De verzetsstrijdster, de V-man en het verraad

De verraderlijke werkzaamheden van V-man Johnny de Droog spelen zich tussen 1942 en 1945 vooral af in Gelderland. Des te opvallender dat er soms Zaankanters opduiken in zijn nabijheid. Neeltje Root bijvoorbeeld. Is zij een ‘Gestapo-agente’ of een verzetsvrouw?  

Tijdens mijn zoektocht naar gebeurtenissen uit het leven van Arnhemmer Johannes Mattheus (‘Johnny’) de Droog -medewerker van de Sicherheitsdienst en een van de grootste Nederlandse verraders tijdens de Tweede Wereldoorlog- kom ik af en toe voorvallen tegen die gekoppeld zijn aan de Zaanstreek. De Droog bleek bijvoorbeeld betrokken bij de arrestatie van verzetsman Paul Kramer uit Wormer. Hij werkte in zijn laatste levensdagen nauw samen met een SD’er die later naar Zaandam vertrok. En hij deed in 1942 een poging om de verzetsbeweging op het Zaanse Hembrugterrein te ontmaskeren. Wat echter vooral in het oog sprong was de De Droogs manipulatiekunst, die van een in Zaandam geboren en getogen verzetsstrijdster een collaboratieverdachte maakte.

Duivel

Op 8 juni 1945 stuurt Tonny van der Geest een brief naar de Zaanse commandant. In de tekst is verbazing en onbegrip te lezen over het opsluiten van haar achternicht Neeltje Root ‘in de z.g. Sing-Sing te uwent’. Een onrecht is het volgens Van der Geest, omdat haar familielid ‘zeer illegaal werkzaam’ zou zijn geweest. De 49-jarige pensionhoudster Neeltje Root was inderdaad bijna twee weken eerder opgeborgen in de Zaandamse districtsgevangenis. De commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Renkum had namelijk om haar arrestatie verzocht. De reden: “Zij was met haar dienstbode (bekend als Coba) agente van de Gestapo en o.a. medewerkster van Johnie den Droge [sic], indertijd gesignaleerd in alle geheime bladen.”

Het is een zware beschuldiging. Johnny de Droog staat bekend als ‘een sadist in optima forma’, een vertrouwensman van de Sicherheitsdienst die honderden joden en illegale strijders heeft verraden. “In de concentratiekampen kenden ze hem evengoed als Adolf Hitler”, schrijft het Arnhems Dagblad in juni 1945. Een ander blad, Het Kompas, noteert rond diezelfde tijd over De Droog: “Men fluisterde dat dit nazi-individu een contract met de duivel had.” Zij die met deze gewetenloze oorlogsmisdadiger samenwerkten wacht een zware straf. Het ziet er dus somber uit voor Neeltje Root.

Tonny van der Geest snapt er niets van dat haar nicht is vastgezet tussen NSB’ers en SS’ers, als verdachte van vergaande collaboratie. In haar brief beklemtoont zij dat Neeltje de voorgaande jaren in haar pension De Buunder, in Wolfheze, joden en andere onderduikers heeft verborgen en hen van geld en goederen voorzag. “Voorts heeft zij bij de landing der Geallieerden op 17 September zoveel mogelijk gesteund en is in haar huis te Wolfheze o.a. het Hoofdkwartier der Geallieerden gevestigd geweest. Na 2 dagen onder Engels bewind te zijn geweest heroverden de Duitsers Wolfheze en werd zij genoodzaakt haar huis te verlaten. Daarna is zij naar Zaandam geëvacueerd. Ook hier heeft zij een geenzins anti-Vaderlandse houding aangenomen.”

De Zaandamse gevangenis in mei 1945

Nadat ze in oktober 1944 haar dorp moest verlaten, is ‘tante Nel’ inderdaad teruggekeerd naar haar geboorteplaats Zaandam. Ze maakt zich daar vervolgens nuttig als directrice van een noodziekenhuis. In de wetenschap dat haar mooie pension aan de Veluwerand door de gevechtshandelingen rond Arnhem  inmiddels grotendeels is verwoest, heeft ze een woning betrokken op het adres Stationsstraat 6. Daar verblijft ze tot op zaterdag 26 mei om 14.00 uur een Zaans lid van de Politieke Opsporingsdienst haar aanhoudt en opsluit. De verbouwereerde arrestante hoeft niet ver te lopen; de districtsgevangenis is gevestigd in de lagere school aan het eind van haar eigen straat. Neeltje Root reageert minstens zo verbijsterd als Tonny van der Geest. Hoe kan het dat zij, die jarenlang haar nek uitstak om joden en andere vervolgden te beschermen tegen de moffen, op één lijn wordt gezet met de fanatiekste Hitler-adepten? Wat heeft ze misdaan?

Voor een antwoord op die vraag moeten we terug naar Pasen 1943. Rond dat feestelijke weekend melden zich vrijwel tegelijkertijd enkele bezoekers met volstrekte tegengestelde belangen in Wolfheze. Margaretha en Isaäc Wallega uit Den Haag nemen onder valse voorwendselen hun intrek in De Buunder. Steeds meer joden uit hun woonplaats worden weggevoerd naar Westerbork en aansluitend een onbekende bestemming in het Oosten, en het echtpaar doet een poging aan dit lot te ontsnappen door als toeristen onder te duiken bij Neeltje Root. “Wij hadden haar niet verteld dat wij joden waren”, zal Margaretha Wallega later vertellen. “Het lag in onze bedoeling om daar zo lang mogelijk te blijven.”

Spion voor Engeland

Een paar honderd meter verderop klopt op Paaszondag een ander stel aan bij wegwerker Gerrit Kelderman. “Zij vroegen mij of ik voor hen een geit te koop had. Aangezien mijn enigste geit drachtig was, zei ik hen, dat ik misschien binnenkort wel een lam te koop had. Deze heer heeft toen wel drie van mijn konijnen gekocht, welke hij meenam toen hij met de dame weer vertrok.” Enige dagen later keert de ‘heer’ terug. Kelderman: “Hij vroeg mij toen of ik hem niet kende. Hij gaf voor mij wel te kennen en hij vertelde verschillende gebeurtenissen uit mijn verleden, die inderdaad op waarheid berustten. Hij vertelde verder, dat hij een spion was voor Engeland en belast was met het voorbereiden van een landing voor de geallieerden. Hij liet mij twee pistolen zien, welke hij onder zijn colbertjasje droeg. Hij vroeg mij of ik hem bij die voorbereidingen kon helpen, waarop ik bevestigend antwoordde. Ten bewijze dat ik zou helpen, kreeg ik van hem een penning met een gekroonde W erop. Hij vertelde dat hij de rang had van kapitein en Baassie werd genoemd.”

In werkelijkheid is ‘Baassie’ een van Johnny de Droogs alter ego’s. Hij heeft in de nabijheid een huisje gehuurd van waaruit hij zijn ondermijnende plannen voorbereidt. De SD-leiding heeft hem namelijk opdracht gekregen om op zoek te gaan naar de Wageningse broers Koos en Willem Westland. Zij worden verdacht van een poging om de Wageningse politiecommissaris W.A. Versteegh te liquideren. Probleem is dat de Sicherheitsdienst geen idee heeft waar deze verzetsstrijders zich verbergen. De Droog hoopt daarover in de omgeving van Wolfheze informatie te kunnen achterhalen.

De Geus

Johnny hoeft zijn naspeuringen niet alleen te doen. Zijn ondergeschikte Jean François Velle heeft zich inmiddels met de schuilnaam ‘Jaarsma’ gemeld bij Neeltje Root, in de wetenschap dat haar dienstbode Coba Janssen verkering heeft met Koos Westland. Zij weet, redeneren De Droog en hij, dus waarschijnlijk waar die is ondergedoken. “Omstreeks mei 1943 werd ik in de nabijheid van mijn huis aangesproken door een mij onbekende heer, die zich aan mij als Jaarsma voorstelde en die een landhuisje te huur vroeg. Vlak daarop kwam uit een huis in de nabijheid, bewoond door G. Kelderman, nog een persoon naar ons toe, die zich aan mij voorstelde als De Geus”, herinnert Neeltje zich twee jaar nadien. Johnny de Droog -want dat is De Geus’ echte naam- heeft zich weer eens een nieuw pseudoniem aangemeten. Neeltje: “Deze De Geus nam het gesprek van Jaarsma over en zeide dat zijn vriend Jaarsma als illegaal werker moest onderduiken. Zij waren beiden uit Engeland gekomen. Zij toonden hierop penningen met de beeltenis van de koningin erop. Nadat ik vroeg hoe het kwam dat zij, terwijl zij mij niet kenden, zo openhartig tegen mij waren, kreeg ik ten antwoord dat zij mij wel kenden en wisten dat ik aan onderduikers onderdak had verschaft en mijn medewerking aan het onderbrengen van joden verleend had. Ook zeiden zij dat zij wisten dat ik joden op bezoek kreeg. Ik heb hem toen mijn bemiddeling inzake de huur van een huisje toegezegd, daar ik volkomen te goeder trouw was en niet aan de waarheid twijfelde.”

Pension De Buunder (1929)

V-man De Droog en SD-agent Velle bijten zich stevig vast in hun prooien. Ze doen hun uiterste best om te achterhalen waar de broers Westland zich bevinden. Velle richt zich daarbij onder meer op Coba Janssen: “Hij waarschuwde me dat ik voorzichtig moest zijn en hij bood mij aan om levensmiddelen, geld etc. aan de Westlands over te brengen. Jaarsma vroeg mij of ik ook wist waar Arie woonde [Arie van der Klift, die met de Westlands samenwerkte]. Ook heeft hij mij, als ik per fiets naar Ede ging, ’s avonds onderweg wel eens opgewacht. Ik dacht dat hij dit deed om na te gaan of ik ook naar de Westlands ging.”

Coba geeft geen krimp, gepokt en gemazeld als ze inmiddels is door het vele illegale werk dat ze verricht. “Ik vertrouwde Jaarsma niet en heb daarom mevrouw Heitmann [de achternaam van Neeltjes overleden echtgenoot] gewaarschuwd, maar zij vertrouwde hem volkomen.” Dat is niet verwonderlijk. Neeltje Root is inmiddels namelijk smoorverliefd op de lange, slanke Jean François Velle alias Jaarsma. Die op zijn beurt doet, hoewel gehuwd, geen enkele moeite om die verliefdheid in te tomen. Er zijn meer mensen in haar omgeving die Neeltje op de risico’s wijzen, maar betoverd als ze is door het overtuigende toneelspel van De Droog en Velle schuift ze alle verdachtmakingen terzijde.

Westerbork

Het lukt de twee SD’ers desondanks niet om de verblijfplaats van de Westlands te achterhalen. Daarop gaan ze voor de ‘troostprijs’. Neeltje Root: “Daar Wallinga [ze bedoelt Isaäc Wallega] Jaarsma een keer bij ons gezien had, vroeg Wallinga mij wie die persoon was. Ik antwoordde hem: ‘Een collega van u, die illegaal werk verricht.’ Wallinga heeft mij gevraagd of ik hem in kennis wilde stellen met Jaarsma, daar het stilzitten hem verveelde. Daar heb ik toen geheel te goeder trouw voor gezorgd. Nadat het gesprek tussen Wallinga en Jaarsma had plaatsgevonden, vertelde Jaarsma mij, dat Wallinga en zijn vrouw joden waren en dat hij Wallinga had aangeboden hem naar een veiliger plaats te brengen, daar er in onze buurt razzia’s werden verwacht en indien mogelijk zij daarna weer bij mij teruggebracht zouden worden.”

Aldus geschiedt. Velle spreekt met het echtpaar Wallega af om hen onder te brengen in de vakantiewoning van ‘De Geus’ totdat de kust veilig is. De volgende middag verlaten ze gedrieën De Buunder.  Margaretha Wallega: “Tegen 13.30 uur vertrokken wij per fiets in de richting Arnhem. Ik stelde voor om langs de spoorbaan te gaan, maar Jaarsma vond het beter om via de Amsterdamseweg te gaan. Toen we een eindweegs op de Amsterdamseweg waren, kwamen er drie burgers uit het bos en zij gelastten ons te stoppen. Wij moesten onze persoonsbewijzen tonen en onze tassen, alsmede de tas van Jaarsma werden doorzocht.” De SD arresteert hen; Jaarsma voor de vorm, de Wallega’s met het oogmerk hen naar kamp Westerbork te deporteren.

In verzetsblad geplaatste waarschuwing tegen Johnny de Droog

Dat Margaretha Wallega na de oorlog haar verhaal kan vertellen, komt omdat zij en haar man er in slagen om te ontsnappen uit Westerbork. Ze duiken daarna tot aan de bevrijding onder in Enkhuizen, zij het zonder de 1440 gulden die ze achterlieten in De Buunder. Het spaargeld is een dag na hun arrestatie opgehaald door Velle. Hij maakte Neeltje Root wijs het naar de Wallega’s te zullen brengen. Het is de laatste keer dat Neeltje haar nieuwe liefde ziet. “Hij vertelde dat hem een zware taak te wachten stond en dat hij daarbij gaarne mijn zegen had. Hij vroeg mij of ik niet een soort talisman voor hem had en ik heb hem toen een klein gouden ringetje met een ingewerkt diamantje gegeven. Hij gaf mij op zijn beurt een vulpotlood.”

Andere onderduikers zijn nog minder fortuinlijk dan de Wallega’s. Op instigatie van De Droog worden in het nabije Heelsum enkele joodse kinderen opgepakt. Ze zullen korte tijd later sterven in de gaskamer, samen met hun ouders. Die, elders ondergedoken, hebben zich namelijk uit wanhoop bij de Sicherheitsdienst gemeld na te hebben vernomen dat hun kinderen zijn weggevoerd. Enkele weken later houdt de Sicherheitsdienst een razzia in Wolfheze en omgeving. Daarbij worden op basis van de door De Droog verstrekte informatie tientallen mannen opgepakt, onder wie enkele verzetsstrijders. Een deel van de slachtoffers belandt in het concentratiekamp.

Gevangenis

Tijdens hun naoorlogse verblijf in de gevangenis ontdekken Neeltje Root en Coba Janssen -zij is eveneens gearresteerd, op verdenking van medeplichtigheid- welke verradersrol de politie hen toedicht. Het duurt vele weken en talloze getuigen- en verdachtenverhoren voor helder is dat Root en Janssen zijn bedrogen door Johnny de Droog en Jean François Velle. Pas dan mogen Neeltje en Coba de gevangenis verlaten, flink beschadigd en wantrouwend bekeken door hun omgeving.

Jean François Velle (rechts) bij zijn installatie als korpschef in Winterswijk, 1944

De Droog ontsnapt aan een arrestatie en veroordeling; hij wordt op 19 februari 1945 met een kogel in zijn hoofd aangetroffen. Velle wordt wel naar de rechtbank  geleid. Tot het laatst toe houdt hij daar vol zelf ook joden te hebben gered en het slachtoffer te zijn van onder meer De Droog. Hij weigert ook maar enige verantwoordelijkheid op zich te nemen. De gevangenispsychiater oordeelt dat Velle ‘een slappe, wilszwakke man [is] zonder behoorlijke ruggengraat die met een natte vinger te lijmen is en, zoals ook uit zijn liefdesleven blijkt, van het een naar het ander zwalkt’.  Al zijn leugens baten Velle niet. In 1951 wordt hij onherroepelijk veroordeeld tot achttien jaar cel. Na zijn straf te hebben uitgezeten, trouwt hij met een gevangenbewaarster en begint in Amsterdam een schildersbedrijf. Op 25 april 1970 overlijdt hij, 66 jaar oud.

Neeltje Root keert nooit meer terug naar De Buunder. Ze wordt directrice van een bejaardentehuis in Beverwijk, de plaats waar ze ook haar pensioen bereikt.

De laatste exemplaren van ‘Eisendrath’

Het is hard gegaan met de verkoop van Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945). De reacties op deze familiegeschiedenis waren vaak emotioneel, maar zonder uitzondering positief. “Het boek grijpt je bij de keel”, oordeelde het Noordhollands Dagblad. Waarschijnlijk mede door die impact slonken de stapels snel in de boekhandels.

Op dit moment, drie weken nadat de verkoop begon, zijn er nog maar enkele tientallen exemplaren verkrijgbaar van de publicatie over de Zaans-joodse familie Eisendrath. Bestellen kan via elke Nederlandse boekwinkel of door €17,95 over te maken naar het Bureau Discriminatiezaken in Zaandam. Wacht niet te lang, want het is zeer de vraag of er een herdruk komt.

(Alweer) een monument met dubieuze namen

In mei 2017 besteedde de Volkskrant enkele artikelen aan oorlogsmonumenten in Enspijk, Leidschendam-Voorburg en Amsterdam met ‘foute’ namen. Maar ook de Zaanstreek beschikt over zo’n eerbetoon aan dubieuze personen.

Een SS’er op een gedenkplaats voor oorlogsslachtoffers in het Gelderse Enspijk haalde in het voorjaar van 2017 de nationale media. Drie maanden eerder viel die ‘eer’ ten deel aan een nazistische fotograaf. Hij stond abusievelijk als joods slachtoffer in de herdenkingsboeken en op een muurplaat in de Hollandsche Schouwburg. Inmiddels zijn hun namen verwijderd, evenals dat elders gebeurde na de ontdekking van collaborateurs op oorlogsmonumenten.

Vooralsnog gaat dat niet op in de gemeente Wormerland. Het monument in de Zaandammerstraat ‘is opgericht ter nagedachtenis aan alle mensen die vanuit Wormer zijn gedeporteerd en in interneringskampen zijn omgebracht, en aan diegenen die in Wormer door oorlogshandelingen om het leven zijn gekomen’. Aan die keurige formulering op de website van het Nationaal Comité 4 en 5 mei mankeert niets. En toch wringt er iets.

Tussen de namen van vermoorde lokale verzetsstrijders als Jan van Hinte, Paul Kramer en Jan Kuijper staan twee ‘Fremdkörper’. Ook zij vonden -triest genoeg- de dood in Duitse gevangenschap. Hun route naar de ondergang had echter wel een totaal ander verloop dan de andere nazislachtoffers. Sterker, een ondergronds medewerker van de Ordedienst als Jan van Hinte is wellicht indirect in het concentratiekamp beland door dit tweetal. En hij was de enige niet. Dat roept de vraag op of ‘J. Kerkhoven’ en ‘T. van Kleef’ thuishoren op een oorlogsmonument dat toch vooral bedoeld is om onschuldige slachtoffers te memoreren.

Het oorlogsmonument aan de Zaandammerstraat

Waakzaamheid

In 2012 schreef ik over de jaren 1940-’45 een hoofdstuk voor het boek De Waakzaamheid. Die horecagelegenheid in Koog aan de Zaan was -zeker gedurende het eerste oorlogsjaar- een centrum van verzet tegen de nazi’s. In mijn bijdrage noemde ik Waakzaamheid-kelner Jacob Kerkhoven en diens maat Theodorus van Kleef. Deze twee inwoners van Wormer waren op de hoogte van de illegale werkzaamheden die de Waakzaamheid-eigenaars Louise en Hendrik Ero en hun mede-verzetsstrijder Evert Honig uitvoerden. Naar het schijnt verrichtten Kerkhoven en Van Kleef zelf ook ondergrondse activiteiten.
Het ging echter mis toen ze in aanraking kwamen met Johannes Bernardus van Ligten, een V-mann van de Sicherheitsdienst. ‘Johnny’, zoals Van Ligten zichzelf introduceerde, deed zich voor als geallieerd geheim agent en poogde zo te infiltreren in de Zaanse tak van de Ordedienst.

SD-medewerker ‘Johnny’ van Ligten

Vanaf dat moment stapelden de belastende verklaringen over Kerkhoven en Van Kleef zich op. Ze schepten op dat ze na diens ontmaskering ‘Johnny’ hadden gedood en zijn lijk in het Zwet hadden verborgen. Ze pochten openlijk over hun gefantaseerde moord. Overlevenden van de verzetsgroep verklaarden na de oorlog dat het duo hun medestrijders probeerde te chanteren en zwijggeld eiste. ‘Chicaneurs’, noemde een wel bonafide verzetsstrijder van de Ordedienst hen in 1946. Een naoorlogs rapport van de Koogse ondergrondse: “Van Kleef was inmiddels vreselijk aan het drinken geraakt en flapte in een dronken bui er alles uit.” Waarschijnlijk als gevolg van hun gepoch werden Kerkhoven en Van Kleef kort na de andere leden van de Zaanse Ordedienst eveneens gearresteerd. Ze belandden in een concentratiekamp en zouden dat niet overleven.

Jacob Kerkhoven

Theodorus van Kleef

Nog tijdens het onderzoek voor het te schrijven hoofdstuk over De Waakzaamheid nam ik contact op met de verantwoordelijken achter de Erelijst van Gevallenen; het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Die Erelijst ‘bevat de namen van degenen die in de Tweede Wereldoorlog als militair of als verzetsstrijder voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn gevallen.’ Onder wie sinds 1960 Jacob Kerkhoven. Ik sprak per mail mijn verbazing uit over deze plaatsing. Na een tijdje ontving ik een antwoord: “Inderdaad roept de rol die Kerkhoven binnen de Zaanse illegale organisatie heeft gespeeld de nodige vragen op; van opzettelijk dubbelspel waarbij hij de overige illegale werkers ten eigen bate aan de Duitsers heeft willen uitleveren, zijn wij echter niet overtuigd.”
Ik stuurde nog wat aanvullend bewijs: een verwijzing naar Kerkhoven in het ondergrondse blad Contrasignaal (‘heeft de Zaandamse organisatie verraden’) en naar het strafrechtdossier van ‘Johnny’ van Ligten, dat eveneens hints bevatte over Kerkhovens dubieuze rol. Op die tweede mail kwam echter geen reactie meer.

In februari 2017 publiceerde Lida Sanders haar boek Louise, vrouw in verzet. Hoewel een roman heeft Sanders zich lang verdiept in de lotgevallen van het echtpaar Ero en hun omgeving. De basis van haar verhaal is dan ook zeer feitelijk. Ook zij kon er niet omheen: Van Kleef en Kerkhoven spelen in haar publicatie een zeer dubieuze rol als chanterende en manipulerende drinkebroeders.

In een artikel van de Volkskrant komt naar voren dat het erg veel moeite kost om foutloze oorlogsmonumenten te realiseren (zie ook mijn artikel over die andere Zaanse gedenktekens met missers). Het lijkt er op dat de Zaanstreek wat dat betreft geen uitzondering vormt. Gaat het om spelfouten of verkeerde data, dan is de schade nog wel te overzien. Maar waar mensen met een flinke smet op hun blazoen op hetzelfde podium zijn gehesen als verzetsstrijders die hun weerstand met de dood moesten bekopen gaat het flink mis.
Ik denk dat het geen kwaad kan om nog eens kritisch te kijken naar dat oorlogsmonument in Wormer. En als we dan toch bezig zijn, verdient de Erelijst van Gevallenen misschien ook wat aandacht.

Gevluchte oorlogsmisdadiger leverde gastarbeiders voor Zaanse wapenfabriek

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevond zich op het Hembrugterrein een van de grootste en belangrijkste Zaanse verzetshaarden. Zowel tientallen werknemers als de directeur waagden daar hun leven in de strijd tegen het nazisme. Desondanks ging deze wapen- en munitiefabriek begin jaren ’70 in zee met de tot levenslang veroordeelde, maar naar Spanje gevluchte oorlogsmisdadiger Auke Pattist.

Auke Pattist in SS-uniform, jaren ’40

Douwe Soepboer, Frans den Hollander, Sjef Swolfs; het zijn maar drie van de talloze medewerkers op het Hembrugterrein die tussen 1940 en 1945 in opstand kwamen tegen de Nieuwe Orde. Terreinbewaker Soepboer en directeur Den Hollander overleefden met het nodige geluk de bezettingsjaren, laborant Swolfs stierf voor het vuurpeloton. Dat lot was na de oorlog ook hun tegenstander Auke Bert Pattist (Bilthoven, 9-10-1920) toebedeeld, als het aan de openbaar aanklager had gelegen. “Over ’t algemeen ben ik geneigd in zaken van voortvluchtige delinquenten een levenslange hechtenis te vragen”, sprak procureur-fiscaal J.E. de Ranitz in september 1948. “Ook houd ik mij het liefst verre van een ingrijpende straf als de doodstraf. In deze zaak zie ik evenwel geen andere mogelijkheid dan het Hof te verzoeken deze verdachte tot de doodstraf te veroordelen.” Het Bijzonder Gerechtshof besloot Auke Pattist een levenslange celstraf te geven.

Dat het zover niet kwam, had te maken met Pattists ontsnapping uit gevangenschap. Bij een bezoek aan de tandarts sloeg hij op de vlucht en wist uiteindelijk, via Duitsland en Frankrijk, in 1951 Spanje te bereiken. Onder het fascistische Franco-bewind verkreeg hij de Spaanse nationaliteit. Nederlandse uitleveringsverzoeken haalden niets uit; tot zijn dood bleef Pattist in Spanje.

‘Klappen’

Dat Pattist geen kleine oorlogsmisdadiger was, blijkt uit oude krantenverslagen en zijn strafdossier bij het Nationaal Archief. Onder invloed van zijn NSB-vader en -moeder bezocht Pattist na zijn middelbare school het door de Duitsers opgerichte nationaalsocialistische politie-instituut Schalkhaar. In 1942 behaalde hij zijn diploma en vertrok naar Amsterdam. Zijn politie-eenheid hield zich daar bezig met het oppakken van duizenden joden.

Auke Pattist als tiener met zijn ouders

In oktober 1943 trad Pattist toe tot de Waffen-SS, het jaar daarop bevond hij zich met tachtig rekruten in Hollandscheveld. Zijn verblijf in die Drentse plaats zou hem de titel ‘Beul van Hollandscheveld’ opleveren. Hij joeg met zijn collega’s fanatiek op joden en verzetsmensen en maakte zich schuldig aan martelingen. “Ik kan en wil niet ontkennen dat er zich te Hollandscheveld door ons heel wat heeft afgespeeld wat onmenselijk was”, zou Pattist na de oorlog verklaren. “Tijdens de verhoren werden de arrestanten mishandeld door hen met de vlakke hand in het gezicht te slaan ofwel met de steel van een granaat te slaan. Ook is het voorgekomen dat de arrestanten door slagen met een karwats in het gezicht tot een bekentenis werden gedwongen.” Er waren geen alternatieven, meende de ‘beul’. “In een oorlog vallen nu eenmaal klappen. Ik had de opdracht om zoveel mogelijk tegenstanders van ons systeem uit de weg te ruimen”, verweerde Pattist zich in 1979 tijdens een zeldzaam tv-interview.

Pattist als Untersturmführer

Artillerie-Inrichtingen

In het Spaanse Oviedo werd Pattist directeur van een vertaalbureau. De Hoogeveense amateur-historicus Albert Metselaar spoorde hem daar op en begon in de jaren ’90 een briefwisseling met de man die hoog stond op de lijst met gezochte oorlogscriminelen. Daarbij kwam onder meer het werk ter sprake dat Pattist had verricht voor het in Zaandam gevestigde Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen (A.I.), het latere Eurometaal en in de volksmond Hembrug geheten. “In ’72 of ’73 vroeg een vakantiekennis, toentertijd onderdirecteur van Hembrug, mij of ik gastarbeiders wist voor zijn fabriek”, schreef Pattist aan Metselaar. “Ik plaatste een advertentie in een provinciale krant en de volgende dag stonden er ongeveer 300 mensen voor mijn deur. Na een uur kreeg ik bezoek van een politie-inspecteur, die proces-verbaal opmaakte omdat de Spaanse staat het monopolie had op het uitzenden van gastarbeiders. Ik kreeg een boete van 2000 gulden en heb toen direct Hembrug gebeld.”

De weduwe van de ‘vakantiekennis’, C. de Rochemont, bevestigde desgevraagd het contact. Volgens Pattist werd de boete dankzij de Nederlandse ambassade teruggebracht tot 200 gulden. Een delegatie van drie medewerkers van de Artillerie-Inrichtingen en een ambassade-attaché zouden Pattist enkele weken later thuis hebben bezocht. “Daar hebben we samen met een gedelegeerde van de Spaanse immigratiedienst drie dagen lang gastarbeiders gekeurd en samen gegeten, geborreld en gekletst. Die boete van 200 gulden werd door Hembrug als bedrijfskosten opgevoerd”, aldus de veroordeelde oorlogsdelinquent. “De namen van de heren herinner ik me helaas niet meer. Voor mij was het gewoon een vertaalklus. Twee jaar later kwamen ze nog eens terug voor zaken met een wapenfabriek in Asturias. Hembrug was inmiddels opgeslokt door Eurometaal.” Vier jaar daarna had hij in Oviedo contact met twee voormalige A.I.ingenieurs. “Samen met twee Duitsers van Dynamit-Nobel en de voormalige Waffen-SS-kolonel Otto Skorzeny hebben we samengewerkt in verband met een verdrag met een Spaanse kanonnenfabriek. En dit alles onder mijn eigen naam en adres.”

Van Mierlo

Minister Van Mierlo bevestigde in 1995 na vragen van GroenLinks de werving van A.I.-arbeiders en de attachébemiddeling over de opgelegde boete. Volgens hem vond een en ander al plaats in 1970. De inspanningen van de Artillerie-Inrichtingen, Eurometaal en rijksoverheid zijn des te merkwaardiger, omdat Auke Pattist bekendstond als nationaalsocialist. Tot aan zijn dood maakte hij geen geheim van zijn nog altijd levende liefde voor het nazisme. Zijn naoorlogse proces had de dagbladen gehaald. En in het logo van zijn vertaalbureau prijkte een nazistisch runenteken.

Het logo van Pattists vertaalbureau

De gang van zaken roept de vraag op of de betrokkenen destijds ziende blind waren, simpelweg omdat hen dat beter uitkwam. Hoe dan ook, Pattist kon zijn werkzaamheden ongestoord uitvoeren en wist ondanks uitleveringsverzoeken uit handen te blijven van de Nederlandse rechters. Nadat de Spaanse rechtbank in 1983 een stokje stak voor zijn uitlevering poseerde Pattist triomfantelijk voor de camera, een glas champagne in de hand. Het duurde tot maart 2001 voor hij in zijn nieuwe thuisland overleed, 80 jaar oud.

Pattist proost op het mislukken van zijn uitlevering, 1983

Hier een Brandpunt-documentaire uit 1994 over Auke Pattist.

De dood van een slagersknecht

Het neerslaan van de Februaristaking kostte in de Zaanstreek één persoon het leven. Op 26 februari 1941 werd slagersknecht Jan Keijzer dodelijk getroffen door een Duitse kogel.

Jan Keijzer (Middelie, 26-7-1920) groeide op in zijn geboortedorp, maar ging kort voor de bezetting van Nederland in de leer bij de Zaandamse slager Jan Honingh. Die had zijn winkel en woning aan de Hoogendijk 50. Kort tevoren was een eerdere knecht vertrokken en Honingh kon wel een nieuwe hulp gebruiken. Keijzer nam zijn intrek bij het echtpaar Honingh en hun kinderen, vastbesloten om het slagersvak onder de knie te krijgen.


Hoogendijk 50 (het witte pand) na de oorlog

Op 26 februari 1941 was Jan niet aan het werk. Net als vrijwel alle andere Zaanse ondernemingen hield slagerij Honingh die woensdag de deuren gesloten. Een etmaal eerder had de tegen jodendeportaties en Duits machtsmisbruik gerichte Februaristaking de Zaanstreek bereikt. Waar op dinsdag de werkonderbreking nog beperkt bleef tot enkele duizenden arbeiders, leek het de 26ste wel alsof iedereen zich bij de revolte aansloot. Dicht opeengepakt liepen de mensen door de Westzijde en over de Dam. Sommigen vergeleken het tafereel later met de viering van Derde Pinksterdag, het jaarlijkse Zaanse feest dat herinnerde aan het verdrijven van de Spaanse bezetter, vier eeuwen eerder. Gezinnen wandelden ’s middags in hun zondagse kleding langs de gesloten etalages in het stadshart. De sfeer was vrolijk en strijdbaar, alsof de Duitse bezetting zijn laatste uren inging.

In de namiddag ging Jan Keijzer naar een collega-slagerij, die van Kluft. Het was slechts enkele tientallen meters lopen van Hoogendijk 50 naar de om de hoek gelegen Nicolaasstraat 7. Pieter Honingh: “M’n vader had nog tegen hem gezegd dat hij maar beter niet de straat op kon gaan, omdat het er zo’n rommeltje was. ‘Ga maar uitbenen’, had hij hem gezegd. Maar ja, Jan ging toch kijken. (…) Op een gegeven moment waarschuwde mijn moeder dat er koffie was, maar Jan kwam niet. Hij was zonder wat te zeggen toch de deur uitgegaan. (…) Hij kende de mensen van Kluft, dus daar ging hij heen.”

http://images.memorix.nl/zaa/thumb/250x250/b00e7fee-62be-420d-b4b0-2ebee3c825cb.jpg Slagerij Kluft na de oorlog

Te beleven viel er inderdaad genoeg. Vanuit slagerij Kluft had je een goed zicht op de Dam, het drukste stukje Zaandam. Er werd daar geestdriftig gepraat en gespeculeerd. Even verderop joegen mensen NSB’ers op. De angstige nationaalsocialisten zochten een veilig heenkomen. In het verlengde van de Nicolaasstraat sneuvelden ramen bij ‘deutschfreundlichen’. De Zaandamse politie deed weinig om de opwinding in goede banen te leiden. De meeste agenten konden zich wel vinden in de vrijheidsgedachten achter de staking. Het wachten was op ingrijpen door de Duitsers.

Ordnungspolizei

Vader en zoon Kluft en Jan Keijzer stonden samen met een andere slagersknecht, Jan Hein, voor de winkel vlakbij de hoek Nicolaasstraat/Hoogendijk. Cornelis Kluft sr. had uit voorzorg de luiken van de slagerij gesloten. Het was inmiddels even na vier uur ’s middags. “Plotseling zag ik vanaf de Hoogendijk (…) een groot aantal personen hard de Nicolaasstraat inlopen, waaruit ik begreep dat vanaf de Hoogendijk de mensen verjaagd werden”, vertelde Kluft later die dag. Het groepje deed uit voorzorg een paar stappen naar achteren, van de stoep naar de deuropening van de slagerij. Jan Hein: “Plotseling kwam vanaf de Hoogendijk een groot aantal mensen hard lopende langs ons heen, dat zich in alle richtingen verspreidde. Vermoedende dat er iets bijzonders ging gebeuren, ging ik met mijn patroon en Keijzer in de winkel staan.” Kluft sr.: “Nog maar juist binnen zijnde zag ik, terwijl de deur nog openstond, een auto van de Duitse Ordnungspolizei met grote snelheid op de Hoogendijk in de richting van de Damstraat rijden.”

Vanuit het winkelportiek konden ze de grijs geschilderde militaire vrachtwagen duidelijk zien. In de laadbak bevonden zich een stuk of twintig Duitse leden van de Ordepolitie. Kluft: “Vóór ik bedoelde auto zag, hoorde ik van dichtbij meerdere schoten lossen. (…) Degenen die zich het dichtst bij de cabine bevonden, stonden met het gelaat voorwaarts, terwijl de rest zich zittend of geknield met het gezicht in achterwaartse richting bevond. Allen hadden het geweer in aanslag. Toen deze wagen ongeveer ter hoogte reed van dr. Bax, Hoogendijk no. 16 alhier, zag ik dat een der daarop aanwezige militairen zijn geweer aan de schouder bracht, in onze richting aanlegde en een schot loste. Ik sprong onmiddellijk achter de stenen muur naast mijn winkelraam en mijn knecht en Keijzer sprongen achterwaarts in de winkel en vielen op de grond.”

Czaar Peter

Er werd zowel over de hoofden van demonstranten heen als gericht gevuurd. Na de oorlog vertelde een andere getuige: “Ik liep bij het Czaar Peter-standbeeld in Zaandam toen er een vrachtwagen met een ploeg moffen erop al schietend de Dam op kwam rijden. Ik hoor nog het geratel van de kogels op dat ijzeren bord boven de Hema. Als ik langs het standbeeld fiets, dan kijk ik altijd nog even naar de gerepareerde kogelinslagen.” De munitie sloeg gaten in gevels en belandde in woningen. Het bleef echter niet bij materiële schade.

Jan Hein: “Plotseling hoorde ik een schot, waarna ik mij achterover de winkel liet vallen. Ik hoorde iets langs mijn hoofd fluiten en meende, toen ik op de grond lag, dat ik gewond was. Het suisde steeds in mijn linkeroor. Keijzer, die links naast mij in de winkel had gestaan, viel gelijk met mij. Toen ik opstond, zag ik dat hij aan zijn kin bloedde. Van schrik heb ik mij hierover niet bekommerd, doch ik ben eerst in de woonkamer achter de winkel gegaan.”

Cornelis Kluft reageerde wel alert en verleende eerste hulp: “In verband met de hevigheid van de bloeding trachtte ik de wond dicht te drukken, waarna ik zag dat het bloed ook uit zijn mond kwam. Ik zei enige malen tegen hem dat hij dat bloed moest uitspuwen. Keijzer knikte slechts met zijn hoofd en heeft verder geen teken van leven meer gegeven.” De twintigjarige Jan stierf, liggend in een almaar groeiende bloedplas, binnen enkele minuten. Enkele door Jan Hein te hulp geroepen verpleegsters van het St. Janziekenhuis konden niets meer betekenen.

 Jan Keijzer rond 1940

De kogel had Keijzers gezicht geraakt en zijn lichaam aan de achterkant verlaten. In de woorden van de Zaandamse arts/lijkschouwer Willem Levend: “Er bestaat een inschotopening rechts aan de kin en een uitschotopening aan de rugzijde ter hoogte van de zesde halswervel. Dood ten gevolge van het bekomen letsel.”

Het fatale stukje metaal had ook de betimmering van een achterliggende koelkast doorboord, een gat geslagen in de betegeling aan de binnenkant van de koeling en een lat gespleten, om te eindigen in een stuk kalfsvlees. Jan Honingh peuterde de zwaar beschadigde geweerkogel nog dezelfde avond uit de kalfsbil en gaf het bewijsmateriaal mee aan een politieman. Later kreeg hij het door een agent achterovergedrukte voorwerp terug. Het zou nog 75 jaar door het gezin worden bewaard, om vervolgens te worden overhandigd aan een lid van de familie Keijzer.

De Zaandamse politie nam contact op met de burgemeester van Middelie, die op zijn beurt Keijzers’ ouders inlichtte. Om zeven uur ’s avonds identificeerden zijn haastig naar Zaandam gereisde moeder en een zwager het slachtoffer. Zijn lichaam mocht van Zaandam naar Middelie worden vervoerd en daar begraven, mits daar geen openlijk rouwbeklag aan werd gekoppeld. De Officier van Justitie gaf op 27 februari schriftelijk toestemming voor een begrafenis, waarna burgemeester Drost regelde dat Jan Keijzer naar zijn voormalige woonplaats werd vervoerd. Op 1 maart werd hij, gedragen door de buren en slechts begeleid door naaste familie, op de begraafplaats van Middelie ter aarde besteld. Andere aanwezigen waren niet welkom. Jan droeg het witte slagersjasje dat hij de dag van zijn dood ook aanhad.

In een Zaanse krant verschenen twee rouwadvertenties, van zowel ‘de Buren en de Zaandamsche Slagersvereeniging’ als van de familie Honingh. Opvallend is dat in beide berichten werd gesproken over ‘een noodlottig ongeval’, als betrof het een dodelijke aanrijding. Het omfloerste taalgebruik sloot aan bij hetgeen de familie in Middelie van overheidswege te horen kreeg.

Voor zijn moeder kwam de dood van Jan Keijzer zo hard aan dat ze in oktober 1941 zelf ook overleed, slechts 60 jaar oud. Haar echtgenoot, Jacob, stierf een jaar later vereenzaamd. Het was 25 december 1942, een dag voor de verjaardag van zijn zoon Dirk. Kerstmis zou in de familie Keijzer nooit meer een feestdag zijn.

(Met dank aan de heer D. Keijzer)

Op 25 februari 2017 verschijnt mijn boekje De Februaristaking in de Zaanstreek. Daarin is voor het eerst gedetailleerd beschreven hoe de Februaristaking in deze regio uitpakte. De publicatie bevat ook vier unieke, in 2016 gevonden stakingsfoto’s uit Zaandam. Tot dan toe waren er slechts twee, in Amsterdam gemaakte foto’s waarvan onomstotelijk vaststaat dat ze de Februaristaking weergeven.
De Februaristaking in de Zaanstreek (64 pagina’s, €12,50) is verkrijgbaar via elke boekhandel en bij Uitgeverij Noord-Holland.

 

De Februaristaking in de Zaanstreek

De Februaristaking was de grootste werkonderbreking die de Zaanstreek ooit heeft gekend. Van 25 tot en met 27 februari 1941 legden duizenden Zaankanters het openbare leven volledig plat. Niet eens om een hoger loon of betere arbeidsomstandigheden af te dwingen – tot dan de gebruikelijke stakingseisen –, maar als steunbetuiging aan de joodse bevolking. Het enige grootschalige en openlijke verzet tegen de jodenvervolging in Europa was een feit. De Duitse machthebbers werden compleet verrast door deze opstand. Vanaf dat moment zou de Tweede Wereldoorlog in Nederland een ander aanzien krijgen.

Een nieuw boekje, De Februaristaking in de Zaanstreek, geeft een helder overzicht van zowel de aanloop naar als het verloop van dit massaprotest, dat nergens langer duurde dan aan de boorden van de Zaan. Het bevat de enige foto’s die van deze werkonderbreking in de Zaanstreek zijn gemaakt en nooit eerder gepubliceerde documenten die een nieuw licht werpen op deze uitzonderlijke revolte tegen het door de nationaalsocialisten uitgedragen antisemitisme. De foto’s zijn dermate bijzonder dat het Achtuurjournaal er op 22 februari 2017 ruim aandacht aan schonk. Ze leidde tevens tot een uitvoerige reportage in Vrij Nederland van diezelfde maand.

De Februaristaking in de Zaanstreek – een coproductie van Geke van de Kamp, Sander Wegereef en Erik Schaap – kost €12,50 en is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en bij Stichting Uitgeverij Noord-Holland.

Pieter van den Heuvel: het vergeten verzetsslachtoffer uit Oostzaan

Oostzaan telt één verzetsman wiens leven eindigde voor het vuurpeloton. Maar vreemd genoeg ontbreekt in zijn woonplaats elke herinnering aan Pieter van den Heuvel.

Ik ontdekte zijn naam bij toeval. Pieter van den Heuvel uit Oostzaan zou een verzetsman zijn geweest die op 19 november 1942 in Soesterberg werd gefusilleerd, samen met 32 anderen. De nog maar 26-jarige machinebankwerker behoorde daarmee tot de eerste Zaankanters die ter dood werden veroordeeld en zou de enige Oostzaner blijven die dat lot onderging. Maar wie was hij? En waarom kreeg hij de kogel?

Volgens de Erelijst van gevallenen kwam Pieter van den Heuvel op 10 december 1915 ter wereld in Haarlem. De website van de Oorlogsgravenstichting noemt echter Vlaardingen als geboorteplaats. Die laatstgenoemde gemeente stemt overeen met zijn in Oostzaan opgemaakte overlijdensakte.

In de marge van deze akte heeft gemeentesecretaris Marcelis C. Beerling (die tijdens de oorlog zelf ook in het verzet actief was) geschreven: “Let wel, 1942!! Terechtgesteld, illegaal werker.” De doodsoorzaak was dus bekend in Oostzaan. Op de overlijdensakte is ook te lezen  dat Pieter gehuwd was met Wilhelmina Alida Bertholee en werkte als machinebankwerker. Dat beroep wordt bevestigd in het Zaanse adresboek van 1941. Pieter woonde destijds met zijn echtgenote op het Zuideinde A 202A.

Het zijn de enige verwijzingen naar Oostzaan. Een antwoord naar het waarom van zijn voortijdige en gewelddadige dood is daarmee echter nog niet gegeven. In het boekje Waar recht tot onrecht wordt, wordt verzet een plicht. Verhalen van Oostzaners uit de Tweede Wereldoorlog is niets te vinden over Pieter van den Heuvel. Op de twee oorlogsmonumenten die Oostzaan telt, ontbreekt zijn naam eveneens. De enige verzetsman uit het dorp die zijn weerstand met de dood moest bekopen, lijkt weggevaagd te zijn uit de Oostzaanse geschiedenis.

In de teksten over de ’33 van Soesterberg’ die over het internet zwerven is alleen te vinden dat Pieter van den Heuvel één van de twee gefusilleerden was ‘die afzonderlijk verzetsactiviteiten hadden bedreven en niet tot enige verzetsgroep hadden behoord’. Zo staat het ook op de herinneringsplaquette in Soesterberg waarop de 33 geëxecuteerde mannen worden genoemd.

Het laatste spoor van Pieter van den Heuvel uit de tijd dat hij nog op vrije voeten was, is te lezen in een Amsterdams politierapport de dato 23 oktober 1941. Hij deed toen aangifte van een gestolen fiets ‘voor perceel v. Oldenbarneveldstr. 16’, een woning in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt.

In het boekje De drieëndertig van Soesterberg (1974) is nauwelijks meer te vinden over Van den Heuvel. Wel wordt daarin het een en ander verteld over de andere mannen met wie hij voor het vuurpeloton stond. Het waren leden van verschillende verzetsgroepen; het Oranjevendel (vier leden), een groep Amsterdamse communisten (dertien leden, onder wie de aanjager van de Februaristaking, Willem Kraan) en veertien vertegenwoordigers van een verzetsorganisatie uit de regio Deventer/Terwolde/Twello/Voorst. Naast Van den Heuvel was er nog één andere gevangene die niet aan bovenstaande groepen gekoppeld kon worden.

De auteurs van De drieëndertig van Soesterberg haalden alleen Van den Heuvel personalia aan en voegden verder, bij gebrek aan informatie, slechts twee zinnen toe: “Hij woonde te Oostzaan en was actief in het plegen van verzetsdaden, doch behoorde niet tot een plaatselijke verzetsorganisatie. Zijn arrestatie, waarvan de datum ons onbekend gebleven is, heeft niet in zijn woonplaats plaatsgevonden.”

De 33 mochten afscheidsbrieven schrijven alvorens op 19 november 1942 naar vliegveld Soesterberg te worden vervoerd. De fusillade vond ’s middags plaats bij de schietbaan naast het vliegveld. De terdoodveroordeelden stonden opgesteld voor de flank van een aarden kogelvanger toen de schoten vielen. Kort na de bevrijding werden hun lichamen teruggevonden. Op die plek verrees nadien een ruwhouten kruis met het opschrift: “Hier werden vele Nederlanders door Duitse hand gefusilleerd.” Elk jaar vindt bij dat monument op 4 mei een herdenkingsplechtigheid plaats.


De 33 van Soesterberg, opgebaard in de Grote Kerk van Deventer (1945)

Van bijna alle verzetsstrijders die op die novembermiddag van 1942 werden vermoord is bekend waarom dat hun lot werd. Van Pieter van den Heuvel niet. Hij is opnieuw ter aarde besteld op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Daar eindigt het spoor. Of weet er iemand meer over Pieter van den Heuvel? Ik houd me aanbevolen: info@schaapschrijft.nl.


Nieuwe Oosterbegraafplaats, Amsterdam

Het verborgen leven van Abraham Wijnberg, uitvinder van de Norit

Toen de firma Norit – van de koolstof en de darmreinigende tabletten – in 2016 haar eeuwfeest vierde, leidde dat uiteraard tot de nodige publiciteit. Merkwaardig genoeg bleef de rol van founding father Abraham Wijnberg daarbij grotendeels buiten beeld. Het lijkt wel alsof deze schuchtere, joodse zakenman buiten de geschiedenisboeken moest blijven.

Norit is in de loop der decennia uitgegroeid tot een onderneming met meerdere filialen in binnen- en buitenland en een jaaromzet van honderden miljoenen euro’s. Het bedrijf ontwikkelde zich zelfs tot grootste exporteur van koolstoffen ter wereld. Sinds 2012 is Norit in handen van de Amerikaanse multinational Cabot Corporation. In de stad waar het allemaal begon, Zaandam, draait de fabriek echter als vanouds. Met dank aan de geheimzinnige oprichter, Abraham (‘Ab’) Wijnberg (Amsterdam, 26-6-1878/Aalsmeer, 29-9-1961).

In het najaar van 2016 wijdde het Noordhollands Dagblad twee volle pagina’s aan het bedrijfsjubileum. Daarin viel de naam Abraham Wijnberg één keer, als oprichter van de Norit Witsuiker Maatschappij. Het was een wat mager eerbetoon aan deze uitvinder/bedrijvenbouwer. Maar wellicht had de wereldschuwe Abraham Wijnberg dat ook een beetje aan zichzelf te wijten.

Ab kwam in Amsterdam ter wereld als derde van twaalf kinderen in het joodse gezin van sjouwer-verver Isaac Jacob Wijnberg (1849-1926) en Eva Tunninge (1852-1918). Zijn ouderlijke woning stond aan de Plantage Muidergracht 24, een armoedige, grotendeels joodse omgeving. Het toeval wil dat uitgerekend op die plek decennia later het Chemisch Propedeutisch Laboratorium van de UVA zou worden gebouwd, de studierichting waarin de jonge Ab Wijnberg zou excelleren.


Plantage Muidergracht, eind negentiende eeuw

Dat hij het zo ver zou schoppen, mag een klein wonder worden genoemd. Hoewel de jonge Ab leergierig was en op de vijfjarige HBS bijzondere belangstelling toonde voor de scheikundelessen, zat de door hem gewenste studie aan de Polytechnische School van Delft er niet in. Het ontbrak zijn ouders simpelweg aan het daarvoor benodigde geld. In plaats daarvan kwam Wijnberg in 1897 terecht op het scheikundig laboratorium van de School voor Suikerindustrie, in de volksmond ‘Suikerschool’ geheten. Hij werd er assistent. Het leverde hem een bescheiden salaris en basale vakkennis op.

Wijnbergs ambities reikten echter verder. In 1899 begon hij met het verwerven van de theoretische en praktische kennis die nodig waren voor het behalen van een ingenieurstitel. Hij leende dictaten van een Delftse student en liet zich waar door nodig door hem bijpraten. In 1903 behaalde hij aldoende het diploma scheikundig technologie, zonder ooit een college te hebben gevolgd. Het was een unicum in de geschiedenis van de Polytechnische School.

Zijn ster steeg daarna snel. Hij werd (een geliefde) leraar aan de Suikerschool en belandde er binnen enkele jaren in de directie. Tot 1922 zou hij als directeur aan deze Amsterdamse school verbonden blijven. Met de studenten onderhield hij ook decennia later nog contact, in een periode dat hij zich grotendeels afsloot voor de buitenwereld.

Dat Wijnberg een geniale student was, bewees hij in 1909 opnieuw. Hij promoveerde toen ‘met lof’ op een proefschrift over rietwas. Een jaar later werd hij directeur van de mede door hem gestichte NV Hollandsche Fabriek van Wasproducten. Hij vond na lang zoeken een koolstofverbinding die rietwas kon zuiveren en ontkleuren. In 1912 vroeg hij octrooi aan op de uitvinding, die de naam ‘Norit’ kreeg. Het nieuwe middel maakte het ook mogelijk om in één proces geraffineerde suiker te maken van suikkeriet of beetwortelen, een enorme verbetering ten opzichte van de oude, bewerkelijke suikerreiniging.

Zaandam

Met enkele collega’s van de Suikerschool richtte Wijnberg in het voorjaar van 1912 de NV Norit Witsuiker Maatschappij op. Het daarop volgende jaar sloten ze een overeenkomst af met de Zaandamse houtzagerij Van Wessem waarbij Norit het recht kreeg ter plekke een bescheiden installatie te bouwen. Dankzij het houtafval van Van Wessem kon ontkleuringskool worden gefabriceerd. Om de productie en het fabrieksgeheim in eigen hand te houden, namen ze in 1916 op het Zaandamse Hembrugterrein een nieuwe fabriek in gebruik. Het daar geproduceerde nieuwe middel bleek geschikt voor het raffineren van vetten, glucosesappen, oliën en glycerine en voor het zuiveren van water en wijn. Het grote publiek maakte kennis met Norit als medicijn tegen vergiftigingen, diarree en darmklachten. Het bedrijf groeide dan ook onstuimig, met dank aan de veelzijdige mogelijkheden.


Brand in de Noritfabriek, 1924

De hardwerkende Abraham Wijnberg raakte overspannen en kreeg verschil van mening met directeur J.N.A. Sauer. In 1926 stapte hij verbitterd uit zijn eigen onderneming en trok zich terug in het dorp waar hij zeven jaar eerder een villa had betrokken, Aalsmeer. In de jaren twintig was hij de helft van het jaar te vinden in en om dit ‘Witte Huis’ en de andere helft in Groot-Brittannië. Daar voerde hij met een landgenoot de directie over drie nieuwe bietsuikerfabrieken. Dat duurde tot 1934, toen hij het rustiger aan ging doen en zijn directoraat van de hand deed. Hij was inmiddels een welvarend man.

Oorlog

Abraham Wijnberg was niet iemand die genoot van het stilzitten. Hij stak zijn geld in beleggings- en handelsmaatschappijen en aanvaardde een aantal commissariaten. Zijn verbondenheid met de Zaanstreek bleek onder meer uit een commissariaat bij de Fibra, een bedrijf aan de Zaandamse Westzanerdijk dat houtkrullen vermaalde tot grondstoffen voor de papierindustrie en waarvan Wijnberg mede-oprichter was.

Opvallend is dat Ab Wijnberg nooit op de voorgrond trad. Hij weigerde interviews en wilde nooit op de foto. Wellicht dat zijn schuwe houding is terug te voeren op de jaren dertig en de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het NSB-blad Volk en Vaderland nam hem al in 1937 op de korrel, in een artikel met de kop ‘Bodembewerkers geknecht’.  Wijnberg was commissaris van de Internationale Belegging- en Administratiemaatschappij Zandbergen en in die hoedanigheid betrokken bij de aankoop van grond in Drenthe. Hoewel zijn rol daarbij beperkt was, meende Volk en Vaderland er een antisemitisch getoonzet bericht aan te moeten wijden. De directie (niet joods) noch de andere commissaris (eveneens niet joods) moest het daarbij ontgelden; ‘Abraham Wijnberg en diens soortgenoten’ waren het mikpunt. “Abraham Wijnberg zal er nooit een schop in steken, maar Abraham Wijnberg zal er wel aan verdienen en een verarmende boerenvolk mag die verdienste betalen.” Niet voor het eerst voorzag de Nationaal-Socialistische Beweging de mythe van de rijke, geldbeluste en uitbuitende jood van zuurstof.


Volk en Vaderland (6-8-1937)

Nadat de Duitsers Nederland hadden bezet, moest Ab Wijnberg al snel zijn commissariaten opgeven. Opvallend is dat zijn belang in de firma Fibra – gedurende de tweede oorlogshelft een verzetsbolwerk waar auto’s werden verborgen en van waaruit sabotageacties plaatsvonden – pas in 1944 tot een afronding lijkt te zijn gekomen. De afgevaardigde van de Rijkscommissaris keurde per brief d.d. 22 augustus 1944 het vertrek ‘van de joodse commissaris Dr. A. Wijnberg uit Alsmeer’ [sic] goed. “Ik ga daarbij uit van de veronderstelling dat joden in het bedrijf personele noch financiële invloed hebben.”

Ab Wijnberg kreeg niets mee van deze briefwisseling. In september 1942 was hij al uit zijn villa aan de Westeinderplassen gezet. De Weermacht nam er haar intrek. Hij kreeg wel vervangende huisvesting en werd vooralsnog niet gedeporteerd, zoals veel andere joden. De Duitsers hadden hem nodig bij een door de Centrale Suiker Maatschappij en een Duitse bank gepropageerd project om in de veroverde Oekraïne bietsuikerfabrieken te stichten. Als gevolg van de militaire nederlagen aan het Oostfront moesten de Duitsers dit plan laten varen. Wijnberg werd daarom in 1943 alsnog opgepakt en via Westerbork naar de concentratiekampen afgevoerd. In Theresiënstadt maakte hij de bevrijding mee. Van zijn broers en zussen zouden de nazi’s er drie om het leven brengen.

Het duurde tot augustus 1945 voordat Ab Wijnberg terugkeerde in zijn woonplaats. Daar kreeg hij een vrolijke ontvangst met onder meer fanfaremuziek. Hij was geliefd in het dorp, waar hij financiële steun gaf aan tal van lokale initiatieven. Desondanks waren er maar weinige Aalsmeerders die hem kenden; hij bleef vrijwel steeds bescheiden buiten beeld. Liever begaf hij zich met een roeibootje en een hengel alleen op de Westeinderplassen. Vissen was zijn grote passie.

Zijn teruggetrokken leven duurde tot 1961, toen hij op 83-jarige leeftijd overleed.


Algemeen Handelsblad (30-9-1961)

 

De dubbelrol van Dries Riphagen

Een van de grootste Nederlandse oorlogsmisdadigers was, tot zijn levensverhaal werd verfilmd, tevens een van de onbekendste. De Amsterdammer Bernardus Andreas (‘Dries’) Riphagen (7-9-1909) ontwikkelde zich tot een door antisemitisme en geldhonger gedreven souteneur, die de dood van minstens tweehonderd mensen op zijn geweten had. Een van zijn slachtoffers was de Zaandammer Jan van Lienen.
Het verhaal van een moord die de film niet haalde.

riphagen-film

De jonge Dries Riphagen is al in de jaren dertig lid van de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP), een buitengewoon antisemistische partij die Nederland wil omvormen tot een Duitse provincie. Hij combineert zijn nazi-ideaal met zijn werk als pooier, gokker en zwarthandelaar. Zijn rol in de onderwereld groeit in de vooroorlogse jaren in rap tempo en is op een gegeven moment zo groot dat Riphagen bekendheid krijgt als ‘Al Capone’. De bezetting van Nederland komt voor hem als geroepen. Door als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst te gaan werken, weet hij zijn inkomen verder te vergroten. Hij drukt geld, sieraden en andere kostbaarheden achterover bij invallen in joodse huizen. De oorspronkelijke eigenaars worden vervolgens door hem en zijn kameraden overgedragen aan de nazi’s. Met tal van onderwereldfiguren exploiteert hij verder clandestiene gokhuizen en houdt hij er een zwarte handel in deviezen, diamanten en goud op na.

Het gaat Riphagen voor de wind. Het judenrein maken van Nederland en zijn criminele aktiviteiten leveren hem een dik belegde boterham op. Door zijn contacten met hooggeplaatste nazi’s houdt hij zichzelf, bevriende zwarthandelaren en andere misdadigers uit de wind. Dat blijkt bijvoorbeeld begin 1944. Het Devisenschutzkommando (DSK) maakt jacht op zwarthandelaren, maar vist regelmatig achter het net. Wanneer er in januari 1944 een anonieme brief op het DSK-kantoor arriveert waarin de dagelijkse routine in het clandestiene Amsterdamse gokparadijs Rijswijk wordt beschreven, aangevuld met een namenlijst van de dertig belangrijkste zwarthandelaren in dat café, schakelt de DSK Riphagen in. Hij krijgt opdracht vast te stellen wat het beste tijdstip is voor een razzia. Opnieuw bewijst Al Capone een dubbele agenda te hanteren. Hij prikt als ideale datum voor de inval maandag 14 februari en haalt even voor de razzia plaatsvindt vier criminele maatjes weg uit café Rijswijk: Gerrit Verbeek, diens medewerker Folkert van den Berg, ‘Manke Toon’ Kuijper en Harry Rond. Verbeek heeft dubbel geluk. De Zaandammer Jan van Lienen, zijn grootste concurrent als bookmaker, wordt wel gearresteerd. Verbeek en Van Lienen kennen elkaar al vele jaren, zijn zelfs bevriend geweest. Maar toen Van Lienen eind jaren dertig in navolging van Verbeek bookmaker werd bij de Belgische paardenraces kwam het eind van de kameraadschap snel in zicht.

riphagen

Bookmaker
Na zijn aanhouding wordt Van Lienen naar het DSK-kantoor aan de Keizersgracht gebracht. De aan Riphagen schatplichtige Toon Kuijper en Harry Rond worden vervolgens bij hem in de cel geplaatst. Ze zijn zogenaamd eveneens gearresteerd, maar in werkelijkheid is het hun taak uit te vissen of er bij Van Lienen nog iets te halen valt. De bookmaker vertrouwt de twee en na hun vraag of ze iets voor hem kunnen doen, geeft Van Lienen het duo een briefje met instructies voor zijn vrouw Elisabeth. Maar zodra Kuijper en Rond uit hun cel ‘mogen’, spelen ze de boodschap door aan Riphagen.

‘Al Capone’ onderneemt meteen actie. Hij reist naar Zaandam, naar de bovenwoning van het echtpaar Van Lienen aan de Westzijde 77a (al dan niet toevallig ook het huis waar de nazigezinde politiecommissaris Willem Ragut woont, tot aan het moment dat hij -op 21 juni 1944- op enkele tientallen meters van zijn huis door de verzetsstrijders Hannie Schaft en Jan Bonekamp wordt doodgeschoten). Na de oorlog zal Bets van Lienen in een proces-verbaal verklaren dat haar man de veertiende februari om 11.30 uur ‘voor zaken’ de woning heeft verlaten, maar daar niet terugkeert. Dezelfde dag belt Dries Riphagen bij haar aan. Het is inmiddels 20.00 uur. Hij presenteert zich als een vriend van Jan van Lienen. Bets: “Hij zeide: ‘Ik ben André en kan ik u even spreken, want uw man is gearresteerd.’ Hij gaf mij een briefje waarop met potlood geschreven stond: ‘Bets, ik ben gearresteerd. Doe alles de deur uit. Revolver ligt in dressoir bij het lichtje, doe radiotoestellen de deur uit; alles de deur uit. Laat Koos [een compagnon, E.S.] helpen.'”

Bets pakt het in de brief genoemde wapen uit het kastje en overhandigt het aan Riphagen. “Hij zeide: ‘Die gooi ik aanstonds in de Zaan.’ Ik vertrouwde deze André volkomen in verband met het briefje. ‘En nu de radiotoestellen’, zeide hij. Wij braken de grond bij mij open en haalden daar de twee radiotoestellen uit.” Dat is het teken voor twee Duitsers in uniform om de woning binnen te stappen. “Zij dreigden ons met een revolver, en André fouilleerde Koos.” De inval is daarmee nog niet ten einde. Het huis wordt doorzocht, de brandkast geleegd en Bets van Lienen moet ook nog de plek aanwijzen waar haar echtgenoot zijn spaargeld heeft verborgen. “Het was in de straat naast ons huis verstopt. Zover ik mij herinner was dit een bedrag van ongeveer vijfduizend gulden.”

Gross-Rosen
Bets en Koos worden vervolgens afgevoerd naar het DSK-bureau in de hoofdstad. Zij wordt elf weken opgesloten in achtereenvolgens de gevangenis aan de Amstelveenseweg en het strafkamp in Vught, hij wordt drie maanden vastgezet in de Amersfoortse gevangenis. “Ik heb geen nadelige gevolgen van die gevangenschap ondervonden. Maar wel zijn van mij zeven gouden tientjes, een vijftig-dollarbiljet en een radiotoestel in beslag genomen, en wel door Riphagen”, vertelt Koos na de bevrijding. Voor Bets en Jan van Lienen is het leed groter. Bets merkt na haar vrijlating dat haar huis is geplunderd en vervolgens gevorderd door een NSB’er. Erger nog is dat haar man niet terugkomt uit gevangenschap. Jan van Lienen wordt in september 1944 gedeporteerd naar Duitsland en belandt via verschillende concentratiekampen in het Poolse Gross-Rosen. Daar bezwijkt hij aan longontsteking en uitputting.

Pas eind jaren tachtig maakt de Nederlandse Justitie serieus jacht op Riphagen. Die is echter al in 1946 met hulp van het Bureau Nationale Veiligheid uitgeweken naar achtereenvolgens Spanje en Argentinië, waar hij nauwe banden weet aan te knopen met dictator Juan Perón. Vanuit Argentinië reist Riphagen vrolijk de wereld rond. In 1973 overlijdt hij in Zwitserland, in een kliniek te Montreux, ongestraft en onontdekt. De zoektocht van Justitie is minimaal vijftien jaar te laat begonnen.

Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Hij kon echter niet altijd empathie opbrengen voor oorlogsgetroffenen. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in de Scholenstraat een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt en moest bovendien vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en tijdens de oorlog gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz
Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig aan de garagehouder vlak voor zijn vlucht naar Duitsland.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam

In het najaar van 1948 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de heropbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, inmiddels onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.