westerbork, de nieuwe verblijfplaatsen van de verdrevenen, bleken de voorportalen van Auschwitz en Sobibor. Maar dat kon niemand weten toen de jacht begon.

Waarom?

Het antwoord op de vraag naar het waarom van de joodse Zaandammers als proefkonijnen moet waarschijnlijk worden gezocht in een op de voorgeschiedenis terug te voeren combinatie van gebeurtenissen en de locatie van deze stad van, destijds, ongeveer 40.000 inwoners groot. Vanaf het begin onderkende de bezetter het autonome, zo niet dwarse gedrag van nogal wat Zaankanters. Zo kreeg Zaandam op 17 juni 1940 te maken met een relatief grote militaire bezettingsmacht, vijfhonderd man sterk. ‘De Zaanstreek is één der moeilijkste streken van ons vaderland’, klaagde de Nationaal-Socialistische Beweging op 1 april 1941 in haar blad De Zwarte Soldaat. ‘Eens was de bevolking hier felrood en toen zat er tenminste nog leven in, maar dat leven is verstard en de houding van de Zaankanter is zoals van zovelen in ons volk een burgerlijke, slappe en laffe houding geworden.’ De inwoners, zo hadden zowel de bezetter als haar handlangers al snel door, hielden vrij massaal vast aan de vooroorlogse ideeën en partijen – veelal socialistisch en communistisch – en lieten zich weinig gelegen liggen aan de Nieuwe Orde. Dat had minder te maken met een ‘slappe en laffe houding’ dan met een breed gedeelde afkeer van het nazisme.

Al in het late voorjaar van 1940 kwam het lokale verzet voorzichtig op gang. Het was te vinden in de progressieve hoek, maar ook bij hier werkzame (para-)militairen. De in Zaandam gevestigde wapen- en munitiefabriek Artillerie Inrichtingen, de grootste werkgever in de regio, speelde een belangrijke rol bij het vormgeven van de weerstand. Vanaf de zomer van 1940 werden er bijvoorbeeld pistolen, springstoffen en munitie van de Artillerie Inrichtingen naar de ontluikende ondergrondse beweging gesmokkeld, in een tijd dat er nog lang geen sprake was van wapendroppings door geallieerde vliegeniers. Daarnaast ontstonden er al snel linkse verzetscellen in het door duizenden socialistische en communistische partijleden bewoonde Zaandam.

Obstructie

Op het bestuurlijk vlak was er eveneens sprake van obstructie. Vanwege het nazistisch karakter van de Winterhulp sloeg de werving voor dit armoedefonds nauwelijks aan onder de Zaanse bevolking. ‘De opbrengst in deze gemeente van de vorige collecte was niet bevredigend’, schreef de Zaandamse burgemeester Joris in ’t Veld begin maart 1941. ‘Onze gemeente nam op de lijst van de gemiddelde opbrengst per inwoner de op één na laatste plaats in.’ De plaatselijke ambtenaren hadden dan ook hun best gedaan om de animo voor de Winterhulp zo klein mogelijk te houden. Op 28 januari 1942 schreven twee gemeenteambtenaren ‘namens verreweg het grootste gedeelte van het gemeentepersoneel’ een protestbrief aan het departement van Binnenlandse Zaken. Cornelis van Ravenswaay, de NSB-burgemeester die de verbannen In ’t Veld inmiddels was opgevolgd, had de ambtenaren verplicht te collecteren voor de Winterhulp. ‘Voor een groot deel van het personeel betekent deze ambtshalve opdracht een langs middellijke weg dwingen tot handelingen, waartoe het uit vrije overtuiging niet wenst over te gaan.’ Bij de middenstand en in het grote conglomeraat aan Zaanse fabrieken waren soortgelijke geluiden te horen.

Cornelis van Ravenswaay (5-3-1941)

Uiteraard had In ’t Veld zich met zijn sabotage van de Winterhulp bij de Duitsers niet geliefd gemaakt. Ook was ‘Den Haag’ een eerder door hem publiekelijk geuite sympathiebetuiging aan het koningshuis nog niet vergeten. Toch had deze sociaal-democraat wellicht nog wat langer in functie kunnen blijven als er in 1941 geen Februaristaking was uitgebroken.

Op de ochtend van 25 februari kreeg de Zaandamse CPN’er Wim Mans het die dag in Amsterdam verspreide pamflet in handen met de later beroemd geworden kreet ‘Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!!’. Hij gaf het aan partijgenoot Gerard Maas, die het onmiddellijk overtikte. Nog dezelfde dag werd het op een Zaandamse zolderkamer vermenigvuldigd en begon het uitdelen bij de fabriekspoorten. De oproep sloeg aan. Tienduizenden Zaankanters legden twee dagen lang het werk neer en gaven daarmee gehoor aan de aansporing van de Communistische Partij van Nederland om in opstand te komen tegen met name de jodenvervolging.

De machthebbers beschouwden Amsterdam, Hilversum en Zaandam als de belangrijkste actiehaarden van het land. Inderdaad waren dit plaatsen waar het protest tegen de antisemitische overheidsmaatregelen tot volle wasdom kwam. In de ogen van de höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter reageerde het Zaandamse gemeentebestuur veel te slap op de werkonderbreking. Geagiteerd liet Rauter weten dat op 27 februari de staking overal op zijn eind liep, ‘behalve in het marxistische Zaandam’. Hoewel de rust nog diezelfde dag terugkeerde – enkele uitzonderingen daargelaten –, werd de gemeente zwaar gestraft, om te beginnen met een avondklok en een boete van 500.000 gulden. Alleen Amsterdam en Hilversum kregen te maken met vergelijkbare sancties. Burgemeester In ’t Veld moest zijn ambtsketen inleveren en de stad verlaten. Zijn plaats werd ingenomen door de antisemitische NSB’er Cornelis van Ravenswaay.

Voor zover bekend zijn er geen documenten bewaard gebleven die aantonen waarom uitgerekend Zaandam als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ moest zijn, maar in voorgaande alinea’s zijn wel de nodige aanwijzingen te vinden voor deze keuze. De combinatie van een antisemitische burgemeester, de massale Zaanse respons op de Februaristaking, het makkelijk per trein te bereiken hoofdstedelijke Judenviertel en de opkomende illegaliteit in de Zaanstreek speelden ongetwijfeld een rol bij de beslissing. Daarop wijst ook de selectie van de eerstvolgende gemeenten waar de joden weg moesten, Hilversum en Utrecht. Die plaatsen hadden eveneens een fanatieke, Duitsgezinde burgemeester en ook daar had de bevolking op grote schaal deelgenomen aan de Februaristaking.

‘Koopt niet bij Joden’

Aan de ontjoodsing van Zaandam ging een sluipend proces vooraf dat ook elders in Nederland zichtbaar was. Al op 2 juli 1940 deden de Zaanse gemeenten per advertentie en aanplakbiljetten een oproep: niet-arische vreemdelingen moesten zich op het politiebureau melden. Op 18 juli 1940 werd op verschillende joodse winkels in Zaandam een pamflet met de tekst ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden’ op de ruit geplakt. Het was een aanmoediging van de plaatselijke NSB, die zich gesteund wist door de nazistische autoriteiten. Begin oktober van dat jaar moest alle overheidspersoneel een niet-joodverklaring ondertekenen. Wie dat vanwege zijn of haar familiegeschiedenis niet kon, had de zeer uitgebreide joodverklaring in te vullen. Dat bleek in feite een ontslagaanbieding te zijn, en op langere termijn een doodvonnis. Eind van die maand moesten joodse bedrijfseigenaren vergelijkbare verklaringen invullen.

En zo ging het verder, van dreigende waarschuwing naar beperkende verordening. Alle Zaanse inwoners ‘van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’ moesten zich laten registreren. Men diende daartoe een naar waarheid ingevuld formulier bij de gemeente in te leveren. Op weigering stond een gevangenisstraf van vijf jaar. Van slechts één Zaandammer is bekend dat hij zich – bijna per toeval – niet als zijnde joods liet vastleggen. Het betrof de meubelhandelaar Ies Löwenstein. Toen hij zich bij de gemeente meldde, zei een hem bekende ambtenaar grappend: ‘Jij bent toch geen jood, Ies?’ Waarop Löwenstein antwoordde: ‘Natuurlijk niet.’ Hij ontsnapte aan registratie, en daarmee aan het vernietigingskamp.

Het overgrote deel van de joden in de negen Zaangemeenten woonden in Zaandam. Het was een mengeling van families die er soms al generaties leefden en van buitenlandse joden die in de jaren dertig uit Duits-nazistisch gebied waren gevlucht. In totaal maakten zij minder dan 1% uit van de Zaandamse bevolking.

Uit een landelijk overzicht van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters blijkt dat Zaandam op 1 oktober 1941 224 ‘voljoodse’ inwoners telde, evenveel vrouwen als mannen. Volgens de nazi-regels waren voljoden burgers met minimaal drie joodse grootouders. Mensen die één of twee joodse grootouders hadden, maar zelf de joodse godsdienst aanhingen dan wel gehuwd waren met een voljood, golden eveneens als volledig joods. Als halfjood werden 44 personen beschouwd, en als kwartjood 34. De laatste groep werd niet systematisch vervolgd. Van de 224 Zaandamse voljoden had ruim 40% (92 personen) de niet-Nederlandse nationaliteit – merendeels vluchtelingen uit Duitsland –, van de 44 halfjoden waren er vijf buitenlands.

‘Evacuatie’

De overheidspesterijen kregen steeds meer impact. Eind april 1941 moesten de Zaandamse joden hun radio inleveren. Vanaf 1 september 1941 was het joodse (en soms ook halfjoodse) leerlingen verboden naar ‘arische’ scholen te gaan. Op 25 november 1941 verloren Duitse joden in Nederland hun nationaliteit. Hun vermogen verviel aan het Groot-Duitse Rijk. Daarnaast werden alle niet-Nederlandse joden op 5 december van dat jaar opgeroepen tot ‘vrijwillige emigratie’. Aan Duitse joden was al eind september een eerste oproep gedaan. Vanaf nu leken de geruchten waar te zijn dat de niet-Nederlandse joden zeker weg moesten. ‘Naar Westerbork? Naar Amsterdam? Naar Duitsland? Naar Polen?’, vroegen de vanuit Duitsland naar Zaandam gevluchte Hennie Petersen-Stock en haar dochters zich af.

Het onschuldig klinkende woord ‘evacuatie’ sloot aan bij de opduikende berichten dat de kustgebieden wellicht zouden worden ‘geëvacueerd’ vanwege het risico op een Britse invasie. De term ‘Evakuierung’ kreeg overigens in deze periode na toestemming van Hitler dezelfde betekenis als ‘Endlösung’, ofwel uitroeiing. Voor ouderen, kinderen van gemengd gehuwden en joden die belangrijk waren voor de oorlogsvoering zouden uitzonderingen kunnen gelden.

Dat er een gedwongen vertrek uit Zaandam aankwam, werd op woensdagavond 14 januari 1942 bekendgemaakt via een schrijven van de Joodsche Raad. Het droeg de aanhef ‘Aanwijzingen voor de evacuatie uit Zaandam’. Op zaterdag 17 januari diende men klaar te staan om naar Amsterdam te vertrekken, met als bagage slechts datgene wat men kon dragen. De politie moest toestemming geven en kreeg bij vertrek de huissleutels. Men hoorde zich voor 15.00 uur op de Amsterdamse Nieuwe Keizersgracht bij de Joodsche Raad te melden (bij het ‘Bureau Evacuatie Zaandam’). De Raad zou helpen bij de voorlopige onderbrenging in de hoofdstad. De getroffenen mochten onder geen beding terugkeren naar Zaandam, ook niet voor werk of een bezoek aan vrienden.

Ellen Weijl en haar niet-joodse man Cor Inja behoorden tot de ongelukkigen die het vertrekbevel op deze avond van twee gemotoriseerde politiemannen ontvingen, ‘krachtens een besluit van de burgemeester’. Inja – zijn vrouw en hij zouden zich kort nadien aansluiten bij de illegaliteit – schreef na de oorlog dat ze het motorgeluid voor hun woning nooit meer konden vergeten. Aanhangers van de communistische partij verspreidden een in haast getikt papiertje onder gelijkgezinden, zoals ze dat ook al deden tijdens de Februaristaking. ‘Opnieuw hebbende fascistische horden hun bloedige terreur ingezet. Opnieuw zijn het de ongelukkige joden die het slachtoffer moeten zijn’, ving het pamflet aan. ‘Ze worden a.s. zaterdag weggesleept. WAARHEEN??? Zij weten het niet!!! ZIJ WETEN ALLEEN DAT ZIJ ERGENS EEN GRUWZAME DOOD GAAN STERVEN!!!’ De korte tekst besloot met een oproep tot ongehoorzaamheid. ‘Smeedt allen het wapen van verzet.’ Ondanks de overvloed aan kapitalen en uitroeptekens, symbolen van onmacht, bleef het rustig in de stad.

In de Zaandamse juwelierswinkel van Arnold Vet, de secretaris van het synagogebestuur, kon men in de ochtend van 15 januari aan vier leden van de Joodsche Raad opgeven wie wegens ziekte of invaliditeit niet in staat was om te reizen. Een doktersattest moest als bewijs gelden. Eventueel uitstel betekende uiteraard geen afstel.

Westerbork

Een dag later ontboden de machthebbers alle geregistreerde joodse gezinshoofden naar de synagoge aan de Gedempte Gracht 40, in het hart van de stad. Daar diende men de persoonlijke gegevens van de gezinsleden te overleggen. Die middag werd plotseling een uitzondering bekendgemaakt. De niet-Nederlandse joden gingen bij nader inzien niet naar Amsterdam, maar naar het Vreemdelingenkamp Westerbork. Toen zal hen ook zijn gezegd, wat alleen uit politierapportages blijkt, dat zij pas maandag 19 januari aan de beurt waren. Een brief van deze datum van de SS’er Karl Wörlein, de leider van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, aan de commandant van het toen nog Nederlands geleide kamp Westerbork sprak van ‘verkeerstechnische redenen’. Het winterweer gooide waarschijnlijk roet in het eten. Hauptsturmführer Wörlein verwees in zijn schrijven naar een eerder telefoongesprek en vroeg kampcommandant Jacques Schol een lijst te maken van de Zaandamse joden die in het vreemdelingenkamp aan zouden komen. Uit het late antwoord, 23 januari, bleek dat het om niet-Nederlanders ging.

Zaterdagmorgen maakten minstens acht Zaanse politiemensen een ronde langs de adressen van de Nederlandse joden. Hun taak bestond er uit om na controle van de handbagage de gezinsleden op straat te zetten, de inventarislijsten in te nemen en het huis te verzegelen. De meeste Zaandamse joden vertrokken op de zeventiende, een minderheid kreeg uitstel.

Saul Smit ging die dag wel. Hij kon 45 jaar na de oorlog van kwaadheid nog niet uit zijn woorden komen: ‘En de politieagenten die me de ene dag – want ik was toen toch ook al een bekende Zaandammer; iedereen kwam bij me als ‘ie een huis nodig had – nog meneer Smit noemden, die zetten me de volgende dag uit m’n woning. Dat heeft me altijd ontzettend…’ Saul scheidde van zijn niet-joodse vrouw, zodat zij met de kinderen terug kon naar Zaandam. Ook enkele andere gemengd gehuwde joden gingen over tot deze wanhoopsdaad.

De winter van 1941/’42 was de strengste in meer dan een eeuw. De wind blies uit de oosthoek, de hemel was diepblauw. Een minstens twintig centimeter dikke ijsplak bedekte de sloten. Het werd een weekend vol schaatstochten. De Koogse vereniging Voorwaarts verheugde zich deze zaterdag op de opening van een natuurijsbaan, pal naast de brug over de Zaan.

Een paar kilometer zuidelijker maakten honderden mensen zich op voor de treinreis naar Amsterdam. In het politiebureau werden de laatste instructies gegeven. Johan Jongepier kreeg als taak de zijstraten van de Westzijde te ontdoen van de mensen op zijn lijst. Acht joodse huishoudens telde die, in totaal ruim twintig personen. De rechercheur had medelijden met ze, maar hij deed ook alleen wat hem was opgedragen.

Jongepier gaf het echtpaar Drukker uitstel van vertrek. Abraham, de synagogebestuurder, overtuigde hem er van dat zijn vrouw te ziek was voor transport. ‘Drukker verklaarde dat hij reeds een doktersattest had doen toekomen aan de Joodsche Raad te Amsterdam, die dit geval met de Duitse instanties zou bespreken’, tikte Jongepier in zijn rapport.

‘Übergenommen Judenhausrat’

Hoe de ontruiming van Zaandam verliep is goed af te lezen aan het gedwongen vertrek van huisarts Bernard Eisendrath en zijn gezin. De Eisendraths, zesde op Jongepiers loopbriefje, zaten gespannen klaar. Ze wachtten op de agent die hen verwijderde uit het huis waarmee ze zo vergroeid waren. Ze hadden hun onderkomen onttakeld. Alleen wat grotere meubels, die met geen mogelijkheid elders waren te bergen, stonden her en der verspreid over de verdiepingen. Bedden, een tafel, dat soort goederen. De nazigezinde ophalers zouden een paar weken later de waarde van deze ‘übergenommen Judenhausrat’ schatten op 140 gulden, een schijntje van wat er drie dagen eerder nog aan kostbaarheden stond.

Zodra Johan Jongepier binnenkwam, begon hij met afvinken. Het aantal gezinsleden, zes, klopte. De zevende aanwezige, een oude dame van Duitse komaf, hoefde de stad nog niet te verlaten. Hij vergeleek de klaarstaande bagage met de door Bernard Eisendrath gemaakte inventarislijst. Was de hoofdkraan van de waterleiding afgesloten? De gas- en elektriciteitsmeter ook? Alles leek in orde, iedereen kon naar buiten. Beleefd vroeg hij om de huissleutels. Hij moest ze innemen en voorzien van een kaartje met naam en adres.

Emma Juchenheim, de oude dame, had geluk, voor zover dat woord onder deze omstandigheden nog van betekenis was. Op het laatste moment werd besloten dat zij en vijf andere ouderen niet met de overige buitenlandse lotgenoten naar Westerbork hoefden. De kwetsbare zeventig- en tachtigplussers mochten de volgende dag naar Amsterdam verhuizen. Tot het zover was, werd Emma Juchenheim ondergebracht bij een ander Zaans huishouden.

Het afscheid van zowel haar moeder als haar gewaardeerde buurt werd Selma Eisendrath te veel. In Jongepiers woorden: ‘Mevrouw Eisendrath was dermate overstuur dat zij vlak voor het verlaten van haar woning in elkander zakte en enige tijd het bewustzijn verloor.’ Behulpzame handen tilden haar van de vloer en droegen haar naar buiten. Terwijl agent Jongepier Bootenmakersstraat 108 verzegelde, kreeg Bernard toestemming om bij betrokken kennissen zijn vrouw te verzorgen. Daar kwam Selma ‘enigszins op verhaal’.

Politiekorps Zaandam (1941)

‘Dramatische dag’

De emoties bleven niet beperkt tot de Bootenmakersstraat. ‘Dramatische dag. Overal staan mensen aan de voordeur te huilen. 23 gr. vorst’, signaleerde de Zaandamse Alida Veen. Mirjam Levie, een medewerkster van de Joodsche Raad: ‘Bij het vertrek vond een ware ovatie plaats. Het medeleven van de bevolking was geweldig. De mensen moesten nl. hun meubels laten staan en zouden in Amsterdam bij andere joden worden ingekwartierd. Men sleepte de waardevolle spullen van de joden uit hun huizen en beloofde ze voor hun te bewaren.’ Of iedere ‘bewariër’ met de beste bedoelingen begon te slepen, bleef onvermeld. Een derde ooggetuige: ‘Hartroerende tonelen hebben zich hier afgespeeld. Ook christenen die met joden getrouwd zijn, lieten hun vrouw en kinderen niet alleen gaan in de ballingschap, maar deelden dit lot. Met een moed en een berusting (eigenschappen door eeuwenlange vervolging gekweekt) zijn zij vertrokken. Hun huizen en eigendommen zijn door de politie verzegeld. Hun ellende wordt nog zwaarder door de strenge vorst. Het bestaan is soms ondragelijk, geloven in God, in zijn ondoorgrondelijk besluit, vertrouwen, ondanks alles wat gebeurt, ik wil het zo graag, maar soms, zoals nu, gaat het onze kracht te boven. Dat Gij ons helpe, vooral hen, die vervolgd worden.’

Johan Jongepier hield het zakelijker. Hij had zijn ronde afgelegd conform de voorschriften, kon hij de hoofdcommissaris melden. ‘Op zaterdag, 17 januari 1942, heb ik, ondergetekende, na daartoe bekomen opdracht, het vertrek gecontroleerd van onderstaande personen, hunne huizen gesloten en verzegeld, sleutels en inventarislijsten ingenomen, welke hierbij worden overhandigd.’ Waarna de namen volgen van de Drilsma’s, Brilleslijpers, Drukkers en nog wat verschoppelingen. Onder wie ‘dr. B. Eisendrath met zijn echtgenote en vier kinderen’.

Alle ingeschakelde agenten typten een rapport voor de politiecommissaris. De meeste rapportages bevatten, ter geruststelling, de zinsnede: ‘Er deden zich geen onregelmatigheden voor.’ Uit de aantekeningen op de briefjes en rapporten blijkt dat er vooral moeilijkheden waren met de gemengd gehuwde vrouwen en de zieken. Het half-‘arische’ echtpaar De Ridder-Samson zei simpelweg dat de maatregel niet voor hen opging en bleef thuis. De familie Mars-de Jong stond niet op de lijst en wilde niet vertrekken. Personen die ziek waren, bleven eveneens. Terwijl sommige gemengd gehuwde vrouwen met hun gezin al weg waren, kwam er bericht van de SS-bevelhebber Willy Lages. Hij gaf de gemengd gehuwden uitstel van vertrek. Agent Hendrik van der Kraan – hij zou korte tijd later een van de beruchtste jodenjagers van Nederland worden – noteerde ‘nader order’ op zijn briefje en zette streepjes bij de betreffende huishoudens. De huissleutels werden aan hen teruggegeven, voorlopig.

Op maandagmorgen 19 januari 1942 vond er in Zaandam een tweede ophaalronde plaats, waarbij de joodse buitenlanders het mikpunt waren. Het aantal te vertrekken personen bedroeg dit keer 67. De politieagenten dienden de mensen op hun namenlijstje te melden dat ze zich hadden te begeven naar het gymnastieklokaal van een plaatselijke school. Van daar moest men per trein naar kamp Westerbork. Daar aangekomen kregen de meeste van oorsprong Duitse, joodse volwassenen van de kampregistratie de namen Israel of Sara toebedeeld. Die stigmatiserende toevoeging gold al sinds 1939 in het Duitse rijk.

Opnieuw heerste er angst. De onwetendheid over wat er zou komen, voedde die angst. Het was niet de angst van alledag die ook al voor de oorlog loerde in sommige joodse huishoudens, die voor de slechte manieren en luidruchtigheid waarop men kon worden aangesproken omdat men nu eenmaal joods was. Het was zelfs niet de angst die Johanne Rosenbaum haar tafel deed dekken met een schoon kleed alvorens voor de allerlaatste keer haar huis te verlaten, opdat die rotmoffen niet zouden denken dat joden de dagelijkse etiquette negeerden. Deze angst ging veel dieper dan het oude, onderhuidse antisemitisme.

Voor de Zaandammers die in Amsterdam belandden was waarschijnlijk voldoende woonruimte voorhanden. In een door de Joodsche Raad-bestuurders Cohen en Asscher ondertekend standaardbriefje van 23 januari 1942 staat: ‘Zeer geachte Mevrouw, U waart zoo vriendelijk om ten behoeve van degenen, die plotseling uit Zaandam moesten evacueeren, Uw huis open te stellen. Door bijzondere omstandigheden behoefden wij van Uw vriendelijk aanbod geen gebruik te maken.’

J. Brandon, de secretaris van de Joodsche Raad, schreef op 21 april 1942 in een interne nota over de bezittingen van de uit Zaandam vertrokken joden: ‘Het meubilair uit de huizen van geëvacueerden is thans weggehaald. De huizen zijn wederom ter beschikking gesteld van den huiseigenaar onder voorwaarde, dat de sleutels niet aan Joden mogen worden gegeven. Een winkel, waarin nog wat artikelen waren achtergebleven is geheel uitverkocht.’

Andere gemeenten

Toen de gedwongen verhuizing van Zaandamse joden slechts kleine problemen en weinig bezwaren bleken te geven, paste men de formule verfijnd toe op de andere Noord-Hollandse gemeenten (Haarlem uitgezonderd), Zeeland en Delfzijl. Er kwam wel protest van de gemeente Amsterdam, dat de mensen moest inkwartieren. En er werd tegen geageerd door Lodewijk Visser, de inmiddels ontslagen joodse president van de Hoge Raad. Visser legde de Zaandamse verdrijving verontwaardigd voor aan secretaris-generaal Karel Frederiks. ‘De niet te verdedigen maatregelen veroorzaken niet alleen onnoemelijke ellende over de Nederlandse burgers die daardoor worden getroffen, zij raken ook aan de algemene volksbelangen’, liet hij weten. Frederiks verzocht de hoogste Duitse politiefunctionaris, Hanns Albin Rauter, van het vervolg af te zien. Ook de voorzitter van de Joodsche Raad, David Cohen, sprak er zijn Duitse contacten op aan. Maar Cohen waarschuwde ook Visser: ‘Stop hiermee, het concentratiekamp dreigt.’ En Rauter antwoordde Frederiks eind februari dat ‘joden geen Nederlanders zijn’. Nederlandse autoriteiten hadden zich hier dus niet mee te bemoeien. Frederiks reageerde daarop met de woorden: ‘Ik zal mij voor het gegeven bevel moeten buigen.’ Toen was Lodewijk Visser echter al aan een hartaanval overleden, op 17 februari 1942. Loe de Jong suggereerde in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog dat dit mede een gevolg was van de vernederende reacties op zijn verzet tegen de jodenuitzetting van Zaandam.

Een aantal Zaanse joden dook vrijwel onmiddellijk onder bij familie of bekenden in de Zaanstreek. In de navolgende maanden zouden ook elders in het land tientallen Zaankanters een schuilplaats vinden. Omgekeerd hielpen niet-joodse Zaankanters binnen hun eigen woonplaats meer dan vijfhonderd joden uit heel Nederland aan onderdak. In de meeste gevallen kregen de nazi’s en hun helpers daar geen lucht van, maar bijna een derde van de onderduikers belandde toch nog in het kamp, meestal als gevolg van verraad.

Beppie Nunes Nabarro-Ephraïm, onderduikster in Zaandam.

De isolatie van de joodse bevolkingsgroep werd ondanks de geboden hulp steeds groter. Op 15 juli 1942 reed de eerste Nederlandse trein via Westerbork naar Auschwitz. Drie dagen later werd Rückla Jakoby uit de Hoveniersstraat daar als eerste Zaandamse slachtoffer om het leven gebracht. Na hun gedwongen vertrek was er soms nog enig contact tussen de uitgezette Zaandammers en hun achtergebleven stadgenoten. Bewaard gebleven afscheidsbrieven leggen daarvan getuigenis af. Zo is daar de brief van de toen 19-jarige Julie Vet aan haar Zaandamse vriendin Annie de Beurs. Die was geschreven op 24 mei 1943, de maandag dat Julie een oproep kreeg voor Duitsland. ‘Beste Annie, ik heb een heel tijdje weer niets van me laten horen, maar ’t is nu wel heel noodzakelijk want ik heb zojuist vanmorgen een oproep voor Duitsland gekregen’, schreef Julie. Een dag later moest ze zich melden, met duizenden anderen.

Duitsland

Historicus Jacques Presser legde vast hoe de Joodsche Raad op vrijdag 21 mei het bevel had gekregen zevenduizend personen van het tot dan toe vrijgestelde Joodsche-Raadpersoneel – onder wie Julie Vet – voor vertrek naar Duitsland op te roepen. De gedwongen selectie van deze duizenden door de eigen joodse leiding veroorzaakte een onvoorstelbare verwarring en paniek. Julie schreef tamelijk rustig over de ontvangen oproep. ‘Ik moet me morgen melden en hoogstwaarschijnlijk zullen mijn ouders als ze er vandaag geen krijgen, er de volgende week wel een krijgen. Je zult waarschijnlijk wel begrijpen dat ik vandaag een beetje krabbel, want het gaat je allemaal niet in je koude kleren zitten. Maar toch ben ik nu ik er voor sta wel een beetje flink, mijn moeder is zenuwachtiger dan ik.’ Julie Vet hield zich groot: ‘Ik hoop niet, dat jij of je ouders ooit voor de arbeidsinzet naar D.[uitsland] hoeven, want een pretje lijkt het me niet bepaald. Nu Annie, doe de groeten van mij aan al mijn kennissen en vooral ook voor je ouders. Ik wens je het allerbeste en we zullen maar hopen dat we elkaar spoedig weer in vrede zullen ontmoeten.’ Nog geen twee weken later werd Julie Rika Vet vergast in vernietigingskamp Sobibor. Haar ouders ondergingen dat lot drie maanden later eveneens, in Auschwitz.

Van de voljoden die in januari 1942 gesommeerd werden Zaandam te verlaten, verloren 137 personen direct of indirect door de Holocaust het leven (62%). De hulp die relatief veel Zaankanters gaven aan joodse onderduikers bood hen geen soelaas. Sara Weiss-Metzger (81) overleed een week na de verdrijving uit Zaandam in Amsterdam. Roosje Drilsma stierf daar op 3 februari 1942. Bernard Eisendrath nam in oktober 1942 in Amsterdam gif in. De 134 andere personen werden gevangen genomen, gedeporteerd, vergast, bezweken aan honger, ziektes of marteling of moesten in onbeschrijfelijke omstandigheden werken tot ze dood waren. Slechts 84 joodse burgers van Zaandam overleefden de Sjoa.

De Duitse bezetting betekende het einde van de vooroorlogse Zaans-joodse gemeente. Met de mensen verdwenen tevens hun eigendommen, meestal als roofbuit. Ook hun godshuis werd geconfisqueerd en vervolgens ontheiligd. Luttele maanden voor de nazistische inval, op 21 januari 1940, was het 75-jarig bestaan gevierd van de Zaandamse synagoge. Opperrabbijn Philip Frank sprak toen tussen de regels door over de brandende synagogen in het Duitsland van de Kristallnacht. Burgemeester In ’t Veld zei in zijn gelukwens dat hij zich tijdens de viering weliswaar een vreemde in het kerkgebouw had gevoeld, maar niet ‘in een volksvreemde kring’. ‘Wij kunnen het eens zijn, al verschillen wij naar het uiterlijk.’ Hij hoopte dat de gewetens- en geloofsvrijheid ‘zou behouden worden tot in alle eeuwigheid’. Die hoop werd drieënhalve maand later dus de bodem in geslagen.

In de zomer van 1942 probeerde NSB-wethouder Jacob IJdenberg in zijn andere hoedanigheid, als makelaar, de synagoge te verkopen aan de gemeente Zaandam. ‘Ik heb dit gedaan, daar ik het als een normale makelaarszaak beschouwde en er geen kwaad in zag’, verklaarde hij na de oorlog. De winst zou in handen komen van de Duitse roofbank Liro. De directeur van de Zaandamse dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond, zag echter niets in het verkoopplan: ‘Op aandringen van IJdenberg zou [burgemeester Hendrik] Vitters hiertoe zijn overgegaan, doch in samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ IJdenberg slaagde er wel in om een flink aantal andere Zaanse panden die tot 1942 in joodse handen waren te verkopen of te verhuren. Hij ontving daarvoor commissie.

Paardenstal

De synagoge werd na de jodenverdrijving gebruikt als paardenstal, geplunderd en vernield. Tot het laatst toe zou het gebedshuis misbruikt worden door Duitse soldaten, zoals blijkt uit dagboekaantekeningen de dato 15 april 1945 van Zaandammer Andries Bouman: ‘Vinkenstraatschool, Garage Jan Does en Synagoge zitten weer vol soldaten.’ De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken had naar eigen zeggen zilveren voorwerpen onder de synagogevloer verborgen. Na de oorlog waren die verdwenen. Zes Torarollen zouden gespaard zijn gebleven, maar onbekend is waar ze zijn.

Bestuurslid Jacob Drukker vertelde in 1965 wat er na de oorlog resteerde van de synagoge: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’

Duitse opleggers voor de synagoge, het witte gebouw links.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw ging de synagoge wegens gebrek aan geld en gebruikers over in andere handen. Een daarop volgende ingrijpende ‘verbouwing’ leidde er toe dat anno nu alleen de uit 1865 daterende bovenkap van het gebedshuis resteert. Wrang genoeg is het enige Zaans-joodse bouwwerk dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ongemoeid bleef de begraafplaats. Tegen dode joden hadden de nazi’s immers geen bezwaren.

 

Voor dit artikel is geput uit de website www.joodsmonumentzaanstreek.nl en mijn volgende boeken:
De Februaristaking in de Zaanstreek
Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945)
Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945)

 

De kampcommandant en zijn al dan niet vermeende Zaanse maîtresse

Aan de – zeer lezenswaardige – bestseller-biografie van Ad van Liempt over Albert Gemmeker, de commandant van kamp Westerbork, zit een miniem Zaans tintje. Op bladzijde 121 beschrijft Van Liempt ‘een meisje’ dat ‘met haar ouders uit Zaandam naar het kamp overgebracht was’. Ze was het kind van een joodse moeder en een niet-joodse vader. “De dochter had haar afstamming aan Gemmeker gemeld, volgens Mechanicus, en had daarop een eigen huisje gekregen, waar ze onder de naam van mejuffrouw Kohle woonde – als arische vrouw.” Waarna Van Liempt de journalist/chroniqueur Philip Mechanicus aanhaalt, die in zijn Westerborkdagboek suggereert dat de halfjoodse Zaandamse een amoureuze relatie had met Obersturmführer Gemmeker.

Afgaand op zijn omschrijving en de namenindex achterin zijn boek kent Van Liempt de verdere personalia van deze ‘mejuffrouw Kohle’ niet. Een blik op het Joods Monument Zaanstreek leert echter dat het Eva Sara Kohle (Leipzig, 9-7-1924) betreft, een dochter van de uit Duitsland gevluchte Johanna Rosenbaum-Pergamenter en haar ex-man Werner Kohle. Dat Gemmeker een buitenechtelijke relatie had met Eva Kohle wordt door Ad van Liempt sterk betwijfeld. “Dat hij daarnaast, in het kamp, met alle risico’s van betrapping en de eventuele gevolgen daarvan, bij jongedames zijn vertier ging zoeken – dat mag toch wel hoogst onwaarschijnlijk genoemd worden, bij een zo berekenend opererende man.”

Op het Joods Monument Zaanstreek bevestigt daarentegen Eva’s eveneens in kamp Westerbork opgesloten halfbroer Manfred Rosenbaum Mechanicus’ verhaal. “Mechanicus schetste volgens haar stiefbroer Manfred de werkelijkheid. Eva woonde apart van het gezin en ontving de kampcommandant.” Wellicht kan Ad van Liempt nog even het ware verhaal verifiëren bij Manfred Rosenbaum (1924). Hij overleefde de Holocaust, vertrok na de oorlog naar Israël en is daar per e-mail makkelijk te bereiken.

Hertha Poppert

Eva Kohle zou niet de eerste Zaandamse kampgevangene zijn geweest die een amoureuze relatie begon met een Duitse kampleider. De joodse Hertha Poppert-Speier (1913), die in de Botenmakersstraat woonde, zou in kamp Vught een verhouding zijn begonnen met de -overigens eveneens joodse- Lagerälteste Richard Süsskind. Deze brute kampleider voerde dagelijkse besprekingen met de Duitse bewakingsdienst en probeerde ten koste van andere joden een wit voetje te halen bij de machthebbers. Dat ging goed tot oktober 1943, toen hij werd afgezet en naar Auschwitz gedeporteerd. Rond Hertha Popperts houding in en na Vught leven nog veel vragen. Haar dochter Sonja (1935) zou daarvan een deel kunnen beantwoorden, maar lijkt daartoe – mede door alle aantijgingen die haar moeder na de oorlog over zich heen kreeg – niet erg bereid. Wie er meer over wil lezen kan hier terecht.

De naargeestige kampherinneringen van Gerrit Bakker

Bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bevindt zich een oorlogsverhaal van Zaandammer Gerardus (‘Gerrit’) Bakker. Deze communistische verzetsman werd op 23 november 1943 (hij noemt zelf abusievelijk een andere datum) als gevolg van verraad door de Sicherheitspolizei in de Albert Hahnstraat van zijn bed gelicht. Na te zijn veroordeeld is deze timmerman afgevoerd naar Duitsland. Daar zat hij onder steeds gruwelijker omstandigheden vast tot de bevrijding. Decennialang zweeg hij over zijn ervaringen, tot hij in 1978 een artikel las van de joodse kampoverlevende Gerhard Durlacher. Bakkers uitvoerige verhaal is hieronder integraal te lezen.

Gerrit Bakker (met bloemen) in Zaandam na zijn terugkeer uit het kamp.

De heer G. L. Durlacher, socioloog, heeft als Joods jongetje Auschwitz overleefd. In de Volkskrant van vrijdag 22 mei 1978 dringt hij erop aan, dat ieder nazislachtoffer zijn verhaal moet vertellen, voor het te laat is. Het betoog van Durlacher is heel redelijk, maar de bescherming die in de naoorlogse periode werd opgebouwd wordt zeer ongaarne prijs gegeven. Wat mijzelf betreft, bestond die bescherming uit het vermijden van gesprekken over het onderwerp, alsmede lectuur. Het is de heer Durlacher gelukt mij aan het denken te zetten en de tegenzin te overwinnen. De doorslag gaf het artikel in de Volkskrant d.d. 30-12-1987, over Duitse jongeren die het stilzwijgen willen verbreken. Die moeten goed gedocumenteerd zijn, want vele ouders behoren alsnog ter verantwoording geroepen te worden.

Mijn naam is Gerardus Bakker, geboren 14 mei 1918. Arrestatie op 21 september 1943, drie maanden Weteringschans (donkere cel), na verhoren door naar concentratiekamp Amersfoort. Vanaf januari verbleef ik in dit kamp en op 10 oktober ging ik op transport, op weg naar Duitsland. De directe aanleiding tot het ontruimen van het kamp Amersfoort was de slag om Arnhem, een dramatische gebeurtenis, die leidde tot diepe teleurstelling en wanhoop. De luchtlandingsoperatie, die de slag om Arnhem inleidde, was in Amersfoort goed waarneembaar. Van de gevangenen werd de grootste terughoudendheid gevergd in een situatie, die noopte tot dansen en zingen, kortom tot opperste vreugde. De bekende kampbeul Kotälla liep rond met een getrokken revolver en brulde: “Wir sind nicht zum Ende.” Er was echter geen gevangene te vinden die niet van een spoedige bevrijding overtuigd was. De mislukking van deze veldslag kwam hard aan en was voor verreweg de meesten van ons fataal.

Het transport van Amersfoort naar Neuengamme duurde drie dagen. Een zeer lange trein vervoerde Puttenaren, Jodenhelpers en politieke gevangenen. En zo kwamen wij in een andere wereld terecht: concentratiekamp Neuengamme. Zeer slecht voedsel: twee stinkende veenpiepers, ’s morgens bloesemthee en afgeschraapte boterhammen, ’s avonds een boterham en soms een stukje worst, dat ons prompt werd afgestolen. Ter toelichting: in ieder concentratiekamp was de leiding opgebouwd uit politieke gevangenen of uit boeven en misdadigers. Wij hadden al gauw achterhaald dat de leiding in dit kamp was samengesteld uit misdadigers, zodat er geen mogelijkheid bestond om invloed uit te oefenen op de dagelijkse gang van zaken. Het geheim van de boterhammen die van margarine waren ontdaan, was spoedig achterhaald. Daar zat de dief in een afgeschoten deel van de barak de boterhammen af te schrapen en weer op elkaar te drukken. Verder lag er een grote vetbol, getuigenis van diefstal van het leven. Toen wij dit schandaal ontdekten, werd er waarschuwend naar ons gekeken; zij wisten dat het doen van aangifte zelfmoord betekende. Het verblijf in Neuengamme zou ongeveer zes weken moeten duren. In die periode moesten wij ons beschikbaar houden voor het verrichten van arbeid.

Intussen moesten de gevangenen, waarvoor geen werk voorhanden was, zich ‘zu fünfen’ opstellen voor de barak. Hoewel verkleumd tot op de botten en dodelijk vermoeid, was er geen sprake van dat afgeweken mocht worden van de appelstand, die dan ook regelmatig werd gecontroleerd. Voor de barak was een galg opgesteld. Deze had vier zitplaatsen en regelmatig wisselden wij, met de aangename verplichting te waarschuwen als er een S.S.- treiteraar in aantocht was. Het appelvoorschrift werd door ons overtreden door te trappelen en elkaar te bekloppen. Deze overtreding werd als een noodzaak gevoeld, onverschillig welke nationaliteit; we stonden te sidderen in de Hamburgse mist. Voor Hollanders had dit klimaat nog enige bekendheid, maar een stelletje Russen probeerde ons duidelijk te maken dat in hun woonomgeving -in de buurt van Stalingrad- het bij twintig graden vorst een prettig klimaat was in vergelijking met de kille mistnevel waarin wij vertoefden.

Voetlappen

Na een drietal weken werden ons lapjes overhandigd: een stuk linnen met het kampnummer, een zwarte lap met het woord ‘Torsperre’ en een rode driehoek. Onder leiding van een ‘Vorarbeiter’ begaf ik mij naar de Bekleidungskammer met de volgende instructie: als ik eerder klaar was moest ik wachten tot de voorman terug is. Mijn bezoek aan de Bekleidungskammer betekende een van de weinige prettige herinneringen. Een waardige oude heer, Duitser, stond mij te woord. Hij vertelde dat hij al tien jaar als gevangene in Neuengamme had doorgebracht en dat weinigen van de eerste lichting nog in leven waren. Hij adviseerde mij het lapje ‘Torsperre’ niet te laten bevestigen en dat gold ook voor de rode driehoek. Slechts het kampnummer moest worden opgenaaid. Ter verklaring werd gezegd; er is geen boekhouding en dus geen controle op de naleving van het aanbrengen van deze ‘versierselen’. Ik kreeg voorts de kostbare tip: doe de rommel die je draagt bij de voddenhopen en zoek een stel warme kleding. Dit lukte; ik vond een gewatteerd jack, dito broek en zelfs een paar behoorlijke sokken. “Leg die sokken maar weer terug en zoek een paar hele voetlappen bij elkaar.” Hij maakte mij duidelijk dat een gevangene werd geacht voetlappen te dragen en dat iedere afwijking van deze regel tot grote moeilijkheden zou kunnen leiden. Dankbaar gestemd nam ik afscheid van deze chef kleding.

Toen de kledingproblemen waren opgelost, moesten wij ons melden voor de laatste handeling, die ons geschikt maakte om buiten de poort te werken. Het ging om de verstrekking van schoeisel. Dat zou over enkele dagen gebeuren; intussen namen wij de vrijheid om wat in het kamp rond te neuzen. Een dergelijke verkenningstocht bracht ons in aanraking met de bekende vooroorlogse parlementariër Louis de Visser, die ons direct aanklampte. Hij hoorde ons Nederlands praten en zei, kennelijk verheugd: “Hollanders?” Hij onderscheidde zich van zijn omgeving door zijn correcte kleding, zijn ‘heerachtig’ voorkomen. Er ontstond een levendig gesprek, dat aanvankelijk bestond uit gretige vragen over de militaire toestand en de uithongering van Holland, waarvan hij gehoord had. Nadat hij bijgepraat was, gaf de Visser een uiteenzetting van de zwakten, waardoor het Nazi-rijk spoedig ten onder zou gaan. Hij besloot zijn uiteenzetting met verschillende waarschuwingen. De eerste was: je niet laten opnemen in de ziekenbarak (medische experimenten). De tweede: zorg ervoor geen aandacht te trekken, bedenk wel dat het overleven nog een flinke inspanning vergt. Wij gingen met een prettig gevoel naar het laatste appel en dachten nog aan ons gesprek met Louis Visser.

Kipkarren

De volgende dag werden wij uitgekozen voor het verrichten van arbeid binnen het kamp, maar buiten de barakken. Ter verklaring: ‘wij’ betrof een vijftal lotgenoten, die uit vriendschap besloten zoveel mogelijk bij elkaar te blijven, ook als er werk verricht moest worden. In dit geval ging het om vier personen die, twee aan twee, aangewezen werden voor het duwen van kipkarren. Een gemakkelijke taak die achteraf, zoals bleek, niet zonder gevaar was. Wij maakten gebruik van het glooiende terrein door op de kipkarren te springen. De ijzeren randen van deze afschuwelijk roestige ijzeren bakken boden hiertoe een goede mogelijkheid. Een onnozel voorval, maar diep in het geheugen gegrift: opgeschrikt door een dierlijk gebrul keken wij in de richting vanwaar het geluid kwam en daar zagen wij in de wachttoren een paars aanlopende dansende man, de rechterhand tot vuist gebald en in de linkerhand een geweer. Wij waren wat lacherig door het gesprek dat wij de vorige dag met Louis de Visser hadden gevoerd en beseften pas later dat het meerijden met de kipkar als ongepast en onbehoorlijk werd gezien. Wij herstelden de orde en liepen met een sukkeldrafje achter de karren aan. Het gescheld hoorden wij nog lange tijd en we waren blij toen we uit het gezicht verdwenen waren. Achteraf geloof ik dat wij de mof diep gegriefd hadden door te lachen, terwijl zij al moordend het kamp tot een oord van verschrikking hadden gemaakt (gebrek aan eerbied voor het beulswerk).

De volgende dag was het zondag. Deze dag hadden wij met enige verwachting tegemoet gezien. Hetzelfde regiem echter: om vijf uur buiten de barak en toen het lichter werd kregen wij de opdracht om de galg op de binnenplaats op te stellen. En daar kwamen de eerste tekenen dat het een bijzondere dag was. Het kamporkest kwam aanmarcheren en speelde de deun ‘Alter Kameraden’. Dit werd tot in het oneindige herhaald met als pauzes de executies van drie terdoodveroordeelden. De gevangenen werden verplicht om zo dicht mogelijk bij het schavot te gaan staan; om dit te bereiken liepen SS’ers rond met knuppels in de aanslag.

Vrijwel iedere nacht werd de nachtrust door luchtalarm onderbroken. De opdracht was om binnen drie minuten de slaapbarak te verlaten en je naar de schuilkelder in het hoofdgebouw te begeven. Om de SS-knuppelaars te ontwijken, werd de uiterste snelheid betracht, maar tot voldoening van de knuppelaars waren er altijd minder snelle gevangenen, die de slagen moesten incasseren. Een extra moeilijkheid om aan de SS-norm te voldoen was de overbezetting van de slaapplaatsen; twee houten bedden naast elkaar. Om het tekort aan slaapplaatsen op te heffen moesten drie gevangenen het met twee ledikanten (66 cm.) doen. Dat betekende dat het hoofd van de middelste slaper tussen de voeten van de buitensten lag, terwijl de twee buitenste slapers de voeten van de middelste tussen zich moesten dulden. Deze regeling leidde tot veel ongenoegen, maar gelukkig was er ook veel hulpvaardigheid en werd het probleem ‘slapen’ opgelost door een strikte wisseling van plaats. Voor een randslaper was het heel moeilijk om voldoende rust te putten uit de steeds onderbroken slaap.

Dralle-fabriek

In de vierde week van ons verblijf in Neuengamme werd een belangrijke verandering doorgevoerd. Wij werden tewerkgesteld in Hamburg en moesten ’s morgens om vijf uur aantreden. Er werden groepen van honderd geformeerd, die in marstempo naar het station werden gebracht. Wij moesten wachten op de snelle trein, die spoedig werd voorgereden. Er was voldoening over het feit dat wij in een personentrein werden vervoerd en niet, zoals gewoonlijk, in een goederenwagon. De nog heersende duisternis had echter verborgen gehouden dat de trein die ons moest vervoeren glasloze compartimenten had. Dit hinderlijke gemis werd een kwelling toen de trein op snelheid kwam. Als vanzelfsprekend doken wij op de vloer en formeerden wij een trosachtig geheel om de aanslag op onze lichaamswarmte het hoofd te bieden. In Hamburg aangekomen, werden wij verdeeld in groepen van tien of twintig gevangenen. Ik kwam in de laadbak van een auto terecht en had zodoende uitzicht op de verwoestende uitwerking van de bombardementen. Aan weerszijden van de straten bergen puin en spookachtige restanten van schoorstenen. De werkzaamheden bestonden uit het reinigen van een olietank en deze werden met een blikje uitgevoerd, uiterst primitief. Dagelijks werden wij zo aan het werk gezet aan steeds verschillende werkobjecten, waaronder de spoorbaan opvullen met kiezel, het ruimen van fabriekshallen, enzovoorts.

Globaal gezien betekende deze taakvervulling een verbetering voor ons. Wij waren niet meer vrij voor de scheldende voormannen en zelfs kregen wij een enkele keer wat soep aangereikt. Maar het hoogtepunt was een fantastische gebeurtenis, waarvan nu het verslag: het werkobject was de Dralle-fabriek. Wij werden opgewacht door een zelfbewuste heer, die de begeleider van ons tiental gedecideerd wegstuurde. Toen dit gebeurd was, drukte de heer Dralle ons de hand. Na deze wat ceremoniële ontvangst – handdruk, vragen naar de woonplaats en vaderland – werden wij met een meedogende blik bezien. Kortom, een menselijke benadering en een die onze gedachten liet gaan in de richting van, zo dachten wij, ‘misschien wordt er iets gedaan aan de knagende honger’, onze vaste metgezel. En daar kwam het verpakte aanbod gebruik te maken van de tussen de glasscherven verspreide conserven: “Deze vloer moet glansschoon en als jullie tijdens deze werkzaamheden iets eetbaars tegenkomen, dan mag dat genuttigd worden.”

Al gauw bleek dat er een grotere hoeveelheid voedsel verspreid lag dan ooit door ons zou kunnen worden geconsumeerd. Onze gastheer pinkte meermalen een traan weg en knikte vriendelijk en verzekerde ons dat wij de volgende dag mochten terugkomen. Daar kwam natuurlijk niets van, maar als ik in gedachten dit beeld terugroep, word ik nog steeds getroffen door het feit dat er een vriendelijk, beschaafd mens was in het land van barbaren, die het ‘niet wisten’ en zich beriepen op angst en gevaar en uit lafhartigheid ons van enige hulpverlening onthielden. De voormannen, die aansprakelijk waren voor een terugtocht zonder verliezen, stikten haast van jalouzie toen zij van ons Luilekkerland hoorden. Ondanks ons zoenoffer, door aanbieding van enige blikjes, bleven zij kwaad en ik denk dat wij de volgende dag de nadelige gevolgen van hun ontstemming aan de weet kwamen.

Himmelfahrt-commando

Wij werden namelijk ingedeeld bij het zogenaamde ‘Himmelfahrt-commando’. De werkzaamheden bestonden uit het kruien van zand. Dit werd op dekschuiten geladen en moest over een smalle ‘straal’ naar de kant gereden worden, de linkerkant van de Elbe. Vooral voor personen die zich nooit met het voortbewegen van een kruiwagen hadden bemoeid, was de kans op overleving gering, in aanmerking genomen dat op slachtoffers die met een kruiwagen omkiepten niet werd gelet. Toen alles in orde was gebracht en het transport kon beginnen, werd onze aandacht getrokken door een grauwe nevel, die steeds dichterbij kwam. En daar werd het brommen van bommenwerpers gehoord. Rondom ons vielen scherven van het afweergeschut. Wij werden in de duikers en rioolbuizen gedirigeerd en wachtten met spanning op de steeds naderende vliegtuigen. Die spanning week pas toen een bommenwerper zich vrij maakte en zichtbaar zijn bommenlast ging strooien. Om de tweehonderd meter werd een bom afgeworpen. Daar werd het sleepbootje geraakt en toen berekende mijn vriend Schultz, voormalig piloot, dat de volgende bom op de duiker zou vallen … Fout gerekend: honderd meter verder!

Wij zagen toen pas dat wij een gunstige dekking hadden gekregen door het feit dat de duiker op een zandberg was geplaatst. Toen wij de schade konden overzien, werd vastgesteld dat wij, precies tussen twee kraters in, opgelucht adem konden halen. Het sleepbootje had een voltreffer gekregen en de dekschuiten waren tot zinken gebracht, hetgeen voor die dag het einde van de werkzaamheden betekende. Van tien uur ’s morgens tot vier uur in de middag was de stad Hamburg in een grauwnevel gehuld. De normale terugweg naar het kamp was afgesneden, het spoorwegstation was buiten gebruik als gevolg van een voltreffer. Zo werden wij naar de ingang van een schuilkelder geleid, maar moesten vertrekken omdat een aantal hysterische vrouwen ons te lijf wilden gaan, omdat zij ons aansprakelijk stelden voor de bombardementen en alles wat er verkeerd ging. Wij werden naar een loods gebracht en moesten drie tot vier uur wachten op vervoer. Die nacht nog tweemaal luchtalarm en de volgende dag waren wij geradbraakt.

Een voorval tijdens het verblijf in de schuilkelder: ‘Aber immer schnell’ had mij naar de overkant van de schuilkelder gebracht, dus tegen de buitenmuur. Mijn aandacht werd getrokken door een tweetal goedgeklede heren. Op de vraag van de een waartoe die (zojuist aangebrachte) motor diende, antwoordde de ander: “Dass ist für Gass!” Er was weinig fantasie voor nodig om te bedenken wat er zou gebeuren als de functie van de schuilkelder zou worden uitgebreid als de tijd daarvoor gekomen was. Als extra probleem kwam het over ons: de bedden waren beslapen door andere gevangenen; Polen, Esten en Letten. Eerst vechten voor de rechtmatige slaapplaats, tenslotte berusten. Een plaatsje op de vloer werd tenslotte gevonden, maar de volgende dag waren wij doodmoe. Als verrassing was er belangrijk nieuws: de volgende dag op transport, deze dag benutten voor vervanging of aanvulling van kleding en schoeisel. Verplicht werd de acceptatie van schoeisel; linnen met spijkers op een dikke zool bevestigd. Bij de uitreiking werd gewaarschuwd: de schoenen zijn een eenmalige verstrekking! Dit was een wrang grapje, er was geen sprake van dat dit schoeisel langer dan een maand bruikbaar zou zijn. Gezien onze ervaringen, vooral van de laatste dag, waren wij opgelucht dat wij op transport zouden gaan. Twee dagen later werden wij in het kamp Meppen geplaatst. Voor velen was dit de laatste reis.

Meppen

Houten barakken, stenen ondergrond, vochtig. Wat dekens verspreid over de oppervlakte. Verder wat balen stro. Wij werden, als eersten aangekomen aangewezen het tekort zo goed mogelijk te verdelen. Toen het kamp vol was, werden allen opgeroepen op de binnenplaats te komen voor het ontvangen van instructies. De kampcommandant kwam deze zelf brengen in de vorm van een korte toespraak. Werkzaamheden zouden bestaan uit het maken van verdedigingswerken. Dat betekende bomen rooien en vervolgens transporteren, graszoden steken en vervoeren, loopgraven spitten en bunkers bouwen. Het aantal gevangenen uit allerlei nationaliteiten, maar Russen en Hollanders overheersten. Naar schatting waren er achthonderd Russen, achthonderdvijftig landgenoten en verder wat Noren, Esten, enkele Spanjaarden enzovoorts. Als dreigement werd bekend gemaakt dat er geen zieken zouden zijn. Medische behandeling kon uitsluitend na de werkdag worden verleend. De zondag werd afgeschaft en tenslotte werd een goede behandeling toegezegd als er een goede arbeidsprestatie zou worden geleverd. Aldus werden wij bij de verdediging van het ‘onoverwinnelijke’ leger ingelijfd onder omstandigheden die bitter genoemd kunnen worden en met geringe kans op overleving. Wij werden ’s morgens om half vijf gewekt en moesten kwart voor vijf de barak verlaten. We werden naar buiten gedreven en daar gesommeerd in rijen van vijf te staan in groepen van honderd man. Elke gevangene moest zich voorzien van een stuk gereedschap, dat meegedragen moest worden. De afstand tussen het kamp en de arbeidsplaats was ongeveer drie tot vijf kilometer. Aanvankelijk werden tien tot vijftien colonnes ingeschakeld, maar dit werd snel minder. Na ongeveer zes weken kwam er een aanvullend transport, vaak slachtoffers van razzia’s en andere vormen van terreur.

Naarmate het jaar vorderde werd het moeilijker. Na het morgenappel blijven liggen was een riskante zaak. Meestal werd spoedig de SS ingeschakeld, hetgeen het einde betekende. Kameraadschap of hulpvaardigheid kon geen uitkomst bieden. De enige mogelijkheid, de patiënt snel naar de ziekenbarak te brengen, was levensgevaarlijk, omdat deze barak op gezette tijden leeggeranseld werd. Overigens werd het woord ‘ziekenbarak’ ten onrechte gebruikt; het betrof een lekkend bouwsel met als absoluut enige luxe een grote, hoge kachel, die met twijgjes en ander sprokkelhout aan de praat werd gehouden. Eerder was gedreigd dat deze mogelijkheid er niet was, maar er ontstonden problemen met het plaatsen van geamputeerden. Overigens kreeg ik een verhaal toegefluisterd dat de SS voor afvoer zorgde als het aantal te groot werd.

Zoals opgemerkt gedroegen de SS’ers zich als duivels. Zij hadden geen standplaats in Meppen, maar kwamen geregeld controles uitvoeren en de vrees voor hun optreden blijkt uit het volgende: een achttienjarige, die het als student uit een beschermde omgeving zeer moeilijk had, pakte in een wilde reactie een houweel met een ijzeren handvat. Ik had hem geleerd dat in geen geval te doen, maar het gebeurde als reactie op de waarschuwing: “SS’ers”. De gevolgen waren verschrikkelijk: drie vingers werden volkomen ontveld, de botten waren zichtbaar en dat lokte een hevig geschreeuw uit. Met afgrijzen zag ik het gebeuren, zonder mogelijkheid tot ingrijpen. De jongeman hebben wij nimmermeer gezien.

Stokslagen 

Als zeker teken van volledige uitputting werden in toenemende mate achterblijvers gemeld. Zij kregen een plaatsje in de verwarmde barak in afwachting van de ‘selectiemethoden’ van de SS. Een ander voorval zou later veel betekenis voor mij krijgen. Ik zag een kleine man wanhopige pogingen doen de schop, die hij naar de arbeidsplaats moest dragen, op zijn schouders te brengen of een andere bevredigende manier te bedenken om het transport van de schop te verzorgen. Dit voorval gebeurde bij het opstellen van de colonne. Ik vroeg of ik zou kunnen helpen en toonde hem hoe hij het toch betrekkelijke licht stuk gereedschap moest dragen. De persoon stelde zich voor als professor aan de universiteit van Utrecht. Vervolgens toonde hij zijn voeten, die abnormaal klein waren. Inmiddels was het tijd om te beslissen, de colonne zette zich in beweging. Ik pakte de schop van de professor en legde die naast de andere op mijn schouder. Onderweg dacht ik aan het feit dat de uiterst dankbare prof maar heel weinig kansen had. Hij zou voor iedere taak een onvoldoende krijgen en er was geen plaats waar hij niet het slachtoffer zou worden van de bewakingstroep of de SS’ers.

Onze positie werd een dag later aanmerkelijk slechter. De bewakingstroepen waren vervangen door matrozen. Een narrige bootsman verdeelde zijn manschappen over het terrein. Hoofdtaak was: graszoden steken, vervoeren en stapelen. Al spoedig vond hij dat het te langzaam ging en werd de taak verdubbeld. Stelt u zich voor: motregen, drassige bospaden, kletsnatte graszoden (twee tegelijk dragen), het sukkeldrafje moest omgezet worden in een echte draf. Voor mij viel een drager, hij kwam niet meer overeind. Ik behoorde bij de twee dragers die het slachtoffer aan de kant moesten brengen. De bootsman onderschepte mijn blik van intense haat en liet mij aan de kant komen. Ik had mij inmiddels hersteld en schold alleen op mijzelf. De bootsman vroeg wat ik voor een persoon was en ik antwoordde, zoals dit van mij verwacht werd met de muts in de hand, dat ik een Hollander was. Achteloos zei hij tegen een vazal: “Vijf stokslagen.” Af en toe vindt er een wonder plaats; die stokslagen zouden het einde kunnen betekenen van mijn poging tot overleven, maar toen ik naar de man keek die het vonnis moest voltrekken, kreeg ik hoop. Op gepaste wijze schreeuwde ik na elke klap; er was echter niets om over te klagen en gedekt door mijn geschreeuw werd het vonnis pijnloos voltrokken.

Die avond werd ik benaderd door Bram Daalder en Nico van Dam. Bram, student, en Nico (curieus geval), een Joodse jongen. Bespreking over het voorstel van Bram: vluchten. Motivering: we worden met de dag zwakker en kunnen nu nog een behoorlijk eind lopen. Ook het gekozen tijdstip was van belang. Weldra was het Kerstmis, hetgeen betekende dat de bewakingstroepen door jongeren zouden worden vervangen. Toen wij het eens waren en besloten te vluchten werd een gedetailleerd plan gemaakt, aldus: Bram zou eerst, Nico na een kwartier als tweede en ik zou de affaire afsluiten. Voor elk van ons gold: indien het kwartier is verstreken wordt de vluchtpoging door nummer twee, respectievelijk nummer drie voortgezet. Bram haalde het, het passeren van een blinde muur was het meest riskante deel. Bram was uit het gezichtsveld, na een kwartier ging Nico op stap en die werd gesignaleerd, verraden door een Duits sprekend misbaksel. Een week later werd Bram als gevangene naar de vluchtplaats geleid. Een verschrikkelijk moment toen Bram, geketend en bewaakt door een stel honden, door een SS’er werd voortgedreven naar de plaats waar de vluchtpoging een aanvang nam.

Ardennenoffensief

Gezien de roofbouw die op ons werd gepleegd en de mate van uitputting waarin wij verkeerden, werd verlangend uitgekeken naar al datgene wat onze bevrijding naderbij kon brengen. Een naargeestige gebeurtenis was ook de berichtgeving over het Ardennenoffensief van 16-12-1944. Wij probeerden elkaar moed in te spreken, maar werden getroffen door de vrolijke bewakers, die spraken over ‘Neue Waffen’. Intussen kwam Kerstmis in het zicht, waarover wij veel hoorden; extra voedsel, rustdag, enzovoorts. Berichten over de juiste toestand aan de fronten deed het moreel weer goed en onze aandacht richtte zich nu op de vrije dag met Kerstmis. De informatie hierover sijpelde door via enkele ‘Vorarbeiter’. Maar tenslotte kregen wij de juiste berichten: Tweede Kerstdag wordt Feiertag, dus rustdag en dan ‘gibt es was zum Essen’. Dat een rustdag zo intens werd verlangd en in rangorde gelijk stond met wat extra eten kwam door de intense vermoeidheid. De Tweede Kerstdag begon minder prettig dan was gehoopt. Tot onze teleurstelling werden wij op de gewone tijd gewekt en stonden wij om vijf uur buiten in de natte sneeuw. Maar het werd toch anders: na het appel, om half zes, werden wij in de barak toegelaten en luidde het commando: “Opstellen in rijen van vijf, geordend naar nationaliteit.” Dit was nog nooit gebeurd en betekende voor ons een hoopgevende ontwikkeling, we dachten weer aan rusten in de barak en uitdeling van etenswaar, een tot dusver goed bewaard geheim. De dag was gevorderd tot ongeveer tien uur in de morgen en we hadden afdoende kunnen vaststellen dat er ongeveer veertienhonderd landgenoten, plusminus duizend Russen en enkele tientallen gevangenen van verschillende nationaliteiten, waaronder Letten en Polen, aanwezig waren. Wij geloofden niet meer in een feest en kregen de indruk dat men ons vergeten was en besloten iets te ondernemen dat herinnerde aan ons bestaan. Iedere groep zou een lied zingen, zo mogelijk het volkslied. Dit voorbehoud werd gemaakt omdat het zingen van de ‘Internationale’ als een provocatie kon worden opgevat. De Nederlanders begonnen, en wel met het Wilhelmus. Dat lied streek alle niet-Hollanders tegen de haren: te traag en geen goede melodie. De Russen zouden wel even laten horen hoe het moest en hieven een ritmisch volkslied aan, dat zeer goed klonk. Maar toen kwam een onderbreking die tot afgelasting leidde: de Russen begonnen te huilen, wel zo erbarmelijk dat de Hollanders de zaak over wilden nemen met ‘De blanke top der duinen’. Zij kwamen nauwelijks verder dan de inzet van de voorste zangers, die schaamtevol ook huilend naar achteren liepen om zich te verstoppen tussen andere landgenoten, dit in navolging van de Russen, die krampachtige pogingen deden hun emoties te bedwingen. Allen dachten aan thuis, aan familie en de geringe kans te overleven, gezien de grote sterfte als gevolg van het slechte eten en de uitputtende arbeid. Om ongeveer twaalf uur werden wij naar de barakken gezonden en zo hadden wij die morgen zes tot zeven uur staande doorgebracht. Om een uur werd de soep verstrekt, die nog slechter was dan gewoonlijk.

Om twee uur werden wij naar de appelplaats geleid en daar was zowaar iets feestelijks te zien. Een podium, versierd met een nazivlag, was in het midden van het terrein opgericht. Een microfooninstallatie werd beproefd, maar, tot ons genoegen, zonder resultaat. Inmiddels was het drie uur geworden en de commandant begon zijn feestrede. Er was bijna niets van te verstaan, maar ik ving op dat hij het goed met ons meende. Daarna kwam een brullende idioot, die het geluid van een ‘Stuka’, een soort jachtbommenwerper, imiteerde. Om vijf uur, het werd al donker, zette zich een stoet in beweging. Halverwege het veld was een soort marktkraam opgericht en waarachtig, daar werd iets verstrekt; daar werd iets uitgereikt door dames. De commandant stond lachend terzijde, zweepje in de handen, afwisselend tikkend in de linkerhand en op zijn keurig gepoetste laarzen. Met inachtname van het juiste ritueel (ontroerend: ‘Danke schön’) nam ik het pakje in ontvangst en spoedde mij naar de barak. Een smalende stem van een landgenoot bracht mij tot de werkelijkheid: ‘pruimtabak’. Een soort gesausde tabak met een wikkel en de naam van de fabrikant hadden mij tot het einde misleid. Toen ik het stukje tabak in mijn hand had voelde ik een woede die mijn keel snoerde en mijn maag een gierende pijn bezorgde. Ik schraapte wat stro bijeen om zoveel mogelijk nachtrust te genieten. Ik overwoog dat deze dag veel zwaarder was dan een gewone werkdag en besefte dat wij op een kwaadaardige en sadistische manier behandeld waren.

Flegmoon

Halverwege januari van het jaar 1945 werd opnieuw een aantal gevangenen in het kamp Meppen geplaatst. Met de voedselvoorziening ging het steeds slechter. Ongeveer zeven weken was er geen zout. Dit bracht verschillende gevangenen ertoe klontjes kunstmest te eten. Ze kregen een gezwollen gelaat en overleden spoedig. Een voortdurend ongemak bleef het ontbreken van schoeisel, zoals gezegd linnen schoeisel, gespijkerd op een houten zool. Als het linnen scheurde waren er drie mogelijkheden: repareren door middel van een touw, pakken van een overledene, afpakken van een muzelman. Ik had gekozen voor het eerste, met gebruik van een stuk ijzerdraad. Omstreeks eind januari stelde ik vast dat het mis was met mijn rechterbeen. Een schram van ongeveer zeven centimeter, vurig, licht pijnlijk: ‘flegmoon’, de gevreesde aandoening met meestal dodelijk gevolg voor ons, gevangenen. Ik had meermalen gezien hoe zinken teilen, gevuld met geamputeerde ledematen vanuit de ziekenbarak werden gedragen. Gefluisterd werd, dat de SS voor de rest zorg droeg. Aldus kwam ik tot de slotsom dat de Utrechtse professor mij zou kunnen helpen, als er nog hulp mogelijk was. Die hulp kwam snel, diezelfde avond werd ik door een Utrechtse chirurg geholpen. Een kerf met een dun mesje, een dure pleister en tenslotte een stuk papierverband met het consigne: minstens drie weken Just en goed eten (dat laatste was een grapje en het eerste, daar moest ik zelf voor zorgen).

Ik besloot de volgende dag geen beroep te doen op de controlerende SS-ers, dat was iedere morgen een woeste knuppelpartij ten koste van achterblijvers. Ik was me er echter wet van bewust dat ik mij als zieke moest melden, omdat langer lopen levensgevaar inhield. Zodoende stapte ik uit het gelid naar de Vorarbeiter die mij doorstuurde naar een wagen waarin wat stro lag, dat als ligplaats kon dienen. Eenmaal kwam er een SS’er langs, doch ik werd ontzien: puur geluk, twee arme stumpers werden naar hun arbeidsplaats geslagen. Mijn terugreis ging per brancard en ik kreeg een plaatsje in een barak voor zieken. Daar heb ik ongeveer een week kunnen rusten. Met spanning werd de wond aan mijn rechterbeen van dag tot dag bekeken en tot mijn opluchting leek het goed te gaan, althans, de rode plek breidde zich niet uit.

Verder had ik het geluk, dat drieëntwintig maart ‘Monty’ de Rijn overstak, hetgeen tot gevolg had, dat het Neuengamme-complex ontruimd moest worden. Opnieuw veel geluk: evacuatie van het kamp Meppen op dertig maart 1945. Alles wat lopen kon moest zich opstellen in rijen van vijf en in marstempo voorwaarts. Weinigen overleefden de barre tocht, met als aanvankelijk doel: Neuengamme. Ik werd in een vrachtauto geladen en in een gesloten wagon gedreven. Alles wees erop dat grote haast werd betracht. Onze wagon werd volgestouwd met ongeveer vijfendertig zieken. Vlak voordat wij zouden vertrekken, het was inmiddels donker geworden, werd nog een groepje mensen ingeladen die wegens gebrek aan ruimte boven op ons werd gejaagd, en uit de gemene taal die tegen deze mensen werd gebruikt kon ik opmaken dat het Joden waren. Deze arme mensen voelden zich indringers en riepen allerlei verontschuldigingen om toch vooral duidelijk te maken dat hun aanwezigheid en de daardoor ontstane overlast niet uit vrije wil gebeurde. Ik sprak mijn ‘bovenligger’ aan en maakte hem duidelijk dat hij welkom was, dat ik behoorde bij een Krankentransport en dat hij alleen dringend werd verzocht mijn rechterbeen vrij te houden. De arme man was opgetogen toen hij als mens werd behandeld en vertelde even later zijn levensloop, waarvan ik onthield dat hij in zijn goede dagen college liep bij Sigmund Freud en was afgestudeerd als handlijnkundige. Drie dagen duurde deze wat lastige treinreis. Toen wij stopten en meenden op de plaats van bestemming te zijn, werden eerst de Joodse mensen uitgeladen. Tot mijn spijt kon ik mijn Joodse medereiziger niet meer bij daglicht spreken.

Landmijn

In het boek Het Koninkrijk der Nederlanden van dr. L. de Jong wordt gesproken van ‘Abtausch’-Joden. Vermoedelijk reisde ik gedurende deze drie dagen met een groepje van deze mensen. Als ik het goed heb onthouden was het voorlopige einddoel Bremen-Farge. Wij werden in een grote loods gestopt en in de keuken zou voor eten worden gezorgd. Dat was er de afgelopen dagen bij in geschoten. Het was echter bijzonder onrustig in de omgeving; Engelse vliegers bombardeerden en beschoten de omtrek. Daar komt de grote klap, dachten wij. Er werd namelijk een landmijn afgeworpen, met als gevolg dat onze barak scheef kwam te staan. Al het glas werd versplinterd, koken of andere verstrekking van voedsel was er niet meer bij. Ik ging op verkenning uit en stelde vast dat er chaos heerste en dat ontvluchten mogelijk zou zijn. Bovendien had ik de indruk dat wij met de Wehrmacht-soldaten een grotere kans tot overleven hadden. Het beviel ons in het kamp beter, nu wij uit handen van de SS waren gebleven. Wij waren echter te zwak en waren ook vogelvrij voor SS’ers en ander tuig dat ons aan ons voorkomen onmiddellijk zou herkennen.

Ik wandelde een andere barak binnen en kwam in aanraking met de treurige resten van een transport uit Ladelund. Vrijwel allen hadden gezwollen ledematen en kermden koortsachtig. Zij lagen in houten kooien en waren niet afgedekt door een deken of andere voorziening. Plotseling trof mij een kreet, mijn naam werd geroepen. Ik probeerde in het halfdonker te onderscheiden door wie. Er werd huilend geroepen: “Je kent me toch wel, ik ben Henk de Vries! Help mij alsjeblieft, want ik ga hier dood!” Gesprek gevoerd en vastgesteld dat Henk een monsterachtig gezwollen rechterbeen had en dat hij niet te helpen was. Zonder amputatie zou het niet gaan en amputeren betekende een snelle dood. Ik begaf mij naar het midden van de barak, waar een arts een treurige taak op zich had genomen. Ik kende hem, wij begroetten elkaar en ik bemerkte dat de dokter over zijn toeren was. Ik vertelde hem over de zieke uit Zaandam en kreeg ten antwoord dat ik de patiënt maar brengen moest. “Het been moet eraf, hij is de derde.” “Heb je geen verdovend middel, amputatie is toch zinloos.” Hij was het met mij eens, maar alles was hier zinloos en hij tastte in zijn zak, vond een buisje met drie aspirines, gaf mij er een en bepaalde zich tot de volgende patiënt, mij toevoegend: “Kom mij direct maar helpen, geen van allen is nog in staat om te staan.” De aspirine als een kostbaarheid naar Henk gebracht, die met half gesloten ogen achterover lag. Ik tilde zijn hoofd op en diende hem de aspirine met een slok water toe. Ik nam afscheid van hem en had de indruk, dat hij overleden was.

Inmiddels werd ‘verzamelen’ geblazen en werden wij weer opgesteld in rijen van vijf. Zo werden wij een zeer lange trein ingeloodst, uitsluitend goederenwagons, waarin ongeveer dertig mensen per wagon plaats moesten nemen. Toen dat achter de rug was en de wachten (zo genoemd omdat de bewaking in handen was gesteld van oude Wehrmacht-soldaten) de trein haastig hadden afgesloten, gingen zij in de onderdijk liggen. De Engelse vliegers hadden onze trein als doelwit gekozen en mitrailleerden ons onderkomen in de lengterichting. Nauwelijks had ik mijn buurman gewaarschuwd dat hij moest gaan staan om de trefkans te verkleinen of hij werd geraakt en overleed spoedig hierna. Zijn buurman werd ook getroffen, maar die was door vallend hout geraakt. De trein werd nog enkele malen gemitrailleerd en toen het rustig werd, kwamen de bewakers terug en werd de trein in beweging gebracht.

Stervensbegeleiding

In de trein bevonden zich gevangenen van uiteenlopende nationaliteit, opvallend veel Hollanders, waaronder veel Puttenaren. Stervensbegeleiding werd door een oudere man gegeven. Hij zag er stevig uit, maar moest een dag later toch de strijd opgeven. Hij zat plotseling naakt in de wagon zijn hemd te ontluizen. Wat hij deed was zinloos. Op de vloer van de wagon had zich een luizentapijt gevormd. De strijd ertegen was gestreden, tot de totale situatie was verbeterd door verstrekking van andere kleding en behuizing! Na een moeilijke nacht overleed deze markante figuur, die zich had opgeworpen tot steun voor zijn dorpsgenoten. Na twee dagen werd gestopt voor het delven van een massagraf. Voor het dragen van de overledenen had ik mij gemeld. De bewakingstroepen hadden zich uit de wagons teruggetrokken toen zij bemerkten dat de luizen niet werden afgeschrikt door uniformen. Ik wendde mij tot een van de oudjes en verzocht om voedsel en drinken. De bewaker beloofde dat dit de volgende dag zou komen. Inderdaad werd de vierde dag wat eten en drinken verstrekt. Twee sneden brood en wat drinken uit een conservenblik. Wij bleven staan om de lijken af te voeren. De laatste drie wagons werden gebruikt voor vervoer van de overledenen. Verder werd een verandering doorgevoerd met het doel ruimte te scheppen, zodat een aantal wagons kon worden afgekoppeld. Ook de lijkwagens bleven achter, waarschijnlijk ter afhandeling in het crematorium van Neuengamme. De bezetting van onze wagon bestond uit twaalf personen, en die werden naar een wagon gebracht waar tien Hollanders zich dankbaar toonden, omdat wij landgenoten waren die bescherming moesten bieden tegen het viertal roofzuchtige Grieken. Zij hadden water en brood van de jongens gestolen. Op mijn vraag waarom zij zich niet verdedigden, kreeg ik te horen dat de Grieken de beschikking hadden over een wapen, namelijk een stok. Die hadden zij de dag tevoren gebruikt om hun beroving uit te voeren. Ik zorgde voor een hergroepering en plaatsing tegenover de Grieken. Die nacht wist ik de stok te stelen, een gevaarlijk karwei, want van onze landgenoten waren er zeker zes stervende.

In de loop van de dag werd mij een nieuwe taak toebedeeld. Als er zich een overlijden aankondigde, werd een beroep op mij gedaan de stervende te ondersteunen door het hoofd op de knieën te nemen. Dan kwam de waarnemende geestelijke het verlangde ritueel uitspreken. Als ik die taak vervulde, vroeg ik een ander op ons wapen, de stok, te letten. Van de landgenoten waren nog vier in leven, de lijken lagen in het midden van de wagon gestapeld. En de dag begon met hallucinerend geprevel en gescheld van Wouter, een eenentwintig jarige jongen waarvan ik aanvankelijk dacht dat hij het wel halen zou. Hij lag te brabbelen en toen de wagondeur open ging en de bewaker verscheen, ging hij als het ware tot een offensief over. In zijn beste school-Duits zei hij: “Ik zie allemaal watermolens, heer bewaker, wilt u dat water bij mij brengen.” In allerlei variaties, met een sarcasme dat zelfs doel trof. Zoals bekend is dorst lijden erger dan honger verdragen. Ik heb u verteld dat halverwege de reis voedsel en drinken werden verstrekt, daarna niets meer en deze jongens waren slachtoffer van beroving, hetgeen nu zwaar moest wegen. Het was dan ook het laatste, toen twee van de sterksten, onder wie de hulpgeestelijke, hun urine gingen drinken, hoewel ik het sterk afraadde. Overigens beschikten zij niet meer over hun geestelijke vermogens, hetgeen bleek uit een schuldig, schaapachtig gelach.

Maar nu de bewaker, ‘Herr Posste’ genoemd; die ging gebukt onder het snerpende geweeklaag van Wouter en ging er op uit zodra de trein stilstond om water te vinden. Hij kwam inderdaad terug met een conservenblik, gevuld met moeraswater. Het blik werd aan mij overhandigd en ik zorgde voor distributie. Mijn gezag werd aanvaard, er ontstond geen ruzie, alleen de Grieken waren niet tevreden, maar gelukkig kregen zij ook een blikje water van de behulpzame bewaker. Toen het geroep om water was overgegaan in een dof gebrabbel constateerde ik dat er nog drie stervende waren. De laatste stierf in het schemerdonker. Ik hoorde iemand sluipen, maar na wat geschuifel was het stil geworden. Ik ging slapen tussen de overledenen, want ik verwachtte niets goeds van de Grieken.

Wandluizen

De zevende dag: er waren nog drie Grieken, eigenlijk vier, maar de vierde lag ook op sterven. Toen de nacht inviel was het moeilijk te constateren wie nog in leven was en wie niet. De volgende morgen werden de deuren opengetrokken. Haastig verkende ik de situatie in de wagon, waaruit bleek dat een Griekse jongen van een jaar of achttien, die zich uit angst heel stil had gehouden, en ik de enige overlevenden waren. Daar naderde een soldaat met een arm vol broden. Hij overhandigde mij een brood en keek mij vragend aan toen in de door mij verlaten wagon geen leven te bespeuren was. Als ervaren ‘Häftling’ voerde ik onmiddellijk een scene op met het doel een tweede brood te bemachtigen (“Die Andere sind darüber”, babbelde ik en wees nadrukkelijk in de verte). Mijn begerigheid naar het tweede brood won het. De bewaker reikte mij aarzelend een tweede brood uit. Inmiddels kwamen zorgzame handen mij in een kipkar leggen. Oorzaak van die zorgzaamheid was het feit dat ik mij onder vrienden, lotgenoten bevond. De bewaking was verdwenen en er heerste anarchie in het kamp. Via een Frans krijgsgevangenenkamp, Pools dito kamp, kwam ik in een houten barakkenkamp dat door landgenoten werd gebruikt. Iemand was juist bezig een overzicht te geven van de stand van zaken. Zojuist was een laatste voedseltransport verloren gegaan door aanvallen van roofbendes. “Iedere hoop op voedsel kunnen wij vergeten, totdat het kamp zal worden bevrijd.” Op de vraag, waarom dan niet de poort uitgaan, antwoordde de spreker dat uitbreken onmogelijk was in verband met de slechte conditie van vrijwel alle gevangenen en het feit, dat er nog restanten van het Duitse leger zullen verhinderen dat wij buiten de poort komen in verband met vlektyfus.

Na zijn betoog gaf ik de spreker een brood ter verdeling en vroeg een slaapplaatsje om bij te komen van de treinreis van elf dagen. Na consumptie van het brood viel ik in slaap, een toestand die ongeveer zes uur duurde. Ik werd zeer onaangenaam wakker en kwam spoedig achter de oorzaak. Luistapijt op de vloer was een bekend verschijnsel, maar ik had nog niet (of sporadisch) kennisgemaakt met de afschuwelijke hardlopers en bloeddieven, wandluizen genaamd. Deze actieve diertjes zorgden voor bulten over het gehele lichaam; zij lieten zich trefzeker van de plafonds vallen. Het werd een bloederig gevecht, dat ik natuurlijk verloor. Geen nacht heb ik daarna in de barak doorgebracht; ik prefereerde een tafel en trotseerde de koude, want er was geen beddengoed, geen deken of wat dan ook. Dr. L. de Jong heeft in zijn boek Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, tweede deel blz. 106, onthuld dat verstrekking van beddengoed of wat dan ook overbodig werd geacht, aangezien een SS-brigade was opgedragen over te gaan tot volledige vernietiging van de gevangenen. Deze plannen zijn niet uitgevoerd omdat er angst bestond voor besmetting (vlektyfus?).

Omstreeks elf april kwamen wij in Sandbostel aan. Wij hadden rondgereden tussen Neuengamme en Bergen-Belsen gedurende acht dagen en zijn dus elf dagen in goederenwagons rondgereden. Na een dag rusten liep ik het kamp wat rond, zoals geadviseerd en in gezelschap van Nico. Eerst een geweersalvo, daarna het geluid van een mitrailleur en daarna een zwak, klagelijk ‘hoera’ dat zich over het hele kamp verspreidde. Ik ging voor de laatste keer op mijn buitentafel slapen en sloot mij de volgende dag aan bij mijn lotgenoten, die werden bespoten met een wit poeder dat uit een brandslang kwam. Dat was DDT, dat wij natuurlijk niet kenden. Het was het begin van een uitgebreide doeltreffende ontluizingsactie. De lotgenoten werden weggevoerd in auto’s, zoveel mogelijk gedragen op brancards. Ik kon nog getuige zijn van het feit dat boze Engelse militairen, die een aantal Duitsers voor zich uitdreven, met driftige gebaren wezen op de stervenden in de barakken, de stapels lijken, het totaalbeeld van de verwording.

Die middag werd ik afgevoerd naar het hospitaal. Hieraan vooraf een dankwoord aan kapitein Van Praag: een landgenoot in Engelse dienst. Hij was zeer verbaasd dat hij Nederlands hoorde praten, verzamelde een negental landgenoten en richtte een feestmaal aan: witbrood en jam. Hij heeft zich die middag met ons bemoeid en deed de belofte dat hij ons zou opzoeken in het hospitaal en, zodra dit kon, de terugkeer te bevorderen. Helaas, twee dagen na de eerste kennismaking overleed de kapitein aan vlektyfus. Omstreeks half mei werden wij geëvacueerd; een droevige ervaring was, dat twee lotgenoten inmiddels geestelijk gestoord (krankzinnig) bleken te zijn.

De feestelijke terugkeer van Gerrit Bakker en zijn partijgenoot Gerard Maas in Zaandam, mei 1945.

De naoorlogse teloorgang van de Zaanse synagoge

De gemeenteraad van Zaanstad besloot in 2010 unaniem dat het Inverdanproject ‘pas is afgerond als de synagoge in oude luister is hersteld’. Het duurde sindsdien ruim acht jaar voor een projectontwikkelaar het tot winkel verbouwde monument op de Gedempte Gracht kocht en zich bereid verklaarde het te restaureren. Uit teruggevonden documenten  wordt duidelijk hoe de overheid de gedecimeerde Joodse gemeenschap kort na de Tweede Wereldoorlog bejegende, met de teloorgang van het godshuis als resultaat.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge aan de Gedempte Gracht – daarvan resteerde alleen een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren als onderduiker of kampgevangene waren doorgekomen waren aanwezig, precies tien procent van de geloofsgemeenschap die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten ƒ 208,-, uitgaven ƒ 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken ledental proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de documentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

De synagoge rond 1900.

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ De dienstdoende redacteur stelde vast dat niet alleen de Duitsers schuldig waren aan de plundering van het religieuze gebouw. ‘Het is wel beschamend het te moeten constateren, dat waarschijnlijk de grootste vernielingen door plaatsgenoten werden bedreven.’

Jacob Drukker deelde die mening. ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers…’ Daarmee raakte hij aan een teer punt. De bezetter had het bedehuis weliswaar geconfisqueerd en ingeruimd als garage en paardenstal, maar zowel voor- als nadien was het gebouw leeggeroofd door anderen.

De onttakeling begon kort nadat Zaandam in januari 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ was gemaakt. Op 13 augustus van dat jaar informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de Duitse autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) tegen twee procent provisie van de hand te doen.

Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer ‘leeggehaald en naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop’, wist een agent. ‘De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Thoramantels (‘waarbij enige antieke’) die om de Thorarollen werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen behoorden zes Thorarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Geallieerde voertuigen voor de synagoge, 1945

Toen de overlevende Joden in juni 1946 voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar kwamen, begonnen ze dus weer op nul. Vanaf dat moment beheerste het gebrek aan financiën de ledenvergaderingen. Moeizaam verlopende geldinzamelingen maakten het pas in 1953 mogelijk om de synagoge officieel te heropenen, zij het wel in sterk afgeslankte vorm. Drukker: ‘We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De gerestaureerde synagoge was nauwelijks een kwartaal in gebruik toen het bestuur een nieuwe tegenslag moest incasseren, in de vorm van een stevige vordering. De afzender was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Deze door de Rijksoverheid ingestelde organisatie beheerde de vermogens van niet teruggekeerde Joden en van politieke delinquenten. Ten aanzien van de eersten moest worden voorkomen dat de verkeerde mensen zich hun bezittingen toe-eigenden. De tweede doelgroep mocht niet langer profiteren van hetgeen ze tussen 1940 en 1945 – al dan niet door roof – had vergaard. Inzet van het Rijk was om hen de gigantische economische oorlogsschade te laten vergoeden waarmee Nederland kampte. Daartoe werd een bureaucratische moloch opgetuigd. Ruim tweeduizend NBI-stafleden werkten in een chaotische situatie aan 160.000 dossiers.

Dat leidde onvermijdelijk tot fouten. De Algemene Rekenkamer maakte in een rapport gehakt van de organisatie en Justitieminister L.A. Donker moest in 1953 erkennen dat de NBI-administratie niet op orde was. In dat licht dient ook de rekening te worden bezien die anderhalve week voor de Dodenherdenking van datzelfde jaar bij de NIG in Zaandam op de mat viel. Het Beheersinstituut had even eerder een negen jaar oude, openstaande hypotheekschuld ontdekt. In haar streven om de wederopbouw te financieren eiste ze dat de Joodse gemeente die zou betalen.

Hypotheekschuld

De oorsprong van die factuur lag dus in de bezettingstijd. Naarmate het deporteren van de Joden vorderde, speelde bij de Duitsers steeds vaker de vraag door het hoofd wat ze aan moesten met de leegstaande synagogen. Voorstellen om ze te slopen, teneinde ‘alle herinneringen uit te wissen’, haalden het niet. In 1944 kreeg het door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart benoemde Commissariaat voor Niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) opdracht om de Joodse organisaties formeel te ontbinden en hun gebedsruimtes en andere eigendommen te beheren en te gelde te maken. In augustus van dat jaar, ontdekte het NBI in 1953, had het CNCV ‘uit eigen middelen een op de synagoge der Israëlitische Gemeente te Zaandam rustende hypothecaire schuld afgelost tot een bedrag van ƒ 4.872,91.’ Na aftrek van wat kasgeld dat de bezetter in Zaandam had gestolen bleef een te incasseren bedrag van ruim 4.500 gulden over. Omgerekend naar 2019 komt dat neer op bijna 17.000 euro.

De NIG had, bij gebrek aan archiefmateriaal, geen idee dat er een hypotheek rustte op de al in 1865 gebouwde en destijds afbetaalde synagoge. Bewijzen dat de claim onterecht was kon ze niet. Ze stelde zich daarom deemoedig op en beloofde alles te willen doen ‘om de schuld te delgen’. Er was echter een levensgroot probleem, schreef penningmeester Saul Smit. ‘De gemeente bestaat nog maar uit 6 gezinshoofden en wil daarom géén hypotheek op de joodse kerk nemen, opdat, wanneer nog meer gezinnen uit Zaandam verdwijnen, de overblijvenden voor een te zware last zouden komen te staan.’ Die paar huishoudens hadden hutje bij mutje gelegd, waardoor zij toch nog 3.350 gulden konden overmaken. Wilde de NBI daarmee genoegen nemen, vroeg Smit.

Het Amsterdamse NBI toonde begrip voor de Zaanse noden en bepleitte clementie bij het landelijk bureau. Gewezen werd op ‘de moeilijke financiële omstandigheden ten gevolge van de handelingen van de bezetter’ en de ‘zware offers die de Israëlitische Gemeente zich reeds heeft moeten getroosten om het, gedurende de bezetting zwaar gehavende, kerkgebouw weer in bruikbare staat te brengen’. Het antwoord was kil en onverbiddelijk. Dat de Joodse gelovigen van 1942 tot en met 1945 niets te vertellen hadden over de lasten en baten van hun bezit en de overgrote meerderheid in 1944 al was vermoord speelde geen rol. De landelijke NBI-directie achtte ‘geen termen aanwezig’ om op het voorstel in te gaan. ‘Wij kunnen niet inzien welke redelijke bezwaren er bestaan voor de Gemeente om het kerkgebouw thans wederom hypothecair te belasten.’

De synagoge in 1961, met een autodealer als onderverhuurder

Onbekend is hoe de Joodse gemeente aan de financiële eisen voldeed, maar ze kwam de toegebrachte klappen nooit meer te boven. Waar de NIG kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het geringe ledental maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor de vriendenprijs van 175.000 gulden aan Frieda Pais-Fruchter, de schoondochter van voormalig bestuurslid Jos Pais. Zij liet het pand ingrijpend verbouwen – alleen het middenstuk bleef intact – en verhuurde het aan een kunstcentrum met de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenares het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. In haar bezwaarschrift tegen dat besluit liet Pais-Fruchter weten ‘niet in een binding met de joodse gemeenschap te geloven’. Dat was tegen het zere been van de Joodse gemeente. Secretaris Joop Meijer: ‘De enige reden waarom we toen hebben verkocht was een centenkwestie. We konden herstelwerkzaamheden niet betalen. Daarom moesten we wel. We hadden het ook in elkaar kunnen laten storten. Huisvesting van De Zienagoog in het pand vonden we een zinvol doel, maar we hadden het veel liever zelf gehouden. Er zijn nog steeds veel mensen die van dat gebouw houden. (…) Het is een monument voor ons volk.’

De voormalige synagoge kwam vervolgens in handen van uitvaartorganisatie DELA . Die verhuurde de centrale ruimte aan een telefoonwinkel. Op 18 januari 2019 – 77 jaar en één dag nadat de Zaandamse joden gedwongen de stad moesten verlaten – werd wereldkundig gemaakt dat de Zaandamse projectontwikkelaar Wouter Lofström het door stadsarchitect Immink ontworpen gebouw voor ruim drie miljoen euro had gekocht. Hij liet weten de synagoge te willen restaureren. Daarmee is er eindelijk zicht op een waardige bestemming van het enige tastbare joodse erfgoed in het hart van Zaandam.

De synagoge in 2017

Synagoge 1865-1942-2017

In 2017 werd er een nieuwe gevelsteen geplaatst in wat resteerde van de Zaandamse synagoge. Het inspireerde Willem Munters om een toepasselijk gedicht te schrijven.

zaandam

1865
de wind fluistert de gevelsteen
vreemde tekens in

het heiligdom, Eeuwige,
dat uw handen hebben neergezet

huis van samenkomst vanaf het begin
75 jaar lang fluistert de wind met de steen

1942
dan is de wind naar oosterstorm gezwollen
neemt woedend  kolkend aanstoot aan de steen
het huis van samenkomst
wordt leeggezogen door ijskoude haat
kranten zonder kop spreken van zuivering

de oostenwind kent geen eeuwige woorden
hakt in blinde woede in de steen
verbreekt het woord  hakt in leven
huis van samenkomst  huis van tranen
nodeloos ontheiligd en vernield

2017
nu na honderdvijftig jaar
weer huis van samenkomst
huis voor de toekomst
zal het zo zijn

zo zal het zijn

De negen/tien doden op de Burcht

Op 9 februari 1945 fusilleerden de Duitsers op de Burcht in Zaandam tien Todeskandidaten. Het was een vergelding voor een moordaanslag op de collaborerende politieman Frans Willemse, vier dagen eerder. Exact een jaar na de executie publiceerde de net bij De Typhoon begonnen verslaggever Jan Hottentot (1914-2003) in dat voormalige verzetsblad een gedicht over de dodelijke represaille. Daarbij had hij het overigens abusievelijk over negen slachtoffers.

‘T is vandaag een jaar geleden,
Dat in Hollandsch diepste nood,
Negen mannen op de Kade,
Door de Moffen zijn gedood…..
Op dien koelen wintermorgen
Knalden schoten ver in ’t rond,
Negen jonge mannen vielen
Stervend, in het hart gewond…
Maar ’t verzet bleef brandend leven,
Ondanks dezen laffen moord,
Want de roep om Hollandsch vrijheid
Bleef ook nà hun dood gehoord.

‘T is vandaag een jaar geleden…
Och, de tijden gaan zoo snel.
Veel, zoo heel veel, is vergeten
En vergeven ook nog wel.
Maar vergeef, vergeet toch nimmer
Wat ons volk is aangedaan
En ontheilig nooit dit plekje
Aan het water van de Zaan…

Blijft daar even, even peinzen,
Leg wat bloemen op den grond,
Waar, vandaag een jaar geleden
Eenmaal Hollandsch Glorie stond.

Vijf Gouden Kalveren

Vijf Gouden Kalveren voor de film Bankier van het verzet.
(Ook) benieuwd naar het boek?

De laatste exemplaren van de Van Hall-biografie

De film Bankier van het verzet trok 400.000 bezoekers naar de bioscoop, is genomineerd voor twaalf Gouden Kalveren en gaat als Nederlandse inzending naar de Oscar-longlist. Een succes dus, al met al. De biografie Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945), die gebruikt werd voor de filmproductie, doet het ook goed . Er zijn inmiddels duizenden exemplaren van verkocht. Sterker, van de hardcover-versie zijn nog maar enkele tientallen over.  Met andere woorden: het is bijna op en keer in deze vorm niet meer terug.

Ter geruststelling: zodra de luxe versie uitverkocht is, verschijnt er een editie met een zachte kaft. Iets minder chic dus. Daarom, mocht je de betere publicatie willen bekomen, dan is het een kwestie van tempo maken. In de woorden van Jessica Durlacher: “Lees dat boek van Erik Schaap.” Het is voor €19,95 te verkrijgen via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com. Zolang de bescheiden voorraad (nog 75 stuks beschikbaar) strekt…