De aanleiding voor de Van Hall-biografie

 


De misschien wel meest gestelde vraag over mijn literaire bezigheden is hoe ik er toe ben gekomen om steeds maar weer over de Tweede Wereldoorlog te schrijven. Het kortste antwoordt luidt: “Door toeval.” Maar dat verdient misschien wat uitleg.

In 2004 gaven mijn ouders me een boek cadeau met de titel Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Ze hadden het dubbel, en wie weet kon de inhoud rekenen op mijn belangstelling. Dat deed het. Wat opviel was dat om de zoveel pagina’s de familie Van Hall opdook in dit werk van Geert Mak. Ze bleken een flinke rol te hebben gespeeld in de hoofdstedelijke historie, met name in de negentiende en twintigste eeuw.

In het laatste hoofdstuk verscheen opeens ene Walraven van Hall ten tonele. Dat bleek een Zaandamse bankier annex verzetsman te zijn, en Mak plaatste hem op een voetstuk. Een citaat: “Binnen twee jaar groeiden de gebroeders Van Hall uit tot centrale figuren binnen de Nederlandse illegaliteit, en over Wallie werd zelfs gesproken als de ‘minister-president van bezet Nederland’.”

Tot dan had ik alleen weet van de Walraven van Hallstraat, een weinig tot de verbeelding sprekend hoekje van Zaandam. Geert Mak maakte me echter nieuwsgierig naar meer informatie over de ‘olieman’, een van Van Halls bijnamen tijdens de bezetting. Vreemd genoeg bleek er geen boek over zijn leven te bestaan. Loe de Jong schetste in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog weliswaar een uitgebreid beeld van Walraven van Hall, die hij beschouwde als de belangrijkste ondergronds werker die Nederland had tussen 1940 en 1945, maar het levensverhaal van deze man vond ik niet. In mijn naïviteit dacht ik toen: “Dan schrijf ik het zelf wel.”

In het navolgende jaar stak ik al mijn vrije tijd in het onderzoek naar en schrijven over Van Hall. Ik nam een aantal maanden vrij van mijn werk. Mijn voornemen was om op 10 februari 2006, de honderdste geboortedag van ‘Wallie’, zijn levensverhaal te kunnen presenteren. Dat lukte, al dreigde het op het laatste moment nog te mislukken. Maar daarover morgen meer.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

 

Walraven van Hall: bankier van het verzet

Loe de Jong noemde hem de centrale figuur van de illegaliteit. De in Amsterdam werkzame Walraven van Hall werd tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog door velen gezien als de minister-president van bezet Nederland. Desondanks zakte deze ‘bankier van het verzet’ sindsdien langzaam weg in de vergetelheid.

Er zijn de nodige raakvlakken tussen de Franse ambtenaar Jean Moulin en de effectenhandelaar Walraven van Hall, mannen die in eigen land uitgroeiden tot het middelpunt van de strijd tegen de nazi’s. Allebei dwarsboomden ze hun tegenstanders waar mogelijk, overigens zonder daarbij gebruik te maken van wapens. Ze slaagden er in het verdeelde verzet te laten samenwerken. En als gevolg van verraad in eigen gelederen stierven beiden een gewelddadige dood.

Verschillen zijn er ook. Moulin kreeg zijn laatste rustplaats in het aan de allergrootsten voorbehouden Parijse Panthéon. Hij werd in Frankrijk opgewaardeerd tot bijkans mythologische held, die in vrijwel elke plaats een straat of school naar zich vernoemd kreeg en wiens leven keer op keer is verfilmd en geboekstaafd. Van Hall daarentegen, bijgezet op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal, bleef – het eerbetoon van De Jong en andere historici ten spijt – aanvankelijk onbekend bij het grote publiek.

Zaandam

Na een korte carrière als zeeman kwam de in Amsterdam geboren ‘Wally’ van Hall in de financiële wereld terecht. In maart 1940 verhuisde hij naar Zaandam. Namens de plaatselijke bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon reisde hij dagelijks naar het hoofdstedelijke Beursplein om er effecten te verhandelen. Aan zijn onbekommerde gezinsleven kwam een eind na de Duitse bezetting van Nederland. Walraven werd in zijn woonplaats voorzitter van de Nederlandse Unie. Deze volksbeweging wilde het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Veel mensen sloten zich er bij aan, uit weerzin tegen het nationaalsocialisme.

In december 1941 verboden de Duitsers de wispelturige Nederlandse Unie, op dat moment de grootste politieke partij ooit. Tal van Unie-leden gingen vervolgens ondergronds. Zo ook Van Hall. Hij was al gestart met een geldinzameling voor slachtoffers van de Februaristaking en raakte nu ook betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor gezinnen van uitgeweken koopvaardij- en marinepersoneel. Samen met zijn broer Gijs – de latere burgemeester van Amsterdam – lukte het Walraven om via kennissen in de bank- en beurswereldvloer honderdduizenden guldens aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Ik denk er niet over om mijn makkers, met wie ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, vertrouwde hij een vriend toe.

Plundering van schatkist

In de loop van 1942 werd duidelijk dat steeds meer nazislachtoffers hulp nodig hadden. De beide Van Halls stichtten daartoe het landelijk opererende Landrottenfonds. Dat sloot grote leningen af bij banken en vermogende Nederlanders. Het geld ging naar gezinnen van gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van arbeidsinzet-onderduikers en acht- à negenduizend ondergedoken joden.

Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstond het Nationaal Steunfonds (NSF). Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider was, financierde gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gingen er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw en Het Parool. Toen de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 opriep tot een spoorwegstaking nam het NSF de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een maandelijkse last van 5-6 miljoen gulden. Tot mei 1945 deelde het NSF meer dan 85 miljoen gulden uit binnen de illegaliteit.

Ruim tweederde van dit bedrag was afkomstig van De Nederlandsche Bank. Het idee om de nationale kas te plunderen kwam van Gijs van Hall. Hij herinnerde zich de Zweedse luciferproducent Ivar Kreuger. Die wist in de jaren dertig met valse schatkistpromessen miljoenen te ontfutselen aan een Italiaanse bank. De Van Halls kregen kassier-generaal C.W. Ritter zo ver om valse papieren om te ruilen voor echte. Het was een gevaarlijke klus, want De Nederlandsche Bank werd geleid door NSB-kopstuk Meinoud Rost van Tonningen. Vijftien keer vond er in het bankgebouw aan de Oude Turfmarkt een ingewikkelde wisseltruc plaats, waarna de echte waardepapieren bij acht sympathiserende bankdirecties werden omgezet in contant geld. Het was de grootste bankfraude ooit in Nederland. Terecht concludeerde Loe de Jong dat het de Nederlandse illegaliteit wellicht aan van alles ontbrak, maar dankzij het Nationaal Steunfonds in ieder geval niet aan geld.

Waar Gijs van Hall zich vooral concentreerde op het NSF leek zijn broer alom aanwezig. In het laatste oorlogsjaar was Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, bij de door het NSF gefinancierde en gehuisveste Binnenlandse Strijdkrachten en was hij de initiatiefnemer van een succesvolle landelijke campagne om de Duitse Arbeitseinsatz te frustreren. Hij hield zich verder onder meer bezig met hulp aan geallieerde piloten, het onderbrengen van joden, de levering van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens ideologische conflicten binnen de verzuilde landelijke illegaliteit.

Walravens gezondheid ging tijdens de hongerwinter van 1944-’45 snel achteruit. Geert Mak beschreef in zijn boek Een kleine geschiedenis van Amsterdam de vermoedelijk laatste keer dat zijn gezin hem zag. “Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Duur gekochte vrijheid

Op 27 januari 1945 werd Van Hall gearresteerd tijdens een topoverleg op de Leidsegracht, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Weteringschans belandde hij in een cel naast zijn eerder gearresteerde verzetsvriend Jaap Buijs. Die beschreef in een bewaard gebleven dagboekje Van Halls laatste uren. “12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. (…) Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til [zijn echtgenote] mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.”

Op 12 februari 1945 stierf de twee dagen eerder 39 jaar geworden Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Na de bevrijding werd zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen.

Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken betitelde de eerste naoorlogse premier, Wim Schermerhorn, Van Hall als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Het heeft desondanks 65 jaar moeten duren voor Walraven van Hall werd geëerd met een monument, geplaatst naast en deels gefinancierd door diezelfde Nederlandsche Bank waaruit de broers Van Hall het kapitaal voor hun verzetswerk roofden. Dat de ‘olieman’ (een van zijn vele bijnamen) een voetnoot in de historie dreigde te worden heeft als belangrijke oorzaak dat zijn naasten de publiciteit meden. Wally’s familie zweeg. Zijn beste vriend, Jaap Buijs, was te getraumatiseerd om over de oorlog te spreken. Van Halls hoofdkoerier, L.C. Weeda, vertrok na de bevrijding al snel naar Nederlands-Indië. Kassier Ritter en andere bankiers wilden niet te koop lopen met hun ‘frauduleuze’ oorlogswerkzaamheden. En Gijs van Hall heeft in zijn memoires nog wel een poging gedaan om zijn broer lof toe te zwaaien, maar van dat boek bleef vooral het beeld hangen van een burgemeester die zijn taak niet tot een bevredigend einde wist te brengen.

De speelfilm Bankier van het verzet (met onder anderen Barry Atsma, Jacob Derwig en Pierre Bokma) geeft mogelijk het laatste zetje dat nodig is om Van Hall dezelfde naamsbekendheid te geven als bijvoorbeeld Hannie Schaft, Erik Hazelhoff Roelfzema en Gerrit Jan van der Veen. Hij verdient het.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Unieke foto’s van de Februaristaking

In de zomer van 2016 nam de tachtigjarige Gerard Wijdenes contact op. Of ik geïnteresseerd was in een fotoalbum van zijn ouders, wat boeken over de jaren ’40-’45 in de Zaanstreek en een pak oude oorlogskranten. Dat was ik natuurlijk. Ik bladerde het fotoboek door en stuitte op vier foto’s die blijkens het bijschrift op 25 februari 1941 waren gemaakt in Zaandam. ‘Wauw,’ zei ik. Want hoewel de Februaristaking een unieke gebeurtenis was tijdens de Tweede Wereldoorlog (want de enige keer in heel Europa dat de bevolking opstond tegen de jodenvervolging), dook er pas een jaar eerder voor de eerste keer een foto op waarvan onomstotelijk vaststond dat het de Februaristaking betrof. En plotseling had ik er vier tegelijk in mijn handen.

De in 2015 geopenbaarde opname was gemaakt door een journalist van het socialistische dagblad Het Volk. Decennialang had het kiekje onopgemerkt in het provinciaal archief in Leeuwarden gelegen. Op de foto is te zien was hoe burgers zich verzamelen rond een – niet zichtbare – spreker op het Amsterdamse Raamplein.

Het album met de Zaanse foto’s had jarenlang op de zolder gelegen van Gerard Wijdenes’ zusje Marion. ‘Toen ze bezig was met een grote schoonmaak wilde ze het album op de schroothoop gooien’, vertelt Gerard.’ “Doe maar niet”, zei ik. “Ik kijk wel of ik er een bestemming voor vind.” Die vond hij dus. In het najaar arriveerde opeens per post een doos met daarin het fotoalbum. Het bevatte beelden van de bombardementen in Rotterdam die tijdens de oorlog wijd werden verspreid, kiekjes van de koninklijke familie, vergeelde krantenknipsels en bonnenboekjes. Prachtig materiaal, maar niet uniek. Maar halverwege het boek wachtte me de grote verrassing.

Dirk Wijdenes en zijn vrouw Elisabeth woonden sinds oktober 1935 in hartje Zaandam, aan wat toen de Hoogendijk 10 was. Ze hadden uitzicht op het standbeeld van Czaar Peter. Nu is het een pleintje met veel horeca, destijds waren er een postkantoor, bioscoop, kleine middenstanders en een café gevestigd. Het woonhuis is nog steeds een opvallend pand, genaamd ‘Het Wapen van Friesland’. Tegenwoordig is ook hier horeca gevestigd, maar in die jaren zat er de firma Keg, een comestibleswinkel. Er werden koffie, thee, wijn, zeep en kaarsen verkocht. Dirk was er de bedrijfsleider en woonde dus in een groot appartement boven de zaak. Op een van foto’s in het album is hij te zien in een keurig pak mét plusfour, gepoetste schoenen en een strikje. Hij staat trots tussen zijn personeelsleden op de dag dat er Zweeds wittebrood wordt uitgedeeld. Blijkens het bijschrift is de foto genomen op 8 maart 1945.

Op dinsdag 25 februari 1941, ergens laat op de middag, pakte Dirk of Elisabeth een fototoestel en richtte de lens naar buiten. Rond het beeld van Czaar Peter was sprake een kleine volksoploop. Het waren stakers, die – gretig naar nieuws – richting het centrum waren getrokken. De onrust was overgeslagen uit Amsterdam. En om uit te leggen hoe dat zo kwam, moeten we een paar weken terug in de tijd.

Op zondag 9 februari viel de Weerafdeling van de NSB het Amsterdamse café en variététheater Alcazar binnen, omdat de eigenaars hadden geweigerd het bordje ‘Joden niet gewenst’ op te hangen. Later die dag vernielden door Duitsers gesteunde NSB’ers de ruiten van woningen die toebehoorden aan joden in de buurt van het Waterlooplein. De spanningen liepen op, en het kwam – niet voor de eerste keer – tot gevechten tussen joodse bewoners die hun eigendommen wilden verdedigen en NSB’ers die door de straten schuimden. Daarbij werd – het verhaal is bekend – de WA-man Hendrik Koot doodgeslagen. Het vormde de opmaat tot de eerste grote razzia in Amsterdam, waarbij 427 willekeurige joodse mannen van straat werden geplukt als represaille. De foto’s van de arrestanten op het Jonas Daniël Meijer plein zijn wereldberoemd geworden. Vrijwel alle gevangenen zouden worden vermoord in Mauthausen.

Rood bolwerk

Ook in de Zaanstreek was het onrustig in die dagen. Bij het partijkantoor van de NSB waren eerder al de ruiten ingegooid en ook bij NSB-gezinde families gingen er regelmatig keien door de voorruit. Zaandam en omgeving was van oudsher een rood bolwerk, en de contacten tussen de leden van de Communistische Partij in Amsterdam en Zaandam waren dan ook hecht. Men hield elkaar nauwkeurig op de hoogte. Toen de joodse arrestanten in een colonne van tien gesloten vrachtwagens vanuit Amsterdam naar een tijdelijk kamp in Schoorl werden vervoerd, passeerden ze via de Provincialeweg ook de Zaanstreek. Dat was niet onopgemerkt gebleven, verklaarden getuigen na de oorlog.

Op 21 februari verscheen in het Zaanse advertentieblad De 7000 het bericht dat alle inwoners van joodse afkomst zich – tegen betaling – moesten laten registreren. Dat vergrootte onder de Zaankanters de toch al aanwezige verontwaardiging over de handelswijze van de bezetter. Het kwam tot een eerste openlijke confrontatie toen de WA op een stampvolle zondagavond binnenviel bij het Koogse café De Waakzaamheid, waar bezoekers en masse op de dansvloer stonden. De boel werd kort en klein geslagen, aanwezigen mishandeld. De aanleiding is altijd onduidelijk gebleven: vonden de WA’ers dat de burgerij moest rouwen over de dood van hun kameraad Koot?

Op diezelfde zondag besloten kopstukken van de CPN in Amsterdam om daar een staking te organiseren uit protest tegen de razzia. ‘Protesteert tegen de afschuwelijke Jodenvervolgingen!!!!!’ was te lezen op een pamflet. De staking die begon op dinsdag 25 februari leidde er in Amsterdam toe dat tienduizenden het werk neerlegden en het openbaar vervoer stil kwam te liggen. De staking sloeg, aangewakkerd door de CPN, ook over naar omliggende gemeenten. In de Zaanstreek legden die eerste dag ruim drieduizend arbeiders het werk neer bij onder meer Duyvis, de Zaanlandsche Scheepsbouw Maatschappij en zetmeel- en voedingsmiddelenconcern Honig. Veel stakers trokken – zonder vlaggen of demonstratie, werkonderbrekingen waren streng verboden – naar het centrum van Zaandam, en dat is wat het echtpaar Wijdenes vanuit het raam op de eerste verdieping vastlegde. Dat ze foto’s maakten is op zich niet zo raar. In die eerste oorlogsjaren waren er nog volop fotorolletjes te koop en fotograferen was op dat moment nog niet verboden.


Op de foto die op de albumpagina rechtsboven is geplakt, is te zien hoe de bevolking zich verzamelde voor een winkelpui schuin tegenover Keg. ‘Opplakken van bepalingen. Werden door de mensen afgerukt’, luidt het bijschrift bij de foto. De ‘bepalingen’ waarop werd gedoeld, waren waarschijnlijk mededelingen van de Duitse autoriteiten waarin ze zich verantwoordden voor de razzia’s in Amsterdam, en waarin de joodse bevolking alle schuld in de schoenen werd geschoven. De foto’s moeten om een uur of vier in de middag zijn gemaakt, dat zie je aan de lange schaduwen op deze heldere winterdag. Het is een tijdstip waarop normaal de arbeiders in de fabrieken zouden zijn. De beelden komen overeen met politierapporten van die dag. Na een tip van een bezorgde burger waren agenten ter plaatse poolshoogte gaan nemen. Ze meldden dat ze enkele tientallen mensen aantroffen bij het honderd meter van Keg gelegen hotel-restaurant ‘Het Wapen van Zaandam’ (tegenwoordig is er een wokrestaurant gevestigd).

Die samenscholing bij Het Wapen van Zaandam is op de drie andere foto’s uit het album in de verte aan de rechterhand te zien. Nadere bestudering van de eerste van die foto’s wijst uit dat er aan het einde van de straat een open Duitse legertruck met achterin soldaten staat.


De drie foto’s zijn kort na elkaar genomen; klik, rolletje transporten, klik, transporteren, klik. Dat weten we omdat links op de stoep een Duitse soldaat is te zien die er op de tweede foto ook staat als de truck in de richting van de Dam rijdt en halverwege de straat is. En er is nog een aanwijzing dat er weinig tijd zat tussen de foto’s: op alle drie de beelden staat een man in een donkere korte winterjas en met een hoed op. Op de eerste hangt hij tegen een muur te roken, op de tweede staat hij daar nog steeds en op de derde foto steekt hij, sigaret in de hand, de straat over, als de vrachtauto is gepasseerd. Op het derde beeld, rijdt de truck onderlangs de winkel van Keg. De helmen van de soldaten zijn duidelijk te zien. Het bijschrijft luidt: ‘Mensen vluchten.’ Dat klopte, want de straat was inmiddels vrijwel leeg. De fotograaf deed een stap naar binnen toen de vrachtwagen naderde. Niet verwonderlijk, want fotograferen van militaire objecten was, hoewel op dat moment nog niet verboden, wel riskant.

Die 25ste februari bleek achteraf de aanloop naar de grote stakingsdag. Op woensdag de 26ste werd er gestaakt in Amsterdam, Utrecht, Hilversum, Weesp en andere omliggende plaatsen. Ook de hele Zaanstreek ging plat. NSB’ers werden belaagd. Eentje werd zelfs in de Vaart gegooid en mocht er pas weer uit nadat hij het Wilhelmus had gezongen. Stakers sloegen andere NSB’ers in elkaar, een huis werd leeggeroofd, andere bekogeld. Een NSB-bruidspaar dat toevallig die dag in het huwelijk trad, vlakbij de Dam in het toenmalige stadhuis, werd bekogeld met stenen. De Zaandamse politie moest er aan te pas komen om de menigte op afstand te houden. De Duitse autoriteiten kwamen later die dag echt in actie. Op de Dam werd met scherp geschoten, slagersknecht Jan Keijzer verloor hierbij na een gericht schot het leven.

Boete

Uiteindelijk, en dat is weinigen bekend, duurde de Februaristaking het langst in de Zaanstreek, langer dan in Amsterdam. De laatste werkweigeraars gingen pas op 1 maart weer aan de slag. De Duitse autoriteiten legden Zaandam een boete op van een half miljoen gulden. Die moest worden opgebracht door de rijkste inwoners. Burgemeester Joris In ’t Veld werd met pensioen gestuurd en vervangen door de fel-antisemitische Cornelis van Ravenswaay, die uiterst actief opereerde bij de jodenvervolging. Bioscopen gingen dicht, er kwam een strenger uitgaansverbod dan elders en veel stakers kregen een korting op hun salaris.

Dirk Wijdenes was volgens zijn zoon Gerard tijdens de oorlogsjaren die volgden actief in het verzet. Hij bewaarde wapens en had onderduikers op zolder. Niet lang na de bevrijding kreeg Dirk een hersenbloeding en raakte hij verlamd. Het gezin moest het huis boven de winkel verlaten. Dirk overleed in 1970, zijn vrouw Elisabeth in 2008.

Het fotoalbum lag daarna al die tijd in een doos op een zolder.

(Dit is een bewerking van een met Harm Ede Botje geschreven artikel dat in februari 2017 in Vrij Nederland stond.)

De laatste exemplaren van ‘Eisendrath’

Het is hard gegaan met de verkoop van Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945). De reacties op deze familiegeschiedenis waren vaak emotioneel, maar zonder uitzondering positief. “Het boek grijpt je bij de keel”, oordeelde het Noordhollands Dagblad. Waarschijnlijk mede door die impact slonken de stapels snel in de boekhandels.

Op dit moment, drie weken nadat de verkoop begon, zijn er nog maar enkele tientallen exemplaren verkrijgbaar van de publicatie over de Zaans-joodse familie Eisendrath. Bestellen kan via elke Nederlandse boekwinkel of door €17,95 over te maken naar het Bureau Discriminatiezaken in Zaandam. Wacht niet te lang, want het is zeer de vraag of er een herdruk komt.

Nee, mijn boek is niet verfilmd (of toch?)

Ik ben het een beetje zat. Dat mijn boek over Walraven van Hall de basis vormt voor Bankier van het verzet; geen punt. Maar doe dan niet alsof die biografie totaal geen rol speelt bij het maken van de speelfilm.  

Het is alweer een jaar of tien geleden dat Rutger Hauer aankondigde een Engelstalige speelfilm te willen regisseren over Walraven van Hall, de Zaanse verzetsheld die door velen wordt gezien als de spin in het web van de Nederlandse illegaliteit. Aangezien ik Van Halls leven had geboekstaafd, namen de twee door Hauer uitgekozen beoogde scenarioschrijvers contact met me op. Begrijpelijk, er bestond geen ander levensverhaal van enig formaat over de Nederlandse aanvoerder van de ondergrondse. We maakten een rondje door Zaandam. Ik wees plekken aan die belangrijk waren in het leven van de Zaandamse bankier/verzetsman. En ik beantwoordde vragen. Waren er destijds NSB’ers binnen de familie Van Hall? Gebruikte Walraven wapens tijdens zijn illegale jaren? Had hij ooit een buitenechtelijke relatie? En zo verder.

De scenaristen in spe waren eerlijk: het was lastig om het merendeels ‘papieren’ verzet van de hoofdpersoon te verfilmen en ze zochten daarom naar smeuïge details. Ik moest ze teleurstellen: Van Hall was uitermate heldhaftig en balanceerde regelmatig op de rand, maar veel sappigs in de vorm van schietpartijen en seksuele escapades zat daar niet bij.

NL Film

De film die Rutger Hauer wilde regisseren kwam er nooit. Iets met geldgebrek, begreep ik. In het najaar van 2011 vernam ik dat er wellicht toch nog een speelfilm zou uitkomen over ‘Wally’ van Hall. NL Film, een van Nederlands grootste productiebedrijven, had zich over het verhaal ontfermd. Ik stuurde het bedrijf een mailtje. “Indien NL Film met het oog op het produceren van de film geïnteresseerd is in mogelijke bronnen en archieven, geschikte filmlocaties en andere informatie die de research vergemakkelijken, kan daarover desgewenst contact met mij worden opgenomen”, schreef ik. Nog dezelfde dag kwam er een hartelijke reactie: “Wij stellen dit erg op prijs. Uw mail stuur ik hierbij door naar Sytze van der Laan die momenteel gesprekken voert met de researcher die voor ons aan deze film werkt. Hij neemt in de toekomst graag contact met u op.”

Het bleef een half jaar stil aan de andere kant van de lijn. Toen vroeg ik schriftelijk of er al iets meer bekend was. “Ik heb uw mail doorgestuurd naar Sytze van der Laan. Hij neemt contact met u op”, luidde het dit keer iets kortere antwoord. Inmiddels zijn we vijf jaar verder. Sytze van der Laan, door NL Film ingehuurd als producent van de film, zoekt blijkbaar nog altijd naar mijn digitale adres of telefoonnummer. Of wellicht had hij het te druk met de afwikkeling van zijn directeurschap bij de Nederlandse Film- en Televisie Academie, dat kan ook.

Gaandeweg vernam ik steeds vaker dat mijn boek een rol speelde bij het financieren en maken van de miljoenenfilm. Een lid van de familie Van Hall vertelde dat de enthousiaste producent bij haar op bezoek kwam met mijn biografie in zijn hand (“Het zat helemaal vol geeltjes.”). Schrijfster Jessica Durlacher bestelde mijn boek. Ze ging daarmee vervolgens samen met ega Leon de Winter op bezoek bij toenmalig bankdirecteur Gerrit Zalm, in een poging om geld los te peuteren voor de film. En Marieke van der Pol had het boek uiteraard ook naast haar computer liggen toen ze het script schreef voor Bankier van het verzet.

Peter R. de Vries

Iedereen kan de literatuur en archieven induiken en daar op zoek gaan naar Van Halls levensverhaal. Zolang er in Bankier van het verzet geen scenes voorkomen die alleen ik kon schrijven -dankzij exclusieve bronnen bijvoorbeeld-, staat het een ieder vrij om Van Hall vorm te geven zoals hij of zij wil. Toen er enkele jaren geleden een film werd gemaakt over de ontvoering van Freddy Heineken verkondigde Peter R. de Vries dat het script gebaseerd was op zijn publicatie over die ontvoering. Hij zei juridische stappen te overwegen, maar uiteindelijk is het daar nooit van gekomen. De Vries besefte waarschijnlijk dat hij het in de rechtbank zou afleggen.

Begin 2017 startten de opnames van de Van Hall-film. De hoofdrollen zijn in handen van goede acteurs. Barry Atsma speelt Walraven, Jacob Derwig diens broer Gijs. In Van der Pols scenario had ik ook wel vertrouwen. Zij heeft, onder meer met De Tweeling, bewezen uitstekende scripts te kunnen schrijven. Hopelijk is haar verhaal overeind gebleven bij de opnames, die eind april eindigden. Laten we het er op houden dat ik mijn twijfels heb. Het aantal via Facebook en Twitter verspreide foto’s van filmscènes waarop geweren en pistolen in beeld zijn, is ontelbaar. Een betrokkene beschreef hoe voor het oog van de camera tezamen met Walraven van Hall een vrouw werd geëxecuteerd, daar waar dat in werkelijkheid niet plaatsvond. Er kwam een fictieve naam voorbij van een belangrijke bijrolspeler. Barry Atsma poseerde op Twitter met een stevige gezichtswond, een blessure die Van Hall tijdens zijn oorlogsjaren niet had. Enzovoort.

In het voorjaar van 2017 raakte ik in gesprek met een dame die betrokken is bij de distributie van de Van Hall-film. Ze toonde me enkele foto’s waarop Jacob Derwig op de filmset door mijn boek bladert. Het was de zoveelste aanwijzing dat de filmploeg en de publicatie nooit ver van elkaar verwijderd waren. In diezelfde week plaatste Barry Atsma een tweet met een foto van mijn boek. Het bericht bleef nog geen tien minuten in de lucht. Toen werd het boek vervangen door een plaatje van het monument voor Van Hall in het Amsterdamse Beursgebouw. Ik vermoed zomaar dat iemand Atsma in de tussentijd liet weten dat de biografie niet in beeld mocht.

Tweetversie 1…

…en versie 2, een paar minuten later.

Naarmate de premièredatum dichterbij komt, krijg ik steeds vaker de opmerking hoe leuk het is dat mijn boek wordt verfilmd. Dat wordt het dus niet. Formeel dan. Toch wil ik bij dezen alvast twee dingen verklappen. Eén: Bankier van het verzet zal zelfs bij benadering niet zo integer zijn als de man die daarin centraal staat. En twee (in alle bescheidenheid): het boek is beter.

De collaborerende clown

Thije Kok trad tijdens de Tweede Wereldoorlog op als variété­artiest voor de Duitsers. Na de oorlog werd hij commandant van het erepeloton van de Binnenlandse Strijdkrachten. Portret van een man die ná de oorlog in het verzet ging.

Door Harm Ede Botje en Erik Schaap

‘De verrader en het meisje’ was de kop boven een artikel dat we in 2013 schreven. Het was het dramatische verhaal van de jonge jurist Johan van Lom die hooggeplaatste figuren uit het Nederlandse verzet verraadde om een vriendin van zijn vrouw (of was zij zijn minnares?) uit Duitse handen te krijgen. Zij zat gevangen op verdenking van de verspreiding van het illegale Parool en werd inderdaad op zijn voorspraak vrijgelaten. Van Lom werd, toen het verraad uitkwam, door mede-verzetsmensen geëxecuteerd en in de Keizersgracht gegooid. Het meisje, zij heette Tjodina Tijmstra, kreeg niet veel later een verhouding met een zekere Thije Kok. Over hem gaat dit verhaal. In het eerdere artikel was hij niet meer dan een bijfiguur, de man die verrader Van Lom en Tijmstra aan een onderduikadres had geholpen toen ze samen op de vlucht gingen voor de Duitsers en vooral ook voor eenheden van het verzet die naar Van Lom op zoek waren.

Tijdens ons onderzoek naar de zaak Van Lom vonden we ook foto’s van Thije Kok. Vrolijke artiestenfoto’s met Kok als clown en als zanger met gitaar en broeierige blik. De afgelopen jaren bleef deze man ons intrigeren. We deden meer onderzoek. En wat bleek? Tijdens de oorlog trad hij met zijn vader en broer Joop op onder de naam ‘De Drie Rudini’s’ met een clownsact. Ook zong hij als Sjabo Szebano en met het kwartet De Szebano’s. Hij meldde zich aan bij de Kultuurkamer en vermaakte de in Nederland gelegerde Duitse troepen.

Thije Kok alias Sjabo Szebano, 18-12-1943 (Collectie T. Kok)

Hoe kon een foute artiest uit het schnabbelcircuit helpen met het vinden van een onderduikadres, als edelfigurant in een dramatische verraderszaak? Toen we verder onderzoek deden, werd onze verbazing steeds groter. Na de oorlog dook Thije Kok op als stichter en commandant van het erepeloton van de Binnenlandse Strijdkrachten. Bij herdenkingen stond hij op de Dam in blauwe overall en met oranje band om de arm. In september 1953 werd hij – samen met Tjodina, met wie hij toen al zes jaar getrouwd was – ontvangen door koningin Juliana. Hoe was dit mogelijk? Wie was Thije Kok echt? Een verzetsheld of een charlatan? Een overlever of een schurk, leugenaar en aartsopportunist?

Stempelen

Thije Kok werd op 25 juli 1919 in Groningen geboren als derde uit een gezin met vier kinderen. ‘Mijn moeder leidde een zeer a-sociaal ­leven’, schreef hij zelf in een ‘korte levens­be­schrij­ving’ die is terug te vinden in het archief van het Theater­instituut. Zijn ouders gingen uit elkaar toen hij twee jaar oud was. Hij bleef aanvankelijk bij zijn moeder; ze trokken van de ene woonwagen naar de andere woonboot. ‘Ze liet haar kinderen bedelen en van onderwijs kwam niets terecht.’ Op zijn achtste ging Thije naar eigen zeggen bij zijn vader in Am­ster­dam wonen. Hij woonde toen voor het eerst ‘in een burgerhuis’. Maar na een half jaar kwam zijn moeder hem alweer halen. Drie jaar later, hij was toen elf, liep hij van huis weg en trok bij zijn vader in. Hij deed alsnog de derde, vierde en vijfde klas van de lagere school en leerde zo lezen en schrijven. De onderwijzer – zo herinnert Thije zich in zijn levensbeschrijving – raadde zijn vader aan hem verder te laten leren, omdat hij goed was in Nederlands en opstellen schrijven, maar daar kwam niets van. Op zijn twaalfde begon hij als leerling in een emailleerfabriek te Amsterdam en in de jaren dertig zwierf hij van baantje naar baantje. ‘Ik leefde in het milieu van de werkelozen. Vader stempelde en was zelfs gedurende korte tijd communist.’

Thije werkte in fabrieken en op de binnenvaart. In de avonduren studeerde hij aan de Volksuniversiteit in een poging hogerop te komen. ‘Ik doorliep als het ware alle mogelijke politieke en geestelijke richtingen. Ik had zelfs vrienden, opgedaan door mijn werk in de fabriek, die behoorden tot de aanhang van Henk Sneevliet (de internationaal bekende communist).’ Na de oorlog zouden verschillende getuigen verklaren dat Kok inderdaad communistische sympathieën had gehad en dat hij thuis onderricht had gegeven aan ‘de Leninistische Jeugdgroep’. Het beeld rijst op van een autodidact, iemand die zeer getalenteerd is, maar door het leven niet goed bedeeld werd. ‘Mijn vader is zijn hele leven bezig geweest zijn afkomst te ontstijgen,’ zegt dochter Kirsten.

Opgeknipte banden

Op 8 februari 1939 trouwde Thije Kok op negentienjarige leeftijd met de een jaar oudere Gerda Klaver. Zij was toen al zwanger van hun eerste kind. ‘Mijn vader was een ongelofelijke charmeur. Mijn ouders gingen dansen en feesten en toen werd mijn moeder zwanger, zoals dat ging in die tijd,’ vertelt de nu 77-jarige eerste dochter Leonora. Omdat hij kostwinner was geworden, werd Thije niet opgeroepen voor militaire dienst. En dus bleef hij thuis toen zijn leeftijdgenoten in augustus 1939 voor een eerste algemene mobilisatie werden opgeroepen.

Op de vierde oorlogsdag, 13 mei 1940, dook Thije Kok op in de dag- en nachtrapporten van de Amsterdamse politie. Hij zou een buurman, lid van de Luchtbescherming, hebben beschoten toen de hele straat na een luchtalarm naar een schuilkelder was gevlucht. De politie deed onderzoek in de woning van Kok en vond daar ‘een oud defect geweer, een oude sabel en een floret’. Ook staat in het dagrapport te lezen dat Kok er ‘tevens van werd verdacht van NSB’er te zijn’. Oudste dochter Leonora was destijds te klein om zich het incident te herinneren, maar dat er een collectie wapens werd gevonden, verbaast haar niet: ‘Mijn vader verzamelde wapens.’ Blijkbaar ging het incident en het verblijf van een halve dag in de cel Kok niet in de koude kleren zitten. Twee dagen na de gebeurtenissen verhuisde het jonge gezin naar de De Wittenstraat 18-I achter in Amsterdam-West. Dat was pal naast het huis van Thijes gelijknamige vader. Van NSB-lidmaatschap lijkt overigens geen sprake te zijn geweest: in de (gedeeltelijk bewaard gebleven) NSB-archieven komt Koks naam niet voor.

Pantoffelfabriek

Op 22 maart 1941 kregen Thije en Gerda hun tweede dochter, Yvonne, en op 8 april 1942 hun derde, die ze Elly noemden. Ze verhuisden naar de Egelantiersgracht in de Jordaan, boven de ook nu nog bestaande ijzerhandel Gunters en Meuser. Kok leidde nog immer een armoedig bestaan, zo staat te lezen in een ‘confidentieel rapport’ uit 1955 over zijn vermeende verzetsverleden. Hierin werd ook tot in detail stilgestaan bij het privéleven van de familie. ‘Volgens talrijke getuigenverklaringen liepen de kinderen praktisch naakt rond,’ aldus de opstellers van het rapport. Ook vertelden ‘talloze getuigen’ dat Gerda ‘maar één stel ondergoed had’ en dat ‘een blind paard geen schade kon doen aan de inboedel’. Verder zou Kok ‘dikwijls dagenlang niet thuis zijn’. Gerda zou tijdens de oorlogsjaren voor haar kinderen de kost hebben verdiend door ‘de verkoop van elastiek dat ze maakte van in stukken geknipte banden’. Dit zou ‘net voldoende zijn geweest om haarzelf en de kinderen van de hongerdood te vrijwaren’. De zolder van de woning aan de Egelantiersgracht zou Kok hebben ingericht ‘tot een gelegenheid voor het geven van overspel’.

Thije Kok, die al sinds zijn jeugd optrad met zijn vader en broer, was een verdienstelijk gitarist en richtte in de oorlog het Szebano-kwartet op. De bij dit verhaal afgebeelde promotiefoto’s van hem en andere artiesten, dateren uit de oorlogsjaren. Ook diende hij op 27 april 1942 een verzoek in bij de Kultuurkamer om te worden toegelaten tot ‘het Gilde voor Theater en Dans’. Pas in december – de molens maalden blijkbaar langzaam – kreeg hij bericht dat hij was toegelaten als aspirant-lid. In 1943 en 1944 legde Kok teksten van door hem geschreven liedjes voor aan de censors van het ministerie van Volksvoorlichting en Cultuur. De nummers, met onschuldig klinkende titels als ‘Rumba Signorita’, ‘O, Rosalinda’, en ‘De Vroolijke Spaanse guitarero’ werden goedgekeurd.

Vanaf 1943 doken in dagbladen talloze advertenties op van Sjabo Szebano, afwisselend met ‘Hawaiiaans Ensemble’, ‘Napolitaanse zang’ dan wel ‘Cubaanse Rumba’s’. Kok was van alle markten thuis. In januari 1944 stond hij in het Rotterdamse La Gaîtétheater in een ‘schitt. variété programma’, aldus een advertentie, dat ‘geheel nieuw was voor Rotterdam’. Andere namen op het affiche: ‘Pito en Coko, de vroolijke clowns’, ‘accordeonvirtuoos’ Martin Rijken en ‘komische sneltekenaar’ Leonardo. Kok trok het hele land door en gaf optredens in zalen die zonder uitzondering onder controle van de bezetter stonden.

Thije Kok sr. en jr. en Jan Kok, 23-12-1943 (collectie T. Kok)

Maar daarbij bleef het niet. Kok trad ook op als bandleider tijdens een door de Sicherheitsdienst georganiseerde feestavond in het toenmalige Koloniaal Instituut (nu Tropenmuseum). Hier waren tijdens de oorlog Duitse troepen gelegerd. ‘Kok verdiende bij die gelegenheden een aardig centje, honderd gulden de man plus fooi op de SD-avond.’ Dat geld werd ‘opgehaald door een SD’er die het in zijn helm deed’. Ze speelden door in een bovenzaal ‘opdat het spul kon dansen’, aldus het eerder genoemde rapport uit 1955. Het inkomen zou Kok hebben besteed aan zijn ‘tientallen vriendinnen’, terwijl zijn vrouw thuis ‘praktisch alles moest betalen van haar bijeengescharrelde inkomen’. Tijdens een optreden in Almelo voor Duitse troepen die naar het Oostfront gingen, trok Kok volgens een medemuzikant een uniform aan van de Feldgendarmerie en had hij ‘in ganzenpas rond gemarcheerd’. Hij was daarna met de feestende Duitsers mee op pad gegaan en ‘wakker geworden in een pantoffelfabriek tussen de pantoffels’.

Kok ging tot ver in de oorlog door met optreden. ‘Ter herinnering aan onze prettige samenwerking met het Szebano-kwartet’, schreef ‘chanteuse’ Julie Dotremont op 27 mei 1944 op een artiestenfoto van zichzelf na een optreden in het Fama Cabaret in Breda. De foto is terug te vinden in het archief van Koks zoon Tjeerd Frans.

Bonte hond

Twee weken na het optreden in het Fama Cabaret – op 6 juni 1944 – zetten geallieerde troepen tijdens D-day voet aan wal in Normandië. Het was in deze periode dat Thije Kok zich, naar eigen zeggen, aansloot bij het verzet. Hij was, zacht gezegd, een late bekeerling. Op een formulier van het toenmalige ministerie van Oorlog uit februari 1952 schreef Kok met een blauwe vulpen dat ‘niet precies bekend was’ wanneer hij zich bij het verzet aansloot, maar dat het rond mei of juni 1944 moest zijn geweest. Hij zou actief zijn geweest bij ‘knokploeg Martin’ dan wel ‘knokploeg WXSP’, waarbij de laatste afkorting zou staan voor ‘Westerdoorvaart, kruising spoorwegen’. Die groep zou onder leiding hebben gestaan van een zekere Henry Wiertz, kunstschilder van beroep. In het rapport uit 1955 werden de verrichtingen van Wiertz en zijn groep ‘duister’ genoemd en Wiertz zelf ‘een veel besproken figuur’. Wiertz verklaarde in 1955 dat hij Kok op zijn beurt tijdens de oorlog ‘niet vertrouwde’ en hem ervan verdacht de Sicherheitsdienst te hebben verteld waar ze op het Prinseneiland in Amsterdam een geheime wapenopslagplaats konden vinden. Kleindochter Pauline Wiertz noemt haar grootvader ‘een ontzettende fantast’, ‘een womanizer’ en ‘een arrogante man’ die haar oma tijdens de Hongerwinter met zeven kinderen liet zitten. ‘Hij was de bonte hond van de familie.’ Kok zou in februari 1945 nog hebben geprobeerd om zich aan te sluiten bij een andere groep in Amsterdam-West, onder leiding van een zekere B. Klaver. Maar ook die vertrouwde Kok niet, vertelde hij in 1955 aan de onderzoekscommissie.

Zijn latere vrouw Tjodina Tijmstra leerde Kok kennen in de laatste, chaotische oorlogsweken. Zij was toen met aankomend advocaat Johan van Lom op de vlucht nadat die de top van het verzet had verraden. Kok, die de werkelijke reden van de vlucht van Van Lom niet lijkt te hebben geweten, bracht ze naar een schuilplaats op het Amsterdamse Bickerseiland. Wiertz zou Kok vervolgens opdracht hebben gegeven om een oogje in het zeil te houden, ‘en dagelijks rapport uit te brengen over hun doen en laten’, aldus het rapport uit 1955. ‘Mijn vader heeft me eindeloos vaak verteld dat hij in opdracht van Wiertz een onderduikadres had verzorgd voor het tweetal’, zegt de in 1959 geboren jongste zoon Viggo. ‘Hij zou opdracht hebben gekregen hen dood te schieten, maar kon dat niet omdat hij verliefd was geworden op Tjodina, die later mijn moeder zou worden.’

Huwelijk Thije Kok en Tjodina Tijmstra (collectie A. Kok)

Ongebruikelijk huwelijk

In augustus 1945 diende voor de rechtbank de scheidingszaak tussen Thije en zijn eerste vrouw Gerda. Zij wilde van hem scheiden op grond van overspel. In het rapport uit 1955 staat dat Gerda ‘te ziek’ was om zich tegen Thije Kok te verweren. Ze zou zwaar overspannen zijn geweest door de ‘ellende van de oorlogsperiode’. De spanningen moeten destijds inderdaad hoog zijn opgelopen. Volgens de rapporteurs zou Thije Gerda met een mes hebben bedreigd toen ze niet met een scheiding wilde instemmen. ‘Steek maar op,’ zou ze hebben gezegd. En: ‘Drie paar ogen zijn je getuigen’, verwijzend naar de meisjes. ‘Ik was toen zeven jaar oud, maar kan me de ruzies en het geschreeuw nog goed herinneren,’ zegt Leonora. ‘Ik wist niet waar het over ging, maar het was een bedrukte sfeer. Dat mijn vader met een mes heeft staan zwaaien, kan ik mij helemaal voorstellen.’

Nadat de scheiding op 28 februari 1946 werd uitgesproken, stond niets het geluk van Thije en Tjodina nog in de weg. Op een stralende donderdag 4 juli 1946 trouwden ze. Op hun huwelijksfoto poseert een trotse Thije in uniform, hij was sectiecommandant in het leger. Het was een ongebruikelijk huwelijk, de muzikant van arme komaf met het meisje uit gegoede Haagse kringen. Tjodina vond werk als onderwijzeres. De drie meisjes uit Thijes eerste huwelijk werden uiteindelijk – zeer uitzonderlijk voor die tijd – toegewezen aan de vader. Samen kregen Thije en Tjodina nog eens vier kinderen: Tjeerd Frans, Bodil, Ute Kirsten en Viggo.

Vloeiend Deens

Na de oorlog slaagde Thije Kok er met succes in een façade als groot verzetsstrijder op te bouwen. Wat hielp was dat hij was getrouwd met een vrouw die Het Parool had rondgebracht, die was opgepakt en had vastgezeten. ‘Mijn vader kon heel boos worden op de moffen’, zegt dochter Kirsten. ‘Hij vertelde hoe mijn in 1960 overleden moeder tijdens haar gevangenschap door de Duitsers was gemarteld, ze met stenen op haar hoofd was geslagen. Hij vertelde dat soort verhalen altijd alleen als hij een flinke slok op had. En dan kwamen er ook altijd tranen.’

Koks transformatie tot verzetsheld werd ook geholpen door een briefje dat de advocate Non van Lom-van Marle in januari 1946 schreef en dat was geadresseerd aan de ‘sectie afwikkeling Binnenlandse Strijdkrachten’. Hierin stelde zij dat ze Thije Kok tijdens de bezetting had gekend als ‘een zeer actief en zeker enthousiast lid van de K.P.’ Van Lom-van Marle was de weduwe van de door het verzet geliquideerde verrader Johan van Lom. Zij en haar zus Hetty waren goede vriendinnen van Tjodina. Van Lom-Van Marle had een onberispelijke status, ze had tot haar huwelijk in 1943 gewerkt op het kantoor van advocaat Jan de Pont die tijdens de Parool-processen was opgetreden als raadsman. Ze zou later opklimmen tot vicepresident van de Amsterdamse rechtbank. Toen de Stichting 1940-1945 in 1982 nader onderzoek liet doen naar het verzetsverleden van Kok, krabbelde Van Lom terug. Ze liet toen weten dat ze omtrent zijn verzetswerk ‘geen eigen waarneming’ had gehad en dat ‘hij haar destijds kennelijk een en ander had verteld’.

Maar vlak na de oorlog was Koks reputatie nog onbeschadigd. Hij was in 1947 een van de in blauwe overall gestoken BS’ers die een erewacht vormden tijdens de eerste herdenking bij het monument op het Amsterdamse Weteringcircuit, op de plek waar op 12 maart 1945 dertig politieke gevangenen waren geëxecuteerd. De groep, onder wie Thije Kok, besloot ter plekke een meer permanent erepeloton op te richten, waarvan de leden zouden worden gerekruteerd uit oud-BS’ers. Dat peloton trad voor de eerste keer aan in 1948 bij de troonswisseling van Wilhelmina naar Juliana. Blijkbaar vroeg niemand ooit door, en Thije Koks ster steeg snel. Hij ontmoette koningin Wilhelmina, bezocht een feestavond georganiseerd door Juliana, stond als erewacht op de Dam tijdens bezoeken van keizer Haile Selassie van Ethiopië en de toenmalige Franse president René Coty.

Thije Kok (li.) in uniform (collectie K. Kok)

Koks hoogtepunt als commandant van de erewacht was ongetwijfeld de kranslegging op maandag 26 april 1954 door de Deense koning Frederik. Toen de koning in het Engels vroeg of het gebruikelijk was dat er een haag van voormalige verzetsstrijders bij dit soort gelegenheden stond opgesteld, werd hij tot zijn verbazing in vloeiend Deens geantwoord door Kok. ‘De B.S.-commandant – drager van het Mobiliteitskruis en de inhuldigingsmedaille – werd daarop aan koningin Ingrid voorgesteld’, aldus een verslag van het bezoek in het Utrechts Nieuwsblad. Dat Kok vloeiend Deens sprak, toonde zijn snelle leervermogen: hij had na de oorlog een Deense au pair voor de kinderen met wie hij een buitenechtelijke verhouding kreeg.

Modderkanonniers

Maar de deconfiture van Thije Kok was op dat moment nabij. Twee andere oud-BS’ers, de heren H. Eysten en C. de Koning (voornamen zijn niet bekend) hadden ergens in de loop van 1954 van niet nader genoemde bronnen de tip gekregen dat Kok helemaal niet de verzetsheld was die hij voorgaf te zijn. Ze startten eigener beweging een onderzoek, wat hun niet in dank werd afgenomen. In december van dat jaar stuurde het bestuur van de vereniging oud-BS’ers (die de kant van Kok kozen) een brief aan De Koning waarin hij werd gewaarschuwd het onderzoek te stoppen, ‘daar de consequenties anders voor zijn rekening zouden zijn’. Toen ze doorgingen werd het tweetal geroyeerd. Het weerhield hen er niet van hun rapport af te maken. De conclusie was snoeihard: ‘Kok kan niet gehandhaafd worden in zijn functies.’

Het rapport sloeg in als een bom en de twee opstellers werden voor de rechter gedaagd wegens smaad. ‘Leden ere-peloton B.S. klagen elkaar aan’, kopte De Telegraaf op 4 oktober 1955. Op een zitting van de politierechter vijf maanden later kwam het tot felle beschuldigingen over en weer. ‘De politierechter stak niet onder stoelen of banken dat hij de hele vertoning weinig verheffend vond’, noteerde een Telegraaf-verslaggever. Tot een veroordeling kwam het niet.

Thije Kok bleef aanvankelijk aan als commandant van het erepeloton en voorzitter van de afdeling Amsterdam van de BS. Maar zijn gezag kalfde wel af. Volgens een berichtje in De Telegraaf in maart 1956 zou Kok op een vergadering inmiddels hebben toegegeven dat hij als bandleider voor de Sicherheitsdienst had opgetreden. De besturen van de verzetsverenigingen verzochten daarop het Amsterdamse gemeentebestuur Kok van zijn taken te ontheffen. ‘Men acht unaniem de heer K. – gezien zijn gedrag in de bezettingstijd – niet de figuur is om op 4 mei bij de onthulling van het monument op de Dam de gevallenen te eren.’ Of dat ook inderdaad is gebeurd, is niet meer na te gaan.

Wel staat vast dat Kok begin 1957 zijn functies alsnog neerlegde. In het orgaan van de BS uit die jaren, De Bindende Schakel, fulmineerde hij tegen andere verzetsgroepen die niet hem en zijn medestanders geloofden, maar ‘twee door ons geroyeerde lasteraars’, en daarom de samenwerking hadden opgezegd. ‘Men heeft gedreigd niet meer met ons te willen herdenken zolang ik commandant van het Erepeloton bleef.’ En dus stapte hij op. Maar schuld bekennen tegenover de ‘geoefende modderkanonniers’? Dat nooit, hij liet alle beschuldigingen van zich afglijden. Immers, ‘men zal nimmer nalaten onze B.S. een trap na te geven als zich daartoe maar even de gelegenheid voordoet’. En dus vertrok hij niet helemaal: hij bleef aan als lid van het bestuur. Overigens was Kok al snel weer in uniform op de Dam te vinden bij herdenkingen als officier van de Nationale Reserve.

Ontmaskering

Eén ding lijkt zeker: hoezeer Kok ook hoog van de toren blies in het afscheidsbericht aan zijn kameraden, het rapport leek wel degelijk grote gevolgen te hebben. In december 1956 verloor hij zijn baan bij de gemeentelijke Sociale Dienst. In de daaropvolgende periode was hij vijf jaar werkloos en ventte hij met band en garen langs de deuren. Het was ook de tijd dat zijn vrouw Tjodina ernstig ziek was (ze leed aan kanker) en in 1960 zou overlijden, waarbij ze vier kleine kinderen achterliet. Kok kreeg in 1961 alsnog een baan, bij de Gemeentelijke Kredietbank. Hij inde daarvoor schulden aan huis bij debiteuren. In het publieke debat speelde hij sinds zijn ontmaskering al die jaren geen enkele rol meer.

In 1981, op zijn 62ste, vroeg Kok als oud-verzetsstrijder een buitengewoon pensioen aan bij de Stichting 1940-1945. Hij beweerde tegenover de stichtingsonderzoekers onder meer dat hij had geschreven voor De Oranjekrant. De rapporteur merkte in zijn beoordeling echter op dat er in Amsterdam nooit een blad met die naam was verschenen. Ook zou Kok naar eigen zeggen het maandblad De Nieuwe Amsterdammer hebben verspreid. De rapporteur: ‘Het blad verscheen drie keer per week.’ Hoofdcommissaris van politie in Zaanstad, Albert Prakken, die Kok kende vanuit de oud-BS-organisatie, noemde Kok ‘een omstreden figuur’. En zo gaat het maar door. Koks verzoek werd afgewezen.

Hij ging tegen de afwijzing in beroep. In een gesprek met de Stichting 1940-1945 toonde hij zich ‘emotioneel’ over een aanslag op een spoorlijn die niet zou zijn doorgegaan. ‘Er zijn geen getuigen,’ noteerde de rapporteur droogjes. Ook de hulp die Kok zou hebben verleend aan de onderduik van zijn latere vrouw Tjodina Tijmstra en de verrader Johan van Lom werd als niet bewezen terzijde geschoven. Opnieuw werd de aanvraag afgewezen. De stichting stelde bovendien vast dat Kok niet alleen geen verzetsdeelnemer was geweest, maar zich ook ‘in Nederlandse nationale zin onwaardig heeft gedragen’.

Zeven jaar later, in 1988, werd het veertigjarig bestaan van het erepeloton herdacht en als een duveltje uit een doosje dook Thije Kok weer op. Oud-verzetsstrijdster Isa Teske Baschwitz interviewde hem voor een herdenkingsbundeltje. In het gesprek vertelde Kok vol trots hoe hij met zijn makkers de kroon, scepter, rijksappel en Grondwet mocht bewaken tijdens de troonoverdracht in 1948. Het was koningin Wilhelmina zelf geweest die had gezorgd dat de BS die eervolle taak had mogen uitvoeren, aldus Kok. Over zijn oorlogsverleden geen woord.

 

De volgende generatie

In de documentaire Spoken van Viggo van Walther Grotenhuis en Cinta Forger gaat de jongste zoon van Thije Kok op zoek naar zijn verleden. Hij was een handlanger van Klaas Bruinsma, zat jarenlang in de gevangenis en probeert een nieuwe start te maken. In de film veel found footage uit zijn jeugdjaren, Thije Kok bleek een verwoed filmer. Ook spreekt dochter Yvonne openlijk over de incestueuze relatie die zij jarenlang met haar vader had. De film is nog online te zien.

Riphagen is een fantastische film. Met de nadruk op fantast

Vooropgesteld, Jeroen van Koningsbrugge verdient een prijs voor zijn acteurswerk. Hij lijkt bovendien uiterlijk op het karakter dat hij speelt, zoals aan het eind van de film wordt getoond door zijn hoofd te laten overvloeien in dat van de man om wie het allemaal draait. Met Van Koningsbrugge had regisseur Pieter Kuijpers goud in handen om een aangrijpend oorlogsdrama te verfilmen. Des te jammerder dat ‘het ware verhaal’ over de gewetenloze oorlogscrimineel Dries Riphagen wordt overschaduwd door fictie en fouten.

Vanaf 1 januari is bij de VPRO de driedelige tv-serie Riphagen te zien. Die werd eerder, samengeperst, in de bioscopen uitgebracht. Het bezoekersaantal daar viel wat tegen; nog geen 40.000 mensen namen de moeite om de oorlogsbelevenissen van de gewetenloze misdadiger Dries ‘Al Capone’ Riphagen -fout voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog- te aanschouwen. De anderen kunnen het verhaal nu dus alsnog bekijken. Daarbij past echter wel een bijsluiter. Eentje die ontbrak bij de bioscoopversie.

‘Ongelooflijk verhaal’

“Het ware verhaal van Dries Riphagen” vermeldt de filmposter van de speelfilm Riphagen. “Ongelooflijk verhaal, maar helaas waargebeurd”, twitterde Jeroen van Koningsbrugge me. In een interview op de VPRO-site antwoordde hij op de vraag wat hij had ‘meegenomen van de film’: “Het besef dat het allemaal echt gebeurd is.” Onder (veel) meer NRC Handelsblad ging mee in deze herhaling dat de feiten voorop stonden: “Geen fijn verhaal. Wel echt en belangrijk.” En: “Een film die ons van de illusie afhelpt dat WOII goed afliep.”

Helaas, daar wringt ‘m nou net de schoen. Riphagen hangt van de fictie aan elkaar. Terecht schreef filmrecensent Jos van der Burg: “De gebeurtenissen worden steeds ongeloofwaardiger. Jammer, want de historische feiten zijn spannend genoeg.”

Feiten

Bernardus Andreas Riphagen (Amsterdam, 1909) was in de jaren dertig een genadeloze gangster. Tussen 1940 en 1945 deed hij er nog een flinke schep bovenop. Hij was tijdens de oorlog verantwoordelijk voor de dood van minstens tweehonderd mensen. Verraad en roof werden zijn handelsmerken. Na de bevrijding wist hij naar Argentinië te ontkomen, waar hij een vertrouweling werd van Juan en Evita Péron. Het is al met al een levensverhaal waar een intrigerende film van valt te maken. Maar om een of andere reden koos Pieter Kuijpers er voor om een flinke scheut fictie toe te voegen aan de feiten. En tegelijkertijd dus te verkondigen dat hij het ‘ware verhaal van Dries Riphagen’ had vastgelegd.

Er is nogal wat aan te merken op Riphagen. Dan doel ik niet in beeld verschijnende taferelen die in de jaren veertig nog niet bestonden (een jachthaven met moderne zeilboten, een plastic plaatje aan een gevel). Komisch overigens om op de achtergrond een routewijzer uit 2015 te zien op de Nieuwe Uitleg -dank, Google Streetview-, een in dit geval toepasselijke Haagse straatnaam. Voor wie het nog even wil nakijken, in de trailer schiet deze moderniteit voorbij op 1.59.


Still uit Riphagen, met bordjes uit 2015

Dezelfde Nieuwe Uitleg anno 2015, met dezelfde bordjes

Dat zijn slechts kleine foutjes, die bij niet al scherp kijken bovendien nauwelijks opvallen. Anders wordt het wanneer de geschiedenis een totaal nieuwe invulling krijgt, terwijl er nog steeds het etiketjes ‘echt gebeurd’ aan hangt. Het zal velen niet opvallen, maar de good guy in de film, ene Jan van Liempd, is volledig aan de fantasie ontsproten. Blijkbaar vond Pieter Kuijpers het nodig om de voor veel Nederlandse films noodzakelijk geachte liefdesscènes en de strijd tussen goed en kwaad een niet-bestaand persoon toe te voegen aan zijn rolprent. Helaas is Van Liempd zo dominant aanwezig dat de gemiddelde toeschouwer binnen de kortste keren niet meer kan achterhalen wat wel en niet waar is aan Riphagen. In een enkel interview kwam Kuijpers er overigens wel voor uit dat Van Liempd nooit heeft bestaan, maar dat zal het grote publiek zijn ontgaan.

Louis Einthoven

Er zijn echter genoeg illustraties van andere gebeurtenissen en personen die in de film voor ‘echt’ doorgaan, maar totaal ongeloofwaardig zijn. Een voorbeeld. In Riphagen brengt de secretaris van Louis Einthoven een op 3 april 1945 gedateerde brief van de ‘Secretarie van H.M. de Koningin’ aan huis. Dat gebeurt met een behoorlijk opvallende auto met chauffeur, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is in op dat moment een grotendeels lamgelegd Nederland. Wanneer de buitendeur openzwaait, noemt de bezorger Einthoven al openlijk bij naam. Daarna overhandigt hij de brief, waarin ‘Mr. Einthoven’ nogmaals openlijk wordt genoemd. Er staat één zin in: “Hierbij deel ik U mede dat Mr. Einthoven belast is namens Hare Majesteit de Koningin met het oprichten van het Bureau Nationale Veiligheid (BNV).” De particulier secretaris van de vorstin heeft voor de zekerheid zijn eigen naam ook nog maar even open en bloot op het handgeschepte papier geplaatst. Alsof de bezetting al lang voorbij, vervoer per auto anders dan door nazi’s normaal en transparantie vanzelfsprekend is. Het BNV werd overigens pas een kleine twee maanden later opgericht en Einthoven was in eerste instantie niet de aangewezen man om het bureau te leiden.

Bovenstaande scène duurt niet langer dan een minuut, maar bevat een reeks aan ongeloofwaardige handelingen. Het tekent de film. Louis Einthoven kwam overigens in de maanden na de bevrijding lijnrecht tegenover de verzetsman Wim Sanders te staan, tijdens de laatste oorlogsfase de grondlegger van de Centrale Inlichtingendienst. “Wie is dat?”, vraagt Jan van Liempd op een gegeven moment. “Dat is Wim Sanders”, krijgt hij prompt als antwoord. Met als toevoeging dat Sanders het hoofd is van de CID. Schuilnamen? Daaraan doet Riphagen niet. Illegale activiteiten? Het lijkt wel alsof iedereen ze in oorlogstijd mocht weten.

Gerrit van der Veen wordt dus ook met zijn volle naam geïntroduceerd. Het hoofd van de ondergrondse Persoonsbewijzencentrale lijkt in Riphagen de aanvoerder van een vrolijk feestvierend stelletje avonturiers. Dat de arrestatie van Van der Veen totaal anders in elkaar stak dan de verfilming weergeeft past wel in het hiervoor geschetste plaatje. Wim Sanders die Dries Riphagen persoonlijk naar het buitenland smokkelt; het is op z’n zachtst gezegd onwaarschijnlijk. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Toen ik Riphagen in de bioscoop zag, viel me op dat sommige toeschouwers aangedaan de zaal verlieten. Ze waren getroffen door het realiteitsgehalte van de film. “Erg hè”, voegde een kennis me toe. Ik kon het alleen maar bevestigen, zij het om andere redenen dan hij vermoedde. Riphagen bevat iets meer feiten dan die andere oorlogsfilm, Zwartboek. Het blijft echter grotendeels fictie. En dat is vooral vervelend voor de mensen die op basis van de voorpubliciteit dachten oorlogsfeiten gepresenteerd te krijgen.

In dit geval geldt dat het boek veel beter is. Maar vooral een stuk waarheidsgetrouwer.

De jacht op George Orwell (door fascisten én communisten)

Toen George Orwell eind 1936 Spanjestrijder werd, wist hij dat de fascistische oppositie hem graag wilde uitschakelen. Uit recent geopenbaarde Russische archiefstukken wordt eens te meer duidelijk dat ook de communisten hem al vroeg in het vizier hadden.

“Een fascistische sluipschutter kreeg me te pakken. Ik was een dag of tien aan het front”, haalde George Orwell in zijn boek Homage to Catalonia (1938) herinneringen op aan zijn laatste momenten binnen de gevechtslinies rond de plaats Huesca, in noordelijk Spanje. Het was 20 mei 1937, bijna een half jaar nadat hij zich in Spanje had gemeld om als vrijwilliger te strijden tegen de troepen van Franco. Met zijn 1.88 meter bleek Orwell -echte naam Eric Arthur Blair- een relatief makkelijk doelwit. “Het was bij de hoek in de borstwering, om vijf uur ’s morgens. Dat was altijd een gevaarlijke tijd, want de ochtendschemering begon achter ons, zodat je hoofd scherp afstak tegen de lucht als je het boven de borstwering uitstak. Ik stond, alvorens de wacht af te lossen, met de wachtposten te praten. Plotseling, midden in een zin, voelde ik -het is erg moeilijk te beschrijven wat ik voelde, hoewel ik het me nog uiterst levendig herinner. In grote lijnen was het een gevoel of ik in het centrum van een explosie stond. Er leek een luide knal en een verblindende lichtflits overal om me heen te zijn, en ik voelde een geweldige schok -geen pijn, alleen een heel krachtige schok, zoals je van elektriciteit kunt krijgen; daarbij kwam een gevoel van uiterste zwakte, alsof ik was geslagen en verschrompeld tot niets.”

Terwijl het bloed uit zijn mond gutste, werd de neergeschoten Engelsman op een draagbaar weggetild en via hobbelige paadjes naar een ziekenauto vervoerd. Hij had geluk. Een paar millimeter meer naar links en de kogel was dodelijk geweest.

orwell Persfoto (1933)

Orwell belandde via diverse (veld-)hospitalen uiteindelijk in Barcelona, in het Sanatorium Maurín. Dat was in handen van de POUM, een revolutionair-socialistische partij waaraan Orwell zich via de Britse International Labour Party (ILP) had verbonden. De POUM vocht niet alleen tegen de fascistische opstandelingen, maar moest zich sinds het voorjaar van 1937 ook verweren tegen de Stalin-getrouwe republikeinse troepen. De communisten probeerden met hulp van de Sovjet-Unie de macht in handen te krijgen en konden daarbij geen ‘trotskistische’ opponenten gebruiken. De NKVD, de Russische geheime politie, nam het roer over van de Spaanse geheime dienst. Andersdenkenden -fascisten, POUM-getrouwen en anarchisten- liepen grote kans om te worden gearresteerd en/of geëxecuteerd. Als POUM-vrijwilliger stond ook George Orwell in de communistische belangstelling. Hetzelfde gold voor zijn vrouw, Eileen Blair-O’Shaughnessy, met wie hij een klein jaar eerder in het huwelijk was getreden.

Communistisch archief

We maken even een sprong naar maart 2015. Toen is, totaal onverwacht, de administratie van de Internationale Brigades op internet geplaatst. Dit archief werd na de Spaanse Burgeroorlog overgebracht naar Moskou, waar het vele tientallen jaren ontoegankelijk was. Het bevat naar schatting 100.000 nauwelijks geïnventariseerde documenten, bijna allemaal in het Spaans, Duits, Frans, Engels of Russisch. Het vergt dus enig doorzettingsvermogen om deze tachtig jaar oude papierberg door te spitten, maar er zit interessant materiaal bij (ook over de honderden Nederlandse Spanjestrijders en over bijvoorbeeld de latere bondskanselier Willy Brandt, zoals onder meer blijkt uit bijgaand rapport).

willy-brandt

De naam Blair duikt eveneens enkele malen op in de geopenbaarde stukken, en niet in positieve zin. Dat valt ook niet te verwachten, want de stukken aangaande zijn persoon komen van de Militaire Opsporingsdienst. Tussen buitgemaakte nationaalsocialistische correspondentie, verwijzingen naar spionnen en rapporten van infiltranten bij de POUM staat daar opeens de naam Blair. Het was 27 mei 1937 en ene Alfonso tikte die dag een Duitstalig overzicht van contrarevolutionairen in Barcelona. Tussen de ‘POUM-Leute’ in hotel Continental, dat aan de Ramblas lag, signaleerde hij ‘Sra. Blair’ oftewel Eileen.

George Kopp

Op 15 juni werd ze een tweede keer genoemd, in een overzicht van de op dat moment bekende ‘Trotzkisten/POUM’. “Hotel Continental is de woning van de Engelse groep I.L.P. (onafhankelijke arbeiderspartij), hier met POUM/Trotskisten verbonden”, schreef een onbekende rapporteur. De naam ‘Sra. Blair’ was ingeklemd tussen een handvol andere Britten. Bovenaan het lijstje stond de in België opgegroeide Rus George Kopp, die korte tijd later zou worden gearresteerd. Orwell schreef over hem in Homage to Catalonia: “Hij was een persoonlijke vriend van me, ik had maanden onder hem gediend, we waren samen in het gevecht geweest en ik kende zijn levensgeschiedenis. Hij was iemand die alles -gezin, nationaliteit, carrière- had opgeofferd, alleen om in Spanje tegen het fascisme te gaan vechten. (…) Hij had vanaf oktober 1936 aan het front gestaan, was van militiesoldaat tot majoor opgeklommen, had ik weet niet hoe vaak aan acties deelgenomen en was een keer gewond geraakt. Bij de onlusten van mei had hij, zoals ik zelf gezien had, op de plaats waar hij was een gevecht voorkomen, waardoor hij waarschijnlijk tien of twintig mensenlevens had gered. En alles wat ze daarvoor terug konden doen was hem in de gevangenis smijten.”

George Kopp zou zijn gevangenschap overleven en tijdens de Tweede Wereldoorlog nogmaals de wapens opnemen tegen het fascisme. Nadien verhuisde hij naar Groot-Brittannië, waar hij een ver familielid van Orwell huwde. George Orwell eerde Kopp door hem als inspiratiebron te gebruiken voor een belangrijk karakter in zijn boek 1984, het personage O’Brien.

orwell-2

Orwell wist dat er ook op hem werd geloerd. Bij invallen in hotel Continental had de politie zijn persoonlijke papieren, waaronder dagboeken, in beslag genomen. Het was een kwestie van dagen tot hij zou worden gearresteerd. Uit Homage to Catalonia: “Ondertussen hadden ze mijn vrouw niet gepakt. Ofschoon ze in de Continental was blijven wonen, had de politie geen poging gedaan haar te arresteren. Het was vrij duidelijk dat ze als lokeend werd gebruikt. (…) Het was duidelijk dat het voor mijn vrouw, voorlopig althans, het veiligst zou zijn in het hotel te blijven zitten. Als ze zou proberen te verdwijnen, zouden ze direct op haar hielen zitten. Zelf zou ik meteen moeten onderduiken.” Aldus geschiedde. In de navolgende dagen zwierf Orwell door de stad, sliep hij buiten en deed hij vergeefse pogingen om zijn vriend Kopp vrij te krijgen.

NKVD

George Orwell had geen idee hoe dicht de Russische spionagedienst NKVD hem op de hielen zat. In voornoemd document met namen van POUM-aanhangers in hotel Continental kwam ook David Crook voor. Hij was ingeschakeld om voor de NKVD te spioneren. Crook wist Eileens vertrouwen te wekken, onder meer door haar voor te spiegelen als oorlogsverslaggever te werken. Via de POUM-burelen slaagde hij er in geheime documenten te bemachtigen. Zijn informatie belandde in een rapport van het Tribunaal voor Spionage en Hoogverraad de dato 13 juli 1937, waarin het echtpaar Blair werd getypeerd als ‘rabiate trotskisten’, hetgeen genoeg was voor een veroordeling. Het uit dit rapport voortvloeiende proces leverde vier POUM-gevangenen celstraffen op van elf tot vijftien jaar. Gezien zijn wankele gezondheid zou George Orwell de Spaanse gevangenis niet hebben overleefd.

Er was nog een voor de Blairs uiterst belastend rapport, zo blijkt uit de in 2015 vrijgegeven Sovjet-documentatie. In een ‘Bericht vom  beschlagnahmten POUM-Material’ uit juli 1937 werd de inmiddels tot illegale organisatie verklaarde POUM ‘in eine Linie mit Franco’ gesteld. Volgens de schrijver van het rapport was er sprake van ‘Zusammenarbeit der Trotzkisten mit den Faschisten’. Op bladzijde 7 van dit fantasierijke, maar uiterst belastende verslag werd een alinea gewijd aan ‘Blair Erich und Eillen, Englaender’. “B. speelde een leidende rol in het frontcomité van de ILP, Lenin-Divisie’, opende de beschuldiging. Hij zou zich verder ‘actief in de Mei-opstand’ hebben betoond, een gewelddadige strijd in het hart van Barcelona tussen communisten aan de ene kant en trotskisten en anarchisten aan de andere zijde. En, last but not least; uit een inbeslaggenomen notitieblok met aantekeningen over communistische stellingen  was op te maken dat Orwell zich schuldig maakte aan spionage. Er stond hem een lange gevangenisstraf en misschien zelfs de kogel te wachten.

orwell-en-eileen

Vlucht

Zover kwam het echter niet. De Blairs hadden nog voor bovengenoemde rapporten verschenen en de rechtszaak tegen hen van start ging een mogelijkheid gevonden om Spanje te ontvluchten. Die kwam in juni 1937. Ongezien wisten Eileen en Eric Blair met een vroege trein het land te verlaten.

Na terugkeer in Engeland begon Orwell meteen te schrijven aan Homage to Catalonia. Aan zijn verblijf in Spanje hield hij niet alleen een al langer levende afschuw aan het nationaalsocialisme over, maar ook aan het communisme. In zijn woorden: “Het is een echt terreurregime, fascisme opgelegd onder de pretentie van verzet tegen fascisme.” Zijn antipathie leverde de literaire wereld de alarmerende klassiekers Animal Farm en 1984 op.

 

Nieuw Rechts, de falende voorloper van de PVV

De PVV maakt kans om bij de Tweede-Kamerverkiezingen in maart 2017 de grootste partij te worden. Een halve eeuw eerder kende Nederland een vergelijkbare extreemrechtse, zij het aanmerkelijk minder succesvolle partij. ‘Ik was met mijn ideeën te vroeg. Ik was tegen de Europese eenheid. Ik was tegen de toevloed van nieuwe mensen in Nederland.’

De Tweede Wereldoorlog had grote littekens achtergelaten bij Max Lewin (1919-2011). Bijna al zijn familieleden waren vermoord door de nazi’s, hijzelf wist door langdurig in Zaandam onder te duiken de Jodenvervolging te overleven. Toen na de bevrijding ook nog eens bleek dat de overheid zijn in de oorlog verdwenen bezit niet wilde compenseren was de kiem gelegd voor de rancune die zijn verdere leven zou beheersen. De Amsterdammer stichtte onder meer een reeks politieke partijen en bladen waarmee hij de bestaande verhoudingen grondig door elkaar wilde schudden. Gaandeweg werd Lewin, en daarmee zijn partijen, steeds radicaler.

6. September 1945. Met Francisca voor de nieuwe woning aan de Tweede Boerhaavestraat. Max Lewin met echtgenote in 1945

Op 26 oktober 1968 vond de oprichting plaats van wat zijn laatste partij zou worden, Nieuw Rechts. Voorgaande initiatieven waren keer op keer mislukt; dit keer zou hij – hij wist het zeker – wel slagen. Van de mensen die positief hadden gereageerd op de herhaalde Nieuw-Rechtsberichtgeving in Lewins eigen weekblad Rechts-Om mochten er die zaterdag een kleine vijftig aanschuiven in het Utrechtse hotel-restaurant Smits. Bij de zaalingang werd wel eerst hun naam voorgelegd aan Max, die als een Cerberus de entree bewaakte.

Alle preventiemaatregelen ten spijt bleek er tussen de genodigden een informant van de Binnenlandse Veiligheidsdienst te zitten. Minutieus deed die na afloop verslag aan zijn chef van de dienstafdeling B (die extremistische groeperingen binnen Nederland de gaten hield). ‘Achter de bestuurstafel werd plaatsgenomen door Max Lewin en een zekere Scheps’, berichtte de infiltrant. ‘Van de aanwezigen viel het merendeel tot de “oudere generatie” te rekenen. Het viel op, dat enkele deelnemers draagmedailles van Koninklijke onderscheidingen op de revers hadden aangebracht. Het waren kennelijk gepensioneerde militaire of burgerambtenaren.’ Het handjevol twintigers in de zaal kon zijn goedkeuring wegdragen. ‘Deze jongeren waren – evenals de rest van het gezelschap – qua haardracht en kleding keurig verzorgd en konden in dit opzicht de norm, zoals deze in (klein-)burgerlijke kring bestaat, ruim doorstaan.’ Ook verder spreidde de onbekende notulist een positieve grondhouding tentoon, op één punt na: ‘De discussies werden in beschaafd Nederlands gevoerd en in dit opzicht vormde Lewin een ongunstige uitzondering.’

Kanttekeningen

De BVD’er plaatste in zijn verslag wel wat kanttekeningen bij de manier waarop de bijeenkomst was voorbereid (‘gebrekkig’) en de afwezigheid van vergaderdocumenten. ‘Het viel informant op dat de deelnemers aan de vergadering bepaald gematigder houding aan de dag legden dan spreekt uit verschillende artikelen in het weekblad Rechts-Om. Zo was er onder de aanwezigen een kleurling (Surinamer van Indische afkomst); er werd hem totaal niets in de weg gelegd.’ Brede instemming bestond er onder meer over de Nederlandse steun aan de NAVO, trouw aan het koningshuis en de noodzaak om te bezuinigen op wetenschappelijk onderwijs.

Een van Max’ stokpaardjes haalde het niet. ‘Informant had de indruk dat Lewin en Scheps het aanvankelijke voornemen hadden in het (voorlopige) Beginselprogramma van de partij de ontwikkelingshulp niet op te nemen. Uit de vergadering kregen zij echter zoveel verzet hiertegen, dat zij heel tactisch tijdig hun bakens verzetten en zich akkoord verklaarden met deze hulp, mits aan bepaalde voorwaarden verbonden.’ Na te hebben besloten om de koningin en de NAVO solidariteitstelegrammen te sturen en een vierkoppig bestuur onder voorzitterschap van Max te kiezen ging de vergadering uiteen, zij het dat nog wel eerst werd afgesproken om in december een tweede bijeenkomst te beleggen. De Partij Nieuw Rechts was een feit.

‘En nu naar Den Haag!’, juichte Rechts-Om na ‘wat door deelnemers de meest vruchtbare politieke bijeenkomst in jaren genoemd werd’. Bij de Kamerverkiezingen van 1971 moest de landelijke doorbraak plaatsvinden. De praktijk bleek echter, niet voor het eerst, weerbarstig. Een poging om in de hofstad een afdeling op te richten trok slechts 24 belangstellenden, inclusief de wederom aanwezige BVD-infiltrant en enkele bestuursleden. Toen apartheids- en dictatuurvoorstander Dick Scheps verkondigde dat de sympathie van Nieuw Rechts uitging naar Zuid-Afrika, Rhodesië en Griekenland noteerde de BVD’er: ‘Deze mededeling ontlokte bij de aanwezigen enig boegeroep.’ De screening van de toehoorders was dit keer achterwege gebleven, met weinig opwekkende gevolgen als resultaat. ‘Vooral sommige jongeren uit de zaal (die blijkens hun uitlatingen voorstanders waren van Cuba) slingerden kreten als “neo-nazistisch standpunt” naar de bestuursleden.’ Van de toehoorders bleek de helft activist tegen Nieuw Rechts te zijn. Scheps – Max kwam dit keer nauwelijks aan het woord – hield het er maar op dat het ‘een winstpunt [was] dat in dit land de mogelijkheid bestaat dat links- en rechtsdenkende mensen elkaar op één vergadering ontmoeten’.

Max Lewin op Binnenhof Lewin op het Binnenhof

Nieuw Rechts hield zich de eerste jaren vooral bezig met de lancering van kansloze, maar publiciteit losmakende acties en berichten. De partij eiste bij monde van Max vervolging van de Amsterdamse burgemeester Samkalden, omdat die weigerde op te treden tegen het drugsgebruik in de jongerencentra Paradiso en Fantasio. Op verzoek van de Nieuwe Revu-fotograaf spijkerde Max een groot plakkaat met de tekst ‘B en W A’dam handel in drugs’ tegen de deur van Paradiso. Na de Maagdenhuisbezetting in mei 1969 bood hij ‘namens een aantal personen’ enkele tientallen agenten een verzorgde dagreis aan, ‘als bewijs van waardering voor het optreden van de politie en tevens om aan te tonen dat de bevolking achter het politiekorps staat’. Het presentje werd overigens beleefd afgeslagen.

Als opwarmertje voor de landelijke verkiezingen van een jaar later besloot Nieuw Rechts een gooi te doen naar enkele lokale zetels. In juni 1970 vonden de gemeenteraadsverkiezingen plaats en wellicht viel daar iets te halen. Op grote schaal meedoen kon niet – daarvoor ontbraken de kandidaten en financiën –, maar in een paar steden moest het toch wel kunnen lukken. Althans, dat was Max’ insteek. De hernieuwde electorale belangstelling trok de aandacht van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Op 13 december 1969 begaf een informant zich tussen de bezoekers van een Nieuw Rechtse ledenvergadering in het Amsterdamse restaurant Cosy Corner. Zijn aantekeningen geven een goed beeld van de moeizame zoektocht naar een succesvolle toekomst voor de politieke dwerg. Gesproken werd over een samenwerkingsverband met andere behoudende partijen. ‘Over het algemeen waren de aanwezigen het eens met een voorzichtige toenadering tot de Boerenpartij’, constateerde de BVD’er. Volgens een op de voorgrond tredende Boerenpartij-functionaris uit Sliedrecht stond zijn partij vrij welwillend tegenover Nieuw Rechts. Dat deze man ook lid was van het extreemrechtse Were Di, een organisatie die nogal wat veroordeelde oorlogsmisdadigers telde, zal de vergadering niet hebben geweten.

In het Amsterdamse zaaltje kwam ook een veertien punten tellend beginselprogramma ter sprake, met als meest opvallende streven: ‘Verscherpt toezicht op in ons land verblijvende buitenlanders.’ ‘Na lange discussies’, schreef de BVD-medewerker, ‘werd besloten het voorstel van Lewin aan de eerstkomende gemeenteraadsverkiezingen deel te nemen af te wijzen.’ Daarmee was voor Max de gifbeker nog niet leeg: ‘De gehele bijeenkomst ontwikkelde zich in een richting, waarmee Lewin het niet eens was. D.m.v. stemmen werden beslissingen genomen waar Lewin fel tegen was; zijn initiatieven werden overstemd; zijn ideeën niet geaccepteerd en bekritiseerd. Lewin weigerde tegen het eind van de vergadering nog iets te zeggen.’

Irritatie

Hoe groot ook zijn irritatie over de gang van zaken, Max was er de man niet naar om zijn speeltje te laten afpakken. Zoals hij eerder de stopzetting van ontwikkelingshulp tegen de zin van de leden opnieuw op de agenda plaatste, zo kwam hij nu via een omweg terug op de door hem gewenste verkiezingsdeelname. De partijmeerderheid trotserend presenteerde hij in het voorjaar van 1970 zijn Amsterdamse kandidatenlijst. Er stonden slechts drie namen op: Max als aanvoerder, zijn (apolitieke) echtgenote en de student journalistiek Sent Wierda. Nieuw Rechts deed ook in twee andere plaatsen mee aan de verkiezingen. In Zwijndrecht voerde Bert Heidekamp de lijst aan, een dertiger die in later jaren zou aantreden voor extreem-rechtse bewegingen als de Centrumdemocraten en de Nieuwe Nationale Partij. Hij zou geen zetel halen. De Haagse nummer 1, Paulus van Goch, gooide tijdens een lang vraaggesprek met dagblad Het Vaderland zijn eigen glazen in. ‘Hitler maakte fatale blunders, maar zijn bedoelingen waren goed’, meende de trambestuurder. ‘Vanuit een chaos zou ik zo’n man zeker steunen. Het zou zelfs onzin zijn hem niet te kiezen.’ Slechts twee op elke duizend Hagenaars wilden na dit interview nog op Nieuw Rechts stemmen.

Op electoraal slecht uitpakkende redeneringen als die van Van Goch was Max in de aanloop naar de verkiezingen niet te betrappen. Hij deelde weliswaar hier en daar een rechtse directe uit (zo reageerde hij op de steekwoorden ‘langharigen’ en ‘Dolle Mina’s’ met respectievelijk ‘tuig’ en ‘domme ganzen’), maar wat hem vooral opbraken waren zijn zelfgecreëerde imago en een gebrek aan campagnegeld. Uiteindelijk bleek Nieuw Rechts op 3 juni 1970 in Amsterdam slechts 441 aanhangers te hebben, een verrassend laag aantal gezien de continue stroom gratis publiciteit die Max wist los te woelen.

‘Imperialist’

Verachting, beledigingen en bedreigingen waren zijn deel. ‘U bent een smerige fascistische zionistische imperialist. Daarom wordt u binnenkort door ons om het leven gebracht’, schreef iemand hem in augustus 1970. De anonieme afzender deed zich voor als vertegenwoordiger van het bij niemand bekende Marxistisch Leninistisch Front. Max stoorde zich er niet aan. Integendeel, het leverde inspiratie op voor een plagerig stukje in Rechts-Om. De dader, een labiele man die talloze dreigbrieven op zijn naam had staan, werd overigens een jaar later gearresteerd.

Meer last zei Max te hebben van ‘zogenaamde medestanders’ die hem zwart maakten. ‘Van hun kant kwam de beschuldiging: kijk es, hij doet zaken met het Oostblok, dus hij is niet te vertrouwen.’ Een andere dwarsligger was volgens hem de vaderlandse journalistiek. ‘U moet niet vergeten dat we een vijandige pers hebben, die niks over ons zal schrijven tenzij ze er niet onderuit kunnen’, legde hij de verslaggeefster van het alternatieve cultuurtijdschrift Gandalf uit. ‘Anders zwijgen ze alles dood en dat is de meest ellendige toestand die er bestaat voor iemand.’ Toen het interview in druk verscheen zag Max zijn gelijk opnieuw bevestigd. Volgens Gandalf viel Rechts-Om op ‘door platvloerse journalistiek, de uitroeptekens en accenten, de vele herhalingen van toevoegingen als “NSB’er”, “socialist”, “communist”. Het is duidelijk dat Lewin een pathologische angsthaat heeft ontwikkeld voor alle democratiserende stromingen in de samenleving.’

Raymond de Roon

Opvallend genoeg bevonden Max’ vrienden zich vooral in het buitenland. Het Rhodesische apartheidsbewind stuurde pakken informatie naar zijn woning aan het Darwinplantsoen ‘to help you in promoting the true picture of our country’. En het Griekse kolonelsregime was eveneens blij met de steeds uitgesproken steun in Rechts-Om.

De steun in eigen land bleef daarentegen beperkt tot een minderheid. Max was dan ook bijzonder verheugd over de open brief die Charles Evers uit Oegstgeest en Amsterdammer Raymond de Roon aanboden aan zijn blad. Een halve pagina lang mochten de twee scholieren zich beklagen over ‘de destructieve politiek van linkse extremisten’. Als de overheid en politie daar niet harder tegen optrad ‘zal de zwijgende meerderheid gedwongen worden het parlementair-democratische stelsel tijdelijk buiten werking te doen stellen om langs buitenparlementaire weg tot een krachtig bewind te geraken’. Het Griekse kolonelsbewind was daarbij hun lichtend voorbeeld. Ze eisten dat de overheid ‘instellingen als de ASVA, Socialistische Jeugd, Rode Jeugd, VPRO enz. (…) met àlle middelen zal bestrijden en de kop indrukken’. Omdat ze wel inzagen dat dat er voorlopig niet in zat riepen ze hun leeftijdsgenoten op een ‘Nationale Jongerenorganisatie ter verdediging van de normen en waarden van onze samenleving en ter bestrijding van extremistische uitwassen’ op te richten.

Raymond de Roon wilde dus als 18-jarige de parlementaire democratie een tijdje afschaffen en gewelddadige ordediensten stichten. Hij werd in 2006 Tweede-Kamerlid voor de Partij voor de Vrijheid en vier jaar later ook nog PVV-raadslid in Almere. In zijn hoedanigheid als volksvertegenwoordiger stelde hij voor om stadscommando’s te formeren die de verloedering van Nederland hardhandig konden tegengaan.

Het deed denken aan een organisatie waarbij De Roon zich in de zomer van 1971 aansloot, de Nationale Veiligheidsbrigade. Deze vereniging kwam tot stand na een oproep in opnieuw een blad van Lewin, De Vrije Pers. ‘Ex-beroepsmilitair, uitholling van onze nationale weerbaarheid meer dan beu, zoekt contact met andere ex-beroepsmilitairen, oud-commando’s en mariniers, voormalige leden van de Koninklijke Marechaussee, gewezen politiefunctionarissen, leden en ex-leden van de Nationale Reserve en andere gezagsgetrouwe burgers van Nederlandse nationaliteit voor oprichting van een Nationale Veiligheidsbrigade’, luidde de lange volzin waarmee een anonymus zijn plan bekendmaakte. Het lijkt er overigens sterk op dat achter de ‘ex-beroepsmilitair’ niemand minder dan Max Lewin schuilging. Hij beantwoordde namens de NVB de vragen van nieuwsgierige journalisten, berichtte via zijn eigen blad over de vorderingen en begon daarin tegelijkertijd een ‘cursus zelfverdediging anti-guerilla oorlogvoering’ die gericht was tegen ‘politieke gangsters’. Belangstellenden ‘zal de wapenvoering worden geleerd, het vervaardigen en onschadelijk maken van ontplofbare stoffen, handgranaten, landmijnen enz. enz.’

15. Februari 1974.

Misschien wel de duidelijkste aanwijzing dat Max het NVB-brein was leverde de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Net als bij veel van Max’ eerdere initiatieven achtte de dienst het raadzaam om onmiddellijk over te gaan tot observatie en infiltratie. Bewaard gebleven BVD-verslagen geven een goed beeld van de NVB-vergaderingen. Op 30 oktober 1971 vond de eerste plaats. Het Amsterdamse Cosy Corner bood de brigade-in-oprichting gastvrijheid, net als het eerder had gedaan bij Nieuw Rechts. ‘Omstreeks 11.30 uur waren in een bovenzaal van genoemd café 19 personen bijeen, waaronder twee vrouwen’, noteerde de BVD-afgevaardigde in zijn verslag. Max had de uitnodigingen verzonden, zat de bijeenkomst voor en voerde het merendeel van de tijd het woord. Op een vraag wat te doen tegen bijvoorbeeld terreur, antwoordde hij ‘dat de leden van de NVB gewapend moeten zijn en dus te allen tijde kunnen optreden’. Dat het recht niet in eigen hand genomen mocht worden, zoals in het zaaltje werd geopperd, schoof Max volgens de BVD-notulist terzijde. ‘Hij (Lewin) staat in contact met iemand die zeer bekwaam is in het omgaan met springstoffen.’

Raymond de Roon had op zijn idee voor een ‘Nationale Jongerenorganisatie’ onvoldoende respons gekregen, maar de Nationale Veiligheidsbrigade leek hem een prima alternatief. De inmiddels 19-jarige rechtenstudent aan de Vrije Universiteit was een van de weinigen die tijdens de NVB-oprichtingsvergadering opmerkingen plaatsten. Hij ‘vertelde zich dood te ergeren aan de langharige elementen die de VU bevolken; toevallig kreeg hij een nummer van het blad De Vrije Pers in zijn bezit en daarna is hij in contact getreden met Lewin’, aldus de BVD-waarnemer. De Roons ergernis was voldoende reden om zitting te nemen in het driekoppige NVB-bestuur, naast de Haagse gehoorapparatenverkoper Pieter M.J. van der Linden en diens stadsgenoot Paulus van Goch.

De BVD analyseerde het mogelijk gevaar dat uitging van de weerbaarheidsvereniging. ‘Tijdens de vergadering bleken er nogal wat verschillen van inzicht te bestaan over de eventueel te ondernemen activiteiten: sommigen wilden van de NVB een regelrechte knokploeg maken, anderen wensten uitsluitend legale acties te voeren. Evenmin was men het aanvankelijk eens over de vraag of de NVB-leden al dan niet bewapend moesten worden. (…) Het bleek dat Van Goch een man van de daad was; hij zou het liefst direct met een aantal medestanders de straat opgaan om daar orde op zaken te stellen, getuige uitlatingen als: “We zullen die raddraaiers en dat andere tuig wel eens leren.” Van der Linden stelde zich wat minder militant op.’ Al te grote zorgen maakte de Binnenlandse Veiligheidsdienst zich niet. ‘Aangezien er aanwijzingen zijn dat de bestuursleden gecoacht worden door Max Lewin lijkt de kans groot dat ook deze organisatie de weg zal volgen van vele andere politieke creaties van deze figuur en roemloos zal verdwijnen.’

Die laatste inschatting klopte. Binnen het jaar viel de NVB uiteen in een relatief gematigde stroming die werd geleid door Van der Linden en een radicale vleugel met onder andere Van Goch die aansluiting vond bij de net opgerichte, nazistische Nederlandse Volksunie. Raymond de Roon was toen al van het toneel verdwenen. Zijn ouders dwongen hem om zijn bestuurslidmaatschap op te geven nadat een voormalige NSB’er zich bij hun voordeur vervoegde. Van der Linden: ‘De vader werd hierdoor zo van weerzin vervuld dat hij zijn zoon direct verbood nog verder met ons in zee te gaan.’

Geert Wilders

Nieuw Rechts was in sommige opzichten haar tijd ver vooruit. De zestien programmapunten in de uit 1968 daterende, eerste partijvergadering komen stuk voor stuk overeen met het verkiezingsprogramma dat de Partij voor de Vrijheid vier decennia later presenteerde. De beweging van Geert Wilders zou tientallen zetels veroveren met een combinatie van thema’s die Nieuw Rechts als eerste op de agenda zette. De door Nieuw Rechts verketterde Europese Economische Gemeenschap veranderde in de door de PVV gehate Europese Unie en Max’ wens om het Landbouwschap af te schaffen is al lang gerealiseerd, maar verder lijkt het Nieuw-Rechtsprogramma een blauwdruk voor dat van de PVV. Alle sociaal-nationalistische partijpunten uit 1968 zijn terug te vinden bij de PVV, van de gewenste belastingverlaging tot het stopzetten van cultuursubsidies en ontwikkelingshulp. Beide partijen wensten referenda, meer geld voor gezondheidszorg, strengere straffen en minder allochtonen. Zowel Wilders als Lewin beriep zich er op rechtse én linkse standpunten te verkondigen. Zelfs het taalgebruik vertoont overeenkomsten. Max sprak al zijn afschuw uit over ‘straattereur’, zei zich te baseren op Nederlands christelijk-humanistische grondslag en vond dat de meeste media in handen waren van links. Op de eerste partijbijeenkomst van Nieuw Rechts werd gepleit voor ‘een agressief beleid tegen D’66’, een houding die Geert Wilders zou hebben toegejuicht. Net als PVV-ideoloog Martin Bosma was Max er heilig van overtuigd dat socialisten en marxisten schuldig waren aan de Tweede Wereldoorlog. Beiden strooiden ook met voorbeelden waaruit moest blijken dat, in de woorden van Bosma, ‘nationaalsocialisme als rechts een verzinsel is van Stalin en de mensen van de Frankfurter Schule’.

Op zijn oude dag kan Max zich wel vinden in deze analyse. ‘Ik was niet rechts. Als je niet links bent, ben je rechts. Maar dat is werk van de propaganda. Ik was met mijn ideeën te vroeg. Ik was tegen de Europese eenheid. Ik was tegen de toevloed van nieuwe mensen in Nederland. Niet om die mensen, maar omdat ophoping van te veel mensen net als bij appels tot rotting leidt. Dat zijn nu heel gewone standpunten.’

Vlekken

Er zijn ook verschillen. De PVV heeft geen last van oud-nazi’s die zich het partijprogramma toe-eigenen. En waar Nieuw Rechts zich vooral keerde tegen de toestroom van Surinamers naar Nederland bepleit de PVV een immigratiestop voor moslims en niet-westerse allochtonen. Net als Wilders wist Max zijn boodschap aan journalisten te verkopen door steeds nieuwe invalshoeken te kiezen en buitenparlementaire stunts te bedenken. De voorman van Nieuw Rechts was daarbij wel veel minder kieskeurig; geen medium was hem te min. Hij trok desgewenst tijd uit voor zowel de schoolkrant als de NOS (die hij overigens beschouwde als een subjectieve en progressieve staatsomroep; nog een overeenkomst met de PVV). Maar Max’ rabiate uitspraken en niet altijd even handige presentatie in de media verminderden zijn kansen op raads- of Kamerzetels aanzienlijk. Het telkenmale binnen zijn achterban opduiken van mensen met een besmet oorlogsverleden deed de rest. De toegebrachte bruine vlekken op Max’ curriculum bleken onuitwisbaar. Hij zou nooit slagen in zijn zoektocht naar een baan als erkend politicus. Aan het eind van zijn leven, in 2008, keek hij er met berusting op terug. ‘Ik had misschien de stille hoop er iets van te kunnen maken. Het heeft ontzettend veel tijd en moeite en geld gekost. Een zakenrelatie van mij in Oost-Duitsland zei: “Jongen, schei toch uit met die politiek. Besteed je tijd aan de zaak, dan kun je veel meer verdienen.” Ik heb hem later gelijk gegeven.’

Voorgaande tekst is een bewerking van een hoofdstuk uit de biografie Averechts. Het verwarrende leven van radiopionier, politicus en spion Max Lewin (2014, uitgeverij Aspekt)

De lange aanloop naar de speelfilm over Walraven van Hall

Rutger Hauer poogde jarenlang tevergeefs om het levensverhaal van de Zaandamse verzetsheld Walraven van Hall te verfilmen. Hij was de eerste niet. Nu volgt er een herkansing, in de vorm van een miljoenenproductie met een ware sterrencast.

Walraven van Hall (kleur)Walraven van Hall

Changing fortunes luidde de filmtitel die Rutger Hauer in gedachten had. Het moest een internationale productie worden over de man die tot aan zijn voortijdige dood in februari 1945 de vaderlandse illegaliteit leidde. In januari 2010 kreeg ik de twee beoogde scenarioschrijvers van de film over Walraven van Hall op bezoek. We maakten een rondje langs Zaandamse locaties waar deze verzetsbankier woonde en werkte. En ik beantwoordde een aantal vragen. Die stelden me niet gerust. Of Van Hall een wapen had. Of er NSB’ers in zijn familie waren. Hoe de relatie met zijn echtgenote was. Of hij wellicht een handicap had. De scenaristen-in-spe kwamen er eerlijk voor uit: het zou niet meevallen om het door Van Hall gepleegde ‘papieren’ verzet filmisch interessant te maken. Zijn ondermijning van het nazisme mocht ongekend effectief zijn geweest, maar veel seks en schieten kwam daar niet bij te pas. En dat was, bioscoop-technisch gesproken, toch wel een tikje jammer.

Het was de tweede keer dat ik werd benaderd met filmplannen. In maart 2006 was ik al verwikkeld in een mailwisseling met een filmproducente die me vroeg ‘of het mogelijk is om de rechten te kopen van het boek [dat ik dat jaar over Van Hall publiceerde] met als doel er een film van te maken’. Ze voegde er weinig geruststellend aan toe: “Bij mijn weten is het verhaal in feite openbaar en ik neem aan dat er misschien helemaal niet over ‘rechten’ gesproken kan of hoeft te worden.” Het contact eindigde een maand later met de boodschap dat ze weer van zich zou laten horen ‘zodra ik voorstellen kan doen’.

NL Film

Enfin, Rutger Hauer kreeg de financiering niet rond voor het eerste echte product waarover hij de regie zou voeren, tot zijn diepe droevenis. En die vage filmproducente is ook al een decennium uit beeld verdwenen. Een film over Walraven van Hall leek definitief van de baan. In het najaar van 2011 vernam ik echter dat productiemaatschappij NL Film de handschoen opnam. Ze hadden daar een miljoenenproductie in gedachten. NL Film was een van Nederlands grootste productiemaatschappijen. En, ook niet onbelangrijk, Walravens kinderen waren enthousiast. Wat kon er nog misgaan?

Ik mailde NL Film: als ze behoefte hadden aan informatie en materiaal waren ze welkom. Niet alle gegevens die ik had gevonden met het oog op mijn biografie Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945) waren in het boek verwerkt, dus wie weet kon de producent nog wat gebruiken. “Wij stellen dit erg op prijs”, luidde de reactie. “Uw mail stuur ik hierbij door naar Sytze van der Laan, die momenteel gesprekken voert met de researcher die voor ons aan deze film werkt. Hij neemt in de toekomst graag contact met u op.” De toekomst bleek bij NL Film een rekkelijk begrip, want producent Van der Laan liet tot op heden niets van zich horen. Dat mijn boek in de tussentijd via NL Film wel een ronde maakte langs tal van betrokkenen bij de film zie ik maar als second best.

Subsidies

Op financieel gebied pakte NL Film het beter aan. In april 2015 kenden de NPO, CoBO en het Nederlands Filmfonds maar liefst €1,8 miljoen toe om de productie mogelijk te maken. Dat komt bovenop de ruim €1,2 miljoen die sinds 2013 in zes tranches is uitgekeerd via het Netherlands Film Production Incentive. Bankier van het verzet, zoals de rolprent gaat heten, wordt een van de duurdere Nederlandse films, zoveel is duidelijk.

Er zijn dan ook nogal wat kosten, en niet alleen aan materiaal. Voor de gelouterde scenarioschrijfster Marieke van der Pol bijvoorbeeld, bekend van onder meer De Tweeling. Voor regisseur Diederik van Rooijen (Penoza). En voor de cast, volgens de Belgische mede-producent Zilvermeer Productions onder anderen Jacob Derwig en Barry Atsma.

De NL Film-website meldt nog altijd: “De opnamen staan gepland voor 2014.” De Belgische partner lijkt beter op de hoogte: “Shoot fall 2016.” Dat lijkt ook een stuk logischer, gezien de verdere planning. Vooralsnog staat als premièredatum 24 september 2017 genoteerd. U krijgt tegen die tijd 110 minuten Walraven en Gijs van Hall aangeboden in een theater bij u in de buurt.

Ik beschik overigens over nog wat vertrouwelijke, tranentrekkende informatie aangaande ‘Wally’ van Hall die het uitstekend zou doen in de slotscène van deze beoogde blockbuster. Wellicht maak ik het nog wereldkundig. Ik dacht zelf aan 25 september volgend jaar.

picknick-gezin-van-hall-eind-jaren-30De broers Walraven, Floor, Beppo, en Gijs van Hall
Walraven (links) en Gijs (rechts) van Hall