Anton Stam: de vergeten verzetsstrijder

Tien mannen en vrouwen vormden in oktober 1941 de leiding van wat zou uitgroeien tot het belangrijkste verzetsblad, Vrij Nederland. In de daarop volgende maanden belandden ze bijna allemaal voor het vuurpeloton of in een cel. De overlevenden vertelden na de bevrijding hun oorlogsverhaal. Op die ene onbetrouwbaar geachte Zaandammer na, Anton Stam.
Portret van een kat met negen levens.

Anton Stam, 1938

In de ochtend van 10 mei 1940 ontsnapte Antonie Hendrik Stam (1919) voor de eerste keer aan een vroege dood. De dienstplichtige radiotelegrafist/ boordschutter was gestationeerd op het Rotterdamse vliegveld Waalhaven toen Duitse bommenwerpers in een aanvalsgolf de luchthaven volledig verwoestten. Daarbij sneuvelden 51 Nederlandse militairen. Stam bleef ongedeerd. Na de capitulatie, vier dagen later, probeerde hij om via IJmuiden naar Groot-Brittannië te vluchten. Dat mislukte jammerlijk; zijn pogingen liepen uit op krijgsgevangenschap.

Zodra hij werd vrijgelaten, zocht Stam naar mogelijkheden om op een andere manier overzeese contacten te leggen. Met zijn eveneens uit Zaandam afkomstige vriendin Amy Duif vertrok hij eind 1940 naar Geldrop. Ze wilden daar bij familie een geheime zender installeren. Ook die poging faalde, naar verluidt omdat hun gastheer de risico’s onverantwoord vond.

Vrij Nederland

Eind februari 1941 begon de Sicherheitsdienst met het oprollen van Vrij Nederland. Dat was mogelijk na de vondst van vijf exemplaren van het blad in de jaszak van een medewerker. In de maanden die volgden verdwenen vrijwel alle schrijvers, drukkers en bezorgers, in totaal 65 mensen, in gevangenissen of werkkampen. Hoewel Stam al sinds het najaar van 1940 Vrij Nederland verspreidde en hij ook nummers had nagestencild, ontsprong hij de dans.

Het lukte de paar VN’ers die nog niet waren opgepakt met veel moeite om een maart- en aprilnummer samen te stellen. De voortgaande arrestaties sloegen echter met de week grotere gaten in het medewerkersbestand. Jan Kassies en Arie van Namen zouden op 9 mei de laatste hand leggen aan de editie van die maand, toen de laatste die avond zag hoe de SD Kassies uit diens woning haalde en afvoerde. De opgejaagde en wanhopige Van Namen – de Duitsers gijzelden zijn ouders, hopend dat hij zich dan zou aangeven – stond er vanaf dat moment vrijwel alleen voor.

Redding kwam in de persoon van journalist Edouard de Nève, die zich eerder vooral bezighield met spionage en pilotenhulp. Van Namen: ‘Hij had weer contact met een zekere heer Stam uit Zaandam. Met behulp van de heren De Nève en Stam hebben wij toen het volgende nummer uitgegeven in juni 1941.’ De Nève beschouwde Stam inderdaad als één van ‘mijn grote helpers’. ‘Bij het stencilen had ik veel hulp van een relatie uit Zaandam, A.H. Stam. Die organiseerde het.’ Onder Stams leiding konden in de Amsterdamse, deels ondergronds opererende uitgeverij Bottenburg de juni-, juli- en augustuseditie worden samengesteld. Het voortbestaan van Vrij Nederland was weer even verzekerd.

De driekoppige redactie trachtte via een leugen in de editie van 10 juni de gearresteerde VN-medewerkers los te krijgen: ‘Talrijke mannen en vrouwen zijn in hechtenis genomen die ervan verdacht werden op een of andere manier met ons in relatie te staan. Het feit is echter dat wij hun werk van verre, noch van dichtbij kennen.’ Ze stuurden tien exemplaren naar de Sicherheitsdienst. De actie bleek vergeefs; veel gevangenen hadden al bekentenissen afgelegd.

Vrij Nederland, juni 1941

Henk en Amy waren Zaandam inmiddels ontvlucht. Ze doken in Amsterdam onder op een door Van Namen gehuurde etage aan de Oudeschans 48. ‘Wij woonden in de achterkamers, terwijl u zo nu en dan de voorkamer in gebruik had’, herinnerde Stam Van Namen dertig jaar na de oorlog aan het halfjaar dat ze daar verbleven. ‘Waarschijnlijk hadden wij toen de schuilnamen van Amy en Anton van Bergen o.i.d. Mijn vrouw vertelt mij zojuist dat ze u eens de achterkamer heeft laten zien die toen afgeladen met Vrij Nederland-krantjes lag, terwijl ook nog een zendontvanger opgesteld stond.’

Toen De Nève op 29 september eveneens achter de tralies belandde, ging Stam naar eigen zeggen in zijn eentje voort. [Ik] ‘nam alles over, stelde VN samen van oude en nieuwe copie, niette het geval en zorgde voor de verspreiding.’

Van Randwijk

Henk Kooistra, een nog niet opgepakte VN-bezorger van het eerste uur, vroeg zijn Amsterdamse collega-onderwijzer Henk van Randwijk om het door de arrestaties ontstane gapende gat in de redactie te helpen vullen. Medio oktober 1941 vond er in Van Randwijks woning aan de Stadionkade een eerste, ‘constituerende vergadering’ plaats van de nieuwe VN-leiding. Stam was een van de tien aanwezigen. Tijdens het door het echtpaar Van Randwijk aangeboden etentje overheerste aanvankelijk de argwaan. Veel genodigden kenden elkaar nog niet en de bezetter had net de doodstraf afgekondigd op het verspreiden van antinazistische geschriften. Kooistra ontbrak. Hij was kort tevoren in Sperrgebiet aangehouden en zou, net als ruim honderd andere VN’ers, de bevrijding niet beleven. Ondanks deze tegenslag gingen het tiental ’s avonds hoopvol en eensgezind hun weegs. Ze hadden elkaar gevonden in het streven naar een verzetsblad ‘met inhoud’ waarin de ‘vormende waarde’ (dixit Van Randwijk) van het christendom was te vinden. De samenkomst bleek cruciaal voor de toekomst van Vrij Nederland. Het blad groeide, aldus de Sicherheitsdienst in december 1941, nadien uit tot het ‘weitververbreiteste und gefährlichste Hetzschrift’.

Zwitserland

Talloze angstdromen plaagden hoofdredacteur Henk van Randwijk. ‘De ene nacht word ik opgehangen, de volgende nacht word ik doodgeschoten’, vertelde hij zijn vrouw. Hij meende dat er binnen Vrij Nederland een verrader ronddwaalde. Begin maart 1942 arresteerde de SD Van Randwijk. Bij gebrek aan bewijs kwam hij na enkele weken vrij, maar het kwaad was geschied. Verdachtmakingen besmetten de organisatie. Eén daarvan luidde dat Anton Stam onbetrouwbaar was. Een belangrijke bron voor die zware beschuldiging was Zaandammer Martinus Arends. Die had sinds 1940 met Stam samengewerkt. ‘Dan tikte mijn dochter (Leny Arends) de stencils en werden de VN’s gefabriceerd. Eerst gebeurde dat op een kamer 3 hoog op de Weteringschans 103, waar A. Stam deze kamer gehuurd had. Daar werkten dan A. Stam, zijn verloofde en mijn dochter. Wanneer ze dan klaar waren, werden ze in Zaandam verspreid’, schreef Martinus Arends in 1946. De verkoopopbrengst overhandigde hij aan Stam. En daar ging het volgens hem mis. ‘In september 1941 vertrouwde ik Stam niet meer en vermoedde dat hij het grootste gedeelte ten eigen bate gebruikte.’ Arends verbrak de samenwerking en kreeg na een tijdje bezoek van ‘Oom Henk [van Randwijk] en Wim [Speelman] die met mij over Stam kwamen praten en toen ook maatregelen tegen hem genomen hebben.’

De inner circle van het aan alle kanten bedreigde blad ondernam inderdaad actie, ter voorkoming van erger. Er werd tijdens een ingelast beraad geopperd om Stam te liquideren, maar redactielid en rechtsgeleerde Gezina van der Molen verzette zich met hand en tand tegen die optie. Volgens haar was er geen onomstotelijk bewijs van Stams verraad. Van der Molen: ‘Wij hadden niet meer dan het vermoéden.’ Ze stelde voor om met de verdachte te gaan praten.

Aldus geschiedde, in bodega Keyzer naast het Amsterdamse Concertgebouw. Aan een belendend tafeltje volgden andere verzetsstrijders onopvallend de conversatie, klaar om indien nodig in te grijpen. Van der Molen vertelde Stam dat het vertrouwen in hem was opgezegd. Daarop stelde haar aangeslagen gesprekspartner voor te willen uitwijken naar Engeland. Dat leek Van der Molen een goed idee. Ze pakte een exemplaar van het Nieuwe Testament uit haar tas en overhandigde hem dat. Vervolgens namen de twee afscheid van elkaar.

In een drie weken na de bevrijding gezonden brief aan Vrij Nederland liet de diep geraakte Stam weten dat hij zich begin 1942 (‘aangezien ik toen meer op de achtergrond raakte door mijn geringe kennis van de journalistiek’) had willen bezighouden met het zenden van ondergrondse boodschappen naar Radio Oranje, maar rond die tijd ‘moest ik naar Zwitserland’. De reden van zijn gedwongen vertrek liet hij onbesproken. Enkele maanden later in 1942 hield hij zich tijdens een verhoor in Neuchatel wederom op de vlakte. Hij vertelde zich na de Nederlandse capitulatie ‘in het bijzonder [te hebben] beziggehouden met strijden tegen de bezettingsmacht, door de mensen op te roepen om in actie te komen tegen de Duitsers’. Toen hij vervolgens op bevel van de plaatselijke autoriteiten zijn levensloop opschreef, deed hij de voorgaande anderhalf jaar zelfs af als ‘een oninteressante periode die afgesloten werd met mijn vertrek op 12 april jl. naar Zwitserland’. Ook later zou hij niet publiekelijk terugkomen op zijn Vrij Nederland-werkzaamheden en de hem aangewreven, onterechte beschuldigingen.

Anton Stam, 1940

Antwerpen

Amy vertrok samen met de VN-prominenten Wim Speelman en Henk Hos naar een nieuwe schuilplaats, dit keer bij Antons zus in Zandvoort. Haar verloofde reisde richting de Alpen. Dat Stam daar wist te komen, mag een klein wonder heten. Vanuit het onderduikadres op de Oudeschans werd hij via de zogeheten Van Niftrik-lijn over de Belgische grens geleid. Met een collega-verzetsman reisde hij per tram naar de in het complot betrokken familie Van Dulken. Hun Antwerpse adres bleek echter te zijn verraden. Op 13 april wekte de Sicherheitsdienst de bewoners. Stam: ‘De heer des huizes werd met een overvalwagen afgevoerd en alleen een Duitse politiebeambte bleef achter ter bewaking van mevrouw, dienstmeisje, mijn reisgenoot naar Zwitserland en mij. Duidelijk was dat wij, voordat de overvalwagen terugkwam, iets moesten ondernemen. Met die ene, al wat oudere Duitser leek dat niet zo moeilijk en ik vroeg het dienstmeisje dan ook of ze niet een fles had of iets dergelijks, zodat we hem een tik in zijn nek konden geven. Het meisje verdween om wat te zoeken. Zeer tot ongenoegen van de Duitser ging het meisje een verdieping naar beneden, ondanks het bevel dat ze direct weer naar boven moest komen. Ik liep toen halverwege de trap, hard schreeuwend: “Du sollst zurückkommen”, dan de rest van de trap en de volgende, steeds met meer volume schreeuwend dat ze terug moest komen. De laatste trap heb ik toen maar sprongsgewijze genomen, daarna naar buiten gerend en op een juist voorbijrijdende tram gesprongen.’

Vader en zoon Van Dulken zouden hun gevangenschap niet overleven. Stam wist heelhuids een ander ondergronds adres te bereiken. ‘Uiteindelijk ben ik per trein door een koerierster naar de Zwitserse grens gebracht, daar door een koerier overgenomen en zonder verdere avonturen in Zwitserland afgeleverd.’ Hij belandde er achtereenvolgens in de gevangenis, een straf- en een werkkamp. ‘Later mochten wij de weekends in Lausanne doorbrengen en nog later mochten enigen, waaronder ik, voor ons vertrek naar Engeland voor het in orde maken van paspoorten, visa, e.d. op kosten van het consulaat in Genève wonen. Dat vertrek naar Engeland viel voor mij echter negatief uit, want nadat met veel moeite en geduld uit-, trans- en inreisvisa georganiseerd waren, passagegelden betaald waren, werd uitgerekend op de dag van ons vertrek ook Zuid-Frankrijk bezet, waardoor we onze semi-legale papieren niet meer konden gebruiken.’

Zwitserse notitie dat ‘Antoine Henri Stam’ in december 1942 Zwitserland heeft verlaten (collectie Bundesarchiv Bern)

Onbekend met de nieuwe geopolitieke situatie vertrok Stam met mede-Engelandvaarder Sjaak Brouwers richting Spanje, om begin december 1942 vlak voor de Frans-Spaanse grens te worden opgepakt. Door zich voor te doen als werkloze studenten op zoek naar een baan in Zuid-Amerika ontsnapte het duo aan een mogelijke doodstraf. Stam: ‘Ofschoon mij tijdens een van de vele verhoren gevraagd werd: “Wollen Sie noch weiter lügen?”, werd ons verhaal waarschijnlijk toch geslikt, want tegen Kerstmis werden wij in gezelschap van een Duitse officier in een normale trein naar Parijs gebracht, waar hij ons afleverde bij het bureau van de organisatie Todt.’

Brouwers en Stam wisten zich ook aan deze dwangarbeidersorganisatie te ontworstelen. In Parijs legden ze contacten voor een vluchtroute naar Zwitserland. Zelf gingen ze terug naar Nederland om deze escapeline verder uit te bouwen. Bekend is dat zowel Stam als Brouwers in de navolgende maanden meermalen met onderduikers en illegale documenten naar Zwitserland reisde. ‘Geld kreeg ik altijd via Stam’, aldus Brouwers. Een andere illegaal, Dirk Jan de Jong, verklaarde kort na de oorlog dat hij nauw samenwerkte met Stam, ‘die OD [Ordedienst]-contacten had en aan wie ik een pistool verschafte en voor wie ik illegale berichten meenam naar Zwitserland. Met hem samen vervoerde ik valse papieren en stempels.’ Stam bleef tot medio 1944 leidinggeven aan de ontsnappingslijn.

Groep 2000

Anton en Amy hadden zich in 1941 verloofd en zouden pas na de bevrijding trouwen, ware het niet dat een zwangerschap roet in het eten gooide. Op 12 januari 1944 huwde het stel alsnog in Amsterdam, 2,5 maand later beviel Amy van een dochter. De vernoeming naar haar moeder viel minder op dan de toevoeging, Margriet. De verwijzing naar het eveneens pasgeboren prinsesje was een extra ‘verzetje’ tussen alle andere ondergrondse werkzaamheden. Tot aan de bevrijding zou moeder Stam de kinderwagen gebruiken om niet alleen haar dochter, maar ook wapens en illegale lectuur te vervoeren. Daarnaast transporteerde ze joodse kinderen naar veilige adressen.

Kraambed, met Amy, Anton en moeder Stam (1944)

Antons verzet bestond onder meer uit het plaatsen en bedienen van een geheime zender in een woning op de Herengracht. In het Amsterdamse Oudeliedenhuis aan de Amstel (de tegenwoordige Hermitage) had de Ordedienst eveneens een zender geïnstalleerd. Onder leiding van chef-marconist Leendert Lauwerens zonden vier marconisten, onder wie Stam, vanaf september in ploegendienst honderden gecodeerde berichten het land in. Namens het eveneens illegale Marine Zendstation van Groep 2000 verstuurden ze tevens codetelegrammen naar het inmiddels bevrijde Eindhoven. Daaraan kwam een abrupt einde toen de Grüne Polizei medio december binnenviel. De medewerkers wisten ternauwernood via een achterdeur het pand te ontvluchten.

Drijber

Stam moest de hoofdstad verlaten. Formeel woonde hij nog steeds bij zijn ouders in de Zaandamse Kamphuijsstraat, in de praktijk zwierf hij van de ene schuilplaats naar het andere onderduikadres. Met zijn vriend Andries Buitenhoff ten Cate en Amy week hij op oudejaarsdag uit naar het Friese Lekkum en hervatte daar zijn zendactiviteiten. Hun verblijf in het hoge Noorden verliep niet naar tevredenheid. In een anoniem, intern briefje van de Binnenlandse Strijdkrachten werd geconcludeerd dat ‘deze zender gevallen’ was en hun BS-contactpersonen hen ‘in de steek gelaten’ hadden. ‘Zij zitten nu volkomen zonder geld en levensmiddelen, ook zonder papieren. (…) Zij hebben altijd gewerkt voor het H.K. [hoofdkwartier] in Amsterdam en het ontbrak hen daar aan niets.’ Stam was nog altijd geïrriteerd toen hij in juli 1945 deze conclusies onderschreef: ‘De algemene gang van zaken op G1 [zijn zendstation] was ergerlijk slap en nonchalant. Het duurde 4 weken voor wij bonkaarten hadden en andere PB’s [persoonsbewijzen] hebben wij helemaal nooit gehad. Wat het werken betreft werden wij aan alle kanten tegengewerkt; er was absoluut geen interesse voor.’ Ontevreden reisde hij op 2 februari verder naar een boerderij in een dorp nabij Assen. Zijn vriend, zijn echtgenote en een derde verzetsstrijder betrokken een adres in Leeuwarden.

Het verblijf in Drijber, zijn nieuwe standplaats, beviel Stam beter: ‘De verbinding met Brabant was zeer goed en behoorlijk veel berichten zijn dan ook verzonden en ontvangen.’ De voorspoed duurde slechts een week. Stam: ‘Hieraan kwam een einde doordat op een morgen de boerderij omsingeld was door Duitsers die mij d.m.v. een machinepistoolsalvo uit mijn schuilplaats, tevens zendstation, verdreven en gevangennamen.’ Op 9 februari kwam daardoor definitief een eind aan zijn zendactiviteiten.

De Duitse codespecialist Ernst May zou later verklaren dat Stams zender was uitgepeild. Dat was slechts de halve waarheid. De SD wist van de zender dankzij de arrestatie van de illegale marconist Jacob van den Hul, drie dagen eerder. Ze martelden deze Ordedienst-medewerker zo zwaar dat hij onder meer Stams verblijfplaats verraadde.

‘Heraus kommen’

Met de aanwijzingen van Van den Hul op zak was het een koud kunstje om Stams zender te peilen. In de ochtend van 9 februari sloot een groep van zestien SD’ers de omgeving van het kantoor annex de bedrijfswoning van de Vuil Afvoer Maatschappij – de door Stam genoemde ‘boerderij’ – in Drijber af. Helemaal onopvallend gebeurde dat niet. Gewaarschuwd door een medebewoonster rende Stam naar zijn schuilplaats, een kamer op de bovenverdieping. Hij wist nog net een noodsignaal uit te zenden en de antenne in te trekken, alvorens zich in een kast te verbergen. Sachbearbeiter Karl Klingbeil, na de oorlog: ‘Ik ging toen naar deze kast toe en klopte op de binnenwand van de kast en riep: “Heraus kommen, sonst wird geschossen.” Daarop meldde zich niemand. Vervolgens werd door mij aan een van mijn ondergeschikten bevel gegeven met zijn machinepistool enige waarschuwingsschoten op de wand af te geven, doch hoog, zodat een zich achter de kast bevindend persoon niet zou kunnen worden getroffen, omdat wij aan een dode marconist niets hadden. Na het eerste salvo gaf de marconist nog geen antwoord, waarop een tweede salvo werd afgevuurd, waarvan de kogels vlak langs hem heen gingen, waarna er één in het Duits schreeuwde: “Komm heraus, wir wissen wohl dass du da bist.” Er kwam hierop niemand achter de wand vandaan, zodat wij toen de rechterwand die enigszins hol klonk hebben ingedrukt. Wij zagen toen het zendapparaat staan dat nog op contact stond. Met één van mijn mannen ben ik in die schuilplaats gekropen en zag aldaar een man verdekt op de grond liggen. Op mijn vraag of hij in het bezit was van een wapen zei hij: “Neen.” Ik heb hem bevolen eruit te komen, wat hij toen deed.’

‘Anton, Anton’

Het was Stam, die met touwen werd vastgebonden, onmiddellijk duidelijk dat de Duitsers hem kenden. Een eveneens in het VAM-kantoor aanwezige beambte van de Funkmessstelle verwelkomde zijn gevangene met de woorden: “Guten Morgen Anton, wir werden einander wie Kriegsmänner begrüssen.” Tijdens een verhoor, later die dag in Beilen, kreeg Stam een schets voorgelegd waarop de geheime bergplaats van zijn zender was weergegeven. De tekening was gemaakt op aanwijzing van Jacob van den Hul. Toen Stam bleef volharden niets te weten over de betrokkenheid van andere verzetsstrijders, sprak de ondervragende officier hem belerend toe: ‘Anton, Anton, dat moet je niet doen, wij weten immers alles.’ Dat klopte. Stam: ‘Ik ben het verdere van de dag en de daarop volgende nacht aan een verhoor onderworpen geweest, waarbij mij bleek dat de Duitsers volledig bekend waren met de situatie van de zenders te Amsterdam, Uithuizermeden, Lekkum en Drijber.’

Tijdens latere verhoren wist Stam de Duitsers naar eigen zeggen wijs te maken de door hen begeerde codesleutel niet te kennen. ‘Inlichtingen over de organisatie in Leeuwarden heb ik wel gegeven, maar dusdanig verdraaid of verouderd dat ze waardeloos waren. Er is dan ook nooit iemand gearresteerd.’ Dat klopte, voor zover het zijn eigen bekentenissen betrof. Getuigenissen van andere gevangenen maakten echter dat er meer arrestaties volgden. Vier van hen werden op 8 maart 1945 gefusilleerd, als represaille voor de aanslag op SD-leider Hanns Albin Rauter.

Legitimatie Anton Stam als ex-politieke gevangene, 1945

Stam werd van Beilen overgebracht naar het Huis van Bewaring in Assen. Zijn bewakers daar maakten de fout hem op te sluiten in een ruimte met onderduikers en arbeidsweigeraars, in plaats van tussen de politieke gevangenen. ‘Na verloop van tijd werden ongeveer twintig mensen van de zaal op transport gesteld naar het concentratiekamp Wilhelmshaven. Door mee te schuiven en bij een willekeurige naam “ja” te roepen, lukte het mij me aan te sluiten bij dit transport, met de gedachte onderweg misschien te kunnen ontsnappen.’ Hij slaagde er echter niet in om uit de overvolle veewagen te springen, ‘en bij het eindpunt stonden dan ook twee SD-officieren te wachten die een kreet van opluchting slaakten toen ze me uit een van de wagens konden plukken.’ De vluchteling werd op 16 februari teruggevoerd naar Assen.

Klingbeil

Op 2 maart 1945 bracht Karl Klingbeil zijn arrestant naar een SD-kantoor in Zwolle. Daar volgden nieuwe verhoren. Het geluk was met Stam; waar veel SD’ers hun gevangenen afranselden in een poging om gegevens los te krijgen, moest Klingbeil daar weinig van hebben. Het bleef bij het afvuren van vragen en – in reactie – geven van ontwijkende antwoorden. De status quo werd uiteindelijk doorbroken met een Duits dwangvoorstel. Stam: ‘Hij [Klingbeil] deelde tijdens het laatste verhoor aan mij mede dat ik voor de keus werd gesteld om óf voor de Duitsers te werken óf te worden doodgeschoten. In dat voorstel zag ik een mogelijke kans om te ontsnappen en heb er toen in toegestemd om voor de Duitsers te gaan werken. Tijdens het onderhoud in Zwolle werd afgesproken dat ik de namen van code-officieren en de code per brief naar een Hauptsturmbannführer, wiens naam ik niet meer weet, zou zenden in Zwolle. Daarnaast is de afspraak gemaakt dat ik eens in de veertien dagen in De Groene Weide te Leeuwarden zou komen, waar ik dan een man zou ontmoeten die als een herkenning een doos onder zijn arm had.’

Nog eenmaal zetten de Duitsers hem in een auto. ‘Ik werd op een plek ergens buiten Beilen losgelaten, met de belofte contact te houden via de SD-Leeuwarden. Het weggetje lag ongeveer driehonderd meter van de straatweg en nog droom ik wel eens van dat bevroren terrein waar ik van die twee Duitsers wegliep, elk ogenblik een kogel in mijn rug verwachtend.’ De nazi’s hielden hun wapens dit keer echter op zak. Dankzij de met Klingbeil gemaakte afspraak wist Stam niet voor het eerst zijn leven te redden. Had hij volhard in zijn ontkenningen en uitvluchten, dan was hij ongetwijfeld eveneens gefusilleerd na de aanslag op Rauter, enkele dagen later.

Anton Stam hield zich niet aan de gemaakte afspraken. Hij overnachtte in Beilen en ging toen naar Leeuwarden, waar Amy en hun dochter verbleven. Twee uur voor Anton Stam haar weer in de armen kon sluiten, vernam Amy pas dat hij was opgepakt. Stam: ‘Ze wist dit doordat Dries [Buitenhoff ten Cate] weer naar Hoogeveen was gegaan en daar vernomen had dat ik gearresteerd was. Mijn vrouw had toen twee marconisten en een baby in huis, die gedurende de tijd dat ik weg was geen geld en geen eten hadden gehad. Werkelijk een zeer teleurstellende geschiedenis.’ Samen met Amy – die opnieuw zwanger was en in shock verkeerde door zijn arrestatie –, Buitenhoff ten Cate en drie anderen dook hij de rest van de oorlog onder op het Leeuwarder adres Steinstraat 11. ‘Tot aan de bevrijding zijn wij verder niet actief geweest, behalve het verzorgen van de onderduikers en het door mij ophalen van een pistool bij een boer die het niet langer in huis durfde hebben.’ Een paar weken later konden ze eindelijk hun bevrijders begroeten.

Even daarvoor had Anton Stam nog één ontmoeting met Karl Klingbeil. ‘Kort voor de bevrijding ben ik in Leeuwarden eens gaan kijken naar de stroom van vluchtende Duitsers. Toen ik er langs liep, werd ik door een Duitser aangehouden, die mij vroeg wat ik hier moest te spioneren. Ik antwoordde dat ik de SD’er Klingbeil uit Assen zocht. De Duitser antwoordde mij dat hij Klingbeil zou roepen en hij kwam even later met Klingbeil terug. Klingbeil vroeg mij waarom ze niets meer van me hadden gehoord. Ik vertelde hem dat er niets meer te melden was geweest, waarop hij mij het beste wenste en we uit elkaar gingen.’

Anton Stam was en bleef vrij. Hij zou, alvorens samen met zijn gezinsleden een woning te huren in Zandvoort, nog enkele maanden zijn intrek nemen in het ouderlijk huis te Zaandam. Klingbeil werd kort na de Duitse capitulatie gevangen genomen en voor de rechter gebracht. Hij werd eind 1948 buiten vervolging gesteld, omdat zijn misdrijven niet ernstig zouden zijn, hij het verzet had geholpen en al jaren in bewaring had gezeten.

Oorlogsuitkering

Pas in de jaren tachtig vertelde Anton Stam min of meer openlijk, in een voor de familie bestemd genealogisch boekje, beknopt over zijn oorlogservaringen. Hij had zich tot dan vooral gericht op zijn werk bij de KLM en zijn gezin. Bij gebrek aan getuigenissen kostte het hem zelfs moeite om een oorlogsuitkering te krijgen. Naarmate zijn vrouw en hij ouder werden, spookten de jaren 1940-’45 steeds vaker door hun hoofden. Hun dochter Amy: ‘Op het eind van zijn leven lag hij te malen in bed. Alles kwam terug. En mijn moeder voelde zich achtervolgd en vertrouwde niemand meer. Helemaal toen mijn vader overleden was. Ze verving alle deursloten en ik mocht er ook niet meer in. Ze meende dat haar kleindochter, schoonzoon en ik gevaarlijk waren en haar wilden vermoorden. Heel verdrietig.’ Het echtpaar vertrouwde elkaar wel tot het laatst. Amy: ‘Hun onderlinge band bleef erg sterk. Hij heeft altijd voor haar gezorgd en liet haar nooit in de steek.’

Anton Stam overleed op 9 januari 1998, zijn echtgenote elf maanden later.

Een sterk vermagerde Anton Stam, kort na de bevrijding

Gedicht

Op 12 september 1942 stuurde Anton Stam vanuit Zwitserland een gedicht naar zijn verloofde Amy Duif (die hij op de envelop aanduidde als mevrouw ‘Pigeon’).

Wacht op me, ik kom terug
wacht, wacht toch nog
wacht, wanneer je treurig bent
en als de regen langzaam valt
wacht op me, ik kom terug.

wacht op me, ik kom terug
de dood zal mij niet vinden kunnen
en als ze zeggen: hij heeft geluk gehad
zullen ze dan begrijpen
dat het alleen jouw wachten was dat me redde?
och wacht op me, ik kom terug.

Door BS-officier V. de Bie geschreven getuigschrift, 17-5-1945

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij de hulp van Sierk Plantinga en Amy Stam.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.