Het Amsterdamse namenmonument voor de Holocaustslachtoffers zal nooit af zijn

Het Namenmonument voor de 102.000 Holocaustslachtoffers krijgt eindelijk zijn plek in Amsterdam. Helaas dreigt het een project te worden dat eeuwig ‘under construction’ is. 

De gemeenteraad van Amsterdam moet volgende maand nog even akkoord gaan met de beoogde locatie, maar dat lijkt een formaliteit te zijn. Na jaren onzekerheid gloort er licht: het Holocaust Namenmonument Nederland krijgt een plek in de Weesperstraat, in het hart van het Joods kwartier. Een eerder gedachte locatie, het Wertheimpark, bleek een onhaalbare kaart. Veel buurtbewoners vonden het ontwerp van architect Daniel Libeskind veel te massaal voor het postzegelpark. Met de plaatsing in het plantsoen aan het begin van de Weesperstraat lijken echter alle betrokkenen te kunnen leven. Daarmee is er bijna niets meer dat de plannen in de weg kan staan. Er is alleen nog zo’n vier à vijf miljoen euro nodig om de bouw te kunnen financieren, maar dat wordt ongetwijfeld bij elkaar gesprokkeld.

Wertheimpark
Het beoogde monument in het Wertheimpark
(foto www.holocaustnamenmonument.nl)

“102.000 Nederlandse slachtoffers van de Holocaust verdienen een plek om hen te gedenken”, aldus de website waarop informatie staat hoe men financieel kan bijdragen aan de realisatie. Volgens de initiatiefnemer, het Nederlands Auschwitz Comité, ‘krijgt Nederland eindelijk een monument waar alle Nederlandse slachtoffers van de nazi-terreur kunnen worden herdacht’. Dat wil zeggen; 102.000 joden en 220 Roma en Sinti. Daar zit meteen een probleem. En misschien zelfs wel meerdere.

‘Nederlandse slachtoffers’

Op de website wordt een aantal malen benadrukt dat het een gedenkteken wordt voor de ‘Nederlandse slachtoffers’. Het gaat ‘alle namen’ bevatten van ‘Joden, Sinti en Roma die vanuit Nederland zijn vervolgd en gedeporteerd, alsmede gedeporteerde Nederlandse Joden woonachtig in andere landen, die in naziconcentratie- en vernietigingskampen zijn vermoord, alsook zij die zijn omgekomen door honger of uitputting tijdens transporten en dodenmarsen en waar geen graf van bekend is’. Volgens deze definitie zouden de duizenden joden, Roma en Sinti die in de jaren dertig hun land ontvluchtten en in Nederland tevergeefs een veilig onderkomen zochten buiten de boot vallen. Zelfs degenen die zich hier al vestigden vóór Hitlers machtsovername in 1933, maar wel -totdat de nazi’s die afpakten- hun buitenlandse nationaliteit hielden, krijgen volgens bovenstaande definities geen vermelding op het monument.

Hetzelfde geldt voor de vele honderden Nederlanders die tussen 1940 en 1945 zelfmoord pleegden. Ze waren ontegenzeggelijk slachtoffers van het nazisme. Je zou iemand als Bernard Eisendrath, die in oktober 1942 uit pure wanhoop een gifpil slikte, verzelfmoord kunnen noemen. Hij werd niet gedeporteerd en zag nooit een nazikamp van binnen. Haalt zijn naam het monument van Libeskind? Hoe moeten we Eisendraths neef Paul Juchenheim beschouwen? In april 1943 werd hij door een dronken Duitse militair doodgeschoten in de hoofdstedelijke IJsselstraat, nadat hij per ongeluk vanaf zijn balkon een zakje kolen op het uniform van deze onderofficier had laten vallen. Juchenheims gewelddadige einde past niet in de regels die gelden voor het namenmonument. Of toch wel? En wat te denken van de mensen die hun einde vonden in Westerbork of Vught? De vervolgden die elders in Nederland een al dan niet natuurlijke dood stierven? Zij die in de meidagen van 1940 tijdens hun vlucht naar Engeland verongelukten, zoals kunsthandelaar Jacques Goudstikker? De joodse verzetsstrijders die werden gearresteerd en in Nederland hun leven eindigden voor het vuurpeloton? Zij zijn eveneens niet ‘vanuit Nederland vervolgd en gedeporteerd’. Had hier niet beter ‘of’ kunnen staan? Of geldt de deportatievoorwaarde desondanks ook als die niet grensoverschrijdend was, maar in 1942 alleen een gedwongen verhuizing betrof van pakweg Enkhuizen naar het Judenviertel in de hoofdstad? Dat sluit dan echter weer de Amsterdammers uit die gedurende de oorlog in hun eigen woning konden blijven en daar -door wat voor oorzaak ook- overleden.

Controverses

Natuurlijk, over het merendeel van de Holocaustslachtoffers bestaan geen aarzelingen. Als zij op het ongetwijfeld imposante monument aan de Weesperstraat staan, zal niemand daarvan de logica in twijfel trekken. Maar honderden en wellicht zelfs duizenden mensen worden wel onderwerp van discussie. Er zullen heel wat verhitte woordenwisselingen ontstaan over de vraag wie wel en wie niet een vermelding (moeten) hebben op de namenwand. Er is echter nog meer dat kan leiden tot controverses.

Ik ben mede-beheerder van de website Joods Monument Zaanstreek. Daarop staan onder meer lemma’s over de bijna tweehonderd ‘Zaanse’ joden (zowel ‘autochtonen’ als in de Zaanstreek gevestigde vluchtelingen) die de oorlog niet overleefden. En hoewel de site al vele jaren online is en er duizenden uren onderzoek aan ten grondslag liggen, ontvangen we nog altijd suggesties voor verbeteringen. Die gaan over ervaren gebeurtenissen en verkeerde geboorte- of sterfdata, maar ook over namen. Over een y die een ij moet zijn. Of over een echtgenote die op het moment van deportatie net was gescheiden en dus alleen nog haar meisjesnaam droeg. Om maar enkele willekeurige voorbeelden te noemen. Ook de website Joods Monument, waarop alle tijdens de Tweede Wereldoorlog omgekomen joden in Nederland staan vermeld, ontvangt nog wekelijks correcties. Maar misschien wel het treffendste voorbeeld hoe het mis kan gaan is in Utrecht te vinden. Op de in 2015 onthulde gedenkmuur met ruim 1200 namen van tijdens de Shoa omgekomen joden werden al snel fouten ontdekt, variërend van verkeerd vermelde namen en sterfplaatsen tot -het meest pijnlijk- de vermelding van een joodse vrouw die de oorlog bijna een halve eeuw overleefde.

Een vergissing was snel gemaakt gedurende de chaotische oorlogstijd. En in de jaren daarna werd de verwarring niet automatisch minder. Geen wonder dus dat de talloze websites die zijn gewijd aan de Shoaslachtoffers steeds opnieuw aan herziening toe zijn en zelfs de weinige tastbare monumenten niet feilloos zijn.

Bij het monument dat bedacht was voor het Wertheimpark zouden de namen van de Holocaustslachtoffers in betonnen muren worden gegraveerd. Daniel Libeskind moet voor de Weesperstraat een nieuw ontwerp maken, maar ook daarin krijgen de 102.000 namen ongetwijfeld een definitieve plek. Het kan bijna niet anders of nabestaanden, historici en andere betrokkenen zullen in de navolgende jaren constateren dat mensen onterecht, niet of foutief staan vermeld op deze genocideherinnering. Het verschil met de digitale joodse monumenten is dat het nog een hele klus zal worden om alle vergissingen te corrigeren.

Daniel Liebeskind_ Archtitect Freedom Towers.
Daniel Libeskind
(foto: www.holocaustnamenmonument.nl)

Oorlogsschaakspel met Zaanse tint in Rijksmuseum

Het Rijksmuseum maakte in het voorjaar van 2016 bekend een nieuw object op te nemen in de vaste collectie, een van papierresten gemaakt schaakspel uit 1945. Er loopt een rechtstreekse lijn van deze illegale gevangenisvlijt naar de Zaandamse verzetsstrijder Jaap Buijs.

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs) Jaap Buijs

Het Rijksmuseum ontving het onooglijke schaakspel zeventig jaar na de bevrijding  uit de nalatenschap van een andere verzetsstrijder, Arie van Namen. Deze mede-oprichter van het illegale blad Vrij Nederland zat vanaf 12 januari 1945 in een cel, een lot dat hij deelde met de elders op de Weteringschans opgesloten Zaandamse houthandelaar. Beide mannen waren die ochtend door de sneeuw naar de Zuider Amstellaan 44 gereisd. Daar arriveerden rond tienen nog drie andere verzetsstrijders uit de leiding van de in oprichting zijnde Stichting 1940-1944. In die organisatienaam klonk optimisme door; nog dat jaar – was althans de verwachting – zou de bevrijding van Nederland een feit zijn. Ook de bewoner van het huis was aanwezig, de 26-jarige rechtenstudent Johan van Lom. Wat de anderen niet wisten, was dat hij hun vergadering had verraden aan de Sicherheitsdienst. In ruil zouden de Duitsers zijn maîtresse Tjodina Tijmstra vrijlaten, een opgepakte bezorgster van het illegale Parool.

Toen tegen half elf de SD binnenviel in het huis aan de Zuider Amstellaan werden onder anderen Buijs en Van Namen opgepakt en vervolgens geboeid naar de gevangenis aan de Weteringschans vervoerd. “Ik werd opgesloten in cel 18A1, een zeer donkere en ellendige cel”, beschreef Jaap Buijs later zijn ervaringen. De gevangenen kregen eenzame opsluiting. Af en toe werden ze tevoorschijn gehaald voor een stevige ondervraging. Van Namen: “Ik heb elke dag bij de verhoren in gedachten geleefd dat we er allemaal aan zouden gaan. Bij de verhoren zeiden ze: als je het niet zegt, dan gebeurt het om half zes, hoor! Ze werden naast je uit de cellen gehaald. Het was een verschrikkelijke tijd.” De mannen wisten niet dat hun verrader een deal had gesloten: hij had zijn ‘kameraden’ aangegeven op voorwaarde dat ze niet geëxecuteerd werden. Daaraan zouden de Duitsers zich houden; na de bevrijding konden de grondleggers van wat inmiddels Stichting 1940-1945 heette de gevangenis verlaten.

Celnr

Voor het zover kwam moest Jaap Buijs door een hel. Hij had niet alleen te maken met zware verhoren, ijzige kou en belabberd eten, maar moest op 12 februari 1945 ook afscheid nemen van zijn beste vriend, de in een naastgelegen cel opgesloten Walraven van Hall. Deze Zaandamse bankier werd later die dag met zeven anderen gefusilleerd in Haarlem. “Een der ellendigste dagen van mijn leven”, noteerde Buijs. “Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.”

Jaap Buijs begon in te storten en te hallucineren. Zijn geestelijke redding kwam toen hij op 3 maart werd overgeplaatst ‘naar cel 7A1, waar ik tot mijn vreugde aantrof A.H. v. Namen, een jonge advocaat met wie ik had samengewerkt om de “Stichting” voor te bereiden’. Eindelijk werd Buijs voorzien van waswater, schoon ondergoed en zelfs een Rode-Kruispakket. Er gloorde weer wat hoop.

In Buijs’ dagboekaantekeningen komt bij de datering ’13/3-16/3′ voor het eerst een schaakspel ter sprake. “We hebben spelletjes gemaakt van WC-papier. Dominé- [domino], dam- en schaakspel. De tijd gaat daardoor veel vlugger om.” Beide mannen speculeerden over de aanleiding voor hun arrestatie, maar kwamen daar aanvankelijk niet achter. Bijna dagelijks werden er gevangenen afgevoerd om te worden geëxecuteerd. Tegelijkertijd leefden Buijs en Namen ‘in een roes van steeds beter wordende berichten’. De bevrijding naderde, en daarmee hun kans om de bevrijding te halen. Buijs, media maart: “Steeds betere oorlogsberichten. Ik heb echter weer vele inzinkingen. Ik begin steeds meer te tobben hoe mijn eigen gezin en dat van Wallie [van Hall] het maken.”

Op tweede Paasdag, 2 april, schreef Buijs opnieuw over het schaakspel. “‘s Middags werd Arie weer betrapt toen hij door ’t raam sprak. Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf ‘twee dagen inhouding van voedsel’. Even daarna kwam de commandant van de gevangenis binnen. Wij dachten dat nu de straffen zouden komen, maar dit viel nu eens mee. Buiten de cel stond n.l. op een kaartje dat wij 2 dagen geen voedsel mochten hebben en nu zei hij: ‘Heren, dit gaat natuurlijk niet door, hè’, en schrapte dit door en vervolgde: ‘Voor de rest kan ik de heren zeggen blij te zijn een Beier te wezen en geen Holl. Pruis. Dag heren.’ – en de cel ging weer dicht.”

Arie van Namen Arie van Namen

Omdat Arie van Namen – in tegenstelling tot Jaap Buijs, die daar niets van begreep – voedselpakketten ontving, hadden de twee gevangenen de mogelijkheid om van het pakpapier een nieuw schaakspel te maken. Op 22 april werden de mannen echter uit elkaar gehaald; Jaap Buijs werd overgeplaatst naar het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen. “’s Avonds om 9 uur ging mijn celdeur open en moest ik er uit komen. Ik vroeg aan die kerel, een Hol. wachtmeester, wat er gaande was, daar hij zo’n haast maakte dat ik geeneens behoorlijk afscheid van v. Namen kon nemen. Ik moest al mijn spullen meenemen en die vent stond maar te schreeuwen: ‘Vlug, vlug, opschieten’.”

Het schaakspel bleef achter in cel 7A1, bij Arie van Namen. Toen die twee weken later werd vrijgelaten – de bevrijding was inmiddels een feit -, nam hij de met potlood tot schaakspel omgevormde 32 stukjes grauwgrijs papier mee naar huis. Ze zwierven vervolgens zeventig jaar in een oude envelop door Amsterdam en omgeving alvorens het Rijksmuseum besloot er een speciale plek voor in te ruimen. De schaakstukken zijn voortaan te vinden op de afdeling negentiende en twintigste eeuw, in het zaaltje over de Tweede Wereldoorlog.

In diezelfde ruimte is, als contrast, een schaakspel te vinden dat in 1941 vermoedelijk door SS-leider Heinrich Himmler is geschonken aan NSB-topman Anton Mussert. Het komt hoogstwaarschijnlijk uit het NSB-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan. Het bord is van coromandelhout, de geglazuurde stukken van terracotta klei. Het protserige spel verheerlijkt de veroveringsdrang van nazi-Duitsland gedurende de Tweede Wereldoorlog. De schaakstukken bestaan uit wapentuig, infanteristen en oorlogsvliegtuigen. De tekst in de bordrand verwijst naar landen die in 1939 en 1940 door het Derde Rijk werden aangevallen: “1939 SCHACH-MATT POLEN . DENEMARK . NORWEGEN . HOLLAND . BELGIEN . FRANKREICH . ENGLAND U.S.W.” Het vormt in alles een contrast met de nabije stukjes gescheurd papier van Jaap Buijs en Arie van Namen die tezamen eveneens een schaakspel moeten voorstellen.

Schaakbord
Het Mussert-schaakspel in het Rijksmuseum

(Verder lezen over het schaakspel van Van Namen en Buijs? Vrij Nederland wijdde er in het nummer van 30 april 2016 een lang artikel aan. Daarin staan overigens een foutje. Zo zaten Arie van Namen en Jaap Buijs aan de Weteringschans niet ‘in aangrenzende cellen’, maar bij elkaar in één ruimte. Dat maakt het ook een stuk waarschijnlijker dat Van Namen het schaakspel niet alleen gefabriceerd hefet, maar samen met Buijs. Ook werd Van Namen niet ‘als allerlaatste gevangene op 6 mei 1945 om tien uur ’s avonds vrijgelaten’. Misschien wel uit het Amsterdamse cellencomplex, maar Jaap Buijs mocht bijvoorbeeld pas op 7 mei het Scheveningse Oranjehotel verlaten. Diens laatste dagboekaantekeningen: “Moge God mij de kracht geven mij weer op te richten en te helpen ons land weer omhoog te brengen.” Jaap Buijs zou echter na de oorlog zwaar getraumatiseerd blijven, vooral door de voortijdige dood van zijn vriend Walraven van Hall. Hij overleed op 10 november 1960, 72 jaar oud. Het hele oorlogsverhaal van deze te onbekende verzetsman is hier te lezen.)

De joodse geschiedenis werd in Wormer vermalen

In de gemeente Wormer werden honderden tonnen joods erfgoed vernietigd. In opdracht van de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog, door de Nederlanders kort daarna. Gebedenboeken, Thorarollen, eeuwenoude heilige geschriften; dag na dag verdwenen de geroofde kostbaarheden in de stortkokers van papierfabriek Van Gelder.

Kort nadat in het najaar van 1942 de eerste grootschalige razzia’s op Amsterdamse joden plaatsvonden, zagen de inwoners van Wormer wekenlang volgeladen vrachtwagens het dorp inrijden. Elke werkdag kwamen ze langs. De inhoud van de door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bestond uit zakken en dozen vol boeken en documenten. Ze waren bestemd voor Van Gelder Zonen, de grootste werkgever van het dorp. De arbeiders daar hadden als taak om de aangevoerde lading tot pulp te vermalen, opdat er daarna nieuw papier van kon worden gemaakt.

Gelder
Van Gelder in de jaren ’30

De Van Gelder-werknemers hadden al snel door waarom de geleverde papiermassa met zoveel geheimzinnigheid en bewaking werd omgeven. Een voormalige sous-chef van het bedrijf: “Dat waren joodse boeken, massa’s en massa’s. Nooit heb ik geweten dat joodse mensen zo geletterd waren. Van alles was erbij. Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament met Hebreeuwse letters zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.”

Het vernietigen van wat hij noemde ‘hun geestelijke nalatenschap’ ging deze werknemer aan het hart. “Fantastische folianten waren daarbij. Van die geweldige boekdelen in leer gebonden, we konden ze nauwelijks dragen. Een lap leer, dat was iets waard in 1942. Met een zakmes waren die lappen leer er afgesneden. Die zijn zeker als schoenzolen geëindigd. Koperen, zilveren en gouden beslag en sloten waren er afgerukt. Van die grote rollen perkament om stokken gewikkeld. En ook veel kleinere rollen. ’t Was verschrikkelijk.”

Thorarollen

De folianten waren waarschijnlijk delen van de Talmoed, de grote perkamenten Thorarollen en de kleinere Estherrollen. Bovengenoemde naamloze arbeider schatte de hoeveelheid tijdens de oorlog vernietigde judaïca op zeven- à achthonderd ton, een immense papierstapel. “Ik had daar mede de verantwoordelijkheid voor die afdeling”, vertelde hij. “Je kon maar niet alles in die papiermolen smijten. Harde kaften, linnen, leer, doek, hout, steen, enz., dat moest er allemaal uitgesorteerd. Dat ging op de afvalhoop. Zo had ik de gelegenheid veel van dat spul in mijn handen te nemen. Prachtige familiealbums heb ik gezien. Van die imposante koppen met baarden. Hotsee, alles de molen in. Schnell! Schnell!”

Een andere getuige, de voormalige directeur van Van Gelder, herinnerde zich dat er onder meer een joodse huwelijksbaldakijn werd afgeleverd. “Die moest er natuurlijk uit. Van doek kunnen we geen papier maken.” Op de centrale verzamelplaats in Amsterdam werd blijkbaar niet al te nauwkeurig gekeken wat in Wormer tot pulp vermalen moest worden. Slechts een enkele keer kon er iets worden gered; de Duitse toezichthouders letten goed op dat alles werd vermalen. Maar bij de ‘mestvlet’, de afvalschuit waarop de restanten belandden die niet tussen de papierresten thuishoorden, viel nog wel eens iets achterover te drukken.

Gebedenboek

In 1969 somde een verslaggever van dagblad De Tijd op wat hij tijdens een rondgang door Wormer zoal tegenkwam, thuis bij de bewoners. “Een boekje Bloemen uit het Heilige Land, souvenir uit het voormalige Palestina, houten omslag. Het titelblad van een Hebreeuws gebedenboek uit 1722, een titelblad van een gebedenboek voor Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag, gedrukt bij Proops te Amsterdam. Het titelblad van een Hebreeuws Bijbelboek (Genesis). Die titelbladen waren met de harde kaften van de boeken gerukt. Een piepklein woordenboekje, Duits-Hebreeuws, zo groot als een lucifersdoosje. Het was bij het leggooien van zo’n zak wat opzij gerold en een van de arbeiders wist het weg te schoppen en haalde het later op. Een op zijde gedrukt krantje ter ere van de koperen bruiloft van Isaac N. Calisch en Gustava Calisch, van hun kinderen Hendrik Isaäc Calisch, Morits Calisch en Henriëtte Sara Calisch. Degeen die die in zijn bezit had, herinnerde zich ook nog gebedsriemen en ‘die buisjes, die joodse mensen aan hun deur hebben’ (mezoezot). Dan een poëziealbum, gebonden in hout met ijzerbeslag, op 20-5-1885 geschonken aan Thérèse Molling te Hannover, waarvan de laatste bladzijde dit opschrift draagt: ‘An meine liebe Grossmutter. Wer dich noch lieber hat als ich. Der schreibe sich hinter mich. Den 27. Dezember 1936, dein Enkelkind Margot’.”

Lehren

Zijn opzienbarendste vondst deed verslaggever M. van Tijn bij een voormalig chemicus van Van Gelder: acht brieven aan de Amsterdamse broers Hirsch (1784-1853) en Akiba (1795-1876) Lehren. Dat waren twee vrome, rijke joodse notabelen die veel charitatieve activiteiten ontplooiden. De acht brieven beslaan een periode van dertig jaar en gaan vooral over financiële aangelegenheden. Hoe de ex-chemicus ze in zijn bezit kreeg wist hij niet meer, maar dat ze tijdens de oorlog uit de Van Gelderfabriek werden gered stond hem nog wel voor de geest. Hij heeft ze, een kwart eeuw na de bevrijding, alsnog afgestaan aan de Bibliotheca Rosenthaliana in Amsterdam.

Akiba Lehren Hirsch Lehren Hirsch Lehren

Wormer
Een deel van de bij Van Gelder geredde brieven aan de Amsterdamse broers Lehren.

In het najaar van 1944 begon de bezetter met het leegroven van de Van Gelderfabriek. De inventaris, zo was de bedoeling, moest ten goede komen aan de Duitse oorlogsindustrie. Maar terwijl de nazi’s het bedrijf overdag ontmantelden, haalde het regionale verzet er ’s nachts machines weg, in een poging ze te behouden voor Nederland. Het versnipperen van oud papier kwam daarmee ten einde. Wat de Duitsers in dat laatste oorlogsjaar nog binnenbrachten aan joodse roofbuit werd daarom in een hal op het Van Gelderterrein opgeslagen.

Na de bevrijding

Toen de heringerichte fabriek in 1946 weer begon te draaien, werd besloten om de resterende joodse boeken en documenten als vanouds te vermalen. Papier was schaars in de naoorlogse jaren en die voorraad ongebruikt laten werd als verspilling beschouwd. En dus verdwenen er opnieuw tonnen aan al dan niet kostbare joodse eigendommen in de stortkokers. Volgens Klaas Kemp, die in 1944 bij het bedrijf kwam werken, begon de vernietiging van joodse boeken ‘pas goed’ in maart 1946, samen met het ingezamelde Duitse propagandamateriaal. Sommige werknemers van Van Gelder waren volgens Kemps collega Fokke Post ‘gek op die jodenbibliotheken. Dat was het grote werk. Het was er gezellig en ach, laten we eerlijk wezen, je vond wel eens wat’. Zowel de boeken zelf, soms in leer gebonden en met goud op snee, als de kostbaarheden die de voormalige eigenaars tijdens de oorlog in uithollingen hadden verstopt, waren geliefd.

‘Machine 10’ was de eerste die na de oorlog weer in gebruik werd genomen en tevens degene waar de joodse inboedels terechtkwamen. Fokke Post: “Dat ding maakte van prut papier.” Ook in die prut troffen de werknemers nog wel eens joodse kostbaarheden aan. Post: “De jongens die daar bij de verzamelplaats werkten, vonden het meeste en hadden een potje, waarvan ze elk jaar een dagje uitgingen.” Kemp, in 1983: “Je moest alles zien in verband met de schaarste. Het was een fijn stel mensen, zeker geen NSB’ers.” Zijn echtgenote: “De mensen gingen stelen, het gebrek dwong ze ertoe dingen te doen die ze normaal niet deden.”

Fokke Post, tot slot, over de roof van joods bezit bij Van Gelder: “Hier in Wormer is er nog gerust het een en ander van de joden te vinden. Het werd niet beschouwd als diefstal, ben je gek, het was een publiek geheim. In en vlak na de oorlog was er een grote saamhorigheid in het dorp.”

Voor dit artikel is onder meer gebruikgemaakt van dagblad De Tijd (3-5-1969), het Nieuw Israelietisch Weekblad (2-12-1983) en J. Pressers boek Ondergang.

De verrader en het meisje

In december 2013 verscheen in Vrij Nederland het verhaal van Johan van Lom, de Amsterdammer die in 1945 aan de basis stond van het verraad van onder meer de Zaanse verzetsgrootheden Walraven van Hall en Jaap Buijs. Het artikel over deze tragische man is geschreven door Harm Ede Botje en Erik Schaap. Hieronder de intregale weergave. 

In 1945 verraadde de jonge jurist Johan van Lom topmensen van het Nederlandse verzet. Deed hij het om zijn minnares te bevrijden? ‘Het is een treurig, ellendig, maar ook fascinerend verhaal.’

Langzaam gleed het levenloze lichaam in het donkere water van de Keizersgracht. Een groepje mannen dat even eerder vanuit een grachtenpand naar de kade was gelopen met het lijk, verdween in het schemerduister. Het lichaam was van de 26-jarige jurist en verzetsman Johan van Lom. Een dag eerder was hij opgepakt en twee uur lang verhoord. Zijn ondervragers, allen verzetsmensen, achtten hem schuldig aan verraad. Ze veroordeelden 
Van Lom tot het drinken van de gifbeker, een glas thee gemengd met cyanide, maar het gif loste niet op, of hij weigerde het te drinken, dat is nooit duidelijk geworden. Op 6 maart 1945 werd hij met een nekschot geliquideerd.

De executie van Johan van Lom heeft nooit de wenkbrauwen doen fronsen: hij was immers een van de grote verraders van het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Door hem verdwenen bekende verzetsstrijders achter de tralies en hij was er indirect verantwoordelijk voor dat onder anderen Walraven van Hall, de bankier van het verzet, werd opgepakt en geëxecuteerd. Hij zou verraad hebben gepleegd om zijn minnares uit de gevangenis te krijgen, zoals hij ook aan zijn ondervragers verklaarde. Maar klopt dat wel?

Tot nu toe was er maar zeer weinig bekend over Van Lom. Historicus Loe de Jong duidde hem in deel 10b van zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog aan als Van Arkel, zijn nom de guerre. De privacy van zijn nabestaanden mocht niet worden geschaad, zijn weduwe was immers opgeklommen tot vicepresident van de rechtbank. Nabestaanden van verraders? Die werden met de nek aangekeken in naoorlogs Nederland.

Zeventig jaar lang bleef Van Lom in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog een min of meer vergeten figuur. Maar nu bijna alle hoofdrolspelers zijn overleden, kan zijn verhaal eindelijk worden verteld. Dit artikel is geschreven op basis van dagboeken, brieven en stukken uit het Nationaal Archief die jarenlang ontoegankelijk waren. We voerden gesprekken met Wim van Norden, de 96-jarige oprichter van Het Parool, die Van Lom in contact bracht met de top van het verzet, en die de enige nog levende getuige van het drama is. En we spraken Van Loms nabestaanden, onder wie zijn dochter Anne. Die laatsten ontkennen stellig dat Van Lom er een minnares op na hield. Maar waarom ging hij dan naar de Duitsers?

Het glibberige pad

Anne van Lom is nu negenzestig jaar oud. Ze heeft haar vader nooit gekend, maar uit de familieverhalen is hij altijd naar voren gekomen als een romantische, idealistische man die veel van muziek hield en uitstekend fluit, piano en viool speelde, en die als jurist eigenlijk niet op zijn plaats was. Thuis werd nooit over het verleden gepraat. ‘Mijn vader had iets stoms gedaan in de oorlog. Het was gevaarlijk, daar moest je niet over praten. Waarom, daar heb ik eigenlijk nooit naar gevraagd, maar ik vermoed nu dat het was omdat, als het verhaal bekend zou worden, dat gevolgen zou kunnen hebben voor onze veiligheid en voor de carrière van mijn moeder, die rechter was.’ Pas naar aanleiding van een telefoontje voor dit artikel is Anne in dozen gaan zoeken naar brieven en andere documenten uit die tijd. Ze heeft er geen moeite mee dat het verraad van haar vader na zeventig jaar in de openbaarheid komt. ‘Het is een treurig, ellendig, maar ook fascinerend verhaal. Wij, in vredestijd, kunnen alleen maar hopen dat we onder dergelijke omstandigheden niet zelf het glibberige pad van het kwaad zouden betreden.’

In een reconstructie van haar oorlogsjaren die Anne’s moeder Cornelia ‘Non’ van Marle twee jaar na de oorlog ‘voor mijn kind’ op schrift stelde, komt Johan van Lom naar voren als een betrokken, idealistische jongeman. In de zomer van 1940 werden zij en Johan, toen haar verloofde, net als honderdduizenden andere Nederlanders lid van de Nederlandse Unie, een organisatie die met de Duitsers wilde samenwerken om zo de NSB de wind uit de zeilen te nemen. Non was er enthousiast over: ‘Eindelijk een kans om je te uiten, om iets te doen.’ Johan (door Non van Marle liefkozend ‘Han’genoemd) gaf zijn studie op en zette zich volledig in voor de beweging, tot die in december 1941 werd verboden.

In de oorlogsjaren was in een statig pand aan de Keizersgracht 401 in Amsterdam het voorname advocatenkantoor Bunker, Hendrix en De Pont gevestigd. Non van Marle solliciteerde er en werd assistente van Jan de Pont, die voornamelijk Joodse families en gearresteerde verzetsmensen bijstond. ‘Geen prettig werk,’ schreef Non in haar terugblik. ‘Vriendelijk zijn waar je verachting voelde, beleefd blijven waar je ze eens de waarheid zou willen zeggen, je omkeren wanneer je zou willen slaan of erger. En altijd die wanhopige vaak zelf opgejaagde mensen wier belangen je in handen had en die van jou hulp verwachtten en die je zo zelden werkelijk helpen kon.’

Johan van Lom had zijn studie niet afgemaakt. Na protesten tegen het tekenen van de ariërverklaring die op gang waren gekomen na de beroemde rede van professor Rudolf Cleveringa, was de Leidse universiteit in de zomer van 1941 gesloten. Veel studenten waren daarna uitgeweken naar Amsterdam of Utrecht, maar Van Lom was ‘solidair gebleven’ aldus Non in haar terugblik. Ook hij kon voor advocaat De Pont aan de slag, in Den Haag. ‘Han was brutaler, maar tevens veel gevoeliger dan ik en hij trok zich alles nog meer aan, wat hij aan anderen natuurlijk nooit merken liet,’ noteerde Non.

Contact met de illegaliteit

Vanachter het raam van hun woonkamer op de Zuider Amstellaan in de Rivierenbuurt, de tegenwoordige Rooseveltlaan, keken Han en Non machteloos toe hoe op 20 juni 1943 Joodse buren werden afgevoerd. Een buurvrouw op één hoog, van Duitse komaf, hing uit het raam om de ‘kameraden’ op straat te wijzen waar nog meer Joodse gezinnen woonden. Twee dagen later trouwden de jonggeliefden. ‘Het weer was stralend en we waren de twee gelukkigste mensen ter wereld.’ Op de huwelijksfoto’s poseert het stel voor hun huis aan de Zuider Amstellaan.

Drie maanden later, in september 1943, trok Tjodina (‘Ini’) Tijmstra tijdelijk in bij het jonggehuwde stel. Tijmstra was een vriendin van Non en haar zus Hetty, ze had bij Hetty in de klas gezeten. Ini was verraden nadat ze als medewerker van het Rijksarbeidsbureau in Den Haag lijsten van mannen die zouden worden opgehaald voor de Arbeitseinsatz naar de illegaliteit had gelekt. ‘Han wist in Den Haag de zaak geseponeerd te krijgen en Ini kon hier als onderwijzeres werken.’ Na een half jaar verhuisde Ini naar een kamer in de belendende woning, maar ze bleef vanzelfsprekend vaak over de vloer komen. Op 8 juni 1944 werd Anne geboren, de dochter van Han en Non, twee dagen na D-Day, de invasie in Normandië.

In diezelfde periode was Han betrokken bij de voorbereiding van het zogenaamde tweede Parool-proces, waarbij advocaat De Pont de verdediging voerde. Van 25 juli tot 8 augustus stonden tweeëntwintig Parool-mensen terecht voor het civiele Duitse Obergericht. Op dat moment werden civiele rechtszaken nog op een min of meer normale manier afgehandeld en hadden verdachten dus advocaten. ‘Via een bevriende advocaat uit Hilversum waren we bij De Pont terechtgekomen omdat die bij de Duitse rechtbank stond ingeschreven en dus bevoegd was te pleiten,’ zegt Wim van Norden, een van de oprichters van Het Parool. ‘En De Pont heeft toen voortreffelijk werk verricht.’ De openbare aanklager had vier keer de doodstraf geëist, maar die werd niet opgelegd omdat een kroongetuige niet op het proces kon worden opgeroepen. Twaalf verdachten kwamen meteen op vrije voeten, zeven kregen een tuchthuisstraf en werden naar Duitsland afgevoerd, drie kregen gevangenisstraf.

Trouwfoto
Johan en Non op hun trouwdag voor het huis aan de Zuider Amstellaan 44 (nu Rooseveltlaan) in Amsterdam

Van Norden bracht na het proces opnieuw een bezoek aan De Pont. Hij zocht een jurist die voor de net opgerichte Stichting 1940-1944 (later Stichting 1940-1945) kon helpen bij het opzetten van een systeem om na de oorlog de nabestaanden van verzetsstrijders van een pensioen te voorzien en om de statuten op te stellen. De Pont weigerde. ‘Hij wilde tot elke prijs voorkomen dat de Duitsers hem in contact konden brengen met illegale activiteiten,’ zegt Van Norden terugkijkend. Maar was de jonge Van Lom niet een alternatief? De Pont prees zijn assistent aan als een ‘heel goede jurist’, noteerde Non in haar terugblik op de oorlog.

De situatie in Amsterdam verslechterde in die laatste maanden van 1944 snel. Jongemannen werden in groten getale opgepakt en afgevoerd naar Duitsland om daar te werk gesteld te worden. Han en Non bouwden onder hun huis een schuilkelder zodat Han zich kon verstoppen bij een huiszoeking. Het dagelijks leven werd steeds zwaarder. ‘Geen gas, geen elektriciteit, geen kolen, geen eten,’ schreef Non. ‘Han zag er heel slecht uit en hij werd prikkelbaar. Ik kon niet geven wat hij nodig had. Wij verdienden niet zoveel om zwart voedsel te kunnen kopen. En Han wilde niet dat ik voor mijn advocatenwerk kosten in rekening bracht als een cliënt een goed strijder voor het vaderland was.’ Vrienden van het jonge stel raakten steeds actiever in het verzet. Enkelen waren volgens Non ‘soms krankzinnig roekeloos’ en werden opgepakt. In deze maanden regen de onheilstijdingen zich aaneen.

Op 23 oktober werden na een aanslag op een SD’er in de Apollolaan in Amsterdam-Zuid mannen uit de gevangenis aan de Weteringsschans gehaald en gefusilleerd. Ook werden twee villa’s aan de Apollolaan in brand gestoken en mensen die in de buurt van die straat woonden werden opgepakt. Onder hen mr. Jan de Pont. ‘Han was er kapot van. Voortdurend kwamen wanhopige, angstige mensen op kantoor en hier aan huis vragen of hij wist wie er gefusilleerd waren. We konden er niet achter komen, het was om gek van te worden.’ Han probeerde bij het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat, de tegenwoordige Gerrit van der Veenstraat, meer te weten te komen. Maar ondanks het feit dat hij als advocaat in opleiding met de Duitse autoriteiten te maken had en ook het SD-hoofdkantoor regelmatig bezocht, kreeg hij geen voet tussen de deur. De Pont bleef vastzitten.

De grootste klap volgde een maand later. Op 24 november werd Ini Tijmstra door de Landwacht opgepakt terwijl ze exemplaren van Het Parool vervoerde. De Duitsers doorzochten ook haar kamer en vonden bonnenvellen en vervalste persoonsbewijzen. ‘Daar wisten wij niets van,’ noteerde Non. Han dook onmiddellijk onder, uit angst dat Ini zijn naam tijdens verhoren zou noemen. Híj was immers degene geweest die haar in contact had gebracht met mensen van de Parool-groep.

Naar het SD-hoofdkwartier

Oudjaar 1944. Han, Non, de kleine Anne, Hans vader en een vriendin, Narrie, zaten in de woonkamer. Op tafel één kaars. Eten was er nauwelijks. De twee jonggehuwden hadden al een tijdje last van dysenterie (‘Han viel bijna om van de zwakte’) door het slechte eten uit de centrale keuken. Maar dit was een speciale avond. En dus stond er op tafel ‘echte wijn van de buren’ en ‘geroosterd brood met iets erop’. Er werd geklonken. ‘Heil en zegen, nog even doorbijten, het is bijna geleden.’

Johan van Lom komt uit de notities van zijn vrouw Non naar voren als een goede vaderlander en een toegewijde huisvader. Maar hij leefde onder grote spanning en was ondervoed. En hij raakte totaal uit het lood door de arrestaties van De Pont en Ini. Hij besloot dat hij in actie moest komen. En dat deed hij zonder met iemand te overleggen.

Dagboek
Dagboek van een reis in 1940 naar Zuid-Limburg van Tjodina (‘Ini’) Tijmstra, de vermeende minnares, met Non en haar zus Hetty
Begin januari maakte Van Lom voor de zoveelste keer de gang naar het SD-hoofdkwartier in de Euterpestraat. Dit keer vroeg hij naar Kriminalsekretär Friedrich Viebahn, een gevreesde figuur die belast was met het oprollen van de Nederlandse verzetsgroepen. ‘Van Lom stelde mij voor de geestelijke leiders van het Nederlandse verzet te arresteren,’ zei Viebahn in juni 1945 tegen zijn Nederlandse ondervragers. Van Lom vertelde volgens Viebahn over zijn werk voor de Stichting 1940-1945, noemde de namen van onder anderen Wim van Norden en Jan Meijer van Het Parool, Arie van Namen van Vrij Nederland en andere kopstukken van de verzetsbeweging die bij hem thuis waren geweest. ‘Hij verklaarde eigener beweging bereid te zijn zodanige inlichtingen te geven dat zij tijdens een vergadering konden worden gearresteerd’, aldus Viebahn.De verklaring van de SD-officier komt in grote trekken overeen met wat Van Lom zijn ondervragers vertelde vlak voor zijn eliminatie. Viebahn zou hem hebben voorgesteld dat wanneer Van Lom datum en tijd zou noemen van de eerstvolgende stichtingsvergadering, er over de vrijlating van Ini ‘te praten viel’. Van Lom koos ervoor de verzetsmensen uit te leveren. Wel stelde hij één voorwaarde: ze mochten onder geen beding worden geëxecuteerd. Viebahn gaf zijn woord, waar hij zich, bizar genoeg, in die krankzinnige laatste oorlogsmaanden aan heeft gehouden.

Dinsdag 12 januari, iets na half elf. Op de voordeur van Zuider Amstellaan 44 werd luid gebonsd, er werd gebruld, waarna geüniformeerde mannen binnenstormden. De mannen aan de eettafel in de achterkamer stoven alle kanten op. De Zaanse houthandelaar Jaap Buijs, die namens het Nationaal Steunfonds (het NSF financierde de illegaliteit) de vergadering bijwoonde, werd meteen gearresteerd. Jan Smallenbroek van Trouw en Arie van Namen ontsnapten via de tuindeuren naar buiten. Maar het huis was omsingeld en ook zij werden gearresteerd. ‘Wij werden geboeid en moesten op onze buik in het sneeuwwater liggen,’ verklaarde Van Namen na de oorlog toen onderzoek werd gedaan naar het verraad van Van Lom. ‘Viebahn was bij de arrestatie aanwezig en smeet mijn schoenen door de tuin. Hij ging als “overwinnaar” met zijn rechtervoet op mijn rug staan (…).’

In de voorkamer stond Non als aan de grond genageld. ‘Dit moest een droom zijn, dit was geen werkelijkheid,’ schreef ze in haar terugblik. ‘Ik werd met een pistool op mijn borst gedwongen in de voorkamer te blijven. Toen ik een tijd later in mijn slaapkamer kwam, lagen daar geboeide mensen met hun gezicht op de grond.’ Terwijl Van Namen, Buijs en Smallenbroek daar lagen, zaten Johan van Lom, Teus van Vliet (van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en de communist Bob Gillieron in de schuilplaats onder de studeerkamer, waar ze via een luik in de vloer in waren gekropen. Van Lom had met de Duitsers afgesproken dat hij daar zou zitten en Van Vliet mee zou nemen, om zo geen argwaan te wekken bij de illegaliteit over zijn rol. Gillieron was eigener beweging het luik in gedoken. De Duitsers haalden voor de vorm het hele huis overhoop en doorzochten de belendende tuinen. Daarna vertrokken ze met de arrestanten. ‘Als u uw man ziet, zeg dan dat hij zich bij ons moet melden,’zeiden ze bij vertrek tegen Non. Pas na een uur kwamen de drie mannen uit hun schuilplaats. Han verdween na zonsondergang naar een onderduikadres.

Ik moet het doen

Op zaterdag 15 januari stond Ini bij Non voor de deur. Ze was vrijgelaten, precies zoals 
Van Lom en Viebahn hadden afgesproken. ‘Overmorgen zou ik naar een Duits concentratiekamp overgebracht worden, ik moet er niet aan denken met die bombardementen,’ schreef Ini nog diezelfde dag in een nooit verstuurde brief aan Hetty, de zus van Non van Marle. ‘Maar Han heeft me eruit gehaald, ik kan hem niet zeggen hoe dankbaar ik hem ben.’ Een dag later beschreef ze meer in detail haar onverwachte ontslag uit de gevangenis. Viebahn zou haar hebben laten gaan ‘op buitengewone voorspraak van de heer Van Lom’. Toen ze naar buiten liep, stond Han haar op te wachten. ‘Ik ben hem meteen om de hals gevallen en toen heeft hij me een en ander uitgelegd. (…) ’s Morgens was die overval, ’s middags heeft hij bewerkt dat ik eruit kwam. Ik vind het de meest griezelige onderneming waar ik ooit van gehoord heb. Maar als Han wat in zijn hoofd haalt, haalt geen mens het er meer uit.’ Een week na Hans dood kreeg Non bezoek van een dominee, hij had een briefje bij zich dat onbekenden bij hem door de bus hadden gedaan.

Non was blij, maar ook bezorgd. De arrestaties en de vrijlating moesten verband met elkaar houden. Ze ging naar Hans onderduikadres en drong net zo lang aan tot hij toegaf dat hij naar de SD was gegaan en had voorgesteld voor ‘hen te werken’ in ruil voor vrijlating van Ini. ‘Ik bezwoer hem zich niet in te laten met die kerels, maar hij zei: “Ik moet het doen, begrijp toch dat hun leven [van de gevangengenomen verzetsstrijders-HEB/ES] ervan afhangt. En nu kan ik ook wat voor De Pont doen.’

Een paar dagen later arresteerde de SD in de Jan Luyckenstraat de eerder ontkomen Teus van Vliet terwijl hij zijn fiets van het slot stond te halen na een afspraak waarbij ook Van Lom aanwezig was geweest. Van Vliet was een belangrijk man en de Duitsers wilden vooral hem graag in handen krijgen. Van Lom was teruggegaan naar Viebahn en had een nieuwe afspraak gemaakt om ook Van Vliet in de val te lokken. In diens adresboekje vonden de Duitsers aanwijzingen voor weer een vergadering met verzetsmensen, en ook daar werd een inval gedaan. Hierbij werd onder meer Wally van Hall, de bankier van het verzet opgepakt. Hij werd wel geëxecuteerd, op 12 februari. Omdat zijn arrestatie alleen indirect met Van Lom in verband kon worden gebracht, voelden de Duitsers zich niet gebonden aan de afspraak om de gevangenen in leven te houden.

Non reageerde ontzet op de arrestatie van Van Vliet en maakte een hevige scène met Han, zo beschrijft ze in haar terugblik. ‘Hij zei: Ik ben geen schoft, jij begrijpt het niet. Hij beloofde met de SD te breken.’ Het was duidelijk dat Han opnieuw moest onderduiken. Op verzoek van Non ging Ini met hem mee, ‘zodat zij voor hem zorgen kon’. Het tweetal vond onderdak in een appartement aan de Bickersgracht 40, maar week al snel uit naar Den Haag, opgejaagd door verzetsmensen die opdracht hadden Van Lom aan te houden. In die kringen bestond inmiddels het sterke vermoeden dat Van Lom verraad had gepleegd nu hij bij twee verschillende arrestaties was ontkomen.

Gemeenschap met elkaar

Begin maart keerde het tweetal terug naar Amsterdam. Een vertegenwoordiger van het verzet had een briefje afgegeven bij Non met 
de boodschap dat ze Han op maandag 5 maart om twee uur wilden ontmoeten op de Westermarkt. Die ochtend was hij de wanhoop nabij, beschrijft Non. ‘Hij was razend nerveus en sprak tot niemand een woord. Toen we even alleen in de kamer waren borg hij zijn hoofd in mijn schoot. Ik vroeg: “Jongen wat is er nou.” Hij antwoordde met verstikte stem: “Ik wou dat ik er nooit aan begonnen was.” Toen er iemand de kamer binnen kwam is hij weer bij de kachel gaan zitten. Hij was boos omdat het eten niet gaar was, omdat hij zijn scheerkwast niet kon vinden. Hij ging over tweeën de deur uit, zonder groet om nooit meer terug te keren.’

Van Lom werd in het grachtenpand aan de Keizersgracht verhoord door vijf verzetsmensen onder leiding van Wim Sanders, na de oorlog een van de grote mensen van het Bureau Nationale Veiligheid en de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de voorlopers van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Na de oorlog liet Sanders in een verklaring weten dat Van Lom twee uur lang ‘gevaarlijke klippen trachtte te omzeilen’ en langzamerhand verstrikt raakte in ‘leugens en onjuistheden’. De ondervragers trokken zich daarop terug om te beraadslagen.

Sanders kwam tot de volgende reconstructie: Van Lom en Ini hadden een verhouding en hij was bereid geweest belangrijke verzetsmensen aan de bezetter uit te leveren in ruil voor haar vrijlating. Hij sprak onder vier ogen met Van Lom en confronteerde hem met het verhaal over liefde en verraad. De ondervraagde reageerde volgens Sanders ‘ontsteld’, vroeg hem hoe hij hiervan wist en zakte achterover. ‘Mijnheer,’ zou Van Lom gezegd hebben. ‘Ik heb alles verraden. Wat doet u met een verrader?’ Daarop zou de jonge jurist een volledige bekentenis hebben afgelegd, die bewaard is gebleven en waarin hij bevestigde dat hij met ‘mejuffrouw Tijmstra’ een verhouding was aangegaan en dat zij ‘van tijd tot tijd’ gemeenschap met elkaar hadden. Ook zou Viebahn dit hebben geweten en hebben gedreigd dit aan Non te vertellen.

Johan
Johan van Lom in 1936: een betrokken, idealistische jongeman

Opvallend genoeg sprak Viebahn vlak na de oorlog tegenover zijn ondervragers niet over het verraad-uit-liefdemotief van Van Lom. Volgens Viebahn vroeg Van Lom ‘op grond van persoonlijke bekendheid’ om vrijlating van Ini en stemde de SD’er daarin toe ‘aangezien er politioneel weinig reden was haar vast te houden’.

Na de bekentenis werd Van Lom veroordeeld tot het drinken van de gifbeker, zo vertelden getuigen nog diezelfde week aan de ondergedoken Wim van Norden. Van Norden, die nog steeds in het huis aan de Reguliersgracht woont waar hij tijdens de oorlogsjaren actief was voor Het Parool, staat nog steeds achter de beslissing Van Lom om te brengen. ‘Na de oorlog heb ik daar uitgebreid met Wim Sanders over gesproken,’ zegt hij. ‘Als ze de gelegenheid zouden hebben gehad hem vast te houden en na de oorlog te berechten wegens zijn verraad, hadden ze dat gedaan. Maar het kón niet. Ze wisten niet hoe lang het smartelijke lijden van de oorlog zou doorgaan. De kans bestond dat Van Lom zou ontvluchten en dan zou hij misschien nog meer mensen hebben verraden. Er was dus maar één oplossing: dat hij zichzelf van het leven zou beroven. En toen hij weigerde is hij doodgeschoten.’

Non schreef in de dagen erna een gedicht dat onlangs door haar dochter Anne werd teruggevonden. De enorme woede die ze voelde over de terechtstelling zonder enige vorm van proces is terug te lezen in de bijtende zinnen. ‘Ze oordeelden en er was geen beroep/Er was zelfs niet één die je gratie kon schenken/En niemand werd gevraagd te spreken/Die wel iets wist van je strijd, van je ziel/(…)/Wat waren de laatste woorden die nog fluistrend over je lippen kwamen?/Welk beeld hebben je brekende ogen gezien?/De mannen zetten hun geweren, of waren het pistolen in een hoek/Veegden hun handen af: dat was weer een verrader minder.’

Een onschuldig mens

Een week na Hans dood kreeg Non bezoek van een dominee. Hij had een briefje bij zich dat onbekenden bij hem door de bus hadden gedaan. Daarin stond wat er was gebeurd. De briefschrijvers beloofden met het oog ‘op de toekomst van haar en haar zoon (dat moest ‘dochter’ zijn – HEB/ES) dit geval zo geheim mogelijk te houden’. De briefschrijvers voelden zich ‘moreel verplicht’ Non op de hoogte te stellen van wat er was gebeurd. ‘De vrouw zal wellicht vragen hoe zich alles toegedragen heeft. Wij achten het niet juist in details te treden, maar kunnen u mededelen om haar, zij het enigermate, gerust te stellen, dat haar man zo gehandeld heeft, volgens zijn verklaring, door de zwakheid van zijn karakter’. Met andere woorden: het overspel leidde tot het verraad.

Johan2

‘Han was brutaler, maar tevens veel gevoeliger dan ik,’ schreef Non in 1947

Maar was dat wel echt zo? Non van Marle heeft de lezing van Sanders, die door Loe de Jong zonder voorbehoud werd overgenomen in zijn Koninkrijk der Nederlanden, altijd bestreden. ‘Dat er een verhouding tussen Han en Ini bestaan zou hebben is waanzin,’ schreef ze in 1947. ‘Noch Han noch Ini waren daar toe in staat. Ik had daarvan trouwens toch iets moeten merken. Wij waren dolgelukkig met elkaar en iedereen warmde zich aan de zon van ons huwelijk en ons gezinsleven’.

Ook nabestaanden van Ini (die in 1960 overleed) en Non (overleden in 1987) zijn ervan overtuigd dat van overspel geen sprake was. ‘Mijn moeder en Non zagen elkaar na de oorlog regelmatig en gingen vriendschappelijk met elkaar om,’ zegt Tjeerdfrans Kok, zoon van Ini. Iets wat door Anne van Lom wordt bevestigd. ‘Ik was nog een kind, maar ik kan me Ini goed herinneren. Het was een schatje, een onschuldig, open en spontaan mens. Ze bleven de beste vriendinnen en hebben elkaar na de oorlog nog jarenlang gezien,’ zegt ze. ‘Sanders sprak mijn vader onder vier ogen, er was verder niemand bij. Zijn versie van de feiten is altijd door iedereen voor waar gehouden. Maar is het echt zo gegaan? Het verhaal is volgens mij veel minder goedkoop en voor de hand liggend dan tot nu toe beschreven is. Misschien heeft mijn vader in een soort depressieve wanhoop alles toegegeven om er maar vanaf te zijn.’

Parool-oprichter Wim van Norden blijft vasthouden aan het verhaal van de liefde en het verraad. ‘Daardoor kan ik begrijpen wat Johan van Lom heeft gedaan. Hij was overmand door emoties die we liefde noemen, die alles opzij zet, een tragische held. Ik heb hem altijd een beetje verdedigd tegenover andere oud-verzetsmensen die hem in de eerste plaats zagen als een echte slechterik. Maar wat als hij niet uit alles verzengende liefde heeft gehandeld, zoals zijn familie wil doen geloven? Waarom deed hij het dan? Als je die liefdesverhouding totaal weglaat uit het verhaal, blijft er niets anders dan een verrader over.’

Anne van Lom is het daar niet mee eens. ‘Hubris, dat is waar mijn vader aan leed. Hij wilde dat er een eind kwam aan al het moorden. Viebahn bevestigde dat ook in zijn verhoor na de oorlog. Mijn vader wilde verder advocaat De Pont bevrijden en Ini uit de klauwen van de Duitsers redden. ’ Non formuleerde het zo in haar terugblik: ‘Ik geloof dat Han, lichamelijk volkomen verzwakt door de honger en geestelijk uitgeput door alle ellende die hij om zich heen zag, door de voortdurende hoogspanning waaronder hij moest werken, zichzelf in een geestvervoering heeft gebracht, dat hij dit barre geweld zou keren, dat hij een einde zou maken aan het moorden door goud met goud te wegen. Het doel van Han moet zijn geweest de bezetter reden tot fusilleren te ontnemen door hun de hoogste leiders van de illegaliteit in handen te spelen. Han was een overgevoelige jongen die zeer impulsief van aard was zodat hij vaak door zijn gevoel bewogen dingen deed waarvan hij de consequenties niet kon overzien. (…) Ik geloof dat pas toen hij merkte dat men hem wantrouwde, tot hem doordrong dat zijn handelswijze als verraad kon worden uitgelegd door mensen die zijn motieven niet kenden. En waarschijnlijk, toen hij voor het forum van de illegaliteit als verrader genoemd werd, is er iets in hem gebroken en heeft hij die krankzinnige bekentenis afgelegd. Hij was zo moe van alle strijd en ellende, dat hij op dat moment waarschijnlijk niets anders verlangde dan sterven, eindelijk rust.’

Ini Tijmstra overleefde de oorlog. Ze trouwde al snel met Thije Kok, een variétéartiest die tijdens de oorlog lid was van de Kultuurkamer en voor Duitse troepen optrad, maar naar eigen zeggen actief was in het verzet en voor Ini en Han tijdelijk een onderduikadres had gevonden op Bickerseiland. Na de oorlog hield Non de naam Van Lom aan. Ze was een van de eerste vrouwelijke rechters in Nederland en bracht het tot vicepresident van de rechtbank. Nooit kwam ze terug op de dood van haar man. Wim van Norden kende haar wel van gezicht, maar tot een gesprek kwam het niet. ‘Ze heeft nooit contact met mij gezocht en ik vond dat niet op mijn weg liggen.’ Toen hij in de jaren vijftig een vakantiehuisje wilde kopen aan de Vinkeveense Plassen, zei de makelaar vol enthousiasme dat ‘mevrouw Van Lom en haar dochter’ in het belendende huis hun weekenden doorbrachten. Van Norden zag daarop af van de aankoop. ‘Alleen door haar te zien zou ik dagelijks herinnerd worden aan een zeer emotionerende periode in mijn leven.’

Carla Simons’ Dagboek 1942

Begin mei 2014 publiceerde Stichting Uitgeverij Noord-Holland Dagboek 1942. Leven op de grens van wankelende waarden. Het ontroerende oorlogsdagboek van de Amsterdamse schrijfster Carla Simons is bezorgd en van een uitgebreide levensbeschrijving voorzien door ondergetekende.

Het manuscript van Carla Simons’ ontroerende Dagboek 1942 belandde na de Tweede Wereldoorlog via Nederland en Canada in de Verenigde Staten. Daar lag het tientallen jaren, tot Olga Kan-Kok en haar dochter Mirjam Kan zich er over ontfermden. Ze besloten de literaire getuigenis van deze Joodse schrijfster te publiceren, precies zoals in 1942 Carla’s bedoeling was, en benaderden mij daartoe.

Dagboek 1942 is een uniek document. Met name door de literaire observaties van een vrouw die in de bezette hoofdstad bleef hopen op een goede afloop, maar onontkoombaar naar de afgrond gleed. Zeventien maanden lang noteerde ze haar diepste gevoelens en observaties, terwijl om haar heen in een steeds hoger tempo Joodse vrienden en bekenden werden gedeporteerd. Carla’s liefdesrelatie met de Italiaanse hoogleraar Romano Guarnieri betekende voor haar aanvankelijk uitstel van executie. Maar toen Romano zich tegen het fascisme keerde, veranderde dit ogenschijnlijke voordeel in een val waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Op 27 september 1943 tekende de architect van de Endlösung, Adolf Eichmann, persoonlijk Carla’s doodvonnis.

Het leven van deze veelbelovende auteur eindigde ruw, zoals de uitgebreide inleiding van haar dagboek duidelijk maakt. Carla Simons werd een anoniem slachtoffer, zoals miljoenen overkwam die belandden in Hitlers moordmachine. De uitgave van Dagboek 1942 behoedt haar alsnog voor de vergetelheid. De publicatie (128 pagina’s, €14,95) is verkrijgbaar via de boekhandel en Stichting Uitgeverij Noord-Holland.

Omslag Dagboek 1942

Hoe het meisje met het rode haar werd verraden

De verzetsstrijder Hannie Schaft werd opgepakt dankzij een Nederlandse politieman, een tot nu toe onbekend feit.

Hannie Schaft werd op 17 april 1945 geëxecuteerd in de duinen bij Bloemen­daal. De Duitse bezetter, die maandenlang jacht op haar maakte, hoorde haar naam voor het eerst tijdens ondervraging van haar strijdmakker Jan Bonekamp. Hij raakte zwaargewond bij een aanslag die hij op 21 juni 1944 samen met Hannie Schaft pleegde op de gehate Zaanse politiecommandant Willem Ragut. Maar hoe belandde Bone­kamp in Duitse handen? Tot nu toe werd altijd gezegd dat hij werd overgedragen door ‘een foute politieman’. Maar wie was dat? En waarom leverde hij Bonekamp uit? Uit voorheen gesloten strafdossiers in het Nationaal Archief van wegens collaboratie veroordeelde Zaanse politiemannen is nu precies te reconstrueren wat er gebeurde op die fatale junidag in 1944.

Centraal staat een man die door de geschiedschrijving over het hoofd is gezien, de in 1978 in Spanje overleden Tonny Jansen. Jansen was lid van het Rechtsfront, een nauw met de NSB samenwerkende beroepsorganisatie voor politie en justitie. In augustus 1940 werd hij gestationeerd in Harlingen, waar hij openlijk de Hitlergroet bracht, jongens die V-tekens op de muur hadden gekalkt uitleverde aan de Duitsers en ijverig informatie doorspeelde aan de Sicherheitsdienst. ‘Er was in Harlin­gen geen tweede die zo zijn best deed voor de SD,’ verklaarde een getuige na de oorlog tegenover de politie.
Maar na zijn overplaatsing naar Zaandam in november 1942 gooide Jansen het over een andere boeg. Hij zocht contact met verzetsmensen en bood hun zijn diensten aan. Na de oorlog zijn er dan ook verschillende verzetslieden die hem verdedigen als iemand op wie ze konden bouwen. Zo zou hij medewerkerslijsten van verzetskrant De Typhoon uit handen van de Duitsers hebben gehouden, vliegeniers die achter de linies terecht waren gekomen hebben gered en ervoor hebben gezorgd dat de vooraanstaande verzetsman Jaap Buijs niet werd geëxecuteerd.

Geslepen schurk

‘Hij heeft zeer verdienstelijk werk gedaan voor het verzet,’ zei verzetsman August Sabel na de oorlog tijdens zijn rechtszaak. Maar de rangen der verzetsstrijders waren verdeeld over Jansen. Het gereformeerde, katholieke en sociaaldemocratische kamp nam het voor hem op, terwijl communistische getuigen niets van hem moesten hebben. Bij de links georiënteerde Raad voor Verzet stond de politieman op de lijst van te liquideren landverraders, vertelde het latere communistische raadslid Jan Brasser alias Witte Ko na de oorlog aan justitie. Jansen zou volgens Brasser ‘de motor’ zijn geweest van ‘de opdrachten van politiecommandant Willem Ragut’ en medeplichtig aan de arrestatie van zes Joden bij een razzia. Ook een andere communistische verzetscommandant, Jan ‘Joop’ Jongh was niet te spreken over de Zaanse politiecommissaris. ‘Jansen was een buitengewoon geslepen schurk, naar ons overzwaaiend om zijn huid te redden.’

Uit het justitiedossier van Jansen rijst een beeld op van een man die in de laatste oorlogsjaren weliswaar met het verzet samenwerkte, maar dan vooral met het niet-communistische verzet. Aan communisten had hij een broertje dood. Getuigen­verklaringen in het dossier melden dat Jansen aan de bezetter namen doorgaf van CPN’ers, een lijst van vermeende communisten had aangelegd waar huiszoekingen moesten worden gedaan en in 1943 een belangrijke rol speelde bij razzia’s waarbij communisten werden opgepakt.
Ook zou hij volgens mede-agenten een belangrijke rol hebben gespeeld bij het leeghalen van de Zaanse synagoge. De openbaar aanklager omschreef hem tijdens zijn proces in 1949 als een ‘opportunist’ behorend tot het slag politiemannen die tijdens de oorlog ‘niet aan de zijde van de vijand stonden’ noch zich op een ‘uitsluitend Nederlands standpunt stelden’. Uiteindelijk veroordeelde het Bijzonder Gerechtshof Jansen tot tweeënhalf jaar cel wegens ‘verraad’ en ‘hulp aan de vijand’. De straf viel zo laag uit omdat de rechters ‘in hoge mate rekening’ hielden met zijn verdiensten voor de verzetsbeweging.

IJver

In het dossier van Tonny Jansen zitten tal van getuigenissen over zijn rol tijdens de arrestatie van Jan Bonekamp, waaruit zonneklaar blijkt dat hij geen enkele moeite heeft gedaan de communistische verzetsstrijder te redden. Zo gaf hij de fanatieke NSB-agent Hendricus de Vogel opdracht de cel waarin Bonekamp werd geplaatst te bewaken. En Jansen deed nog iets waardoor hij de bezetter op het spoor van Hannie Schaft zette. Aanvankelijk verklaarde hij niet al te veel haast te hebben gehad met het informeren van de Duitsers, maar in een tweede verhoor komt hij daarop terug en zegt het bericht van Bonekamps arrestatie ‘zo snel mogelijk’ te hebben doorgespeeld, waarna manschappen van de SD ‘met de meeste spoed’ arriveerden.

Schaft
Hannie Schaft in gevangenschap, 1945

Kriminalsekretär van de Sicher­heitspolizei Emil Rühl en het gevreesde Sicherheitspolizei-lid Friedrich Christian Viebahn verbaasden zich na de oorlog tegenover hun ondervragers over de ijver van Jansen. Volgens Rühl en Viebahn was het voor Jansen ‘een kleine moeite’ geweest Bonekamp te laten onderduiken en hem te laten behandelen. Rühl: ‘Ik zou toch denken dat elke arts bereid zou zijn geweest deze man te helpen en hem hierdoor uit handen van de Duitse politie te houden.’ In een later verhoor zegt Rühl: ‘De Nederlandse SS-man De Vogel hield de wacht waardoor Bonekamp niet de gelegenheid had om personen te waarschuwen.’ En: ‘Door de willende medewerking van Jansen bij en na de arrestatie van Bonekamp was het voor ons mogelijk de moordaanslagen uitgevoerd door Hannie Schaft op te helderen.’ Als Jansen Bonekamp niet had uitgeleverd, concludeert Rühl, was Schaft nooit gevonden en ‘was zij zeker nog in leven’.
Ook de Nederlandse SS’er Maarten Kuiper, die tijdens de executie van Hannie Schaft zijn machinegeweer op haar zou legen, legde een belastende verklaring af over Jansen. Ook volgens Kuiper was het dankzij Jansen dat ‘Bonekamp nadat hij was neergeschoten, aan het bureau is gekomen, in de cel is gestopt en bewaakt om zodoende elk contact te vermijden. Zoals bekend heeft Bonekamp toen de naam genoemd van Hannie Schaft. Jansen heeft hierin een zeer actieve rol gespeeld.’
Na de oorlog probeerde Jansen zijn rol bij de uitlevering van Bonekamp aan de Duitsers zo klein mogelijk te maken. Ja, hij had gebeld met het hoofdkantoor van de SD in Amster­dam maar alleen maar omdat hij van arts Willem Levend had gehoord dat Bonekamp ‘binnen tien minuten zou overlijden’. Met andere woorden: als de Duitsers zouden arriveren zou ondervraging van de gevangene niet meer mogelijk zijn. Arts Levend herinnerde zich na de oorlog iets heel anders. Hij had tegen Bonekamp gezegd: ‘Het is erg, maar je gaat direct naar het ziekenhuis.’ En diezelfde boodschap had hij voor Jansen, NSB-burgemeester Hendrik Vitters en enkele SD’ers.

En dan is er ook nog de foto van Hannie Schaft die in de portefeuille van Bonekamp werd gevonden. In de film Het meisje met het rode haar uit 1981 speelt de foto een belangrijke rol: door die vondst kreeg Hannie Schaft een gezicht en wisten de Duitsers naar wie ze moesten zoeken. Maar in werkelijkheid is het waarschijnlijk anders gegaan. Zeker is dat Bonekamp een foto bij zich droeg. De eigenaresse van het huis waar Bonekamp was binnen gestrompeld, verklaarde na de oorlog dat er ‘een foto van een meisje met rond gezicht en loshangende haren tot op de schouders’ uit de portefeuille van Bonekamp werd gehaald door politieman Jan van der Schaaf. Die gaf de foto aan Jansen, en er zou ter plaatse zijn afgesproken dat die onmiddellijk moest worden vernietigd, om te voorkomen dat de afgebeelde persoon zou worden gezocht. ‘Wat door mij direct is gebeurd,’ zei Jansen tegen zijn ondervragers.
Dat Jansen in dit geval wel eens de waarheid gezegd zou kunnen hebben, kan worden onderbouwd met een verklaring uit een zeer onverdachte bron: die van Bonekamps echtgenote Trien van den Brink. Zij voedde in haar eentje haar dochter op, terwijl Bonekamp met Hannie Schaft operaties uitvoerde en ondergedoken zat. Na de aanslag op Ragut werd Van den Brink in het huis van haar moeder opgehaald door de politie en naar Zaandam gebracht. Daar moest ze een kwartier wachten tot er een Rode Kruis-auto arriveerde met haar man. Tijdens de rit naar het hoofdkwartier van de SD aan de Euterpestraat werd ze voortdurend verhoord over het illegale werk van haar man. Daar aangekomen ging het verhoor verder. Op tafel lagen de bezittingen van Bonekamp: een portefeuille, persoonsbewijs, een Aus­weis, een portemonnee, een sleutel en twee pistolen. Ook toonden de ondervragers haar verschillende foto’s, van hun dochter, pasfoto’s van hemzelf en een foto van een zekere Karel Smit die eerder door de Duitsers was gefusilleerd. Maar geen foto van Hannie Schaft. Voor de uiteindelijke arrestatie van Schaft maakte de al dan niet vernietigde foto overigens niet veel uit. Nadat Bonekamp Schafts naam had prijsgegeven, deden de Duitsers een inval bij de familie Schaft. Daar zijn ongetwijfeld foto’s gevonden die bij de opsporing zijn gebruikt.

Verzetsverpleegster

Zeker is dat Jansen in de negen maanden durende jacht op Hannie Schaft geen rol speelde. Zelf verklaarde hij ‘nimmer in de buurt van de woning’ te zijn geweest om ‘te trachten haar te arresteren’. Daarvoor zijn in het dossier ook geen aanwijzingen te vinden. Wel zitten er verklaringen in die een nieuw licht werpen op de laatste uren van Jan Bone­kamp. In Amsterdam werd hij overgebracht naar het Luftwaffe Lazaret te Amsterdam, dat gevestigd was bij het Wilhelmina Gasthuis. De eerdergenoemde Nederlandse SS’er Maar­ten Kuiper zag hoe de verzetsstrijder ‘verschillende spuitjes’ kreeg om hem ‘geschikt te maken voor verhoor’. Tijdens de bijeenkomsten was een Duitse verpleegster aanwezig die moest waarschuwen als Bonekamp ‘te zwak’ werd, waarna de ondervragingen zouden worden gestaakt.
Emil Rühl, die de ondervragingen samen met Kuiper deed, benadrukte na de oorlog dat Bonekamp voor hem een grote onbekende was. Bonekamp bekende een hele reeks aanslagen waaronder die op banketbakker en notoire NSB’er Pieter Faber. Hoe Rühl en Kuiper Bonekamp de naam Hannie Schaft hebben weten te ontfutselen, is altijd met raadselen omhuld geweest. Schafts medestrijdster Truus Menger-Over­steegen meldt in haar boek Toen niet, nu niet, nooit dat de Duitse verpleegster een belangrijke rol speelde. Zij zou zich hebben voorgedaan als een zogenaamde ‘verzetsverpleegster’ en Bonekamp hebben toegefluisterd dat hij boodschappen aan haar kon doorgeven. Hij zou toen, al blind en stervende, Hannie Schafts naam hebben genoemd.
Volgens de inmiddels overleden journalist Ton Kors liep het anders. In Hannie Schaft, het levensverhaal van een vrouw in verzet tegen de nazi’s beschrijft hij hoe Emil Rühl zich voordeed als een vriend en de stervende Bonekamp vroeg of hij wat kon doen. Beide auteurs geven geen bronnen bij hun weergave van de feiten. Rühl zelf gaf zijn ondervragers na de oorlog een veel minder spannende, hem vrijpleitende versie van de feiten. Volgens hem was er sprake van een ‘rustig verhoor’ waarbij Bonekamp vertelde samen met Schaft de aanslag op Ragut te hebben gepleegd en dat hij ook verder met haar samenwerkte. Mede-ondervrager Maarten Kuiper: ‘Ik heb persoonlijk gehoord dat Bonekamp de naam Hannie Schaft zei.’

De zaak-Jan Bonekamp/Hannie Schaft en de rol van Tonny Jansen daarbij was voor politie en justitie een van de vele affaires waarnaar ze tussen 1945 en 1949 onderzoek deden. Maar om onbekende reden voerde de officier van justitie de zaak niet op in de tenlastelegging en tijdens de zittingen en in het vonnis is er dan ook geen woord aan gewijd. Voor de inmiddels 89-jarige Truus Menger-Oversteegen is er geen twijfel mogelijk waarom dat zo is gelopen. ‘Weet je waarom Jansen zo heeft geopereerd? Bonekamp was een communist. Daarom stak hij geen hand voor hem uit. En weet je waarom er na de oorlog geen aandacht was voor deze zaak? Opnieuw: omdat Bonekamp een communist was. Het was in 1949 volop Koude Oorlog en om communisten werd met een boogje heen gelopen.’
Tonny Jansen werd na zijn veroordeling tot tweeënhalf jaar vrijwel onmiddellijk op vrije voeten gesteld omdat hij zijn straf al in voorarrest had uitgezeten. Hij begon een autoverhuurbedrijf in Haarlem en later kocht hij daar een reisbureau en begon met vliegreizen. Uiteindelijk werd hij directeur van Centouri, een grote speler op de reismarkt. Hij heeft die organisatie verkocht aan V&D en is op Mallorca gaan wonen. Zijn dochter Magda laat weten geen zin te hebben om ‘oude koeien uit de sloot te halen’ en verwijst door naar haar oom Theo Hibma (85), de broer van haar moeder. Hij zat tijdens de oorlog bij de familie Jansen ondergedoken om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Hibma ziet Tonny Jansen in de eerste plaats als een verzetsman. Dat hij in de gevangenis heeft gezeten, noemt Hibma een ‘tik voor de familie’. Hij weet niets van betrokkenheid van zijn zwager bij de zaak-Bonekamp/Schaft. Wat Hibma zich wel herinnert, is dat zijn zwager tijdens de oorlog soms heel nerveus thuiskwam. ‘Over de redenen voor zijn nervositeit werd niet gesproken,’ aldus Hibma. ‘Hij wilde mijn zuster en mij niet ongerust maken en verzweeg dus veel.’

Tonny Jansen door Gerrit Dekker (mei 1949)
Tonny Jansen in 1949 tijdens zijn rechtszaak

 

Walraven van Hall, premier van het verzet

Historici als Loe de Jong en Geert Mak bestempelden Walraven van Hall als de centrale man van de illegaliteit gedurende de Tweede Wereldoorlog. Desondanks zakte deze Zaandamse ’bankier van het verzet’ langzaam weg in de vergetelheid. Op 10 februari 2006, zijn honderdste geboortedag, verscheen er een biografie over Zaandammer ‘Wally’ van Hall (in 2014 heruitgegeven in een aangevulde editie).

Walraven van Hall komt op 10 februari 1906 ter wereld in een welgesteld, liberaal Amsterdams particiërsgezin. Onder zijn voorvaderen bevinden zich tal van Kamerleden, gemeentebestuurders en bankdirecteuren. Wally, zoals zijn roepnaam luidt, kiest echter een andere route en besluit om zeeman te worden. Hij bezoekt de Zeevaartschool op Terschelling en monstert vervolgens aan bij de Koninklijke Hollandsche Lloyd. Vier jaar lang reist hij als koopvaardij-officier tussen met name Europa en Zuid-Amerika. In 1929 worden zijn ogen niet meer goed genoeg bevonden voor de grote vaart. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader en wordt bankier. Hij werkt anderhalf jaar in New York en grijpt dan de kans om bankdirecteur te worden in Zutphen. In 1932 trouwt hij met Tilly den Tex, ook al een telg uit een roemrijk bankiersgeslacht, met wie hij drie kinderen krijgt.

In maart 1940 treedt Van Hall in dienst bij de Zaandamse bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon, gevestigd aan de Westzijde 47. Hij betrekt diezelfde maand een vlakbij gelegen herenhuis, aan de Westzijde 42 (op de plek waar nu het Holland Handelshuis staat). Als commissionair in effecten reist hij dagelijks naar de Amsterdamse effectenbeurs. Naast zijn werk wordt Van Hall vrijwilliger bij de plaatselijke Luchtbeschermingsdienst, in 1939 opgericht ter voorbereiding op de dreigende oorlog.

Nederlandse Unie

Als reactie op de Duitse bezetting van Nederland ontstaat de Nederlandse Unie. Deze nieuwe volksbeweging wil het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Ruim anderhalf jaar schippert de Unie tussen toegeven aan de steeds verdergaande eisen van de bezetter en het volgen van een eigen koers. Desondanks groeit de organisatie uit tot de grootste politieke partij ooit, met 600.000-900.000 leden. De meeste mensen sluiten zich aan uit weerzin tegen de nationaal-socialistische partijen NSB, NSNAP en Nationaal Front. Van Hall wordt in november voorzitter van de nieuwe afdeling Zaandam, zijn stadgenoot Jaap Buijs secretaris/penningmeester. In mei 1941 opent de Nederlandse Unie een winkel aan de de Gedempte Gracht 10. Voorin zijn kranten, speldjes en ander propagandamateriaal verkrijgbaar, in een achterzaaltje vindt kadervorming plaats. “Het thans bereikte aantal van duizend leden voor Zaandam is nog veel te gering”, spreekt Van Hall tijdens de opening de achterban toe.

Buijs en Van Hall missen zelfs het kleinste stukje affiniteit met de bezetter en haar aanhang. Ze roepen het Unie-bestuur op om stelling te nemen tegen de NSB en Buijs laat het partijsecretariaat weten ‘liever geen loten voor de Winterhulp te willen verkopen’. “Van de verkoop mag niets worden verwacht”, geeft hij als reden op. In dat beeld past ook de vaderlandslievende actie van een Zaandamse Uniehuis-medewerker. Uit een Unie-verslag: “In Zaandam liep de conciërge van de winkel een proces-verbaal op, omdat hij van de op het trottoir voor de winkel geklodderde leuze ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen het eerste gedeelte had weggeschrobd.” Van Hall zal de selectieve schoonmaakactie ongetwijfeld met een glimlach hebben waargenomen.

In december 1941 hebben de Duitsers genoeg van de wispelturige Nederlande Unie. De organisatie wordt verboden. Relatief veel Unie-leden belanden vervolgens in de illegaliteit. Zo ook Van Hall. Begin 1941 is hij al gestart met het inzamelen van geld voor slachtoffers van de Februaristaking en datzelfde jaar raakt hij betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor de gezinnen van koopvaardij- en marinepersoneel dat vanuit Groot-Brittannië bijdraagt aan de geallieerde oorlogsvoering. Samen met zijn broer Gijs -de latere burgemeester van Amsterdam- slaagt Walraven er in om tonnen aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Wanneer anderen, die er misschien direct meer voor in aanmerking komen, het niet aandurven om te steunen, dan moeten zij dat zelf weten, maar ik denk er niet aan om mijn makkers, waarmee ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, zegt de oud-zeeman tegen een vriend.

Nationaal Steunfonds

In de loop van 1942 wordt duidelijk dat steeds grotere aantallen nazi-slachtoffers hulp nodig hebben. De beide Van Halls richten daartoe samen met oud-Philipsmedewerker Iman J. van den Bosch het Landrottenfonds op. Walraven stelt voor om uit oogpunt van veiligheid -hoe meer leners, hoe groter de kans op verraad- leningen lager dan 25.000 gulden niet langer te accepteren. Die opzet lukt wonderwel, door aan te kloppen bij banken en vermogende Nederlanders. De organisatie groeit in 1943 uit tot een landelijk netwerk. De steun wordt uitgebreid naar gezinnen van gijzelaars en gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van Arbeidsinzet-onderduikers en (via een speciale Vakgroep J, met in het bestuur onder andere Zaandammer Remmert Aten) 8000 à 9000 joden. Een door Van Hall uitgedacht, ingenieus administratiesysteem voorkomt misbruik van de verzamelde gelden.
Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstaat na verloop van tijd het Nationaal Steunfonds. Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider is, financiert gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gaan er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw, Het Parool en De Typhoon. De bloeiperiode van het NSF breekt aan als de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 oproept tot de spoorwegstaking. Het fonds neemt de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een last van 5-6 miljoen gulden per maand. Walraven en Gijs van Hall zorgen dat er op grote schaal schatkistpromessen worden vervalst. Met deze waardepapiereen weten ze De Nederlandsche Bank onder leiding van nationaal-socialist M. Rost van Tonningen 51 miljoen gulden afhandig te maken. Het is tot vandaag de dag de grootste bankfraude ooit in Nederland.

In het laatste oorlogsjaar raakt Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, de Binnenlandse Strijdkrachten (dat eveneens door het NSF wordt betaald) en een landelijke campagne om Duitse dwangarbeid te voorkomen. Hij houdt zich verder onder meer bezig met de hulp aan geallieerde piloten, de leverantie van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens conflicten binnen de landelijke illegaliteit. Aan zijn rol als intermediair houdt hij de bijnaam ‘olieman’ over. Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken zal premier Schermerhorn na de oorlog Van Hall betitelen als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Een andere minister-president, Drees, gebruikt vergelijkbare woorden.

Hoewel het NSF uiteindelijk meer dan 100 miljoen gulden onder haar beheer heeft en relatief makkelijk aan voedsel en kleding kan komen, weigeren Van Hall en zijn directe medewerkers gebruik te maken van hun ‘privileges’. Walravens gezondheid gaat dan ook snel achteruit tijdens de hongerwinter van 1944-’45. Geert Mak beschrijft in zijn boek ‘Een kleine geschiedenis van Amsterdam’ de vermoedelijk laatste keer dat de dan 11 jaar oude Attie haar vader ziet. “Het moet op een koude avond in de laatste oorlogswinter zijn geweest, zij wist de datum niet meer precies, dat Walraven van Hall -beter bekend als Van Tuyl, soms als Barends of Oom Piet- opgebrand na maanden van keihard werken, onverwacht bij zijn vrouw en drie kinderen de keuken binnen kwam zeilen. Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Op 27 januari 1945 wordt Van Hall gearresteerd, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans belandt hij in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs, die twee weken eerder is opgepakt. Op 12 februari 1945, twee dagen na zijn 39ste verjaardag, sterft Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Enkele maanden na de bevrijding wordt zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen. De olieman krijgt dichtbij de vindplaats zijn laatste rustplaats, op de Erebegraafplaats in Bloemendaal.

cawdshgr.jpg

‘Wally’ van Hall op de Zeevaartschool van Terschelling (links voor).