Nieuwe rondwandeling door Van Halls Amsterdam

De eerste rondleiding door het Amsterdam van Walraven van Hall, de ‘bankier van het verzet’, was razendsnel volgeboekt. Voor de liefhebbers heeft organisator Crescas daarom een tweede wandeling georganiseerd, op zondag 12 mei 2019. Wacht niet te lang met reserveren!

Vijf Gouden Kalveren

Vijf Gouden Kalveren voor de film Bankier van het verzet.
(Ook) benieuwd naar het boek?

De laatste exemplaren van de Van Hall-biografie

De film Bankier van het verzet trok 400.000 bezoekers naar de bioscoop, is genomineerd voor twaalf Gouden Kalveren en gaat als Nederlandse inzending naar de Oscar-longlist. Een succes dus, al met al. De biografie Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945), die gebruikt werd voor de filmproductie, doet het ook goed . Er zijn inmiddels duizenden exemplaren van verkocht. Sterker, van de hardcover-versie zijn nog maar enkele tientallen over.  Met andere woorden: het is bijna op en keer in deze vorm niet meer terug.

Ter geruststelling: zodra de luxe versie uitverkocht is, verschijnt er een editie met een zachte kaft. Iets minder chic dus. Daarom, mocht je de betere publicatie willen bekomen, dan is het een kwestie van tempo maken. In de woorden van Jessica Durlacher: “Lees dat boek van Erik Schaap.” Het is voor €19,95 te verkrijgen via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com. Zolang de bescheiden voorraad (nog 75 stuks beschikbaar) strekt… 

Dodenherdenking in Wormerland


Op verzoek van de gemeente Wormerland maakte ik een tekst die tijdens de Dodenherdenking op 4 mei 2018 is voorgelezen bij de twee oorlogsmonumenten in Wormer en Neck. Ik schreef het volgende:

Dames en heren, jongens en meisjes,
Ook dit keer bent u gelukkig met velen naar de jaarlijkse herdenking gekomen. Onze gedachten gaan vanavond terug naar het kwaad dat vijf jaar lang Nederland beheerste, de Tweede Wereldoorlog. Ze gaan ook, en misschien wel vooral, uit naar de mannen en vrouwen die het slachtoffer werden van de grootste misdaad sinds mensenheugenis. We herdenken tevens hen die tussen 1940 en 1945, met gevaar voor eigen leven, in opstand kwamen tegen onrecht en dictatuur. Het is goed om op 4 mei stil te staan bij de offers die velen hebben gebracht voor vrede en vrijheid. Gewend als we inmiddels zijn aan de democratie waarin wij leven, dreigen we wel eens te vergeten dat dit enkele generaties terug niet vanzelfsprekend was.
De Tweede Wereldoorlog ligt inmiddels bijna driekwart eeuw achter ons, maar blijft in veel opzichten bepalend voor ons doen en laten. De gebeurtenissen van toen hebben nog steeds hun uitwerking op het heden. Laat ik dat illustreren met een voorbeeld uit onze gemeente.
De nationaalsocialisten waren niet alleen uit op de totale vernietiging van de joodse bevolking, maar ook op de vernietiging van joodse eigendommen. Zo werden er vanaf 1942 honderden tonnen boeken, brieven en andere geschriften per vrachtwagen naar de Van Gelderfabriek in Wormer vervoerd. Al dat papier was afkomstig van de tienduizenden Amsterdamse joden die op transport moesten naar de vernietigingskampen. Hun huizen waren leeg geroofd, hun persoonlijke documenten werden bij Van Gelder tot pulp vermalen. Ondanks het strenge Duitse toezicht bij deze massavernietiging lukte het werknemers een enkele keer om wat roofgoed achterover te drukken. Onder de schaarse artikelen die zo werden gered bevond zich ook een fotoalbum. Er zaten kiekjes in van een jonge man en van twee baby’s. Namen of adressen stonden er helaas niet bij. Het was daardoor na de oorlog een raadsel wie deze mensen waren en of ze de Jodenvervolging hadden overleefd.
Vijfenzeventig jaar lang bewaarde de familie van de man die het album had gered de foto’s, hopend dat ooit bekend zou worden wie de geportretteerden waren. Een paar van de foto’s werden kort geleden verspreid via sociale media. Dat leidde er toe dat iemand de jonge joodse man op een van de foto’s herkende. Door onder te duiken had hij samen met zijn gezin heelhuids de bevrijding weten te halen.
Afgelopen maand kwamen zijn twee zoons, inmiddels 79 en 81 jaar oud, naar de Zaanstreek om de foto’s waarop ze als baby’s stonden in ontvangst te nemen. Het was een emotionele, ontroerende bijeenkomst, mogelijk gemaakt omdat iemand driekwart eeuw geleden het lef had om de bezetter te trotseren. Heel even raakten het verleden en het heden elkaar.
2018 is uitgeroepen tot Jaar van Verzet. “Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden”, dichtte Remco Campert. En hij eindigde dat gedicht met de woorden: “Jezelf een vraag stellen, daarmee begint verzet. En dan die vraag aan een ander stellen.”
Door dat fotoalbum opzij te schuiven en te bewaren, trotseerde die Van Gelder-werknemer de Duitse bevelen. Hij stelde zichzelf een vraag en verrichtte vervolgens een kleine daad. Een daad die vele jaren later van immense betekenis was voor een joodse familie.
Dit voorbeeld laat zien dat de wereld niet ophoudt bij de grenzen van Wormerland. Ons dorp was en is geen geïsoleerd eiland waaraan de wereldproblemen voorbij gaan.
Dit verhaal laat ook zien dat het belangrijk was, en nog steeds is, om betrokken te zijn bij je medemensen. Het verzet van toen heeft dus nog altijd een actuele betekenis. Ook nu blijft het van belang om verantwoordelijkheid te nemen. Om op te komen voor mensen die het nodig hebben. Om pal te staan vóór mensenrechten en tégen uitsluiting. Om je te verzetten tegen onrecht en je in te zetten voor de goede zaak.
De Tweede Wereldoorlog mag dan al lang voorbij zijn; het blijft nodig om de democratie te beschermen. In de wetenschap dat tussen 1940 en 1945 dappere mensen in het verzet hun stem lieten klinken voor de vrijheid, zijn wij op 4 mei twee minuten stil.
Het is een kleine daad.
En een belangrijk gebaar.

Anton Stam: de vergeten verzetsstrijder

Tien mannen en vrouwen vormden in oktober 1941 de leiding van wat zou uitgroeien tot het belangrijkste verzetsblad, Vrij Nederland. In de daarop volgende maanden belandden ze bijna allemaal voor het vuurpeloton of in een cel. De overlevenden vertelden na de bevrijding hun oorlogsverhaal. Op die ene onbetrouwbaar geachte Zaandammer na, Anton Stam.
Portret van een kat met negen levens.

Nieuw: ‘Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945)’

 De Tweede Wereldoorlog was smerig en ongewis. De Zaankanters die zich keerden tegen de bezetter en zijn handlangers pionierden en probeerden, onwennig als ze waren met de spelregels van de nieuwe, nazistische orde. Dat leidde tot grootse daden, maar ook tot onzekerheden, fouten en soms bovenmenselijke spanningen.
Aan de hand van enkele tientallen Zaanse verzetsstrijders toont mijn nieuwe boek Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) zowel de veelzijdigheid van het ondergrondse werk als de zoektocht van de stoutmoedigen die tijdens de bezetting hun nek uitstaken.
Alle geportretteerden in deze publicatie namen hun verantwoordelijkheid toen het er op aankwam, soms met fatale gevolgen. Mededogen, altruïsme, (wan-)hoop, wraakgevoelens, opportunisme, levensovertuiging; er was een veelheid aan motieven om het gevecht aan te gaan. Maar wat en hoe ze dat ook deden, de uitvoerders keken niet weg. Ze kozen, daar waar de meerderheid van de bevolking zich -overigens om begrijpelijke redenen- afzijdig hield. Of die keuzes de juiste waren, viel vaak pas achteraf vast te stellen.
Strijd is een poging om de breedte te schetsen van het verzet in de regio, van de gewapende durfal tot de verzorger van onderduikers, van de ondergrondse regelneef tot de koerierster. Beoogd is om via hun wederwaardigheden zowel de diversiteit als de onvermijdelijke rommeligheid van de illegaliteit te tonen.
Strijd (140 pagina’s) kan worden gelezen als een ode aan de Zaankanters die immense risico’s opzochten in een tijd dat je ter vergroting van de overlevingskansen beter kon wegduiken. Door hun bijzondere daden voor het voetlicht te brengen, worden hopelijk ook de vele honderden andere Zaanse verzetsmensen geëerd die tot nu toe in de geschiedschrijving onzichtbaar zijn.

Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) is voor €17,50 verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en Bol.com.

Jopie Draaisma-van Doeland (1922-2018)

Op 22 maart 2018 overleed Johanna Stijntje (‘Jopie’) Draaisma-van Doeland (Koog aan de Zaan, 7-9-1922). Een paar jaar eerder interviewde ik haar, over haar illegale activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bescheiden als mevrouw Draaisma was, had ze daarover eerder vooral gezwegen. Haar overlijdensadvertentie stond in de krant op de dag dat -toeval bestaat- in het voormalige kamp Vught een expositie van start ging over verzetsvrouwen.

Jopie van Doeland moest flink aanpoten tijdens de oorlog. Niet alleen als ‘dienstje’ bij de familie Duyvis, van de gelijknamige machinefabriek, maar ook als hulp op het politiebureau in Koog aan de Zaan. Vader Klaas had daar de dagelijkse leiding en zijn dochter werd onder meer ingeschakeld om het bureau schoon te maken en de gevangenen eten en drinken te brengen. En dan was er ook nog het illegale werk. Zowel haar vader en haar verloofde Jan Draaisma – “Ik kende hem van de Parklaankerk’ – als zijzelf probeerden de nazi’s te dwarsbomen waar dat maar kon. “” Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander”” , zegt Jopie. “” Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven. Bij Eichholtz, die aan de Zaan woonde, lag bijvoorbeeld in het weekend een schuit met aardappelen. Op maandag moest die naar de Duitsers toe. Dat gaf ik meteen door aan mijn verloofde. En vervolgens is ’s nachts die schuit weggehaald. Een van de agenten werd door mijn vader niet helemaal vertrouwd. Die had avonddienst. En toen zei mijn vader tegen mij: ‘Ik zal hem bureaudienst geven.’ Opdat hij niet stomtoevallig op de Noorderbrug zou staan als ze daar met die aardappelen onderdoor boomden. En dat gaf ik dan ook weer door. Het is allemaal goed gegaan. Eichholtz keek raar op zijn neus.”

Het is één voorbeeld uit vele. Haar ondermijnende activiteiten startten dan ook al vroeg, met de bezorging van de illegale krant Trouw. “” Zo gauw als die blaadjes uitkwamen ben ik er mee begonnen. Dan kwam er iemand achterom bij ons thuis en kreeg ik een stapel Trouw. Ik had verschillende adresjes om ze heen te brengen, minstens zestien. Zo waren er bijvoorbeeld verschillende mensen in de Badhuisstraat die er eentje ontvingen. Het was de bedoeling dat ik er af en toe een kleinigheid voor kreeg. Aan wie ik dat geld gaf weet ik niet meer.” Ze ging door met rondbrengen tot aan de bevrijding, zonder in de problemen te komen. “Wel kreeg ik op een gegeven moment van degene die mij de krantjes bezorgde de vraag: ‘Wil je dáár ook heengaan? Want die is er nieuw komen wonen.’ En daar ben ik ingestonken. Achteraf is het goed gegaan, maar het had helemaal fout kunnen zijn. Ik kende die mensen helemaal niet. Dat ik dat gewoon aannam…”

 Jopie van Doeland rond 1950.

“Toen het bevolkingsregister van Koog gestolen werd, heb ik daar ook de hand in gehad. Zowel de bode op het gemeentehuis als mijn vader had een sleutel van het gemeentehuis. Ik heb Homburg – die zat ook in het verzet – die sleutel gegeven, maar wel gezegd: ‘Zorg dat-ie weer door de brievenbus wordt gegooid als jullie klaar zijn.’ Dus daar moest ik op vertrouwen. ’s Avonds of ’s nachts is het bevolkingsregister weggehaald. De volgende morgen kwam de gemeentesecretaris, mijnheer Beernink, op het gemeentehuis en toen was alles weg. Die was in alle staten.” De gemeentesecretaris begon onmiddellijk een zoektocht. “Eerst is hij natuurlijk naar de bode gegaan. Die wist nergens van en hij liep naar de schouw waar de sleutel altijd lag. En die lag er nog gewoon. En daarna kwam hij naar mijn vader. Die wilde de deur openen en zag opeens die sleutel op de mat liggen. Dus hij pakte de sleutel, deed open en zei vervolgens tegen mijnheer Beernink, die nog steeds in alle staten was: ‘Ik zal eens even kijken.’ En hij liep met die sleutel in zijn hand naar de plek waar die altijd lag. Waarna hij zei: ‘Ik heb hem hier.’ Ik ben tamelijk naïef geweest, het had mijn vader zijn kop kunnen kosten. Maar door die diefstal kon het verzet precies nakijken welke jongens er naar Duitsland hadden gemoeten. Als ze die sleutel niet hadden gehad, waren ze nergens geweest.”

Jopie van Doeland woonde in de oorlog nog bij haar ouders, pal naast het politiebureau in de Breestraat. Dat fungeerde indien noodzakelijk ook als schuilplaats. “Mijn verloofde Jan had bij ons een prachtig onderkomen. Als hij ’s avonds niet meer naar Haaldersbroek kon, lag hij boven het politiebureau op bed, met een sten onder zijn matras. Mijn vader was de hoogste op het bureau, daarom woonden we daar ook. Bij de Lindenboomschool had je een klein plantsoen met een heggetje. Jan hoorde Duitsers aankomen, dus die stapte over dat hegje. Maar hij wist niet dat daar een greppel met water achter was. Het was midden in de winter. Dus die kwam helemaal verkleumd bij ons. Toen hebben we hem stiekem naar boven gekregen en daar heeft hij zich gewassen. Maar je had helemaal geen warm water, alleen een klein fonteintje op de overloop. Toen zei hij tegen me: ‘Kom alsjeblieft even bij me liggen, zodat ik een beetje doorwarm.’ Dus ik, gewoon met mijn kleren aan, bij hem in bed. Komt opeens mijn moeder met veel lawaai die slaapkamer van Jan binnen! ‘Ben je nou helemaal….’ Ze was natuurlijk doodsbenauwd, die jongelui samen in één bed.”

“Jan heeft eens een foute neergeschoten, in de Oostzijde. Die vent stond daar in een steeg. Dat was echt een hele foute, die moest uit de weg geruimd worden. Toen is Jan teruggekomen bij ons en heeft hij op de divan gelegen. Hij was toen helemaal over de rooie. Agent Bleeker is er toen bij geweest en heeft hem echt even behandeld. Mijn zus en ik hebben hem daarna teruggebracht, zodat hij niet alleen langs de plek moest waar het was gebeurd.”

De mensen die in 1945 haar schoonouders zouden worden, hadden een joods jongetje in huis. “Een jongetje van een jaar of vijf. Die noemden we Hans. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het met Hansje afgelopen is. Hij kan er wel een half jaar geweest zijn voordat hij naar een ander adres ging. Ik vond het knap dat mijn schoonmoeder dat deed, die zorg voor dat jongetje. Ze was namelijk altijd ziekelijk.” Jopie kwam regelmatig bij haar schoonouders, onder meer om Jan te zien. “Hij had een tweepersoons kano en hij woonde op Haaldersbroek, dus dan gingen we nog wel eens het veld in, om elkaar een beetje te leren kennen. Want daar had hij er natuurlijk geen last van om opgepakt te worden.”

Ze kreeg met nog een joodse onderduiker te maken, heel even. “Die zat op de Bloemstraat, in een slaapkamer, maar ze moest daar weg. Ik moest haar eerst vertellen dat ze zich klaar moest maken voor vertrek. En daarna bracht ik haar ’s avonds naar het Zuideinde, bij Gosse Oosterbaan. Van daar zou ze weer verder gebracht worden. Een meisje valt natuurlijk niet zo op als begeleidster. Ik kwam altijd overal aan de deur, met een zendingsbusje of andere spullen. Het viel niet op.”

“Ik was niet bang in de oorlog. Ik denk dat het toch een Godsvertrouwen was; je vertrouwt op het goede en dan komt het wel voor elkaar. Ik was wat dat betreft altijd optimistisch. Ik heb er nooit slecht van geslapen, ben blijkbaar altijd heel makkelijk geweest. Die aard heb ik gelukkig. En na de oorlog hebben mijn man en ik het er nooit meer uitgebreid over gehad. Na die vijf jaar waren we zo langzamerhand wel aan iets anders toe.”

Een monument voor Van Hall?

 


In de eerste jaren na de bevrijding was Walraven van Hall een begrip in Nederland. Het valt onder meer af te lezen aan de hoeveelheid geboortekaartjes in het familiearchief waarop blijde ouders kenbaar maken hun pasgeboren zoon als eerbetoon Walraven of Wally te hebben genoemd. (Een jaar of wat geleden ontving ik een mail van een moeder die vertelde dat haar zoon een reïncarnatie was van Walraven van Hall. Dat bewijs heb ik dan weer niet teruggevonden in bovengenoemd familiearchief.)

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog zakte Van Hall en hetgeen hij had betekend weg in het collectieve geheugen. Met de speelfilm over zijn leven is er een nieuw monument gebouwd voor deze verzetsgrootheid, de belangrijkste illegale strijder die Nederland ooit had. En daarmee lijkt het met zijn naamsbekendheid de komende jaren wel goed te zitten.

In de gemeente waar hij de laatste vijf jaar van zijn leven woonde is helaas weinig monumentaals terug te vinden dat herinnert aan Walraven van Hall. Zijn woning, Westzijde 42, werd in de jaren zestig afgebroken en hetzelfde lot onderging de bank waar hij mede de scepter zwaaide. Waar Amsterdam twee blijvende herinneringen heeft gecreëerd voor Van Hall – een plaquette in het beursgebouw en een monumentale bronzen boom naast De Nederlandsche Bank – heeft Zaanstad hem, na een moeizame discussie, alleen vermeld op een namenbalk in de raadszaal. De Zaanstreek telt twee monumenten voor Hannie Schaft. Ze woonde hier niet, maar het is haar gegund. Voor de wèl in Zaandam wonende Van Hall moet er echter toch wel meer inzitten dan alleen die magere vernoeming in een vergaderruimte waar slechts een select publiek komt. Wellicht dat die film daartoe een aanzet kan vormen? En wie is er bereid om het initiatief te nemen? 

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Tranen bij De Nederlandsche Bank


Wally van Hall (de kleinzoon van), DNB-directeur Nout Wellink en ondergetekende tijdens de boekpresentatie (10-2-2006) Foto J. v/d Wal 

Voor ik mij zette aan een levensverhaal over Walraven van Hall publiceerde ik wel eens boekjes, maar qua volume legden die weinig gewicht in de schaal. Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) daarentegen was het serieuzere werk.  Mijn uitgever vond dan ook dat de biografie een stevige ontvangst moest krijgen en ze regelde dat het eerste exemplaar zou worden gepresenteerd in het hoofdkwartier van De Nederlandsche Bank.

Het werd een bijzondere bijeenkomst, de tiende februari van 2006. Tot mijn verbazing verschenen er een stuk of honderd genodigden in de zwaarbeveiligde bunker aan het Frederiksplein. Nout Wellink was de eerste DNB-directeur die in zijn speech de bedenkelijke rol erkende die zowel zijn bank als de meeste andere in Nederland speelden tijdens de oorlog. Ik schoot vol toen ik exemplaren van de aan hen opgedragen verse waar mocht overhandigen aan mijn twee petekinderen, toen nog basisscholieren. En een gelijknamige kleinzoon van Walraven van Hall barstte tijdens zijn verhaal in tranen uit. Overmand door emoties kon hij zijn speech niet afmaken. Het gaf niet. Integendeel, het was misschien wel het mooiste moment van de bijeenkomst.

Na de plechtigheden wilden veel bezoekers een opdracht voorin het boek. Ik was er totaal niet op voorbereid, had niet eens een pen op zak. De eersten die me aanschoten waren familieleden. ‘Veel leesplezier’ schreef ik bij gebrek aan betere volzinnen voorin, me even niet realiserend dat Walraven aan het eind van mijn boek wordt doodgeschoten (alsnog mijn excuses voor de tekst).

Pas veel later hoorde ik dat tijdens de doop van het boek een van de aanwezigen Nout Wellink had benaderd met een verzoek om mee te werken aan een monument voor de bankier van het verzet. Wellink zegde het toe en mede dankzij hem kon korte tijd later het kunstwerk ter ere van Van Hall worden onthuld. Vlak naast De Nederlandsche Bank, de misschien wel meest symbolische plek.

Sinds die biografiepresentatie in Amsterdam zijn er nog een stuk of tien boeken van me in roulatie gegaan. Maar zo intens als op die februaridag in 2006, exact een eeuw na de geboorte van Walraven van Hall, is het nooit meer geworden.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Het kistje van Cees

 

Jaap Buijs met echtgenote en kinderen.

Tot de onbaatzuchtigen die de Nederlandse illegaliteit telde, mag zeker Cees Buijs worden gerekend. Zijn vader, Jaap Buijs, was vier oorlogsjaren lang de rechterhand en vertrouwensman van Walraven van Hall en zoon Cees assisteerde hen op tal van terreinen. In een twee jaar na Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) geschreven boek liet ik deze Zaandammer een paar keer aan het woord, onder meer over de Hongerwinter. “Nog hoor ik het gejank der honden en katten, die op 5 december voor onze deur stonden. Want wat was het geval? In de gang stonden 2 kisten vol paling, bestemd als sinterklaascadeautje voor de [stakende] spoorweglieden”, vertelde Cees Buijs kort na de bevrijding. “Het hele huis rook er naar en wij liepen de gehele dag te watertanden. Wat hadden we er zelf graag eentje op onze boterham gehad.” De erecode van het ondergrondse Nationaal Steunfonds, waarin Cees’ vader een landelijke hoofdrol vervulde, stond het niet toe. Buijs senior: “Men heeft bij het NSF altijd op het punt gestaan dan men niet werkte om zichzelf te verrijken.”

Voor de Van Hall-biografie had ik Cees Buijs dolgraag willen spreken. Ik was te laat; hij leefde niet meer. Zijn familie wist echter dat Cees altijd een metalen kistje bewaard had met nogal wat documenten over de oorlog. Er was sprake van onder meer sprake van vervalste papieren, stempels, Ausweisen en andere identiteitsdocumenten. Cees’ dochter, die inmiddels in Nieuw Zeeland woonde, was bereid op zoek te gaan naar dat wat ik inmiddels beschouwde als een heuse schatkist. Het bestond nog, bleek enige tijd later. Maar daar was ook alles mee gezegd. “Mijn broer kon vertellen dat mijn vader, niet zolang voordat hij stierf, de totale inhoud van dit kistje heeft verbrand”, mailde Cees’ dochter. “Hij heeft langere tijd geleden aan Alzheimer, sprak veel over de oorlog en raakte op die momenten buitengewoon emotioneel. Hij heeft zeer waarschijnlijk gedacht dat al deze papieren te gevoelig waren om te bewaren. Er is hiermee, in de letterlijke zin van het woord, een brok historie in vlammen opgegaan.”

Gelukkig vond ik bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie enkele interviews met Cees Buijs waarin hij vertelde over zijn oorlogsbelevenissen. Maar nog altijd zingt zo nu en dan door mijn achterhoofd de vraag wat het kistje van Cees aan geheimen bevatte.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)